Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verloop van geding Verenigde Tankrederij Holding

Datum nieuwsfeit: 23-03-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Gerechtshof Amsterdam


GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

BESCHIKKING
van 23 maart 2000 in de zaak onder rekestnummer 126/2000 OK van:
DE ONDERNEMINGSRAAD VAN DE BESLOTEN VENNOOTSCHAP MET BEPERKTE AANSPRAKELIJKHEID
VERENIGDE TANKREDERIJ HOLDING B.V.
,
gevestigd te Rotterdam,
vertegenwoordigd door zijn voorzitter W. van de Veen, VERZOEKER
,
procureur en advocaat: Mr P.L.J. Bosch,

t e g e n

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VERENIGDE TANKREDERIJ HOLDING B.V.
,
gevestigd te Rotterdam,
VERWEERSTER
,
procureur: Mr L.P. Broekveldt,
advocaten: Mr V. Disselkoen en Mr T.J.C.M. Broekman.

1. Het verloop van het geding


1.1 Bij op 9 februari 2000 onder nummer 126/2000 OK ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met elf producties heeft de ondernemingsraad van Verenigde Tankrederij Holding B.V., hierna ook de OR te noemen, de Ondernemingskamer verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren dat Verenigde Tankrederij Holding B.V., hierna ook de ondernemer of VTR te noemen, bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot het besluit van
13 januari 2000 tot verkoop van de aandelen VTR aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Atlantic Horizon B.V. heeft kunnen komen, de ondernemer te verplichten het besluit in zijn geheel in te trekken en -zowel ten gronde als bij wege van voorlopige voorziening- de ondernemer te verbieden handelingen te verrichten ter uitvoering van het besluit.


1.2 Bij op 29 februari 2000 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met achtentwintig producties heeft VTR de verzoeken van de OR bestreden en de Ondernemingskamer verzocht de OR in zijn verzoeken niet ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken af te wijzen.


1.3 De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 9 maart 2000. De advocaten van partijen hebben de standpunten van partijen toegelicht, zulks wat Mr Bosch betreft aan de hand van aan de Ondernemingskamer overgelegde pleitnotities. Mr Bosch heeft nog zeven producties in het geding gebracht en Mr Disselkoen en Mr Broekman hebben nog één productie in het geding gebracht.


1.4 Ter terechtzitting heeft de Ondernemingskamer bij wege van ordemaatregel de ondernemer verboden over te gaan tot uitvoering van het bestreden besluit zolang de Ondernemingskamer nog niet heeft beslist op de verzoeken van de OR. De Ondernemingskamer heeft daarbij de uitspraak ten gronde bepaald op heden.


1.5 De stukken van het geding, waaronder voormelde pleitnotities, gelden als hier herhaald en ingelast.


2. De vaststaande feiten


2.1 VTR is de holdingvennootschap van een groep vennootschappen die zich bezig houdt met binnentankvaart. De groep waartoe VTR behoort verricht vervoer van bunkerolie en stookolie en van chemicaliën en smeerolieën. De OR is ingesteld als ondernemingsraad van VTR en haar (klein)dochtervennootschappen Verenigde Tankrederij B.V., Verenigde Tankrederij Mineralen B.V., Verenigde Tankrederij Personnel Services B.V., Verenigde Tankrederij Chemie B.V. en Verenigde Tankrederij Lubricants B.V.. In Verenigde Tankrederij B.V. zijn ruim 200 personen werkzaam, van wie circa 180 op de vloot. Op de arbeidsovereenkomsten met het vlootpersoneel is de CAO Verenigde Tankrederij van toepassing.

2.2 De aandelen in VTR worden voor 69% gehouden door Sprietlaeck B.V., een vennootschap waarin de bestuurder van VTR, B.C. Fock, de aandelen houdt, voor 21% door de Stichting Administratiekantoor Verenigde Tankrederij Holding en voor 10% door VTR zelf. Door middel van de stichting participeren onder anderen werknemers -als certificaathouders- in het kapitaal van VTR.


2.3 De resultaten van VTR staan sinds enige jaren onder druk. Met het oog op resultaatverbetering heeft de ondernemer eind 1998/begin 1999 een herstructureringsplan onder de naam "Strategisch Plan 1999" gepresenteerd. Om de doelstellingen van dit plan te realiseren zouden onder meer vijf stookolieschepen worden verkocht aan Zwaans van den Heuvel Tankvaart B.V.. De OR heeft, naar aanleiding van een adviesaanvraag dienaangaande van medio december 1998, op 13 juli 1999
-onder het stellen van voorwaarden- positief geadviseerd over de verkoop van de vijf stookolieschepen en de herstructurering van VTR.

2.4 In de overlegvergadering van 9 september 1999 heeft de ondernemer met de OR gesproken over de moeilijke situatie waarin VTR zich bevond, onder meer samenhangend met de omstandigheid dat de omzet over 1999 achterbleef bij de verwachtingen. In de overlegvergadering van 11 oktober 1999 heeft de ondernemer een (nieuw) reorganisatieplan gepresenteerd. Dit reorganisatieplan voorzag onder meer in -kort gezegd- inkrimping van de kantoororganisatie en reductie van het vlootpersoneel (stap 1) en in aanpassing van de bedrijfs-CAO aan de branche-CAO, nieuwbouw en het openstaan voor samenwerking of fusie met collega-vervoersbedrijven (stap 2).


2.5 Het personeel van VTH heeft tijdens een door de OR georganiseerde vergadering op 26 oktober 1999 het reorganisatieplan unaniem afgewezen. Vervolgens heeft de OR zich op het standpunt gesteld dat, nu niet meer werd voldaan aan alle voorwaarden die waren verbonden aan het advies dienaangaande van medio juli 1999, de verkoop van de vijf stookolieschepen aan Zwaans van den Heuvel Tankvaart B.V. ongedaan diende te worden gemaakt.


2.6 In een op 29 oktober 1999 gedateerd schrijven hebben de vakverenigingen aan de bij VTR werkzame vakbondsleden bericht dat de OR een procedure overwoog ten einde te bereiken dat de vijf stookolieschepen zouden worden teruggekocht, voor welke terugkoop de financiële middelen zouden ontbreken, zodat betalingsproblemen zouden ontstaan, de bank surséance zou aanvragen en de bewindvoerder mogelijk op zoek zou kunnen gaan naar een koper van de onderneming.

2.7 Bij brief van 2 november 1999 heeft de ondernemer de werknemers bericht dat (de uitvoering van) het reorganisatieplan werd stopgezet. De ondernemer heeft dit in de overlegvergadering van 3 november 1999 ook aan de OR meegedeeld.


2.8 Op 7 december 1999 heeft de ondernemer de OR advies gevraagd met betrekking tot de voorgenomen -medewerking aan- de verkoop van de aandelen in VTR aan Atlantic Horizon B.V.. Deze adviesaanvraag is mede ondertekend door de directie van Atlantic Horizon B.V.. De adviesaanvraag is besproken en toegelicht in de overlegvergadering van
7 december 1999.


2.9 Vervolgens hebben op diverse data in december 1999 gesprekken plaatsgevonden tussen -in wisselende samenstelling- de OR, de ondernemer, de directie van Atlantic Horizon B.V. en de vakverenigingen. Het gesprek tussen de vakverenigingen en het bestuur van VTR en van Atlantic Horizon B.V. op 17 december 1999 is uitgemond in een conflict. Na die datum heeft geen -officieel- overleg meer plaatsgevonden.


2.10 Bij brief van 21 december 1999 heeft de OR de ondernemer bericht dat hij nog geen advies kon uitbrengen omdat hij enkele belangrijke zaken -zoals in die brief weergegeven- nog niet kon beoordelen. Bij brief van 27 december 1999 heeft de OR nog om inzage gevraagd in enkele stukken. De ondernemer heeft bij brief van 30 december 1999 gereageerd op de brief van 21 december 1999.


2.11 Op 7 januari 2000 heeft de OR negatief geadviseerd ten aanzien van het voorgenomen besluit en de ondernemer geadviseerd op zoek te gaan naar alternatieven voor de overname van de aandelen in VTR door Atlantic Horizon B.V..


2.12 Op 13 januari 2000 heeft de ondernemer het -in deze procedure bestreden- besluit overeenkomstig zijn voorgenomen besluit genomen.

2.13 Bij brief van 31 januari 2000 heeft de OR de ondernemer verzocht het besluit in te trekken. De ondernemer heeft niet aan dit verzoek voldaan, maar heeft toegezegd tot uiterlijk 16 maart 2000 geen uitvoering aan het besluit te zullen geven.


3. De standpunten van partijen


3.1 De OR en de ondernemer zijn het erover eens dat, gezien de noodzaak om grote investeringen te doen waartoe VTR alleen niet in staat is, VTR aansluiting dient te zoeken bij een derde partij. De OR heeft aangevoerd tot medio december 1999 niet afwijzend te hebben gestaan tegenover een overname van de aandelen in VTR door Atlantic Horizon B.V., maar sindsdien ernstig te betwijfelen of Atlantic Horizon B.V. de juiste partner is. De OR heeft voorts aangevoerd nog onvoldoende duidelijkheid te hebben over een aantal belangrijke aspecten van de beoogde transactie en daardoor niet in staat te zijn te beoordelen of de overname in het belang is van VTR en haar werknemers. Die belangrijke aspecten betreffen de financiële situatie van Atlantic Horizon B.V., de structuur van de organisatie van Atlantic Horizon B.V., de vraag of Atlantic Horizon B.V. de noodzakelijke investeringen in VTR ook daadwerkelijk zal doen alsmede de situatie zoals die na de overname zal bestaan met betrekking tot medezeggenschap en de arbeidsvoorwaarden. De OR heeft zich ten slotte op het standpunt gesteld dat er -te prefereren- alternatieven voor een overname van de aandelen in VTR door Atlantic Horizon B.V. voorhanden zijn.


3.2 De ondernemer heeft betoogd dat Atlantic Horizon B.V. de juiste partner voor VTR is en dat een -beter- alternatief voor de beoogde overdracht van de aandelen in VTR niet voorhanden is. De ondernemer heeft voorts gesteld dat de OR over alle relevante informatie met betrekking tot Atlantic Horizon B.V. had kunnen beschikken, maar er voor heeft gekozen de aangeboden informatie niet te willen ontvangen.

4. De gronden van de beslissing


4.1 Blijkens zijn brief van 21 december 1999 aan de ondernemer en hetgeen is betoogd ter terechtzitting, bestaat bij de OR nog geen duidelijkheid op een aantal belangrijke onderdelen met betrekking tot de beoogde overname van de aandelen in VTR door Atlantic Horizon B.V.. Deze onderdelen betreffen de financiële situatie en de organisatiestructuur van Atlantic Horizon B.V., de vraag of investeringen zullen plaatsvinden bij VTR of bij haar toekomstige zustervennootschappen, de situatie ten aanzien van de medezeggenschap na de overname en de arbeidsvoorwaarden die na de overname zullen gelden.


4.2 Deze onderdelen zijn voor de beoordeling van een (voorgenomen) besluit als het onderhavige alle zodanig essentieel dat zij in een adviesprocedure als waarvan hier sprake is voldoende duidelijk en gedetailleerd aan de orde dienen te komen. Over deze onderdelen is
-dan ook- in het overleg tussen de OR, de ondernemer, de vakverenigingen en het bestuur van Atlantic Horizon B.V. van gedachte gewisseld. De in dit geding te beantwoorden vraag is echter of in die gedachtewisselingen de bij de OR levende vragen adequaat zijn beantwoord, onderscheidenlijk of de ondernemer de OR voldoende van informatie heeft voorzien met het oog op het door de OR uit te brengen advies.


4.3 Met betrekking tot de financiële situatie van Atlantic Horizon B.V. heeft de ondernemer in diverse besprekingen met de OR verklaard dat "Atlantic een rijk bedrijf is" dat "geen schuld heeft". In zijn brief van 30 december 1999 heeft de ondernemer de OR voorts meegedeeld: "In financieel opzicht weten wij dat Atlantic zeer succesvol is en voldoende middelen heeft om de schepen goed te onderhouden en op tijd nieuwbouw te plegen". Soortgelijke uitlatingen zijn ook gedaan door het bestuur van Atlantic Horizon B.V. in besprekingen met de OR en de vakverenigingen. Er zijn echter -ondanks daartoe strekkende verzoeken- onvoldoende bescheiden aan de OR ter hand gesteld op basis waarvan de OR de juistheid van dergelijke uitlatingen kon verifiëren of waaruit de juistheid ervan kon worden afgeleid.


4.4 Met betrekking tot de organisatiestructuur van Atlantic Horizon B.V. heeft de ondernemer volstaan met overhandiging aan de OR van een
-Engelstalige- brochure over de "Atlantic Horizon Group" en van een organogram van de "Atlantic Horizon Group", gedateerd 26 november 1999 en ondertekend door een lid van het bestuur van Atlantic Horizon B.V.. Uit dat organogram blijkt echter niet dat, zoals VTR heeft doen stellen, Atlantic Horizon B.V. een 100% dochtervennootschap is van Atlantic Sea Oil (ASO) N.V., zoals wel zou volgen uit de brief van 1 maart 2000 van A.J.M. van Leeuwen RA aan VTR, welke brief als bijlage is gevoegd bij de brief van 29 februari 2000 van VTR aan de OR. Het bedoelde schema bevat verder gegevens die afwijken van de gegevens in de toelichting op de gepubliceerde jaarrekening van VTR per ultimo
1999; zonder nadere toelichting, die ontbreekt, zijn deze afwijkingen niet duidelijk. Dat betreft Oost Atlantic Lijn B.V. en Hoek van Holland B.V.. De stelling van de OR dat gedurende de adviesprocedure geen duidelijkheid is verstrekt over de organisatiestructuur van de "Atlantic Horizon Group" komt dan ook reeds daarom juist voor.

4.5 Ook ten aanzien van de vraag of door Atlantic Horizon B.V. wel de voor VTR noodzakelijke investeringen gedaan zullen worden, nota bene de achterliggende reden van VTR om naar een financieel sterke partner uit te zien, is de OR in het ongewisse gelaten. In de brief van 20 december 1999 heeft de ondernemer daaromtrent immers slechts -zeer- vage informatie verstrekt, hetgeen te minder aanvaardbaar kan worden geacht nu voor de OR ook geheel onduidelijk is gebleven welke plannen Atlantic Horizon B.V. met (de activiteiten van) VTR heeft.

4.6 Ook de stelling van de OR dat hij ten aanzien van de situatie inzake de medezeggenschap na overname van de aandelen in VTR door Atlantic Horizon B.V. in het vage is gelaten komt aannemelijk voor. De ondernemer heeft in het overleg met de OR aangegeven dat "Atlantic heeft verklaard te zullen streven naar een gemeenschappelijke OR voor haar soortgelijke dochterondernemingen", maar heeft geen stukken overgelegd waaruit een concrete toezegging op dit punt kan worden afgeleid. Dit gebrek aan duidelijkheid dienaangaande en aan concrete
-schriftelijke- afspraken onderscheidenlijk toezeggingen klemt temeer tegen de achtergrond dat omtrent de thans bij de "Atlantic Horizon Group" bestaande medezeggenschapsstructuur niets bekend is, behalve dat een ondernemingsraad niet is ingesteld. Aannemelijk is dat dat laatste op gespannen voet staat met de -strekking van de- Wet op de ondernemingsraden. Voorts heeft de OR op goede gronden betoogd dat het
-waarschijnlijke- ontbreken van een structuur van medezeggenschap bij Atlantic Horizon B.V. te meer vraagtekens oproept omdat bij haar ook geen Raad van Commissarissen is ingesteld die toezicht houdt op het bestuur van Atlantic Horizon B.V..


4.7 Voorts geldt ook ten aanzien van vraag welke arbeidsvoorwaarden na de beoogde overname van de aandelen VTR door Atlantic Horizon B.V. zouden gaan gelden, dat aan de OR weinig (concrete) informatie is vertrekt. De ondernemer heeft niet duidelijk gemaakt welk beleid Atlantic Horizon B.V. in dit opzicht voor ogen staat. Aan de OR had ook op dit punt meer duidelijkheid moeten worden verstrekt, in het bijzonder in het licht van de afloop van de bedrijfs-CAO van Verenigde Tankrederij B.V. per 1 april 2000.


4.8 Voorzover het betoog van de ondernemer aldus moet worden begrepen dat hij niet in staat was de door de OR gevraagde informatie te verstrekken omdat hij er zelf niet over beschikte, heeft te gelden dat de ondernemer daardoor niet is ontslagen van zijn verplichting de ondernemingsraad naar behoren in te lichten. Dit wordt niet althans niet zonder méér anders in het geval dat de onmogelijkheid de informatie te verschaffen het gevolg is van een weigering van de beoogde overnemer de noodzakelijke informatie te verstrekken. In het onderhavige geval geldt immers dat de door de OR gevraagde informatie zozeer van wezenlijk belang was voor een goede oordeelsvorming dat deze informatie niet -bijvoorbeeld met een beroep op concurrentiegevoeligheid- mocht worden achtergehouden en voorts dat de ondernemingsraad verplicht kan worden tot geheimhouding van vertrouwelijk verstrekte informatie.


4.9 Voorzover het betoog van de ondernemer inhoudt dat de OR zelf heeft laten weten geen behoefte te hebben aan -meer- informatie dan reeds was verstrekt, geldt dat de OR die stelling gemotiveerd heeft betwist. Gelet op het verschil van inzicht tussen partijen over hetgeen dienaangaande is besproken tussen de gedelegeerd commissaris van VTR en de extern adviseur van de OR en gezien het verzoek van de OR om meer informatie zoals verwoord in zijn brief aan VTR van 21 december 1999 is de hier besproken stelling van de ondernemer niet aannemelijk geworden. Tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de OR is voorts ook niet aannemelijk geworden de stelling van VTR dat het bestuur van Atlantic Horizon B.V. de OR heeft aangeboden dat hij nadere informatie over de financiële situatie van Atlantic Horizon B.V. kon inwinnen bij haar bankier. Derhalve moet ook het betoog van de ondernemer worden gepasseerd dat de OR het -deels- aan zichzelf te wijten heeft dat hij niet over voldoende informatie beschikte om het (voorgenomen) besluit tot (medewerking aan de) overname van de aandelen in VTR door Atlantic Horizon B.V. te kunnen beoordelen en daarover te kunnen adviseren.


5. De slotsom


5.1 Uit het vorenoverwogene volgt dat de ondernemer de OR essentiële informatie heeft onthouden. Daardoor is het in de Wet op de ondernemingsraden verankerde recht van advies van de OR wezenlijk aangetast. Dat betekent dat de ondernemer bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet tot het bestreden besluit heeft kunnen komen en dat de verzoeken van de OR voor toewijzing vatbaar zijn.


5.2 Bij die stand van zaken behoeven de stellingen van de OR omtrent het al of niet voorhanden zijn van alternatieven voor een overname van de aandelen in VTR door Atlantic Horizon B.V. en omtrent de positie van de certificaathouders bij die overname geen beoordeling.

6. De beslissing

De Ondernemingskamer:

verklaart voor recht dat Verenigde Tankrederij Holding B.V. bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot het besluit van 13 januari 2000 tot -medewerking aan de- verkoop van de aandelen Verenigde Tankrederij Holding B.V. aan Atlantic Horizon B.V.;

verplicht Verenigde Tankrederij Holding B.V. het besluit in zijn geheel in te trekken en alle gevolgen ervan ongedaan te maken;

verbiedt Verenigde Tankrederij Holding B.V. handelingen te verrichten ter uitvoering van het besluit;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr Willems, voorzitter, mr Visser en mr Arisz, raadsheren, Bunt en mr Timmermans, raden, in tegenwoordigheid van mr De Vries, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 maart 2000 door mr Willems voornoemd in tegenwoordigheid van mr Keus, griffier.

coll.:

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie