Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag algemeen overleg JBZ-raad

Datum nieuwsfeit: 23-03-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Verslag algemeen overleg jbz-raad

Gemaakt: 4-4-2000 tijd: 11:2


6

OSV41 d.d. 23 maart 2000


VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 28 maart 2000

De vaste commissies voor Justitie en voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hebben op donderdag 23 maart 2000 overleg gevoerd met minister Korthals en staatssecretaris Cohen van Justitie over de JBZ-raad.

Van het overleg brengen de commissies bijgaand stenografisch verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

Van Heemst

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

De Cloe

De griffier van de vaste commissie voor Justitie,

Pe


**

Voorzitter: Duijkers

Aanwezig zijn 6 leden der Kamer, te weten:

Van Oven, Weekers, De Haan, Halsema, Hoekema en Duijkers,

alsmede de heren Korthals, minister van Justitie, en Cohen, staatssecretaris van Justitie, die vergezeld zijn van enkele ambtenaren van hun ministerie.


**

Aan de orde is de behandeling van:


- de geannoteerde agenda voor de JBZ-Raad d.d. 27 maart 2000 (23490, nr. 151);


- de aanvulling op de geannoteerde agenda voor de JBZ-Raad van 27 maart 2000 met enige nieuwe documenten;


- het verslag van de informele bijeenkomst van de JBZ-Raad in Lissabon op 3 en 4 maart 2000;


- de brief van de ministers van Justitie en van BZK d.d. 12 januari
2000 t.g.v. onder meer het verslag van de JBZ-Raad van 2 december 1999 (23490, nr. 148);


- de brief van de minister van Justitie d.d. 6 december 1999 inzake onderzoek naar noodzaak om de burgerlijke wetboeken van de lidstaten te harmoniseren (J99-950);


- de mededeling aan de Raad en het Europees Parlement over de voor burgers van de Unie geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid (22112, nr. 139, fiche 2).

De heer Van Oven (PvdA): Voorzitter! Ik begin met de gebruikelijke mededeling over de toezending van de stukken. Op 21 maart, twee dagen geleden, hebben wij een aanvulling ontvangen. Een aantal stukken dat ons daarbij bereikt heeft dateert van lang geleden en het is dus niet helder waarom ze ons pas nu bereiken. Ik breng opnieuw de motie van 1 juli jl. in herinnering waarin om een betere informatievoorziening is gevraagd. Wij naderen het moment waarop de motie haar eerste verjaardag zal beleven, zonder dat van een merkbare uitvoering sprake is geweest. Opnieuw stel ik de vraag hoe het met dit onderwerp staat. Is de regering bereid om dit daadwerkelijk op de agenda van de JBZ-raad zelf te zetten en het niet aan het voorzitterschap over te laten? Het mag niet worden weggeschoven naar ondersteunende comités. Het moet prominent aan de orde komen en er moet een deugdelijke besluitvorming op volgen. Overigens volgt uit die motie wat mijn fractie betreft zonder meer dat wij niet willen meewerken aan punt 2h, verbetering van de informatie-uitwisseling ter bestrijding van volledig valse reisdocumenten, aangezien wij de documenten niet op tijd hebben ontvangen.

Bij punt 3 gaat het om de bescherming van slachtoffers. Dit slaat terug op de mededeling van de Commissie van juli vorig jaar. De PvdA-fractie gaat akkoord met de Nederlandse inbreng, maar het is de vraag of het hierbij kan blijven. Is niet te verwachten dat feitelijk meer van Nederland zal worden gevergd dan tot nu toe wettelijk wordt gepresteerd? Met andere woorden, voldoet de regeling van artikel 51a Wetboek van Strafrecht, de wet-Terwee, aan datgene wat de mededeling vermeldt? Ik denk aan de toegang tot de rechter, maar ook aan de gefinancierde rechtsbijstand aan slachtoffers die zich in een strafproces willen voegen en aan de rechten op schadevergoeding van nabestaanden van slachtoffers niet zijnde eerstegraadsnabestaanden. De PvdA-fractie heeft eerder op dit punt de aandacht gevestigd. In september 1999 is een notitie toegezegd over slachtoffers in het strafproces. Wanneer komt die notitie er en wordt de Europese problematiek daarbij betrokken?

Onder punt 4 hebben wij het scorebord eindelijk gepresenteerd gekregen. Wij blijven bij de opmerking dat het laat is, vier maanden na Tampere. Er is een groot aantal vragen te stellen over de asielprocedure, over het opstellen van minimumnormen voor de procedures ten behoeve van het toekennen van de vluchtelingenstatus. Is het tijdsbestek tussen het uitkomen van de studie over die ene asielprocedure niet erg kort, ook als wij dat afzetten tegen de wenselijkheid om te komen tot één vluchtelingenstatus? Dat zou in april 2001 moeten gebeuren. Gaat het niet erg snel in elkaar over? De gezinshereniging stond gepland voor december 1999. Wat is de stand van zaken daaromtrent? Hoe staat het met de uitbreiding van de bevoegdheden van Europol in verband met de gemeenschappelijke teams? Ik stel die vraag mede in verband met het rechtshulpverdrag dat voorligt, waarin, verrassenderwijs, is geregeld dat functionarissen die in dienst zijn van een organisatie die op basis van het verdrag inzake de EU is opgericht, van de gemeenschappelijke teams deel kunnen uitmaken. Wordt hiermee getracht om zonder een aanvullende bevoegdheidsbasis in het Europol-verdrag zelve een directe opsporingsbevoegdheid voor Europol-functionarissen te creëren? Als dat de bedoeling zou zijn, is dat in strijd met het Verdrag van Amsterdam. Ik kan mij dat dus ook niet voorstellen. Voor de zekerheid vraag ik naar de stand van zaken en planning ten aanzien van die aanvullende rechtsbasis.

Onder 5 is het kaderbesluit valsemunterij aan de orde. Het gaat om een ontwerpregeling, terwijl mijn fractie zich eerder voor een verdrag heeft uitgesproken. In oktober hebben wij hier vrij uitgebreid over gesproken. Het belemmert feitelijk de medewetgevende taak van het parlement als er een verstrekkend kaderbesluit wordt genomen dat de contouren van de wetgeving vastlegt. In dat verband heb ik gevraagd of, wanneer zo'n ontwerpkaderbesluit dwingt tot aanpassing van de wet, bij het presenteren ervan tegelijkertijd voor te leggen wat het inhoudt voor de wet. In een laat stadium heb ik daar in een aanvullend schrijven om gevraagd. Ik heb het niet meer zien passeren, dus ik vraag de regering hoe het ermee staat.

Wat de gemeenschappelijke teams betreft, agendapunt 6, is mijn fractie het eens met de lijn van de regering om het functioneren en de werkwijze in het rechtshulpverdrag vast te leggen. Zal de regering aan dat voornemen vasthouden?

Inzake agendapunt 7, wederzijdse rechtshulp in strafzaken, vraag ik naar de voorziene taakverzwaring van het Hof van Justitie. Hoe staat het met de inzet van de Nederlandse regering bij de intergouvernementele conferentie inzake de taakuitbreiding van het Hof van Justitie?

Voor agendapunt 8 heeft mij geen document bereikt.

Minister Korthals: Dat is ook van de agenda afgevoerd.

De heer Van Oven (PvdA): Agendapunt 9 betreft het voorkomen en beheersen van de georganiseerde misdaad. Wordt nog op enigerlei wijze studie verricht naar een Europees openbaar ministerie? In Tampere heeft dit punt het niet met zoveel woorden gehaald. De minister heeft echter opgemerkt dat het op de achtergrond blijft spelen. Kan dat via dit agendapunt nog worden binnengehaald?

Ik kom op agendapunt 10, de evaluatie van de landenrapportages inzake Tsjechië en Hongarije, de kandidaat-leden. In de beslotenheid van de Kamerkelder hebben wij deze vertrouwelijk kunnen inzien. Wat ik gelezen heb, heeft mij niet onmiddellijk gerustgesteld wat betreft de onmiddellijke aansluiting van de landen op het gebied van de derde pijler. Het is de vraag of de regering dit standpunt deelt en evengoed krachtig zal vasthouden aan de eis dat de landen ten volle aan het derdepijleracquis voldoen voordat zij kunnen toetreden.

Voorzitter! Ik maak één opmerking over het Europees vluchtelingenfonds. Zijn de criteria naar het oordeel van de regering nog niet concreet genoeg en, zo nee, wat ontbreekt er dan aan? Wij zien dit fonds graag totstandkomen, omdat wij denken dat het zonder het fonds wel heel moeilijk zal zijn om überhaupt tot een gemeenschappelijk Europees asielbeleid te besluiten. Wij zouden graag zien dat de Nederlandse regering hierin een positief standpunt inneemt. Kan ook iets worden gezegd over de opstelling van andere lidstaten en de kansen op verwezenlijking?

Ik kom op het verslag van de informele bijeenkomst van 3 en 4 maart. Het is interessant dat bij punt 6, politieassistentie bij niet-militair crisismanagement, de heer Solana aanwezig is geweest. Eindelijk is de pijleroverstijgende aanpak in zicht gekomen. Solana heeft opgeroepen tot het in het leven roepen van een mechanisme voor niet-militair crisismanagement in aanvulling op de inzet van militair personeel. Hij heeft het daarbij kennelijk over een mechanisme op grond waarvan snel besloten kan worden om politiepersoneel in te zetten. Het is teleurstellend dat het voorzitterschap heeft gereageerd met een seminar in mei 2000, terwijl wij hoopten op concrete toezeggingen. Het is de vraag hoe deze discussie zich heeft afgespeeld en wat de Nederlandse regering heeft ingebracht.

In de brief van 6 december gaat het over de eenmaking van burgerlijke wetboeken. Deze brief blijft vragen oproepen. De minister zegt dat naar zijn mening eerst een aantal voorvragen moet worden beantwoord, namelijk over het instrument van harmonisatie van burgerlijk recht. Moet er een eenvormige wet komen of is harmonisatie via één of meer verordeningen of verdragen wenselijk? Kan men volstaan met het formuleren van een aantal beginselen van burgerlijk recht? Die voorvragen gaan logisch gezien niet vooraf aan de studie naar de noodzaak van de eenmaking van het burgerlijk recht, zoals in aanbeveling 39 van Tampere is geformuleerd. De minister acht het van belang dat de thans gestarte studie zich allereerst richt op beantwoording van deze voorvragen. Is hij daarmee eigenlijk niet een stap te ver, omdat eerst de noodzaak moet worden bestudeerd? De vraag is ook op welke wijze het gaat gebeuren. Ik begrijp dat de Raad dat gaat doen. Wat stelt de Nederlandse regering zich voor om daaraan bij te dragen?

De heer Weekers (VVD): Voorzitter! Ik vervang mijn collega Vos, die op dit moment waarnemer is bij de verkiezingen in Rusland. Dat brengt mij meteen op mijn eerste punt, de samenwerking met de Russische Federatie. Op welke wijze werkt Nederland op dit moment samen met de Russische Federatie. Kan daar wat meer over gezegd worden? De samenwerking in EU-verband is er mede op gericht dat de justitiële autoriteiten van Rusland aandacht kunnen besteden aan prioritaire zaken. Waar ligt de prioriteit voor Nederland in relatie tot de Russische Federatie? In hoeverre zal uitwisseling van politie- en justitie-informatie mogelijk worden?

Ik kom op agendapunt 2h. De heer Van Oven heeft gezegd dat hij dit niet wil behandelen. Het gaat om de verbetering van de informatie-uitwisseling ter bestrijding van volledig valse reisdocumenten. Er wordt gesproken over amendementen van het Europees Parlement die niet worden overgenomen, omdat de Raad deze niet verenigbaar acht met de door hem voorgestelde rechtsgrondslag van het besluit. Ik vraag de minister of hij kan ingaan op de materiële inhoud van de amendementen. Tegelijkertijd zou ik graag het standpunt van de Nederlandse regering willen weten. Ik denk dan enerzijds aan de materiële inhoud van de amendementen en anderzijds aan het formele argument. Het is de vraag of de amendementen ter zijde worden geschoven omdat wij ze ook materieel niet ondersteunen en het formele argument daarbij een handig middel is. Of is het gewoon een competentieconflict tussen enerzijds Raad en anderzijds Commissie en Parlement?

Ik kom op de B-punten. Het derde punt betreft de bescherming van slachtoffers in de Europese rechtsruimte. Het lijkt erop dat in de Europese Unie verschil wordt gemaakt tussen eigen ingezetenen en toeristen als zij slachtoffer zijn van misdrijven. In welk land wordt dat onderscheid gemaakt? Moeten daarvoor aanvullende regels worden gesteld of zouden wij de algemene rechtsbeginselen en verdragen kunnen gebruiken om aan die mogelijke discriminatie een einde te maken?

Collega Van Oven heeft al een aantal vragen gesteld over het scorebord. Het wordt ongetwijfeld een heel belangrijk instrument. Houdt Nederland ook een eigen scorebord bij om te bezien hoe de Nederlandse verplichtingen alhier worden nagekomen?

De heer Hoekema (D66): Misschien kunt u dat aan de heer Kamp vragen, want die heeft altijd kaartjes bij zich met alle gegevens.

De heer Weekers (VVD): De heer Kamp vertegenwoordigt echter niet de Nederlandse regering.

Agendapunt 5 betreft het ontwerp van een kaderbesluit tot versterking van een strafrechtelijk kader voor de bescherming tegen valsemunterij met het oog op het in omloop brengen van de euro. De Nederlandse regering heeft voorgesteld om de deadline voor de implementatiewetgeving met een aantal maanden te verlengen. Dit lijkt mij logisch. Wel wil ik de minister vragen of de invoeringswetten voor het tegengaan van valsemunterij tijdig voor de invoeringsdatum van de chartale euro geïmplementeerd kunnen worden.

Heeft Nederland voldoende capaciteit voor de in agendapunt 6 genoemde gezamenlijke onderzoekteams? In het verleden zijn nogal eens wat rechtshulpverzoeken blijven liggen. Wellicht kan de minister hierop ingaan.

Agendapunt 7 betreft wederzijdse rechtshulp. Bij de uitvoering van rechtshulpverzoeken zal rekening worden gehouden met in de verzoekende staat geldende procedurele eisen. Wat betekent dit voor het geval de procedurele eisen in de verzoekende staat lichter zijn dan in de ontvangende staat? Welke waarde zal in Nederland worden toegekend aan verhoor per teleconferentie of videocamera?

Agendapunt 19d behelst de bestrijding van drugshandel in het kader van samenwerking met kandidaat-lidstaten. De premier van het Verenigd Koninkrijk heeft dit punt aan de agenda toegevoegd. Hij heeft aangegeven te willen komen tot de invoering van minimumstraffen voor drugsdelicten. Deze straffen moeten zwaar zijn en overal gelijk, zo volgt uit de geannoteerde agenda. Wat betekent dit voor het Nederlandse beleid dat in tegenstelling tot dat van andere landen onderscheid maakt tussen de markt van softdrugs en die van harddrugs? Wat is het Nederlandse standpunt, als het gaat om minimumstraffen, de zwaarte van de straffen en de gelijkheid daarvan? Hoe verhoudt deze stellingname van Blair zich tot de Nederlandse wet waarin alleen maar maximumstraffen zijn opgenomen? En hoe verhoudt dit zich tot het opportuniteitsbeginsel?

De heer Hoekema (D66): Voorzitter! Uit het feit dat de heer Weekers deze vraag aan de regering stelt, maak ik op dat hijzelf, sprekend namens de VVD-fractie, geen voorstander is van de lijn van Blair. Dat mag ik ook hopen.

De heer Weekers (VVD): Voorzitter! Wij hebben in Nederland een bepaald beleid en dat is nog niet gewijzigd. Vooralsnog steunen wij het beleid, zoals het er nu ligt. Wij weten dat de minister bezig is met een nota. Wij wachten die af. In het licht van dit agendapunt en de toelichting daarop wil ik echter graag van de minister weten hoe hij een en ander ziet. Daarna kunnen wij hier verder over praten. Kan de minister een overzicht verschaffen -- dat hoeft niet nu te gebeuren; dat kan ook later schriftelijk worden gegeven -- van de onderscheiden drugsdelicten en de bijbehorende vaste of maximumstraffen in de EU-landen? Dan weten wij ook beter waar wij over praten.

Ik heb nog enkele vragen over het verslag van de JBZ-raad van 2 december. Wat is de essentie van de overeenkomst op het gebied van de interceptie waarover overeenstemming is bereikt? Dit was agendapunt 4. Wat agendapunt 12 betreft, wil ik weten wat de Commissie met betrekking tot de gezinshereniging heeft voorgesteld.

Ik plaats een vraagteken bij de noodzaak van harmonisatie van het civiele recht in de Europese Unie. Ik noem een voorbeeld uit de Benelux. Onder die vlag is uitsluitend de eenvormige wet voor modellen en merken tot stand gekomen. Ik heb niet de indruk dat het handelsverkeer tussen België en Nederland door afwijkingen in het civiel recht wordt belemmerd. Het handelsverkeer zou veeleer belemmerd kunnen worden door grote verschillen in civiel procesrecht en stroperige procedures. Wanneer iemand net over de grens gedagvaard moet worden, dan moet dat nu via de diplomatieke weg gebeuren. Dat kost drie maanden, terwijl er voor België ook een lokale deurwaarder ingeschakeld zou kunnen worden die de volgende dag al een dagvaarding kan overhandigen. Ik weet dat men daar op Europees vlak mee bezig is, maar ik ben niet goed op de hoogte van de actuele stand van zaken. Misschien kan de minister hier even op ingaan. De in de brief van de minister over harmonisatie van het civiel recht genoemde studie kan gewoon worden afgewacht. Wordt die studie door Nederland afzonderlijk of door de Europese Commissie geïnitieerd?

De heer Van Oven heeft een opmerking gemaakt over de informatievoorziening. Gezien de stukken die voor vandaag geagendeerd zijn en de hoeveelheid onderliggende stukken die wij daarbij hebben gekregen, moet ik vaststellen dat de kwantiteit van de informatievoorziening niet recht evenredig is met de kwaliteit ervan. Mijn voorkeur zou uitgaan naar een wat uitgebreidere geannoteerde agenda met een duidelijke structuur en met vaste punten. Die punten zouden afgesloten moeten worden met het standpunt van de regering. Als dat gebeurt, hebben wij mogelijk ook niet meer zo'n grote stapel onderliggende stukken nodig.

De voorzitter: Ik verzoek u om de agendapunten en de nummers te noemen. Ik spring in als voorzitter en, als de nummers genoemd worden, kan ik de structuur van het debat wat beter volgen.


**

De heer De Haan (CDA): Voorzitter! Ik zal die belofte nakomen. Als ik dat niet doe, kan ik mijzelf ook niet volgen. Ik vervang namelijk collega Verhagen. Zijn nek zit helaas weer helemaal vast. Ik begeef mij nu op het glibberige pad van de juristerij. En dat is voor mij een moeilijk vak.

Ik spreek mijn dank uit voor de geannoteerde agenda. In het kader van andere Raden heb ik wel eens veel minder heldere geannoteerde agenda's gezien. Ik kon nu zelfs als buitenstaander uit deze geannoteerde agenda opmaken waar het over gaat.

Uit het verslag van de JBZ-raad van 2 december blijkt dat het probleem van Gibraltar weer aan de orde is geweest. In andere Raden maakt Spanje ook steeds een voorbehoud met betrekking tot de territoriale toepasselijkheid in verband met Gibraltar. Dit is een leerstuk dat buitengewoon frustrerend gaat werken. Ik wil de regering dan ook vragen wat op het ogenblik de stand van zaken is. Hierdoor wordt namelijk heel veel besluitvorming geblokkeerd. Volgens mij is dat een slechte zaak.

In het verslag van de JBZ-raad van 2 december wordt ook gesproken over de Eurodac-verordening betreffende de vergelijking van vingerafdrukken. Wat is het gevolg van het feit dat de Commissie niet akkoord gaat met het voorstel van de Raad? Het maakt mij niet uit of de minister of de staatssecretaris ingaat op deze buitengewoon belangrijke zaak. Ik wil in ieder geval weten of deze controverse tussen Raad en Commissie weer zal leiden tot uitstel.

In hetzelfde verslag van de JBZ-raad gaat het verder over het voorstel van de Commissie met betrekking tot gezinshereniging. Is dit voorstel van de Commissie nu ruimer of enger dan het Nederlandse beleid? Ik stel die vraag met name met het oog op de nieuwe Vreemdelingenwet. Ik wil hier graag helderheid over hebben.

Ik kom dan op de geannoteerde agenda. Over de A-punten heb ik niet veel te berde brengen. Ik heb alleen een vraag over punt 2a. Daar gaat het om het actieplan voor een gemeenschappelijke actie ten aanzien van de Russische federatie ter bestrijding van de georganiseerde misdaad. Het is een heel goede zaak dat dit aangepakt wordt. Mijn complimenten daarvoor. Het is goed dat er een inventarisatie wordt gemaakt van allerlei samenwerkingsovereenkomsten. Dan kan bekeken worden of daar geen doublures in zitten en of de effectiviteit dus vergroot kan worden. Aangezien de samenwerking van politie en justitie met de Russische federatie een buitengewoon gevoelige materie is, is het mijn vraag of het nog mogelijk is dat lidstaten, als dat opportuun is, samenwerking blokkeren. Het is nu eenmaal subtiel werk.

Over het scorebord heb ik niets nieuws te vertellen. De heer Van Oven is hier al veel beter op ingegaan dan ik zou kunnen. Ik sla dit punt dus maar over. Hetzelfde geldt voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij. In het kader van de Ecofin-raad hebben wij hier ook mee te maken. Om tijd te winnen, sluit ik mij aan bij de opmerkingen terzake van de twee voorgaande sprekers.

Agendapunt 6 betreft het kaderbesluit instelling gemeenschappelijke teams voor het verrichten van onderzoek naar strafbare feiten. Dit punt hangt volgens mij samen met agendapunt 7. In het licht van het standpunt dat het wenselijk is om deelname van Europol-ambtenaren te regelen, is een aanvulling van de Europol-overeenkomst nodig. Ik vraag mij evenwel af of deze aanvulling nu wel of niet middels een protocol geregeld moet worden. Als het laatste het geval is, dan zal er een enorme vertraging ontstaan. Onder agendapunt 7 wordt evenwel opgemerkt dat dit in artikel 13 al min of meer geregeld is. Daarin wordt namelijk voorzien in het opzetten van gemeenschappelijke onderzoekteams. Ik wil hier graag helderheid over hebben. Verder wil ik weten wanneer de samenwerking tot stand kan komen, als er wel een protocol nodig is. Ik vermoed dat wij dan al een tijd in het nieuwe millennium zijn, terwijl dit een buitengewoon belangrijke zaak is in het kader van de criminaliteitsbestrijding. Ik heb hier vorige week al met de minister over gesproken in het licht van de bestrijding van financieel-economische fraude. Ik hoor graag dat er geen vertraging zal optreden.

Bij agendapunt 9 gaat het eigenlijk ook om de
criminaliteitsbestrijding. Ook dit is al uitvoering besproken in het licht van de bestrijding van financieel-economische criminaliteit. Ik meen dan ook dat ik hier thans niet op terug behoef te komen.
Ik maak nog een korte opmerking over het gemengd comité. Het gaat hierbij om Schengen en Griekenland. Frankrijk heeft indertijd voorgesteld om de buitengrens weer te evalueren. Onder die voorwaarde is mijn fractie destijds ook akkoord gegaan. De Grieken hebben nu eenmaal de belofte gedaan om hun leven te beteren. Mijn vraag is wanneer die nieuwe controle er nu komt. Ik herhaal in dit licht wat collega Hoekema vroeger al eens heeft gezegd, namelijk the proof of the pudding is in the eating. Ze zijn nu aan het eten en dus moeten wij ook maar eens gaan proeven.

Tot slot kom ik op de brief die de minister van Justitie heeft geschreven over de harmonisatie van het Burgerlijk Wetboek. Ik vond dat een buitengewoon aardige brief. Ook bij mij zijn er echter veel vragen opgekomen. Wie gaat nu die studie doen, de Commissie of een stel wijze deskundigen? Het is dus de vraag waar het aangrijpingspunt ligt. Verder heb ik een beetje zitten piekeren over de formulering van de voorvragen. Je kunt volgens mij een heleboel voorvragen opwerpen, bijvoorbeeld over de afwijking van het Engelse rechtssysteem van het Nederlandse rechtssysteem. Moet je, zoals in de brief staat, één wet hebben of kan er partieel geharmoniseerd worden? Bij het laatste zou het erom moeten gaan dat het noodzakelijk is voor internationale transacties. Wat is nu eigenlijk de concrete aanpak? Wie gaat wat doen en op welke termijn?

De heer Hoekema (D66): Mevrouw de voorzitter! Ik vervang helaas niemand, behalve dan de heer Dittrich wiens schim hier nog steeds aanwezig is. Na een paar maanden moet ik het echter gewoon op eigen kracht doen.

Ook ik zeg dank voor de stukken. Uiteraard heeft de heer Van Oven gelijk dat het nog niet volmaakt is, maar voor 1 juli is de toezending vast wel volmaakt.

Het is bijna onmogelijk, maar ik wil een onderwerp noemen dat nog niet aan de orde gesteld is, terwijl het wel op de agenda staat. Ik doel hier op een mededeling aan de Raad en het Europees Parlement over maatregelen inzake verplaatsing en verblijf van burgers van de Unie. Ik heb dit fiche nog eens goed gelezen. Ik vind het eigenaardig, want het gaat daar ook over volksgezondheid. Op grond van deze mededeling zou je in theorie mensen met een ziekte als AIDS kunnen aanhouden of niet kunnen toelaten tot de Unie. Nu staat er wel dat dit al een hele tijd niet meer mag, maar volksgezondheid zit kennelijk nog wel in het gemeenschapsrecht. Kan iemand mij uitleggen hoe dat zit? Waarom moet het ook nog over volksgezondheid gaan, als het eigenlijk alleen maar gaat over openbare orde en veiligheid? Ik neem aan dat dit voorstel te maken heeft met het weren van hooligans tijdens de aanstaande Europese kampioenschappen voetbal. Ik veronderstel ook dat de maatregelen om Schengen tijdelijk te deactiveren, hiermee te maken hebben. Je moet daar echter wel mee oppassen. Er staat ook ergens dat het noodzakelijk is om discreet om te gaan met de registratie en opslag van persoonsgegevens. Het lijkt mij evident dat er uit privacyoogpunt grenzen zijn aan de Europese coördinatie hiervan. Tegelijkertijd is het ook wel handig om de hooligans enigszins aan banden te leggen. Ik hoor dan ook graag nog enige toelichting op deze mededeling.

Ik loop een paar punten na uit het verslag van de informele JBZ-raad van 3 en 4 maart. Ik ga van achteren naar voren. Punt 10 betreft "the war on drugs" van Tony Blair. Dit is een heel nieuwe benadering. Sluit de minister hier blij bij aan en komt dit ook in zijn nieuwe drugsnota naar voren? Komt die nota overigens, zoals toegezegd, op 1 april?

Minister Korthals: Ik wil even duidelijk maken dat ik dat nooit heb toegezegd.

De heer Hoekema (D66): Dan hebt u het voor een eerdere datum toegezegd.

Minister Korthals: Neen, ik heb die nota toegezegd voor het voorjaar. Ik ben toen zo vriendelijk geweest om dat te veranderen in "begin voorjaar".

De heer Hoekema (D66): Dus 1 april!

Minister Korthals: Dat is ook begin voorjaar.

De heer Hoekema (D66): Wij zien een en ander met spanning tegemoet. Ik veronderstel dat de opgesomde punten die ook door collega Weekers al vragenderwijs aan de regering zijn voorgelegd over minimumstraf en dergelijke niet de inzet zijn van deze minister van Justitie.

Voorzitter! Punt 9 betreft het terugkeerbeleid. Ik constateer dat de Commissie met veel succes het terugkeerbeleid opneemt in de verschillende overeenkomsten. Daar moet rustig mee worden doorgegaan. De terug- en overnameovereenkomstbepalingen moeten standaard worden opgenomen. Er hoeft niet gedreigd te worden met het opschorten van de ontwikkelingssamenwerking en financiële hulp, maar het moet er gewoon standaard in. Dat moet lukken. Ik zie de staatssecretaris glimlachen, dus dat zal wel iets beduiden.

Over punt 8 stel ik met name aan de staatssecretaris de volgende vraag. Wij waren allemaal zeer hooggestemd na Tampere.

De voorzitter: Agendapunt 8 is vervallen.


**

De heer Hoekema (D66): Ik ben niet voor één gat te vangen. Dan ga ik in op het gepresenteerde scorebord. Dat leidt tot de algemene vraag of de staatssecretaris een impressie kan geven van de voortgang van het gehele traject na Tampere. Er is nogal wat op de schop genomen, mede door de Nederlandse inzet. Daarvoor is in oktober al hulde uitgesproken. Nederland heeft toen niet de boot gemist. Hoe gaat het met de uitvoering van het enorme ambitieuze pakket van Tampere? De heer Van Oven heeft al naar de termijn gevraagd. In oktober moet de Commissie een eerste reactie geven en in april volgend jaar de tweede. Het is van belang daar tempo in te houden. Tegelijkertijd is het van belang dat wij niet terugvallen op minimumeisen. Als het gaat om zaken zoals gezinshereniging, moeten wij het Nederlandse kwaliteitselement in het Nederlandse asielbeleid overeind houden. Kan de staatssecretaris een impressie geven van het verloop van de discussies?

Voorzitter! Een interessant punt, dat eigenlijk meer bij de buitenlandse politieke punten thuishoort, is de politieassistentie bij niet-militair crisismanagement. Nederland heeft twee politiemensen in Kosovo. Wij doen ook erg veel op andere terreinen. Ik vind het wel zeer zorgelijk dat Europa -- misschien kan een oproep behalve tijdens de top in Lissabon ook in de JBZ-raad worden gedaan -- zijn verplichtingen niet nakomt bij de inzet van politie in Kosovo. Het is van groot belang dat boter bij de vis wordt gegeven. Het is eveneens van groot belang het concept van politie-inzet bij vredesoperaties en conflictpreventie nader uit te werken. Terecht zegt de heer Van Oven dat een seminar niet voldoende is. Ik wijs het kabinet op het Nederlands-Deens initiatief om politie-eenheden te poolen.

Voorzitter! Ik neem aan dat het scorebord letterlijk buiten wordt gehangen, zodat wij kunnen zien dat het transparant is. De essentie van het werk in de Unie is dat de burgers kunnen zien hoe een en ander verloopt.

Ik heb al een aantal keren opgemerkt dat ik de samenwerking met Rusland prachtig vind. Er is één risicogebied, het terrorisme. Het is zorgelijk om te zien hoe in Rusland wordt omgegaan met het fenomeen terrorisme, bijvoorbeeld in Tsjetsjenië. Er is nog steeds geen sluitend bewijs geleverd wie nu precies die bommen heeft geplaatst. Hoezeer het terrorisme ook wordt misbruikt om actie te voeren in Tsjetsjenië, toch moeten wij daar voorzichtig mee zijn. Behalve de onderwerpen die worden genoemd in de sfeer van justitiële en politiële samenwerking, vraag ik of de Russen ooit zelf het onderwerp terrorisme hebben opgebracht. Hoe staat het kabinet daartegenover?

De heer Weekers wierp al de interessante vraag op of toeristen even goed of even slecht worden behandeld als ingezetenen. Ik zou niet voor alle Europese landen mijn hand in het vuur willen steken. Collega Van Oven heeft gezegd dat in een aantal andere, niet met name genoemde landen de bescherming van toeristen wel wat beter kan, bijvoorbeeld door een meer adequate rechtsbijstand. Benchmarking en peer pressure zijn essentieel om de rechtseenheid handen en voeten te geven.

Voorzitter! Ten aanzien van de onderzoeksteams en Europol sluit ik mij aan bij de belangrijke vraag van de heer Van Oven naar de noodzaak van adequate juridische regelgeving.

Ik kom terug op "de kelder" van de heer Van Oven, met name de stukken over Tsjechië en Hongarije. Het viel mij op dat de Commissie laatst een nogal kritisch rapport heeft uitgebracht over de stand van de regelgeving en de implementatie van het aquit. Dat betreft de onderhandelingen over de gehele linie van de Commissie met Tsjechië. Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn op dit punt. Geconstateerd moet worden dat er in die landen nog een hoop te doen is. Zonder de vertrouwelijke rapporten op tafel te leggen, vraag ik om een algemene appreciatie van de stand van zaken ten aanzien van Tsjechië en Hongarije.

Ik kom op het Europese vluchtelingenfonds. Ik constateer een interessante omslag. De minister-president en de staatssecretaris waren in het begin nogal terughoudend. Ik geloof dat in Tampere niet alleen de boot is gehaald, maar ook het keerpunt is gemarkeerd. Wij zijn nu redelijk enthousiast over het vluchtelingenfonds, maar in de stukken tref ik nog steeds een zekere terughoudendheid aan. Waarom is de staatssecretaris niet een slagje positiever? Een en ander heeft toch te maken met de ook door de staatssecretaris nagestreefde Europese afstemming? Welke adders ziet hij onder het gras bij het Europese vluchtelingenfonds?

Ik maak mij in de asieldebatten altijd zorgen over de gezinshereniging. Kan de staatssecretaris nog eens duidelijk en luid verklaren dat wat hij antwoordde op vele Kamervragen, onder meer van collega Halsema en mijzelf, ook hier de lijn is: geen gescheiden uitzetting van gezinsleden?

Staatssecretaris Cohen: Ja!

De heer Hoekema (D66): Hartelijk dank voor deze toezegging.

De kandidaat-lidstaten moeten wel goed bij een en ander worden betrokken. Ik sprak al over Tsjechië en Hongarije, maar het geldt over de gehele linie. Voor het gehele traject post-Tampere, maar ook ten aanzien van drugshandel, georganiseerde criminaliteit en maffiapraktijken geldt dat samenwerking met de kandidaat-toetreders van groot belang is. Wij moeten ons niet alleen blindstaren op Rusland, dat voorlopig geen kandidaat-lid is. In het dagelijks werk moet daar prioriteit aan worden gegeven. Kan de regering toezeggen dat bij alles wat de huidige leden van de Unie nu doen, met een scheef oog wordt gekeken naar die kandidaat-toetreders waar het op dit gebied nog niet koek en ei is?

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Voorzitter! Allereerst dank ik de minister en de staatssecretaris voor toezending van de stukken. Voor alle wat meer kritische commentaren erop sluit ik mij graag aan bij mijn twee buurmannen. Ik begin met het verslag van 3 en 4 maart, allereerst agendapunt 2 inzake de Europese officier van justitie en de bescherming van de financiële belangen van de gemeenschap. Worden daarbij ook de mogelijkheden nagegaan voor rechterlijke en politieke controle? Wordt daarnaar gestreefd? Dit kan wel eens een voorloper van een wat groter Europees OM zijn.

Punt 8 betreft de schets van het voorzitterschap van de plannen van de High Level Working Group. Dit verslag is erg kort op dit punt. Ik verzoek de staatssecretaris deze schets toe te lichten.

Punt 9 gaat over de terugkeerovereenkomsten. Welke voorwaarden zijn er geformuleerd ten aanzien van de bescherming van deze personen, alsmede de daarbij geldende mensenrechtenclausules? Worden de overeenkomsten ook voorgelegd aan de Kamer, zoals is gebeurd met de overeenkomst met Roemenië? Uit het verslag van de vergadering van 2 december blijkt dat dit niet het geval is bij de standaardclausules inzake de repatriëring voor gemengde overeenkomsten.

Punt 2a van de geannoteerde agenda betreft de gemeenschappelijke actie ten aanzien van de Russische Federatie. Mijn fractie is blij dat erop wordt aangedrongen dat de Russische Federatie toetreedt tot Europese verdragen. Dat heeft altijd een keerzijde, omdat daarmee ook wordt uitgesproken dat er vertrouwen is in de rechtsorde. Op welk niveau zal die samenwerking plaatsvinden? Blijft dit een meer abstract niveau of gaat het ook om concrete zaken, met de daarbijbehorende gegevensuitwisseling en rechtshulp? In het onderliggende stuk wordt bijvoorbeeld onder punt c de instelling van centrale contactpunten voor informatie-uitwisseling genoemd. Wat moet ik mij daarbij voorstellen? Er wordt ook gesproken over gemeenschappelijke acties in het kader van de bijzondere opsporingsbevoegdheden. Ook daarover ontvang ik graag wat meer informatie.

Welke gevolgen kan de verscherping van de grenscontrole hebben voor het doorlaten van asielzoekers? Tot op heden zijn er nogal wat problemen met de asielprocedures die in de Russische Federatie worden gevolgd.

Ik kom op het ontwerpscorebord. Er ligt een voorstel van de Commissie voor een richtlijn voor gezinshereniging. Wat ons betreft, zou Nederland daarbij moeten eisen dat er slechts minimumnormen worden gehanteerd, zodat lidstaten gunstige regelgeving tot stand kunnen brengen en dat er een stand-stillbepaling wordt opgenomen om te voorkomen dat landen hun regelgeving kunnen verlagen naar het niveau van andere staten. Graag een reactie van de regering hierop.

Ik kom op de B-punten, als eerste de gezamenlijke onderzoeksteams, punt 6. Wat zal de deelname van Europol-ambtenaren aan deze teams betekenen? Het lijkt erop dat zij daarmee operationele taken zullen krijgen. Zoals bekend past dit niet binnen het huidige mandaat. De regering acht het wenselijk dat de bevoegdheid tot deelname van Europol-ambtenaren wordt geregeld in een aanvulling op de Europol-overeenkomsten. Wordt hier ook gedoeld op een uitbreiding met executieve bevoegdheden? Is de regering daar voorstander van? Naar ons idee zou dat namelijk pas mogelijk zijn bij een uniform Europees strafrecht en bij de mogelijkheid van controle op de Europol-ambtenaren door een soort van openbaar ministerie of rechterlijke controle. Hoe denkt de regering dat de controle kan verlopen? Welke eisen stelt zij daaraan? Een uitbreiding van de bevoegdheden behoeft uiteraard aanpassing van het Europol-verdrag. De Kamer heeft zich eerder op het standpunt gesteld dat in dat geval de immuniteit van de ambtenaren opgeheven moet worden. Is dat nog steeds de inzet van de regering?

Ik kom op punt 7 van de ontwerpovereenkomst. In artikel 13 van het rechtshulpverdrag wordt verwezen naar de mogelijkheid van deelname door Europol-ambtenaren aan gemeenschappelijke onderzoeksteams. Naar welke ambtenaren wordt daarbij anders dan vertegenwoordigers van nationale autoriteiten verder verwezen? Daarover bestaat bij mijn fractie enige onduidelijkheid. Ik wil graag van de regering weten of zij het met ons van belang acht dat in de tekst van het verdrag of in de toelichting daarop wordt opgenomen dat deelname aan deze teams slechts mogelijk is als de betreffende ambtenaren van organen zoals Europol daartoe ook expliciet de bevoegdheid hebben.

Er lijkt overeenstemming over de Eurodac-verordening, behalve ten aanzien van de territoriale werkingssfeer. Graag krijg ik daarop nog een toelichting van de minister of de staatssecretaris. De Raad zal ongetwijfeld op de hoogte zijn van een aantal niets aan duidelijkheid te wensen over latende amendementen van het Europees Parlement, met name de amendementen over het verhogen van de leeftijd naar achttien jaar en het verwijderen van gegevens na statusverlening en vervanging van de term "vreemdeling" door "derdelanders". Kan de regering er zorg voor dragen dat de Raad deze amendementen serieus in overweging neemt en dat eventuele verwerping ervan uitgebreid gemotiveerd wordt?

Ik sluit mij ten aanzien van het vluchtelingenfonds aan bij de opmerkingen van de heer Hoekema over blijvende terughoudendheid van de regering. Zoals bekend, is mijn fractie groot voorstander van de instelling van een vluchtelingenfonds. Zullen daarbij ook kwaliteitscriteria opgenomen worden, zodat het fonds een positieve uitwerking heeft op de kwaliteit van procedures en van opvangvoorzieningen? Wil de regering daarvoor ijveren?

Het zal weinig verbazing wekken dat wij voorstander zijn van de herziening van het Dublinverdrag. Wij waren al nooit zo'n voorstander van dit verdrag, maar het is in een aantal opzichten ook anders uitgepakt dan bedoeld. Wij gaan er enigszins optimistisch van uit dat de herziening zal leiden tot bevoegdheden van het Hof. Is dit optimisme terecht of kan er nog een andere uitkomst verwacht worden? Graag een toelichting daarop.

De heer Hoekema is ingegaan op de gezinsleden. Wat is de stand van zaken? Ik was overigens blij met het niet mis te verstane "ja" van de staatssecretaris zojuist. Eerder was duidelijk dat eigenlijk alleen Italië dwars lag. Graag wil ik weten wat daarvan nu precies de reden was en of daar ook nog een ontwikkeling in zit. Is het mogelijk om, als Italië problemen blijft maken, met de lidstaten die voor zijn, daarop vooruitlopend alvast afspraken te maken?

Als laatste kom ik op punt 19d, het verzoek van de regering Blair om over het drugsbeleid te praten. Ik moet zeggen dat ik zijn voorstel om een nieuwe ronde in te gaan in de "war against drugs" enigszins hilarisch vond. Een van zijn belangrijke argumenten is dat het Verenigd Koninkrijk vooral last heeft van drugs uit het buitenland. Vandaar zijn verzoek om het op Europees niveau te bespreken. Wij hebben zojuist een vergelijkend onderzoek van het ministerie van Justitie ontvangen waaruit blijkt dat het Verenigd Koninkrijk een van de grootste XTC-producenten is. Het is misschien aardig de regering Blair op deze feitelijke onjuistheid te wijzen. Wat zal de Nederlandse houding zijn ten aanzien van het verzoek van de regering Blair? Ik vraag dit mede in het licht van recente uitspraken van de heer Hessing. Het wordt, omdat Nederland op zijn zachtst gezegd nogal tegenstrijdige signalen afgeeft inzake het drugsbeleid, tijd dat de Nederlandse regering haar drugsbeleid nog eens krachtig bevestigd in Europa en daarmee afstand neemt van zowel de regering Blair als de uitspraken van de heer Hessing. Graag een reactie op dit punt.

De heer Hoekema (D66): Voorzitter, van de orde! U heeft mij zojuist onterecht 8 buiten de orde verklaard, omdat u meende dat ik over punt
8 van de agenda sprak. Ik had het echter over punt 8 van het verslag van de informele JBZ-raad. Ik vraag dus aan de staatssecretaris wat het werkprogramma is van de High Level Working Group in de komende maanden. De Kamer heeft terecht haar zorgen uitgesproken dat het niet mag gaan om een soort Europees ambtsbericht. De werkzaamheden van de HLWG moeten controleerbaar en transparant zijn. In het verslag staat alleen dat er uitgebreid is gesproken en niet wat er op de agenda van de HLWG staat.

De heer Van Oven (PvdA): Wanneer kan de Kamer de eerste concrete resultaten van de High Level Working Group onder ogen krijgen?

De voorzitter: Ik bied de heer Hoekema mijn excuses aan voor het buiten de orde verklaren van genoemd punt.


**

Minister Korthals: Voorzitter! Helaas moet iedere keer als er over de JBZ-raad wordt gesproken, gewezen worden op het te laat toezenden van de documenten. De Nederlandse regering doet er alles aan om een serieus proces tot stand te brengen, waarin ook eerdere toezending aan de orde is. Ik had zelf ook de hoop dat daarover besluitvorming zou plaatsvinden in de Raad van aanstaande maandag. Het secretariaat-generaal heeft de betrokken landen gevraagd of zij sneller hun informatie willen verstrekken. Daarop hebben twaalf landen gereageerd. Vanuit de vijftien landen wordt een document samengesteld en op grond daarvan zal besluitvorming plaatsvinden. Het ziet er dus naar uit dat het bij de volgende JBZ-raad aan de orde zal komen.

De heer Van Oven heeft een voorbehoud gemaakt bij punt 2h. Ik wijs hem erop dat het ontwerpbesluit onder dat punt al aan de Kamer is voorgelegd voorafgaand aan de JBZ-raad van 27 en 28 mei 1999. Materieel is er sindsdien niets meer gewijzigd. Alleen is het ontwerpbesluit nu bewerkt door de juristen en de linguïsten van het raadssecretariaat, dus er zijn alleen taalkundige aanpassingen aangebracht.

De heer Van Oven (PvdA): Behalve dan dat het Europees Parlement sindsdien advies heeft uitgebracht en tien amendementen heeft voorgesteld die zonder motivering terzijde worden geschoven. Voor mij is die motivering althans niet waarneembaar. Bovendien ondergraaft de Commissie in vergaande mate de juridische grondslag van het ontwerpbesluit. Ik heb de jongste stukken pas twee dagen geleden gekregen en heb dit dus niet behoorlijk kunnen beoordelen.

Minister Korthals: Waar het om gaat is dat niets is veranderd aan het stuk dat indertijd is goedgekeurd in de Kamer. De amendementen van het Europees Parlement zijn immers niet overgenomen. Er valt dan ook niets meer op te merken over de stellingname van de Kamer eind mei 1999.

De heer Van Oven (PvdA): Die redenering zou ertoe leiden dat de Raad er goed aan zou doen om steeds alle nakomende adviezen van het Europees Parlement die leiden tot wijziging van het besluit, naast zich neer te leggen, omdat anders de besluitvorming zou worden gecompliceerd. Mijn fractie is er integendeel juist voor dat de adviezen van het Europees Parlement serieus worden genomen. Als door het Parlement concrete amendementen worden voorgesteld, is het toch tenminste prettig dat wij te horen krijgen waarom die amendementen niet worden gevolgd? Er is dus wel verschil met de situatie van mei vorig jaar.

Minister Korthals: Als amendementen zouden zijn overgenomen, zou het voorstel zijn veranderd en zou dus ook weer de instemming van de Kamer worden gevraagd. Het is dus geen pleidooi van mijn kant om nooit amendementen over te nemen, maar alleen de vaststelling dat deze keer geen amendementen zijn overgenomen en dat het besluit waarmee de Kamer al heeft ingestemd, niet is veranderd.

De heer Van Oven (PvdA): Ik blijf op het standpunt staan dat, nu er een advies is gekomen van het Europees Parlement waarin concrete wijzigingen worden voorgesteld, het op de weg ligt van de Raad en dus ook van de Nederlandse regering om duidelijk te maken waarom die amendementen terzijde zijn geschoven. Anders wordt het advies van het Europees Parlement toch weinig serieus genomen.

Minister Korthals: Dat hangt van de argumentatie af die daarbij wordt gebruikt. Ik heb de indruk dat de reden waarom nu de amendementen niet zijn overgenomen, is dat deze langs de strekking van het voorstel heengaan.

De heer Van Oven heeft vervolgens gevraagd naar de taakverzwaring van het Hof van Justitie door de rechtshulpovereenkomst. Wat de omvang van deze taakverzwaring zal zijn, hangt af van het aantal vragen dat te zijner tijd zal worden gesteld. Overigens verwacht ik dat de IGC bij de discussie over het Hof ook rekening houdt met de taakverzwaring van het Hof ten gevolge van het Verdrag van Amsterdam. De Nederlandse inzet in de IGC op dit punt is bekend en daarin is geen wijziging gekomen. Wij zullen dus wel degelijk ondersteuning voor het Hof geven en entameren.

Wat Europol en de joint teams betreft, eist de rechtshulpovereenkomst in artikel 13, lid 11 dat het toepasselijk instrument (dat is de Europol-overeenkomst) deelname mogelijk moet maken. Het rechtshulpverdrag geeft dus geen bevoegdheid aan Europol-ambtenaren. Onderhandelingen over Europol zien op artikel 30 van het Verdrag van Amsterdam en daarbij moet ook dit punt aan de orde komen. Kortom: wanneer wij Europol iets anders willen laten doen, vereist dat een verdragswijziging.

De heer Van Oven (PvdA): Dan blijft nog de vraag wanneer wij initiatieven in die richting tegemoet kunnen zien. In het werkprogramma 2000 van Europol zelf heb ik daar niets over aangetroffen.

Minister Korthals: Ik kan dat niet zeggen, omdat wij nog bezig zijn met onderhandelingen daarover. Sterker nog: die onderhandelingen bevinden zich nog pas in de beginfase. Wij proberen daar wel wat snelheid aan te geven, maar dit soort zaken loopt nu eenmaal traag.

Ik denk dat het goed is om de positie van het slachtoffer in Europa over de hele linie te verbeteren. In Nederland doen wij dat al door de wet-Terwee die o.a. voeging van het slachtoffer in strafzaken mogelijk maakt. Ook zijn wij bezig om de slachtoffers beter te informeren. Slachtoffers hebben recht om aanspraak te maken op het schadefonds geweldsmisdrijven wanneer geen daders bekend zijn. Waar het bij dit punt van de JBZ-raad om gaat is dat slachtoffers vanuit het buitenland zich ook elders tot de rechter kunnen wenden. In Nederland kan dat al; in andere landen ligt dat kennelijk anders. Ik weet niet precies in welke landen het anders ligt, maar de bedoeling is dus dat slachtoffers in het ene land zich altijd tot de rechter kunnen wenden in het land waar het delict heeft plaatsgevonden of de schade is geleden en dat ze voegingsmogelijkheden hebben in de strafprocedure. Wat dat betreft proberen wij tot harmonisatie te komen.

De heer Van Oven (PvdA): Ik heb ook gevraagd of de strekking van de maatregel zoals voorgesteld door de Commissie, verder gaat dan de wet-Terwee. Ik heb de indruk dat dit het geval is op twee concrete punten, namelijk het recht van het slachtoffer op gefinancierde rechtsbijstand en de uitbreiding van het recht op schadevergoeding tot familieleden of nabestaanden verder dan de eerste graad.

Minister Korthals: Nee, op dat punt gaat het voorstel van de Commissie niet verder. Daarnaast heeft volgens mij een buitenlander die zich in Nederland tot de rechter wendt, op dezelfde wijze recht op gefinancierde rechtsbijstand als een Nederlands slachtoffer.

De heer Van Oven (PvdA): Volgens mij is het recht op gefinancierde rechtsbijstand voor slachtoffers die zich voegen in een strafproces, juist niet in de wet-Terwee geregeld.

Minister Korthals: Ik dacht dat dit wel het geval is, maar ik zal dat moeten nagaan. Als u gelijk hebt, krijgt u daar nog bericht over. Dan zou het inderdaad een aanpassing vereisen.

Ik kom tot de vraag welke gevolgen het kaderbesluit inzake de euro heeft voor de Nederlandse wetgeving. Zoals ik in de geannoteerde agenda voor de JBZ-raad in december al aangaf, vallen veel van de in het kaderbesluit genoemde gedragingen reeds onder de bestaande strafbepalingen. De noodzakelijke aanvullingen betreffen voornamelijk uitbreiding van bestaande strafbaarstellingen met het vervoeren en uitvoeren van valse of vervalste munten en het vervaardigen, voorhanden hebben etc. van hologrammen ter beveiliging van de munt en van computerprogramma's die naar hun aard bestemd zijn voor het namaken of vervalsen ervan. Ten slotte zal de in artikel 4 bedoelde strafbaarstelling voor het vervaardigen van biljetten of munten met gebruikmaking van rechtmatige faciliteiten of materialen in strijd met de rechten van of de voorwaarden waaronder deze door de bevoegde autoriteiten mogen worden uitgegeven, worden opgenomen in onze wetgeving. Een conceptwetsvoorstel bestaat op dit moment niet. Ik begrijp dat de heer Van Oven dat graag zou zien alvorens het kaderbesluit wordt vastgesteld, maar dat is niet de gangbare procedure. Wij gaan ook niet eerst de conceptwetgeving privacy aan de Kamer voorleggen alvorens de richtlijn vast te stellen. Zoiets is nog nooit gebeurd en volgens mij ook niet mogelijk.

De heer Van Oven (PvdA): Ik wijs bijvoorbeeld op de fiche over oneerlijke mededinging, waar wel degelijk een conceptwetstekst is gesuggereerd. Verder wijs ik erop dat in artikel 10 van dit kaderbesluit over de euro is opgenomen dat het op 31 december 2000 uitgevoerd moet zijn. Ons staat dus een zeer snel wetgevingsproces te wachten en dan zou het niet zo gek zijn als er al een concepttekst zou liggen.

Minister Korthals: Volgens mij is de datum van 31 december 2000 niet juist. Het gaat om twaalf maanden na vaststelling van het kaderbesluit.

De heer Van Oven (PvdA): Maar ik lees in artikel 10 dat de lidstaten dit op 31 december 2000 moeten doen.

Minister Korthals: U leest nu de ontwerptekst van het kaderbesluit. Er zal hier komen te staan: twaalf maanden nadat het kaderbesluit is vastgesteld.

De heer Van Oven (PvdA): Ik citeer uit het stuk van 3 maart.

Minister Korthals: Op het voorblad staat (gisteren is dat besloten in Coreper) dat het zal worden: twaalf maanden na vaststelling van het kaderbesluit.

De heer Van Oven (PvdA): Hoe verhoudt zich dat dan tot de tekst van artikel 10? Wordt die dan veranderd?

Minister Korthals: Ja, die moet aangepast worden. De Nederlandse delegatie stelde voor de in artikel 10, eerste lid, genoemde datum van
31 maart 2001 te veranderen in 30 juni 2001, maar het wordt nu twaalf maanden na vaststelling van het kaderbesluit.

De heer Van Oven heeft gevraagd naar de civiele politie in Kosovo. De heer Solana is aanwezig geweest in de informele JBZ-raad om nog eens uiteen te zetten in wat voor moeilijke situatie hij zit en een beroep te doen op de lidstaten om wat meer actie te nemen. Als er al sprake is van een verwijt aan het adres van lidstaten, kan dat niet voor Nederland gelden, want Nederland heeft aan zijn verplichtingen voldaan. Wij zouden één politieagent leveren en wij hebben er zelfs twee geleverd, dus 100% méér. Verder meen ik dat wij deze kwestie in het Nederlandse kabinet moeten bespreken -- dat zal ook binnenkort gebeuren -- omdat de politie in Kosovo werkt onder andere omstandigheden dan waarvoor men in Nederland is opgeleid. In Nederland staat de politie onder het gezag van het openbaar bestuur of van de officier van justitie die op zijn beurt weer wordt gecontroleerd door de rechter, maar in Kosovo is daar geen sprake van. Verder moet daar gewerkt worden onder bijzonder moeilijke omstandigheden en moet ervan worden uitgegaan dat een Nederlandse politieagent er alleen heengestuurd kan worden -- als wij dat al doen -- op basis van vrijwilligheid.

Ik kan mij er dan ook wel in vinden dat wij hier een seminar aan wijden. Tegenwoordig noemen wij dat overigens een "expert meeting". Verder lijkt het mij goed dat hierover te zijner tijd nog eens uitgebreider wordt gesproken tussen Kamer en regering.

De heer Hoekema (D66): Ik heb dit punt ook opgebracht, niet zozeer om u te bekritiseren over de twee politiemensen die naar Kosovo zijn uitgezonden, want wij doen daar al veel, maar omdat het concept van uitzending van gewone politie op de politieke agenda moet blijven. Bij een aantal toekomstige vredesoperaties zal, hoe je het ook wendt of keert, juist de politie een belangrijke rol moeten vervullen. Het is dus van belang om de discussie hierover in Nederland gaande te houden. Er zijn ook precedenten voor uitzending van civiele politiemensen.

De heer Van Oven (PvdA): Ik waardeer het dat het kennelijk niet de bedoeling is om de zaak op de lange baan te schuiven. Ik zal graag horen of ook nog de mogelijkheid wordt besproken om het niet het reguliere politieapparaat, maar de militaire politie, d.w.z. de marechaussee te doen zijn. Daar kan gemakkelijker uitzending plaatsvinden.

Minister Korthals: Dat laatste ligt voor de hand, maar de bedoeling van het verzoek was echt civiele politie. Er zijn in de Balkan ook 50 marechaussees aanwezig, zij het onder een andere titel. Nederland levert dus wel degelijk een inbreng op dit punt. Ik kan mij ook voorstellen dat civiele politiemensen niet zozeer gebruikt worden om ter plaatse operationeel te zijn, maar een functie krijgen in de opleiding van politiemensen ter plaatse. Het blijft ongetwijfeld op de agenda staan en het lijkt mij zeer nuttig als hier te zijner tijd nader met de Kamer over wordt gesproken.

De heren Van Oven, Weekers en De Haan hebben enkele vragen gesteld over mijn brief van 9 december over het onderzoek naar de noodzaak om de burgerlijke wetboeken van de lidstaten te harmoniseren. De Tampereconclusie nr. 39 houdt in dat er een alomvattende studie moet komen over de noodzaak om wetgeving van de lidstaten op burgerrechtelijk gebied onderling aan te passen, teneinde belemmeringen voor een goede rechtsgang in burgerlijke zaken weg te nemen. Deze conclusie plaatst dit onderwerp in het kader van de toegang tot de rechter. Laat ik hier duidelijk over zijn: wij vinden het belangrijk dat er steeds verder wordt geharmoniseerd. Ik denk niet dat het snel zal lukken om te komen tot een Europees civielrechtelijk wetboek, maar daar waar er grensoverschrijdende contacten zijn, zoals het consumentenrecht, zal er veel meer geharmoniseerd moeten worden en zullen wij steeds meer tot eenheid moeten komen. Dat gebeurt ook door middel van alle richtlijnen waarbij consumentenbelangen in het geding zijn.

Vrijwel alle sprekers hebben opmerkingen gemaakt over de samenwerking met Rusland. Iedereen vindt die samenwerking van het allergrootste belang, ik ook, maar je moet wel weten met wie je dan gaat samenwerken. Eerst zal Rusland dus partij moeten kunnen worden bij alle relevante verdragen. Wij gaan enigszins af van de gedachte dat wij allemaal bilaterale verdragen moeten sluiten, omdat er dan toch allerlei verschillen optreden, wat alleen maar onhandig is. Het is dan ook het beste om multilaterale verdragen te maken waar landen zich bij kunnen aansluiten. Aan Nederland wordt vaak om hulp gevraagd op juridisch gebied. Zo hebben wij daarover contacten met Hongarije, Roemenië, Tsjechië en Rusland en is het Nederlandse Burgerlijk Wetboek vaak een voorbeeld voor andere landen. Wij kunnen het echter niet overal op de wereld behappen. Kortom: wij willen samenwerken op een niveau dat daartoe geëigend is en zullen precies moeten nagaan welk niveau dat is, maar op zichzelf is het zeer belangrijk om contacten met Rusland te hebben om de eenvoudige reden dat wij moeten helpen om in dat land het gehalte van de rechtsstaat te verhogen. Bovendien hebben wij daar zelf ook belang bij, nu er veel criminele elementen vanuit Rusland richting West-Europa komen. Dan is het nuttig om informatie uit Rusland te kunnen krijgen.

De heer Hoekema (D66): Ik vroeg specifiek naar het terrorisme. Als wij niet oppassen komen wij al gauw in de politieke agenda van allerlei machthebbers in het Kremlin terecht. Ik heb al gewezen op de bomaanslagen van vorig jaar die de aanleiding waren voor het optreden tegen Tsjetsjenië. De Amerikanen hebben zich nog wel eens laten lenen voor het aanbieden van allerlei diensten om in Moskou de zaak te helpen uitzoeken. Ik zou daar driedubbel voorzichtig in willen zijn en hoop dat de minister dat ook is.

Minister Korthals: Ik deel die opvatting volledig. Wij moeten ervoor oppassen dat het niet allemaal langs verschillende lijnen loopt, via Buitenlandse Zaken, via Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en via Justitie. Ik beperk mij nu maar even tot het aandeel van Justitie in de samenwerking met Rusland.

De heer Weekers vroeg naar de capaciteit van de joint teams. Het gaat erom de zaak door samenwerking met het buitenland te vergemakkelijken. Als wij de samenwerking niet zouden hebben, zouden wij waarschijnlijk ook politie beschikbaar moeten stellen om die zelfde onderzoeken te doen. Ik maak mij dus niet zoveel zorgen over de capaciteit.

Ik kom op het drugsbeleid. Mij is door de Kamer indertijd gevraagd om een notitie te schrijven over de achterdeurproblematiek. Ik zal daarmee komen. Het is niet eenvoudig om alles en iedereen tevreden te stellen en toch een beleid te voeren dat gevoerd kan worden en dat ook in het buitenland te verdedigen is. Dat betekent dat wij op een gegeven moment vrij scherpe keuzes zullen moeten maken. De notitie zal naar de Kamer komen. Ik heb aanvankelijk gezegd dat het in het voorjaar zou gebeuren. Het was mijn bedoeling om het zo laat mogelijk te doen. De Kamer heeft echter afgedwongen dat het het begin van het voorjaar wordt. In mijn hoofd heb ik de datum van 15 april. Ik zeg dat met nadruk, omdat de heer Hoekema er weer wat wilde afknabbelen.

Het drugsbeleid dat Nederland voert, wordt gewoon verdedigd, ook in het buitenland. Ik ben van plan om dat te blijven doen. Dat betekent dat wij een scheiding van de markten hebben tussen softdrugs en harddrugs. Ook de heer Hessing zal dat beleid verdedigen. Een dezer dagen heb ik nog een gesprek met hem om daarover nog een keer zekerheid te krijgen.

De premier van Engeland is gekomen met een soort war on drugs. Ik kende die terminologie al van Reagan in het begin van de jaren tachtig. Je kunt dat wel zeggen, je kunt er veel geld in pompen, maar zo optimistisch moet je niet zijn, dacht ik toen al. Het is bepaald geen lijn die ik ga volgen.

Dan wordt het voorstel gedaan van minimumstraffen. Nederland heeft het principe dat wij de rechter vrijlaten in het opleggen van straffen. Wij stellen slechts maximumstraffen vast. Natuurlijk zullen wij op een gegeven moment, wanneer wij moeten gaan harmoniseren, misschien wel eens een veer moeten laten, water in de wijn doen, maar dat moet in een totaal van onderhandelingen gebeuren. Ik heb altijd gezegd dat de minimumstraffen voor ons een belangrijk punt zijn. Vandaar dat ik eraan wil vasthouden. Als ik wel van plan zou zijn om af te wijken, quod non, ga ik dat niet zonder enige discussie met de Kamer doen. Nogmaals, ik ben dat dus niet van plan.

De heer Van Oven (PvdA): De minister realiseert zich dat er al wel een precedent is, namelijk in de Rijnvaartstrafrechtspleging. Het is dus niet zozeer een kwestie van water in de wijn doen, als wel van water in de Rijn. Daarin gelden minimumstraffen die moeten worden opgelegd door het college dat internationaal in hoger beroep over Rijnvaartovertredingen beslist.

Minister Korthals: In de Wet economische delicten staat ook een minimumstraf. Een boete mag niet minder dan één gulden bedragen. Maar dit zijn alle uitzonderingen die de regel bevestigen.

Voorzitter! In hoeverre moet Nederland procedureregels van andere lidstaten accepteren? Waarom is dat een goede zaak, zo vroeg de heer Weekers. Artikel 4 schrijft voor dat wij bij de uitvoering van rechtshulpverzoeken van een andere lidstaat gevolg zullen geven aan de toepassing van de door dat land gewenste procedures en zullen voldoen aan de gewenste formaliteiten, voorzover deze niet strijdig zijn met onze fundamentele rechtsbeginselen. Dat geldt ook als de regels soepeler zijn in de verzoekende staat.

De heer Weekers (VVD): Moet ik daaruit afleiden dat Nederland er alles aan zal doen om de zwaardere normen in te vullen als het buitenland zwaardere normen hanteert? Als het buitenland lichtere normen hanteert, zullen wij niet onder de eigen normen gaan zitten.

Minister Korthals: Nederland gaat niet onder de eigen normen zitten. Daar komt het gewoon op neer.

De heer Van Oven (PvdA): Ik kan het niet laten om nu nog even te vragen om de notitie over de internationale strafrechtelijke samenwerking, die door de minister in het debat naar aanleiding van het rapport van de commissie-Kalsbeek is toegezegd.

Minister Korthals: Wij hebben een toezegging gedaan over de harmonisatie van het internationale strafrecht, maar die notitie is al verschenen.

De heer Van Oven (PvdA): Maar daarnaast hebben wij naar aanleiding van de discussie over de aanbevelingen van de commissie-Kalsbeek over de internationale samenwerking op opsporingsgebied gevraagd om een notitie. Ik kan het mij voorstellen dat deze notitie zal volgen op het onderzoek van de commissie-Tak, dat eerdaags zal zijn voltooid.

Minister Korthals: Ik herinner het mij weer. Belangrijker is dat de ambtenaren het zich nu ook herinneren.

Hoe zit de regeling van het afluisteren van telecommunicatie in elkaar? Het antwoord op deze vraag is vrij lang. Ik stel voor om het schriftelijk aan de commissie te verstrekken.

De voorzitter: Akkoord.


**

Minister Korthals: In welke gevallen is een verhoor per videoconferentie toelaatbaar, zo vroeg de heer Weekers. Volgens artikel 10 van het verdrag kan verzocht worden een getuige per videoconferentie te horen, indien het niet wenselijk of mogelijk is dat betrokkene naar het verzoekende land reist. Bij "niet wenselijk" kan gedacht worden aan een bedreigde getuige, bij "niet mogelijk" aan een getuige met een slechte gezondheid. Verder bepaalt het verdrag dat lidstaten genoemd artikel ook mogen toepassen ten behoeve van het horen van verdachten. Dat laatste is Nederland niet voornemens te doen. De verdragsbepaling bevat een sterk gedetailleerde uitwerking van een videoverhoor waarin aan alle voor een verhoor essentiële elementen aandacht is besteed. Naar Nederlands recht bestaan geen regels voor het verhoor van getuigen per videoconferentie. Het Wetboek van Strafvordering zal daartoe enige aanvulling behoeven, zij het niet van ingrijpende aard. Eveneens zal het delict van meineed moeten worden uitgebreid voor de gevallen dat dit wordt gepleegd tijdens een videoverhoor. Er komt dus een wetsvoorstel voor aanpassing. Daarbij kunnen wij deze zaak verder uitdiepen.

Hetzelfde geldt voor de gevallen waarin verhoor per telefoon is toegestaan. Kern van de verdragsbepaling is dat men alleen om toepassing van een telefonisch verhoor kan vragen, indien het eigen recht daarin voorziet en dat het alleen kan worden toegestaan, indien de getuige ermee instemt en deze verhoormethode niet in strijd wordt geacht met de fundamentele rechtsbeginselen.

Mevrouw Halsema heeft verder gevraagd of bij de discussie over de Europese officier van justitie in verband met de fraudebestrijding ook justitieel democratische controle betrokken wordt. Dit is eigenlijk een open deur. Het antwoord daarop is uiteraard ja. Dat houdt in dat ook de rechterlijke controle daarbij betrokken is. Wij hebben ook altijd gezegd dat het gevolgen heeft voor de volgende schakel, wanneer je met Eurojust verder gaat en je Eurojust operationele bevoegdheden geeft.

Voorzitter! Hiermee meen ik alle vragen te hebben beantwoord.

De heer Van Oven (PvdA): Voorzitter! Ik geloof dat ik mede namens de heer Hoekema spreek, als ik nog vraag om een reactie op onze vragen over punt 10 van de agenda. Het gaat daar om de evaluatie van de inzet van Tsjechië en Hongarije.

Minister Korthals: Dat is waar. Ik ben in Hongarije geweest. Ik heb daar gezien hoe hard men hieraan werkt. Gezien de evaluatie, moet je echter redelijk somber gestemd zijn. Als je dan op een gegeven moment voor de vraag komt te staan of dit betekent dat deze landen moeten toetreden, dan kan de beantwoording daarvan moeilijk zijn. Ik kan evenwel voorspellen dat de dynamiek tegen die tijd zo wordt dat het niet gemakkelijk zal zijn om vervolgens weer neen te zeggen. Dat neemt niet weg dat er van onze kant van alles aan gedaan wordt, bijvoorbeeld door het verlenen van rechtsbijstand en het zenden van deskundigen. Wij hebben ook MOU's gesloten met zowel Tsjechië als Hongarije om te komen tot samenwerking ter verbetering van de situatie aldaar.

Staatssecretaris Cohen: Mevrouw de voorzitter! Ik loop de verschillende vragen langs. De heer Van Oven heeft mij naar aanleiding van het scorebord een paar vragen gesteld. Om te beginnen, heeft hij een vraag gesteld over de relatie tussen de minimumnormen en de eenvormige asielprocedure. Daaraan heeft hij de vraag verbonden of daar geen erg korte tijd tussen zit. Het is de bedoeling dat de Commissie de studie naar de gemeenschappelijke asielprocedure afrondt voor de Europese Raad die op 7 en 8 december in Nice zal plaatsvinden. Dat is ook conform de afspraken die in Tampere gemaakt zijn. Die studie behoeft, wat Nederland betreft, overigens niet echt een blauwdruk op te leveren voor de gemeenschappelijke procedure, maar moet eerder in kaart brengen uit welke elementen die procedure zou moeten bestaan. De heer Van Oven heeft gelijk dat eerst een aantal minimumnormen voor de asielprocedure en de definitie van "vluchteling" moet worden vastgesteld, voordat er een definitief beeld van de gemeenschappelijke procedure wordt gegeven. Het is bekend dat er iets ligt op het punt van die minimumnormen. Verder wordt het tijdschema hiervoor gedicteerd door de afspraak die in Tampere is gemaakt. Nederland stelt het op prijs dat die wordt gehandhaafd.

De Commissie heeft na consultatie van de lidstaten en een aantal NGO's in december 1999 een conceptrichtlijn over gezinshereniging en gezinsvorming voorbereid. De bespreking van die richtlijn is eind januari gestart. Nederland is hierbij voorstander van een meer eenvormig gezinsherenigings- en gezinsvormingsbeleid binnen de Unie, mits op onderdelen, bijvoorbeeld de toelating van ongehuwde partners, en in lijn met de motie-Karimi positief kan worden afgeweken van het communautaire recht. In die zin, zo zeg ik ook in antwoord op de desbetreffende vraag van mevrouw Halsema, zou je kunnen spreken van minimumnormen. Wij vinden dus wel dat het mogelijk moet zijn om af te wijken. En dat is dan inderdaad een afwijking naar boven toe.

In de Nederlandse visie moet de richtlijn inzake gezinshereniging in ieder geval de standaarden van de rechten van de mens en de rechten van het kind bevatten, zoals het in artikel 8 EVRM neergelegde recht op eerbiediging van gezins- en privé-leven, waaronder de toelating van gehuwde partners, het recht om te huwen en een gezin te stichten. Uitgangspunt daarbij moet zijn dat iedere onderdaan van een derde land die wettig verblijft op het grondgebied van een lidstaat, recht heeft op gezinshereniging en gezinsvorming volgens de nationale regelgeving van de lidstaten, maar met inachtneming van de voorwaarde dat betrokkene geen gevaar mag vormen voor de openbare orde en veiligheid en beschikt over voldoende middelen van bestaan.

De heer Van Oven, maar ook anderen hebben gevraagd naar het vluchtelingenfonds. De heer Hoekema heeft verder gevraagd waarom wij daar zo terughoudend over doen. In de eerste plaats zou Nederland graag zien dat de werkingssfeer zou worden uitgebreid tot personen die subsidiaire bescherming genieten. Nu gaat het uitsluitend om vluchtelingen en ontheemden. In de tweede plaats vindt Nederland dat het fonds bestemd moet zijn voor lidstaten die de zwaarste lasten dragen. Met andere woorden: het fonds moet een concrete uiting zijn van die verantwoordelijkheidsdeling. Het zal geen verbazing wekken dat landen als Portugal, Italië, Griekenland, Spanje en Ierland vinden dat het fonds ook of juist vooral bestemd moet worden voor landen die een achterstand hebben bij opvang en infrastructuur. Nederland vindt dat het juist aan de andere kant moet gaan zitten. Dit zijn voor ons punten om in de besprekingen te betrekken. Wij hopen echter wel dat het fonds snel zal worden verwezenlijkt, omdat wij het ermee eens zijn dat het een eerste stap is op weg naar die
verantwoordelijkheidsverdeling.

De heer Van Oven (PvdA): De vraag is dan hoe de regering de percentages die door de Commissie worden voorgesteld, waardeert. Ik doel op die 65% voor het aantal mensen dat zich in een land heeft gemeld en die 35% voor de mensen die een status hebben gekregen.

Staatssecretaris Cohen: Die percentages zijn tamelijk willekeurig, maar ieder ander percentage zou dat ook zijn. Ik wil dus maar zeggen dat daar niet ons grootste probleem zit.

De heer Hoekema (D66): U schetst terecht de Nederlandse uitgangspositie. Het fonds moet natuurlijk niet alleen maar een herverdeling binnen Europa ten gunste van de zwakkeren zijn. Toch zit in alle Europese fondsen een stukje solidariteit met de zwakke landen. Ik pleit er niet voor dat Nederland de opvangvoorzieningen in Portugal gaat financieren, maar in de Unie mag wel een zekere solidariteit doorklinken, ook om die landen in de gelegenheid te stellen wat zwaardere lasten op zich te nemen. Al te goed is buurmans gek -- ik zie u wat bedenkelijk kijken -- maar de Unie is natuurlijk ook gebaseerd op solidariteit.

Staatssecretaris Cohen: Ja, maar dat argument valt heel goed om te keren. Juist omdat het op solidariteit gebaseerd is, zou je kunnen zeggen dat de landen die de zwaarste lasten dragen, ook de grootste vergoeding moeten krijgen uit dat fonds. De Nederlandse regering vindt het vluchtelingenfonds echter wel van belang. Het voorstel dat nu voorligt, is op zichzelf aanzienlijk veel beter dan het voorstel dat er voor Tampere lag. Wij hebben daar evenwel nog wel een paar kanttekeningen bij. Een kanttekening is ook dat het op dit ogenblik om een relatief zeer beperkt bedrag gaat. In het licht van de verantwoordelijkheidsverdeling zijn wij op grond van dit soort overwegingen enigszins terughoudend.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik heb nog gevraagd in hoeverre er kwaliteitscriteria aan het fonds worden verbonden en in hoeverre landen dus gestimuleerd zullen worden om bepaalde normen te aanvaarden voor de opvang.

Staatssecretaris Cohen: In het voorstel zitten kwaliteitscriteria. Ik doel daarbij op de wijze waarop projecten kunnen worden aangeboden en het feit dat die projecten door de gezamenlijke lidstaten beoordeeld worden. Nederland is op zichzelf geneigd om daar serieus naar te kijken, bijvoorbeeld als het om opvang gaat. Wij willen op die punten wel degelijk eisen stellen.

De heer Weekers heeft gevraagd waarom de amendementen van het Europees Parlement bij het besluit inzake valse reisdocumenten ter zijde zijn geschoven. Die amendementen zijn niet overgenomen, omdat de Raad die niet verenigbaar achtte met de door hem voorgestelde rechtsgrondslag van het besluit, namelijk artikel 34, tweede lid, onder c. Het gaat daar om de derde pijler. Het Europees Parlement vindt daarentegen dat dit onderwerp hoort bij de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, dus de eerste pijler. Dat was een principieel argument. Omdat de Raad het Parlement daarin niet heeft gevolgd, is men niet toegekomen aan de inhoudelijke bespreking van de overige amendementen.

De heer Weekers (VVD): Kan de staatssecretaris inhoudelijk ingaan op het standpunt van de Nederlandse regering over de voorstellen van het parlement?

Staatssecretaris Cohen: Nederland was het eens met de rechtsgrondslag. Wij zijn dus niet toegekomen aan die beoordeling.

De heer De Haan heeft gevraagd of de afspraken ten aanzien van Eurodac een verruiming of beperking zijn ten opzichte van het Nederlandse beleid. In principe gaat het om een beperking, ook al hebben wij bij de totstandkoming van de afspraken een verruiming nagestreefd.

De kwestie Gibraltar is heel vervelend. Zolang de discussie tussen Spanje en Engeland niet is afgerond, ligt er een veto. De Nederlandse regering betreurt dat, maar het is een feitelijke constatering dat zolang het veto er ligt, wij niet verder komen op dat punt.

De heer De Haan heeft gevraagd hoe het staat met de controle van de buitengrenzen van Griekenland. Tevens heeft hij gevraagd wanneer een evaluatie zal plaatsvinden. Eerst gaat het om de volledige inwerkingstelling, te weten op 26 maart a.s. Vervolgens is er reden de evaluatie voort te zetten. Zij is voorzien voor het einde van het jaar. Er zal dan een bezoek worden afgelegd door een observatiecommissie op basis van het besluit van de volledige inwerkingtreding van Schengen voor Griekenland.

De heer Hoekema en anderen hebben gevraagd naar de stand van zaken ten aanzien van de High Level Working Group. Men is nog steeds bezig met de concretisering en de implementatie van de actiepunten. Meer dan dat is er op dit ogenblik niet. Een en ander is ook niet eenvoudig, gelet op de nieuwe pijleroverstijgende werkwijze die is afgesproken. Die afspraak is uitstekend, maar daarmee wordt gelijktijdig duidelijk dat het lastig is vorm en inhoud daaraan te geven. De heer Hoekema heeft naar het werkprogramma gevraagd. Ik zeg hem toe dit na verschijning toe te sturen. Het gaat naar de mening van de Nederlandse regering te langzaam. Wij dringen er regelmatig op aan het tempo te verhogen. Wij zullen er bij het voorzitterschap opnieuw op aandringen ervoor te zorgen dat er echt iets gebeurt. De Nederlandse regering vindt dat er meer kan en moet gebeuren.

De heer Hoekema heeft gevraagd naar de mededeling over de BNC-fiche. Het gaat om een nieuwe mededeling van de Commissie over een richtlijn uit 1964. Terecht stelt hij vast dat volksgezondheid naar geldend gemeenschapsrecht geen titel is voor maatregelen. De besmettelijke ziektes waarop de richtlijn 1964/221 doelt, staan omschreven in een bijlage. AIDS hoort daar niet bij.

De heer Hoekema heeft gevraagd een impressie te geven van de voortgang van het scorebord. Ik stel voorop dat er buitengewoon veel op het bord van de Commissie is gelegd. Het scorebord is er niet snel. Daarmee wordt zichtbaar dat er in de komende jaren in een hoog tempo ontzettend veel moet gebeuren. De Commissie heeft aan de lidstaten gevraagd daarbij behulpzaam te zijn. Nederland heeft dat toegezegd. Wij hebben met name op het punt van de gemeenschappelijke asielprocedure onze medewerking toegezegd. Er valt niet te ontkennen dat na de dynamiek die van Tampere uitging, er nog erg veel moet gebeuren. Er zijn al weer enige maanden voorbijgegaan.

De heer Van Oven (PvdA): Mijn fractie heeft de indruk dat er te weinig dynamiek is. Dat kan te maken hebben met de bemensing. Hoe is de ontwikkeling op dat punt?

Staatssecretaris Cohen: Dat heeft er zeker mee te maken, maar ook de veranderingen die tot stand zijn gebracht in het ambtelijk apparaat van de Commissie. Het apparaat van commissaris Vitorino is uitgebreid. Toen hij laatst op bezoek was en enthousiast melding maakte van een aantal FTE's, zei zijn hoogste ambtenaar dat hij zich moest realiseren dat de bemensing nog niet had plaatsgevonden. Dat probleem zal de komende tijd worden opgelost.

Over de terug- en overnameclausules zijn door mevrouw Halsema en de heer Hoekema vragen gesteld. De uiteindelijke tekst is niet met de geannoteerde agenda voor de JBZ-raad van 2 december meegestuurd. De laatste versie van het onderliggende document, waarover toen nog druk werd onderhandeld op het niveau van Coreper, is wel aan de Kamer gezonden. De standaardclausule bevat geen bepaling over het verlenen van bescherming aan terugkeerders. Je kunt je echter afvragen waartoe een dergelijke bepaling moet dienen, want een terug- en overnameovereenkomst bevestigt slechts de internationaal-rechtelijke verplichting van landen hun eigen onderdanen terug te nemen. Personen die in aanmerking komen voor terugkeer hebben een zorgvuldige procedure, inclusief rechterlijke toetsing, achter de rug. Die toetsing dient er juist toe vast te stellen of zij bescherming nodig hebben. Als dat niet het geval is, dient het land betrokkene terug te nemen. Daarvoor is de terug- en overnameovereenkomst bedoeld.

Mevrouw Halsema heeft gevraagd of de overeenkomsten met derde landen aan de Kamer voorgelegd zullen worden. Dat is afhankelijk van de rechtsgrondslag. Gemeenschapsakkoorden vallen niet onder de ratificatieprocedure. Zij zullen dan ook niet ter ratificatie aan de Kamer worden voorgelegd.

De heer Van Oven (PvdA): Wat is het standpunt van de Nederlandse regering ten aanzien van de rechtsgrondslag?

Staatssecretaris Cohen: Het is een gemeenschapsakkoord gebaseerd op de Loméakkoorden. Nederland was daar sterk voor.

De heer Hoekema (D66): De Kamer heeft ook de associatieovereenkomst met bijvoorbeeld Jordanië, waar dit een onderdeel van is, en Egypte behandeld.

Staatssecretaris Cohen: Dat was een gemengd akkoord.

De heer Hoekema (D66): Dan moeten wij maar op u vertrouwen!

Staatssecretaris Cohen: Het is niet anders!

Mevrouw Halsema heeft ten aanzien van Eurodac gevraagd naar de amendementen van het Europees Parlement. Die punten zijn hier al in de vorige vergadering besproken. De Raad heeft de door het Europees Parlement voorgestelde amendementen ten aanzien van de Eurodac-verordening uitvoerig besproken. Op zakelijke gronden is vastgesteld dat zij niet moesten worden overgenomen. Dat wil niet zeggen dat het Europees Parlement niet serieus is genomen. Soms berusten de amendementen van het parlement simpelweg op misverstanden over de doeleinden van de verordening. Commissaris Vitorino heeft dan ook zeer onlangs nog eens onderstreept in het Parlement dat de mening van het Europees Parlement er natuurlijk wél toe doet.

Overigens zal het Parlement opnieuw worden geraadpleegd op het punt van de comitologie en de territoriale werkingssfeer in verband met Gibraltar, zodra voor dat laatste probleem een oplossing is bereikt tussen Spanje en het Verenigd Koninkrijk.

Mevrouw Halsema heeft nog een vraag gesteld over de Dublinherziening, met name de mogelijke rol van het Hof daarbij. Een herzien voorstel voor de Overeenkomst van Dublin zal onder de werking van artikel 68 van het EG-verdrag vallen. Dat betekent dat er een rol voor het Hof van Justitie zal zijn. Nederland juicht dat toe en zou ook graag zien dat de rol van het Hof expliciet wordt vastgelegd in het nieuwe rechtsinstrument dat de overeenkomst zal vervangen.

Ten slotte de vraag over de gezinshereniging in het licht van de Overeenkomst van Dublin en de rol van Italië daarbij. Italië wilde een ruimere mogelijkheid van de groepen die bij elkaar gehouden zouden moeten worden op basis van het besluit. Nederland was het daar op zichzelf van harte mee eens, maar andere lidstaten waren het hier juist niet mee eens. Nederland heeft gezegd, ook omdat ik hier met regelmaat op heb aangedrongen, dat het graag zo nodig een bemiddelende rol wil spelen. Daarover heeft vandaag nog ambtelijk contact met Italië plaatsgevonden. U ziet dat de regering op dit punt diligent is.

Minister Korthals: En voortvarend!

Staatssecretaris Cohen: Inderdaad, en voortvarend, maar dat geldt vooral voor de minister!

De voorzitter: Gelet op de discussie over de procedure aan het begin van de vergadering ga ik ervan uit dat er geen behoefte is aan een tweede termijn. Ik loop daarom nu alleen nog de punten langs die verbindend moeten worden geacht, om na te gaan of daarvoor een meerderheid in de Kamer te vinden is. In de eerste plaats kom ik dan bij agendapunt 5.


**

De heer De Haan (CDA): Het B-punt is nog maar een voorlopige tekst, voorzitter. Wij zullen dus de definitieve tekst moeten afwachten. Hetzelfde geldt voor de agendapunten 11 en 13.

Minister Korthals: Over de tekst kan natuurlijk altijd nog onderhandeld worden, maar het gaat er nu om of u het er in beginsel mee eens bent.

De heer De Haan (CDA): Ja, in beginsel wel, maar wij willen wel graag de definitieve tekst zien. Maar goed, u kunt rustig met dit onderwerp aan de slag gaan.

Minister Korthals: Wat u nu vraagt, is nog nooit gebeurd.

De voorzitter: Ik begrijp dat er geen voorbehoud wordt gemaakt bij de beleidsinhoudelijke lijn die in agendapunt 5 is neergelegd.


**

De heer De Haan (CDA): Inhoudelijk heb ik er geen enkel bezwaar tegen.

De voorzitter: Ik constateer dat er geen bezwaren zijn tegen de agendapunten 11, 12, 13 en 14. Ik stel vervolgens aan de orde het toegevoegde agendapunt 2h.


**

De heer Van Oven (PvdA): Daar maakt mijn fractie een voorbehoud bij, voorzitter. In de eerste plaats doen wij dat, omdat de informatievoorziening op dit punt bepaald onvoldoende is geweest: wij hebben pas op 21 maart de stukken toegezonden gekregen. In de tweede plaats is hier kennelijk sprake van een verschil van mening dat voor de Commissie zó zwaar is dat ze aantekening heeft gevraagd van het feit dat ze ertegen is. Ik kan op dit moment dit verschil van mening zeer moeilijk inschatten, ook al omdat ik de amendementen van het Europees Parlement waarnaar wordt verwezen, niet heb gezien. Bovendien zou het de zaak kwetsbaar kunnen maken voor een toetsing door het Hof van Justitie. Mijn fractie voelt dan ook niet de vrijheid om hier nu mee in te stemmen.

De heer Hoekema (D66): Mijn probleem is dat er geen inhoudelijke toets meer is geweest van het stuk zoals dat is aangepast door de amendementen van het Europees Parlement.

Minister Korthals: Het is niet aangepast.

De heer Hoekema (D66): De amendementen zijn dus niet overgenomen? Het is precies hetzelfde stuk als in mei 1999?

Minister Korthals: Ja.

De heer Hoekema (D66): In dat geval vind ik dat wij consistent moeten zijn en niet uitsluitend naar aanleiding van de procedure bezwaar moeten maken. Ik steun hier dan ook de voortvarende minister.

De voorzitter: Dan constateer ik dat de PvdA-fractie een voorbehoud maakt en de overige fracties instemmen met het regeringsvoorstel.


**

Sluiting 17.31 uur.

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal


*0: OSV


*1: 1999-2000


*2: 41


*3: Word97


*4: Stenografisch verslag van een algemeen overleg van de vaste commissies voor Justitie<1> en voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties<2>


*5: Donderdag 23 maart 2000


*6: 15.30 uur


*7: 23490 Ontwerpbesluiten Unie-Verdrag


*8: Nr. 154


*10: 1 Samenstelling:

Leden: Swildens-Rozendaal (PvdA), Van de Camp (CDA), Biesheuvel (CDA), Scheltema-de Nie (D66), Zijlstra (PvdA), Kalsbeek (PvdA), Apostolou (PvdA), Middel (PvdA), Van Heemst (PvdA), voorzitter, Rouvoet (RPF/GPV), Rabbae (GroenLinks), Van Oven (PvdA), Dittrich (D66), ondervoorzitter, O.P.G. Vos (VVD), Van Wijmen (CDA), De Wit (SP), Weekers (VVD), Wijn (CDA), Van der Staaij (SGP), Ross-van Dorp (CDA), Patijn (VVD), Niederer (VVD), Nicolaï (VVD), Halsema (GroenLinks), Brood (VVD)

Plv. leden: Wagenaar (PvdA), Balkenende (CDA), Verhagen (CDA), Van Vliet (D66), Duijkers (PvdA), Arib (PvdA), Kuijper (PvdA), Albayrak (PvdA), Barth (PvdA), Schutte (RPF/GPV), Karimi (GroenLinks), Santi (PvdA), Hoekema (D66), Van den Doel (VVD), Rietkerk (CDA), Marijnissen (SP), De Vries (VVD), Eurlings (CDA), Van Walsem (D66), Buijs (CDA), Rijpstra (VVD), Van Baalen (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Kamp (VVD)


*10: 2 Samenstelling:

Leden: Schutte (RPF/GPV), Te Veldhuis (VVD), ondervoorzitter, De Cloe (PvdA), voorzitter, Van de Camp (CDA), Van den Berg (SGP), Scheltema-de Nie (D66), Van der Hoeven (CDA), Van Heemst (PvdA), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Rijpstra (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Hoekema (D66), Dankers (CDA), Cornielje (VVD), O.P.G. Vos (VVD), Rehwinkel (PvdA), Wagenaar (PvdA), Luchtenveld (VVD), Verburg (CDA), Rietkerk (CDA), Halsema (GroenLinks), Kant (SP), Duijkers (PvdA), Balemans (VVD), De Boer (PvdA)

Plv. leden: Rouvoet (RPF/GPV), Van Beek (VVD), Zijlstra (PvdA), Van Wijmen (CDA), Ravestein (D66), Augusteijn-Esser (D66), Balkenende (CDA), Barth (PvdA), Rabbae (GroenLinks), Cherribi (VVD), Gortzak (PvdA), Dittrich (D66), Wijn (CDA), Nicolaï (VVD), Van den Doel (VVD), Van Oven (PvdA), Apostolou (PvdA), Brood (VVD), Mosterd (CDA), Eurlings (CDA), Van Gent (GroenLinks ), Poppe (SP), Belinfante (PvdA), Essers (VVD), Kuijper (PvdA)


**

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie