Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag Interimwet zij-instroom leraren onderwijs

Datum nieuwsfeit: 23-03-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

verslag interimwet zij-instroom leraren primair en voortg ezet onderwijs

Gemaakt: 27-3-2000 tijd: 17:19


27 015 Voorschriften ten behoeve van de instroom van leraren in het primair en voortgezet onderwijs (Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs)

Nr. 4 VERSLAG

Vastgesteld 23 maart 2000

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Weten-schap-pen1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te bren-gen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen genoegzaam zullen zijn beant-woord, acht de commissie de openbare beraadslaging over het voorstel van wet voldoende voorbereid.


1. Algemeen

De leden van de fractie van de Partij van de Arbeid delen het uitgangspunt van dit wetsvoorstel, dat de komst van voorwaardelijk bevoegde leraren in het primair- en voortgezet onderwijs een verrijking van het lerarencorps kan betekenen en een oplossing kan vormen voor het tekort aan leraren op de arbeidsmarkt. Deze leden beschouwen het assessment in principe als een goed instrument om te komen tot een beoordeling van de geschiktheid van een zij-instromende kandidaat voor het onderwijs. Maar, zo tekenen deze leden daar bij aan, bij het komen tot een oordeel over dit wetsvoorstel staat centraal de vraag of de kwaliteit van de man of vrouw die voor de klas staat gehandhaafd blijft. Op die kwaliteit moeten ouders en leerlingen blindelings kunnen vertrouwen, zo menen deze leden. Zij achten zich niet in staat tot een antwoord op die vraag te komen zolang deze kwaliteitscriteria, zoals die zullen worden vastgelegd in een uitvoeringsregeling, nog niet bekend zijn. Zij vragen de regering wanneer het ontwerpbesluit de Tweede Kamer bereiken zal? Gaan zij er terecht van uit dat het afgerond zal zijn voordat de Kamer plenair over dit wetsvoorstel zal debatteren, zodat de Kamer in dat stadium in staat is om tot een voldragen oordeel te komen? In het vervolg van dit verslag gaan ook andere fracties hier op in.

De leden van de VVD-fractie juichen het openstellen van nieuwe wegen naar het beroep van leraar zij toe. Dit zal leiden tot «vers bloed» binnen het onderwijs en een vergrote mobiliteit binnen de onderwijsarbeidsmarkt en zo tot een met andere sectoren meer vergelijkbare situatie. Dit is niet alleen op korte termijn in verband met de lerarentekorten een gewenste situatie, maar ook in het algemeen. Kan aangegeven worden, zo vragen de leden van de VVD-fractie, hoe de mobiliteit van leraren naar banen binnen en buiten de onderwijssector zich verhoudt tot de mobiliteit van werknemers in andere sectoren? De kwaliteit van het onderwijs dient echter altijd een harde randvoorwaarde te zijn. Nieuwe wegen naar het leraarschap dienen kwalitatief uitstekende leraren op te leveren. Het «verse» bloed moet ook zuiver bloed zijn van de goede bloedgroep, wil de patiënt er beter van worden.

De leden van de CDA-fractie hebben met enige reserve kennis genomen van het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel maakt een andere weg naar het leraarschap mogelijk en vormt zo een invulling van een beperkt deel van de voorstellen uit «Maatwerk voor morgen». De aantrekkelijkheid van het beroep leraar kan zeker worden vergroot door instroom vanuit andere sectoren van en uitstroom naar andere sectoren van de arbeidsmarkt mogelijk te maken. Het wetsvoorstel voorziet in een andere weg naar het leraarschap, maar voorziet niet in het bevorderen van een mobiliteit die twee kanten uitgaat. Overigens vragen de leden van de CDA-fractie of de regering op de hoogte is van het feit dat 20 tot 25% van de PABO afgestudeerden weliswaar een baan vindt in het onderwijs, doch binnen twee jaar het onderwijs weer vaarwel zegt. Kan de regering aangeven wat hiervan de oorzaken zijn en op welke wijze deze ontwikkeling een andere wending kan worden gegeven?

De leden van de CDA-fractie stellen vast dat het fenomeen «zij-instroom» in het leraarberoep niet nieuw is. Zeker niet in het voortgezet onderwijs. Daar kwam dit juist heel vaak voor door het systeem van de te behalen aktes. Dat is ook in de wetgeving geregeld aangezien telkens voor maximaal een jaar ontheffing kon worden verleend om af te wijken van de benoembaarheidseisen. Dat was geen oplossing voor incidentele problemen zoals de regering suggereert in de memorie van toelichting. Dat werkte goed, ook voor zij-instromers. De leden van de CDA-fractie missen een deugdelijke onderbouwing die de meerwaarde van dit wetsvoorstel rechtvaardigt in plaats van het zo nodig aanpassen en stroomlijnen van de bestaande wetgeving. Het grote verschil is dat nu voor een periode van 2 jaar in een keer ontheffing wordt verleend.

Het is de leden van de CDA-fractie niet helder op basis waarvan het begrip «kwaliteitsimpuls» wordt gebruikt. Immers, de aan te stellen personen zijn niet bevoegd en ook niet bekwaam. Was dat wel het geval dan was een post-initieel maatwerktraject niet nodig. Dit wetsvoorstel is nodig omdat er een tekort aan leraren is. Een tekort dat niet op korte termijn kan worden opgelost, ondanks de sterk gestegen toeloop naar de PABO's.

Feitelijk is assessment een soort selectie aan de poort. Als deze selectie op deze manier mogelijk wordt gemaakt voor de zij-instromers, wat is er dan nog voor fundamenteel bezwaar tegen een selectie aan de poort bij het begin van de reguliere lerarenopleiding, zo vragen de leden van de CDA-fractie?

De leden van de fractie van D66 kunnen het uitgangspunt van het wetsvoorstel, een verruiming van de mogelijkheden om tot het leraarsberoep toe te treden door middel van zij-instroom in het beroep, onderschrijven.

De leden van de fractie van GroenLinks menen dat het gezien de urgentie van de problematiek die dit wetsvoorstel beoogt te bestrijden, i.e. het lerarentekort, te waarderen is dat de regering met voortvarendheid te werk gaat. De belangrijkste vraag die de leden van de fractie van GroenLinks aan de regering voor willen leggen, is of deze voortvarendheid niet heeft geleid tot onzorgvuldigheden in de wetgeving en tot mogelijk onvoorziene gevolgen en invoeringsproblemen waarbij de kwaliteit van het leraarschap en daarmee de kwaliteit van het onderwijs onder druk komen te staan.

Dat de regering iets wil doen aan het lerarentekort is noodzakelijk, maar de leden van de SP-fractie vinden het teleurstellend dat daarvoor geen extra middelen worden uitgetrokken. De leden kunnen niet begrijpen dat de overheid enerzijds met een belastingmeevaller te maken heeft, en anderzijds geen extra geld wil uitgeven voor de uitvoering van deze interimwet. Bijna 80% van de Nederlandse bevolking wil zelfs dat er meer geld aan het onderwijs wordt uitgegeven, is uit onderzoek gebleken. In navolging van de Onderwijsraad pleiten de leden van de SP-fractie er dan ook voor dat er middelen worden toegevoegd aan het reguliere bekostigingsbudget.

De aanpak van het lerarentekort door de plaatsing van onbevoegden voor de klas is een riskante aangelegenheid. Het kan een serieuze bedreiging voor de kwaliteit van het onderwijs betekenen. Zowel de zorg voor leerlingen als het imago van het leraarberoep kunnen vanwege deze interimwet negatief beïnvloed worden. De leden van de SP-fractie dringen erop aan dat de regering zorg draagt voor een aanvaardbare kwaliteitsborg.

De zij-instroom van leraren in het onderwijs die in dit wetsvoorstel wordt voorgesteld, is één van de middelen om het lerarentekort te bestrijden. De leden van de fracties van GPV en RPF vinden het positief dat de regering haar verantwoordelijkheid neemt dit tekort weg te werken.

De leden van de SGP-fractie zijn van mening dat met name door de krappe onderwijsarbeidsmarkt de kwaliteit van het onderwijs in het geding is. Zij waarderen daarom dat er wordt gezocht naar onder meer het oplossen van de arbeidsmarktknelpunten. Deze doelstelling kan echter niet worden bereikt door meer reguliere instroom in de lerarenopleidingen. De benodigde leraren dienen veel sneller beschikbaar te zijn. Dit kan worden gerealiseerd door de hier voorgestelde zij-instroom van leraren. De leden van de SGP-fractie stellen met betrekking tot deze oplossingsrichting echter vraagtekens bij de kwaliteit van het onderwijs, met name ten aanzien van de bekwaamheid van leraren. Bij de beoordeling van dit wetsvoorstel zoeken zij daarom in het licht van de kwaliteit van het onderwijs naar een balans tussen de huidige problematische situatie en de mogelijke oplossingen.


1.a Aanleiding tot het wetsvoorstel

De regering verwacht (of hoopt) dat onderhavig wetsvoorstel een bijdrage zal leveren aan het terugdringen van de tekorten in het onderwijs. De leden van de fractie van D66, en ook de leden van de fracties van GPV en RPF vragen hiernaar, de regering of zij een schatting kan geven van het aantal te verwachten zij-instromers. De leden vragen dit ook naar aanleiding van het bedrag dat hiervoor is gereserveerd f 8 miljoen voor het basisonderwijs en f
17,8 miljoen voor het voortgezet onderwijs. Zij nemen aan dat deze bedragen zijn gebaseerd op een schatting van het aantal te verwachten potentiële zij-instromers? Indien het succes groter blijkt te zijn dan verwacht zijn er dan geen financiële belemmeringen? Hoeveel scholen hebben belangstelling getoond voor de mogelijkheid van zij-instroom in het leraarsberoep en hoeveel hebben zich aangemeld voor het experiment met assessment? En hoeveel lerarenopleidingen hebben belangstelling getoond voor het uitvoeren van het geschiktheidonderzoek en scholings- en begeleidingstraject?
In de toelichting worden het primair- en voortgezet onderwijs met betrekking tot de zij-instroom in één adem genoemd. De leden van de fracties van GPV en RPF kunnen zich echter voorstellen dat de verschillen tussen deze beide onderwijssoorten gevolgen hebben voor de manier waarop de zij-instroom vorm gegeven wordt. Zo wordt de kwetsbaarheid van de leerlingen in het primaire onderwijs als groter ervaren. Ook vraagt het werken in het primair onderwijs veel van de pedagogische kwaliteiten van een docent. De leden van de fracties van GPV en RPF willen daarom van de regering weten in hoeverre de voorgestelde maatregelen met betrekking tot de zij-instroom zowel voor het primair onderwijs als het voortgezet onderwijs geschikt zijn.

De leden van de SGP-fractie betwijfelen sterk dat personen zonder pedagogisch-didactische vorming in het algemeen over voldoende kwalificaties en competenties beschikken om als leraar te worden aangesteld. Zij vragen welke waarde de regering hecht aan pedagogisch-didactische vorming ten aanzien van het leraarsberoep. Is de conclusie van de genoemde leden juist dat de regering van mening is dat het beroep van leraar, zij het voor enkele jaren, goed kan worden uitgeoefend zonder substantiële pedagogisch-didactische vorming?

In de memorie van toelichting wordt gesteld dat de mogelijkheden worden verruimd om langs verschillende, gelijkwaardige wegen de intrede of herintrede in het leraarsberoep mogelijk en aantrekkelijk te maken. De leden van de SGP-fractie vragen of de regering van mening is dat de voorgestelde zij-instroom in het beroep een gelijkwaardige weg tot het leraarsberoep is in vergelijking met bijvoorbeeld een doorsnee initiële opleiding. Zij vragen de regering hierbij nader in te gaan op de veronderstelde inwisselbaarheid van scholing en werkervaring, zowel wat betreft het vakinhoudelijke als het pedagogisch-didactische element, alsmede op de vergelijkbaarheid van de scholingsinspanning.


1.b De verantwoordelijkheid van de centrale overheid; de noodzaak van wetgeving; reden voor de keuze voor een interimwet
De leden van de PvdA-fractie vinden het een terechte keuze dat het hier een tijdelijke wet betreft, en dat de voorwaardelijke onderwijsbevoegdheid uiteindelijk een vaste plek in de rechtspositie van leraren zal krijgen in de nog in te dienen Wet op het Leraarschap. Is al bekend wanneer de Tweede Kamer een voorstel van deze wet zal ontvangen, zo vragen de leden van de PvdA-fractie zich af.

De leden van de PvdA-fractie stellen vast dat de reeds bestaande mogelijkheid tot ontheffing van de onderwijsbevoegdheid, zoals neergelegd in art. 3, zevende lid, van de WEC en artikelen 33, derde lid, en 126, zevende lid, van de WVO vooralsnog blijft bestaan. Kan nader uiteen gezet worden wat op de langere termijn nut en noodzaak van deze regeling is, zo vragen de leden van de PvdA. Deze leden constateren dat deze mogelijkheid vooral voor kort durende situaties bedoeld is. Zij stellen echter ook vast dat het in de dagelijkse onderwijspraktijk niet ongebruikelijk is dat het gebruik van deze mogelijkheid gedurende een reeks van jaren wordt verlengd. Bestaat er een beeld van hoe vaak zulke verlengingen aan de orde zijn? En hoe lang onbevoegden in het onderwijs gemiddeld werken met zo'n tijdelijke ontheffing? Zou de tijdelijke ontheffing niet tegelijk met het tot wet verheffen van het onderliggende voorstel aan een maximum gebonden moeten worden, zodat zeker is dat onbevoegd lesgeven in alle gevallen een tijdelijke zaak is? Past een initiatief zoals dat van de TU Delft, om studenten les te laten geven in exacte vakken binnen deze mogelijkheid in de wet?

De leden van de VVD-fractie hebben al eerder aangegeven, dat het geheel van regelgeving (wetten en besluiten) voor afwijkingen en (tijdelijke) vrijstellingen van benoembaarheidvereisten en bevoegdheden onoverzichtelijke vormen begint aan te nemen. Is het niet mogelijk om in het kader van het dereguleringsprogramma meer stroomlijning aan te brengen, artikelen in elkaar te schuiven, besluiten te herzien en zo tot een overzichtelijker geheel te komen? Waarom is het bijvoorbeeld nodig om naast de hier geldende vrijstelling van 2 jaar nog een aparte vrijstelling te hanteren van 1 jaar voor diegenen die de afstudeerrichting gericht op het leraarsberoep binnen de universitaire lerarenopleiding hebben gevolgd, en waarom zijn beide vrijstellingen nodig naast de vrijstellingen die reeds voor LIO's bestaan (het gaat hier immers ook om leraren in opleiding, maar dan post-hoger onderwijs)? Hoe past de aparte vrijstellingsgrond van een jaar onder goedkeuring van de inspectie in de WVO in dit geheel? Kortom, deze leden vragen zich af of voor elk specifiek geval weer een aparte vrijstellingsgrond in het leven geroepen moet worden en of niet kan worden volstaan met een enkele algemene vrijstellingsregeling.

De reserve van de zijde van de leden van het CDA komt onder meer voort uit de beantwoording van de opmerkingen gemaakt door de Raad van State. Het is niet helder of dit wetsvoorstel een tijdelijk of een structureel karakter heeft. Het is een tijdelijke wet, maar niet een tijdelijke wijziging van de onderwijswetten. Waarom dan geen horizonbepaling? En waarom gekozen voor deze weg waarbij niet de afzonderlijke wetten worden gewijzigd, maar waarbij een deel van de relevante onderwijswetten buiten werking wordt gesteld?

De regering geeft aan dat onderhavig wetsvoorstel een blijvende voorziening is die uiteindelijk een plaats moet krijgen in de Wet op het leraarschap. De leden van de fractie van D66 zouden graag vernemen hoe uiteindelijk de relatie gelegd zal worden met de Wet op het leraarschap en welke rol de beroepsgroepvorming en het register voor leraren hierbij spelen? Mede gezien het belang voor de (open) onderwijsarbeidsmarkt en het aanzien van het beroep van leraar vraagt de fractie van D66 of het de regering zal lukken nog in deze kabinetsperiode de Wet op het leraarschap aan de Kamer voor te leggen? De leden van de fractie van D66 begrijpen dat enige haast geboden is bij dit wetsvoorstel. De leden van de fractie van D66 hebben echter met zorg kennisgenomen van het advies van de Onderwijsraad waarin hij stelt dat `de termijn waarop in de inwerkingtreding van de wet is voorzien en het daarmee samenhangende tempo van voorbereiding, er mede oorzaak van zijn dat op onderdelen essentiële inhoudelijke aspecten van de verschillende fasen van het traject van zij-instroom ontbreken dan wel onduidelijk zijn. Van belang acht de Raad bijvoorbeeld de wijze waarop en de condities waaronder het geschiktheidonderzoek zal worden uitgevoerd. Het wetsvoorstel zelf biedt hierover geen helderheid' De leden van de fractie van D66 verzoeken de regering op bovenstaand citaat en met name de laatste twee zinnen een reactie te geven. Het lijkt de leden van de fractie van D66 namelijk van groot belang dat het wetsvoorstel zelf inhoudelijke handvatten biedt voor de waarborg van de kwaliteit van de leraar.

Zoals uit de vragen en opmerkingen van de SGP-fractie blijkt, hebben deze leden ten aanzien van de directe instroom van personen uit een andere beroepsgroep in het leraarsberoep zorgen over de kwaliteit van het onderwijs, met name het speciaal en primair onderwijs. Anderzijds zien zij in dat deze personen een nuttige aanvulling op het huidige onderwijs kunnen leveren. Daaraan zou met name in het voortgezet onderwijs en de bve-sector tegemoet kunnen worden gekomen door een soort gastleraarschap in het leven te roepen. Gastleraren zouden dan naast de uitoefening van hun beroep en zonder substantiële additionele scholing de mogelijkheid moeten krijgen om in aanvulling op lessen van reguliere docenten vanuit hun praktijkervaring in het onderwijs actief te zijn. Met het huidige voorstel kunnen de leden van de SGP-fractie als tijdelijke noodoplossing in het licht van de arbeidsmarktproblematiek voor het voortgezet onderwijs instemmen. De aantrekkelijkheid hiervan blijkt uit enkele recente initiatieven in het onderwijsveld.


2. Het traject vanaf aanmelding van de zij-instromer tot aan verkrijging van een WHW-getuigschrift

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering nog eens de doelgroepen waar het thans onderliggende wetsvoorstel voor bedoeld is nader te omschrijven. Zal er gedifferentieerd worden in de kwaliteitseisen die voor verschillende doelgroepen gelden, bijvoorbeeld tussen mensen die dag(del)en in het onderwijs gaan werken, terwijl zij een hoofdbetrekking elders vervullen, en mensen die vanuit andere sectoren een volwaardige aanstelling in het onderwijs ambiëren? Zal het wetsvoorstel ook gaan gelden voor de Speciale Scholen voor Basisonderwijs? Zo ja, welke extra eisen zullen er in het assessment voor deze groep worden opgenomen? Krijgen zij-instromers die naar het speciaal onderwijs willen, meer tijd om hun definitieve bevoegdheid te behalen dan de in het wetsvoorstel genoemde twee jaar?

De leden van de VVD-fractie wijzen op particuliere initiatieven die ontplooid worden om gericht te zoeken naar mensen voor vervanging en (her)intreding in het onderwijs, waarbij een maatwerkbenadering van arbeidsvoorwaarden wordt geboden. Zij zijn positief over deze initiatieven, maar constateren tevens dat nogal wat onderwijsregels de werkzaamheden belemmeren. Zo worden via deze organisaties aangestelde vervangers (uitzendkrachten/detacheringen) niet vergoed door het Vervangingsfonds, omdat alleen indienstneming bij de school zelf voor vervanging in aanmerking komt. Verder wordt over het gehele loon BTW geheven, wat de kosten voor scholen erg hoog maakt, terwijl het geven van onderwijs formeel vrijgesteld is van BTW-heffing. In dit verband wijzen deze leden erop, dat zij al veel langer hebben gepleit voor een drempelloze inschakeling van uitzendarbeid in het onderwijs. Zij constateren dat hiervan nog steeds geen sprake lijkt. Hoe beoordeelt de regering deze initiatieven, en hoe kijkt zij aan tegen de drempels die nog steeds hiervoor bestaan?


2.a Hoe komt met in beeld als zij-instromer

De leden van de PvdA-fractie vragen of het onlangs door de Besturenraad Protestants Christelijk Onderwijs (BPCO) gelanceerde initiatief om onbevoegden te werven voor het onderwijs past binnen de randvoorwaarden van dit wetsvoorstel. Zo nee, waar wijkt het plan af? Zal dit betekenen dat afspraken die binnen het kader van het plan van de BPCO nu worden gemaakt, bij inwerkingtreding van het onderliggende wetsvoorstel illegaal zullen zijn geworden?

Aspirant-voorwaardelijk bevoegden kunnen hun wens kenbaar maken bij een bevoegd gezag of bij een instelling waar een assessment kan worden afgenomen. De leden van de PvdA-fractie vragen of niet ook de Arbeidsbureaus of uitzendbureaus hierin een functie zouden moeten kunnen vervullen? Is het niet van belang, zo vragen deze leden, dat aanstaande voorwaardelijk bevoegden op zo veel mogelijk plaatsen voor aanmelding terechtkunnen?

Ook vragen deze leden hoe sterk de binding moet zijn met een bepaald bevoegd gezag om tot een assessment-procedure te worden toegelaten. Hoe moet een potentiële zij-instromer, die niet een specifieke school of schoolbestuur op het oog heeft, aan een bevoegd gezag komen dat bereid is in zijn voorwaardelijke bevoegdheid te investeren? Krijgt een bevoegd gezag met zo'n `losse' band met een zij-instromer een vergoeding voor het mee-beoordelen van de geschiktheid van een zij-instromer? In het voorstel van de BPCO verplicht een zij-instromer zichzelf juist om tenminste drie jaar bij het bevoegd gezag dat hem bijstaat in dienst te blijven. Is de regering, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, van plan een dergelijke bepaling in het onderliggende wetsvoorstel over te nemen? Is het niet belangrijk dat scholen die zo'n inspanning leveren, daar ook rendement van hebben?

De leden van de fractie van D66 hebben er zorgen over of de scholen en met name het primair onderwijs - waar ze al haast geen vervangers meer kunnen krijgen - wel de menskracht in huis hebben om een zij-instromer adequaat te begeleiden. In alle gevallen zal begeleiding van de zij-instromer gewaarborgd moeten zijn. Deelt de regering deze visie van de leden van de fractie van D66?

De leden van de SP-fractie vinden het essentieel om te benadrukken dat het bij de interimwet gaat om de plaatsing van onbevoegden voor de klas. Dit is alleen al precair in verband met de negatieve gevolgen die het kan hebben op het imago van het leraarberoep en tevens in verband met de zittende leraren, waaraan weinig respect wordt getoond. In hoeverre is het voor scholen mogelijk om een aspirant-leraar naar huis te sturen, wanneer blijkt dat de persoon in kwestie niet geschikt wordt bevonden voor het leraarberoep? De leden de fracties van GPV en RPF vragen welke mogelijkheden het bevoegd gezag van scholen ter beschikking staat om het dienstverband met een zij-instromer zonodig te beëindigen.

De leden van de SP-fractie vragen welke verschillende scenario's er te schetsen zijn waaruit blijkt wat voor effecten de uitvoeringsregeling heeft.

De leden van de fracties van GPV en RPF constateren dat er ondanks de maatregelen van de afgelopen jaren nog steeds een verschil bestaat in salariëring tussen het onderwijs en andere sectoren in het nadeel van het onderwijs. In hoeverre zal de salarispositie van docenten een belemmering vormen voor potentiële zij-instromers en scholen om daadwerkelijk van de voorgestelde regeling gebruik te maken?

De leden van de SGP-fractie vragen waarom het noodzakelijk is dat er een bevoegd gezag moet zijn dat bereid is om een zij-instromer mede te beoordelen op diens geschiktheid. In hoeverre is het afnemen van geschiktheidonderzoek afhankelijk van de medewerking van een onderwijsinstelling?

Een zij-instromer mag volgens de memorie van toelichting gedurende maximaal twee jaren worden benoemd zonder dat hij voldoet aan de bevoegheidsvereisten. De leden van de SGP-fractie vragen of de consequentie hiervan is dat er per definitie ontslag volgt als de bevoegdheidsvereisten binnen twee jaren niet zijn behaald. Gezien de huidige arbeidsmarktsituatie mag worden aangenomen dat de bevoegde gezagen niet staan te springen om hieraan mee te werken. Daarom vragen de genoemde leden om expliciet aandacht te besteden aan het te verwachten materiële effect van de voorgestelde regeling.


2.b Toelating tot het assessment

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de verhouding komt te liggen in de weging van opleiding en praktijkervaring van aspirant-zij-instromers. Toelating tot het leraarsvak zonder hoger-onderwijsdiploma zal niet mogelijk zijn; is toelating zonder enige relevante praktijkervaring wel mogelijk? Behoort het tot de mogelijkheden dat een potentiële zij-instromer over een zodanige combinatie van praktijkervaring en opleiding beschikt, dat hij onmiddellijk, zonder verdere scholing, in aanmerking kan komen voor een onderwijsbevoegdheid, zo vragen deze leden.

De leden van de VVD-fractie hebben vragen over de rol van de scholen bij het geschiktheidonderzoek en het assessment. In principe zijn de lerarenopleidingen hiervoor verantwoordelijk. Maar in de memorie van toelichting wordt gesproken van het bevoegd gezag dat de geschiktheid mede beoordeelt. Op welke wijze wordt dit precies vormgegeven? Mag het bevoegd gezag nog nadere eisen stellen aan de geschiktheid naast de eisen die de lerarenopleiding stelt? Gesteld wordt dat het bevoegd gezag bij het assessment nadrukkelijk een rol speelt bij het beoordelen van competenties van de zij-instromer in de praktijk van de school. Het bevoegd gezag heeft dus invloed op de uitslag van het assessment en daarmee op de lengte van het opleidingstraject. Een ander bevoegd gezag zou anders geoordeeld kunnen hebben. Heeft dit juridisch niet tot gevolg, dat het assessment slechts waarde heeft voor de benoeming op dezelfde school die het assessment heeft uitgevoerd en dus niet als algemeen bewijs van geschiktheid voor de tijdelijke benoeming aan willekeurig welke school? Waarom, zo vragen de leden van de VVD-fractie, is er in dit verband niet voor gekozen om benoeming en assessment los te koppelen? Hierbij kunnen geïnteresseerden een assessment aan een lerarenopleiding volgen, waarna zij een school kunnen uitzoeken die bereid is hen tijdelijk te benoemen op de voorwaarden van het assessment (of wellicht, tegen andere voorwaarden). Uiteraard is het ook dan van belang om de wensen van het afnemend veld te betrekken bij de assessment-criteria. Dat kan bijvoorbeeld door inspraak van besturenbonden bij het opstellen van de assessment-criteria.

Verder vragen deze leden of er naast het maximum van 2 jaar nog een minimum wordt gesteld aan de te volgen scholing. Zo nee, is het dan in principe ook mogelijk dat uit assessment volgt dat betrokkene geen scholing meer hoeft te volgen en meteen een vaste benoeming kan krijgen?

In de memorie van toelichting wordt het traject beschreven vanaf de aanmelding van de zij-instromer tot aan verkrijging van een WHW-getuigschrift. Waarop, zo vragen de leden van de CDA-fractie, baseert de regering haar mening dat dit voldoende moet zijn om de geschiktheid vast te stellen en vast te stellen welke aanvullende opleiding nodig is?

De leden van de fractie van D66 vragen wat de criteria zijn bij de beoordeling van de relevantie van de genoten HO-opleiding van de zij-instromer en worden deze criteria opgenomen in de uitvoeringsregeling?


2.c Kerncompetenties

Het maatschappelijk draagvlak voor dit wetsvoorstel staat of valt met de kwaliteit van het assessment, herhalen de leden van de PvdA-fractie. Zij willen daarom graag nadere toelichting op de zinsnede in de memorie van toelichting dat «bij de vaststelling van in een uitvoeringsregeling onderscheid gemaakt kan worden tussen schoolsoorten» (pagina 6). Deze leden zijn van mening dat onderscheid in de vormgeving van het assessment tussen verschillende schoolsoorten noodzakelijk is om voldoende kwaliteit te waarborgen. De omgang met jongere kinderen verschilt bijvoorbeeld wezenlijk van de omgang met leerlingen in het voortgezet onderwijs, zo stellen de leden van de PvdA. Het assessment dient daar rekening mee te houden, bijvoorbeeld door zwaardere eisen op het gebied van pedagogiek en didactiek te stellen aan zij-instromers in het basisonderwijs, zo menen deze leden. Deelt de regering deze mening? Kan een nadere uitwerking worden gegeven?

De leden van de PvdA hechten aan een zo breed mogelijk draagvlak voor dit wetsvoorstel in de onderwijspraktijk. Zijn de werkgevers-, werknemers-, ouder- en leerlingorganisaties betrokken bij de ontwikkeling van kerncompetenties en de vaststelling van het uiteindelijke assessment? Ook willen deze leden benadrukken dat zij hechten aan de objectiviteit van het assessment. De criteria moeten helder, inzichtelijk en landelijk breed gedragen zijn.

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat voorwaardelijk bevoegden regelmatig in de praktijk van het lesgeven moeten worden gevolgd en beoordeeld; zij achten het onvoldoende als daar slechts een mogelijkheid toe zou bestaan. Kan de regering aangeven hoe zo'n verplichting het beste vorm kan worden gegeven, zo vragen deze leden?

Zullen, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, aan zij-instromers die een directeursfunctie willen bekleden andere eisen gesteld worden dan aan aspirant-leraren? Is het mogelijk dat iemand met managementervaring, maar zonder onderwijservaring, in aanmerking kan komen voor een (volledige) directeursfunctie?

Zullen de kosten van de opleidingen, zo vragen de leden van de VVD-fractie, voor zij-instromers vooral afhankelijk zijn van de lengte van de te volgen opleiding, en zo ja, hoe wordt voorkomen dat de lerarenopleidingen om financiële redenen in het assessment zullen aansturen op een zo lang mogelijk opleidingstraject?

De leden van de VVD-fractie menen dat voor de inschatting van de degelijkheid van geschiktheidonderzoek en assessment veel afhangt van de nog op te stellen uitvoeringsregeling. Zij sluiten zich aan bij het oordeel van de Onderwijsraad dat de beoogde uitvoeringsregeling bij de parlementaire behandeling zou moeten worden betrokken. De regering geeft in antwoord hierop aan dat zij een volledige beoordeling van de uitvoeringsregeling tijdens de parlementaire behandeling mogelijk wil maken. Voorts wil zij de uitvoeringsregeling ter advies aan de Onderwijsraad voorleggen. Zal dit advies ook beschikbaar komen voor de parlementaire behandeling?

Het wetsvoorstel maakt het mogelijk om diegene die op grond van de nieuwe weg tijdelijk tot leraar wordt benoemd, ook als directeur aan een school voor primair onderwijs te benoemen. De leden van de VVD-fractie vinden het een goede zaak als voor managementfuncties in het onderwijs ook mensen geworven worden met managementervaring die buiten het onderwijs is opgedaan. Waarom wordt dan geen onderscheid gemaakt in kerncompetenties en de te volgen leerweg tussen kandidaat-directeuren en kandidaat-leraren? Bij kandidaat-directeuren moet immers managementervaring en -talent getoetst en uitgebouwd worden. Is het vasthouden aan de eis van bevoegdheid tot het geven van onderwijs voor de basisschooldirecteur in dit licht gezien nog wel van deze tijd?

In het voortgezet onderwijs is het reeds mogelijk om directeuren te benoemen die niet beschikken over een bevoegdheid als leraar, zo constateren de leden van de VVD-fractie. Geldt deze mogelijkheid ook voor onderdirecteuren/plaatsvervangend directeuren? Hoeveel leidinggevenden in het voortgezet onderwijs beschikken niet over een onderwijsbevoegdheid en hoe verhoudt dit zich tot het totaal?

Het assessment is verbonden met kerncompetenties. Maar, zo constateren de leden van de CDA-fractie, die zijn er nog niet. Hoe kunnen ze dan worden gehanteerd? Zolang ze er niet zijn worden de kerncompetenties vastgelegd in een ministeriële regeling (artikel 14). De leden van de CDA-fractie vragen of dit niet een sterke afwijking is van hetgeen geëist wordt van studenten die een reguliere opleiding volgen?

Het assessment maakt potenties zichtbaar en brengt aan het licht, op welke onderdelen in relatie tot de (bredere) bekwaamheidseisen scholing nodig is voor het uiteindelijk verkrijgen van een onderwijsbevoegdheid. Hoe verhoudt deze zin (memorie van toelichting pag. 5) zich tot de kerncompetenties waarmee het assessment is verbonden, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

De kerncompetenties die in het assessment worden gemeten zullen onderdeel zijn van een AMvB Waarom van een AMvB? Waarom niet in de wet? De centrale overheid stelt vast hoe en met welke criteria het assessment moet plaatsvinden. Is het juist dat dit in een uitvoeringsregeling nader wordt bepaald? Welke status krijgt die uitvoeringsregeling?

De leden van de fractie van D66 vragen of de pilots met betrekking tot assessment geslaagd te noemen zijn? Waar lagen de grootste knelpunten en leemten in de kennis en vaardigheden van de kandidaten?

Zowel de Raad van State en de Onderwijsraad geven aan dat de kerncompetenties meer in de wet zelf geregeld zouden moeten worden of in ieder geval dat de uitvoeringsregeling aan de kamer voorgelegd zou moeten worden. Gezien het grote belang van de kerncompetenties - het assessment is immers gebaseerd op de competenties die in de memorie van toelichting als wezenlijke vereisten worden omschreven - hecht ook de fractie van D66 zeer aan het voorleggen van in ieder geval de uitvoeringsregeling aan de kamer. Bij de artikelsgewijze toelichting geeft de regering echter aan dat er een kans bestaat dat de uitvoeringsregeling niet klaar is voor de plenaire behandeling van onderhavig wetsvoorstel in de kamer. De leden van de fractie van D66 verzoeken de regering er voor te zorgen dat de Uitvoeringsregeling betrokken kan worden bij de plenaire behandeling van onderhavig wetsvoorstel. Tevens vragen de leden van de fractie van D66 aan de regering op welke wijze de beroepsgroep betrokken gaat worden bij het vaststellen van de kerncompetenties?

De leden van de fractie van D66 vragen waarom de regering er niet voor kiest specifieke bekwaamheidseisen voor de functie van directeur in het PO in de uitvoeringsregeling op te nemen?

Een probleem waar de leden van de fractie van GroenLinks op stuiten bij de beoordeling van het voorliggende wetsvoorstel is dat tal van belangrijke uitvoeringsvragen in een nog te ontwikkelen uitvoeringsregeling moeten worden uitgewerkt. Een voorbeeld daarvan is de uitwerking van de criteria voor toelating tot het assessment, waarbij het op dit moment onduidelijk is hoe vooropleiding en werkervaring beoordeeld gaan worden op relevantie voor het leraarschap. Omdat die uitvoeringsregeling nog niet beschikbaar is, is het moeilijk te beoordelen in hoeverre de uitvoeringsproblemen ook daadwerkelijk worden opgelost en criteria adequaat worden uitgewerkt. De genoemde leden vragen de regering of zij er zorg voor kan dragen dat deze uitvoeringsregeling zo spoedig mogelijk beschikbaar is, zodat zij daar bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel gebruik van kunnen maken.

Kan de regering aangeven hoe de kerncompetenties eruit gaan zien? De leden van de fracties van GPV en RPF hechten er aan op te merken dat vanuit het oogpunt van kwaliteitswaarborging deze competenties zorgvuldig worden geformuleerd.

In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat de kerncompetenties ten bate van het geschiktheidonderzoek nog in ontwikkeling zijn en zullen worden geregeld bij algemene maatregel van bestuur. Aannemende dat deze ontwikkeling voortgang heeft, vragen de leden van de SGP-fractie voor zover mogelijk om meer inzicht in de inhoud van de uitvoeringsregeling. In hoeverre is er in dit verband overigens sprake geweest van overleg met het veld? De genoemde leden vragen tevens om een indicatie te geven van het maximaal te accepteren verschil tussen de geconstateerde geschiktheid en de na te streven bekwaamheid. Met andere woorden: wat verstaat de regering onder minimale geschiktheid waarbij verdere bekwaming redelijkerwijs in twee jaren kan worden afgerond?

Bij het vaststellen van de benodigde kennis en vaardigheden kan onder meer onderscheid worden gemaakt tussen groepsleerkrachten en vakleerkrachten, met name ten aanzien van hun pedagogische en didactische vaardigheden. De leden van de SGP-fractie vragen aan welke verschillen van pedagogische aard hierbij moet worden gedacht.

Ten aanzien van directeuren in het primair onderwijs wordt aangegeven dat managementervaring gewenst is. De leden van de SGP-fractie vragen of dit ook niet geldt ten aanzien van onderwijservaring. Zij vragen of de regering van mening is dat een directeur zonder ervaring in het onderwijs goed in staat is om een lerarenteam aan te sturen. De genoemde leden vragen voorts of zij-instromers in een managementfunctie ook verplicht zijn om een bewijs van bekwaamheid voor het onderwijs te halen.


2.d Assessment voorlopig alleen onder verantwoordelijkheid van lerarenopleidingen

De leden van de PvdA-fractie delen het uitgangspunt dat de lerarenopleidingen voorlopig als enige bevoegd worden om assessments voor zij-instromers af te nemen. Wel zijn zij van mening dat de kwaliteit van de assessments vooraf behoort te worden vastgesteld. Deze leden vragen waar de regering de veronderstelling op baseert dat uitsluitend lerarenopleidingen die deze taak aan kunnen, zich er voor zullen aanmelden. Denkt dat regering werkelijk, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, dat toetsing achteraf in dit geval volstaat om de kwaliteit van assessments te waarborgen? Gaan er in zo'n geval niet al snel een aantal jaren overheen voordat vast kan komen te staan dat de kwaliteit onder de maat blijft? Al die tijd bestaat het risico dat het maatschappelijk draagvlak voor zij-instroom in het onderwijs onder druk komt te staan, door tekortschietende assessments. Daarom hechten de leden van de PvdA-fractie er aan dat er ook toetsing vooraf plaatsvindt van de lerarenopleidingen die het afnemen van de assessments willen gaan uitvoeren. Is de regering daar toe bereid, zo vragen deze leden? Aan welke criteria moeten lerarenopleidingen die assessments willen gaan verzorgen voldoen, en wie zal deze criteria kunnen toetsen, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.

De leden van de VVD-fractie kunnen instemmen met de intentie om ook andere instellingen en organisaties dan lerarenopleidingen het assessment te laten uitvoeren. Op welke termijn zullen hiervoor kwalificatie-eisen worden opgesteld?

Op basis waarvan, zo vragen de leden van de CDA-fractie, wordt gesteld dat de assessments straks ook kunnen worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van andere dan lerarenopleidingen?

De leden van de fractie van D66 zijn van mening - gezien het grote belang voor de kwaliteit van het onderwijs - dat de kwaliteit van de assessments van hoog niveau moeten zijn.

De leden van de fractie van D66 hebben er geen bezwaar tegen dat het assessment moet worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de lerarenopleidingen in samenwerking met de betrokken school, maar zij vragen wel hoe met deze constructie de onafhankelijke deskundigheid van de assessors gewaarborgd kan worden? In verband hiermee denken de leden van de fractie van D66 dat het slechts hoeven melden van lerarenopleidingen bij de regering dat zij een assessmentinstelling worden, geen garanties biedt voor een goede en onafhankelijke kwaliteit van zo'n instelling.

De regering stelt op pagina 7 van de memorie van toelichting dat zij er vanuit gaat dat alleen instellingen die het aankunnen zich zullen melden als uitvoerders van dit wetsvoorstel. Hoe toetst de regering of de opleidingen inderdaad de capaciteit in huis hebben om de assessments, scholing en begeleiding op adequate wijze te kunnen begeleiden? De regering heeft immers ook geen zicht op de toename van zij-instromers in het beroep?

De leden van de fractie van D66 vragen hoe de ontwikkeling van assessments vordert binnen de opleidingen en of er al docenten zijn opgeleid tot assessor?

Vindt de regering het een goede ontwikkeling als de lerarenopleidingen allemaal hun eigen assessments op basis van eigen kerncompetenties gaan ontwikkelen? Is het voor het niveau en de betrouwbaarheid van het assessment niet van het grootste belang dat de opleidingen nu al de beschikking hebben over de kerncompetenties waarop de geschiktheidverklaringen gebaseerd moeten gaan worden? Ook vragen de leden van de fractie van D66 zich af wat de gevolgen hiervan zijn voor het standaardcurriculum en voor het in ontwikkeling zijnde landelijke curriculum?

Een belangrijke stap in de kwaliteitswaarborging van nieuwe leraren, is het af te nemen assessment. De leden van de fractie van GroenLinks vragen zich vooral af hoe deze assessments in de praktijk aan de lerarenopleidingen tot stand zullen komen. Zijn de lerarenopleidingen daar reeds voor toegerust? Hebben de lerarenopleidingen reeds de beschikking over goed doordachte modellen en procedures om de assessments af te nemen? En is er sprake van voldoende coördinatie tussen de afzonderlijke lerarenopleidingen om te kunnen waarborgen dat zowel de inhoud van het assessment-model, de te doorlopen procedure én het eindresultaat vergelijkbaar zijn? En zo nee, is de regering voornemens te bevorderen dat hier standaarden voor worden ontwikkeld? En tot slot: op welke manier is de regering voornemens de kwaliteit van de assessments te blijven bewaken?

Het assessment zal uitgevoerd worden onder de verantwoordelijkheid van instellingen voor hoger onderwijs die ook de overeenkomstige getuigschriften voor lerarenopleiding mogen uitreiken. De instellingen die het assessment mogen verzorgen kunnen echter ook betrokken worden bij de verdere scholings- en begeleidingstrajecten. Als dit het geval is dan doet zich de vraag voor of hiermee de onafhankelijkheid van het assessment wel voldoende gewaarborgd is. De leden van de fracties van GPV en RPF vragen daarom de regering of in het wetsvoorstel niet bepaald moet worden dat het assessment niet mag worden uitgevoerd door een instelling die ook de scholing zal gaan verzorgen.

De leden van de SGP-fractie vragen waaraan zij moeten denken bij het uitvoeren van assessments door instellingen buiten de lerarenopleidingen. In het verlengde hiervan vragen de genoemde leden aan welke kwaliteitseisen de assessoren moeten voldoen. Op welke wijze zal dit worden gecontroleerd?


2.e Assessment en scholing

De uitkomst van een assessment moet zijn dat de lacunes in kennis en vaardigheden die noodzakelijk zijn om een onderwijsbevoegdheid te halen, in maximaal twee jaar in te halen zijn, stellen de leden van de PvdA-fractie vast. Wat gebeurt er als een zij-instromer niet direct werk vindt, dat noodzakelijk is om tekortkomingen in praktijkervaring in te halen, zo vragen deze leden. Gaat de klok voor de periode van twee jaar direct lopen? Is verlenging van de periode van twee jaar mogelijk in geval van ziekte, tekortschietende opleiding of begeleiding van de zij-instromer, of als de zij-instromer niet direct een baan vindt?

Waarom, zo vragen de leden van de CDA-fractie, wordt het al dan niet moeten voldoen aan een assessment en scholing gekoppeld aan de omvang van de betrekking? Bij welke omvang is een assessment al dan niet vereist? Op basis van welke criteria? Is op die manier niet het gevaar aanwezig dat men op basis van de omvang van de betrekking de noodzaak van een assessment en scholing (bijvoorbeeld door het splitsen van een betrekking) omzeilt? Hoe wordt dit voorkomen?


2.f Resultaten van assessment

De leden van de PvdA-fractie vragen wat voor status het assessment heeft, als de eisen die aan een zij-instromer worden gesteld kennelijk kunnen wisselen per schoolbestuur. Hoe verhoudt zich dat tot een harde kwaliteitsbewaking van het assessment? Impliceert die niet een landelijke handhaving van bekwaamheidseisen, zo vragen deze leden?

In het scholingstraject van de zij-instromer kunnen ook andere, niet in onderwijswetgeving geregelde instellingen een rol spelen, constateren de leden van de PvdA-fractie. Zij vragen op welke instellingen hier concreet gedoeld wordt, en aan welke rol de regering precies denkt?

Op pagina 12 van de memorie van toelichting staat dat «het voor de hand ligt dat in de overeenkomst tussen school, leraar en lerarenopleiding wordt vastgelegd wat de aard en omvang van de lesgevende taken van de betreffende kandidaat tijdens de scholingsperiode zullen zijn». De leden van de CDA-fractie stellen dat het aanbeveling verdient dat in de wet wordt geregeld welke onderwerpen in de overeenkomst dienen te worden vastgelegd en geregeld.


2.g Scholings- en begeleidingstraject

Voor het scholingstraject en begeleiding door de school zal een tripartite-overeenkomst worden gesloten. Aan de inhoud van deze overeenkomst worden geen nadere voorschriften gesteld. De regering heeft echter aangekondigd, dat zij bij (structurele) invoering van de LIO in de wet wil laten opnemen dat de begeleidende school/leraar de eindverantwoordelijkheid draagt voor handelen van de LIO. Op deze wijze kan de kwaliteit van het onderwijs worden gewaarborgd. De VVD-fractie is van mening, dat deze bepaling ook voor andere tijdelijke vrijstellingen zou moeten gelden. Zij dringt erop aan om de eindverantwoordelijkheid van de school voor het handelen van de tijdelijk bevoegde leraar als regel in de wet op te nemen.

Het wetsvoorstel geeft aan dat in voorkomende gevallen scholing op maat moet kunnen worden verzorgd. Het treft de leden van de CDA-fractie dat weinig aandacht wordt gegeven aan de wijze waarop dit traject moet worden vormgegeven en moet worden gefinancierd. Het ziet ernaar uit dat scholen en opleidingsinstituten dit uit de reguliere middelen moeten financieren. Als het de regering inderdaad ernst is met het oplossen van het lerarentekort dan horen daar ook de financiën bij om de extra inspanningen mogelijk te maken. Anders dan gaan deze inspanningen ten koste van de reguliere taken, geld kan immers nog altijd maar een keer worden uitgegeven.

Het scholingstraject wordt gerealiseerd als post-hoger onderwijs. De aspirant-leraar wordt dus niet ingeschreven als student aan een in het CROHO geregistreerde opleiding of voortgezette opleiding. Op basis waarvan kan dan toch studiefinanciering worden verstrekt?

Het scholingstraject moet worden vastgelegd in een tripartiete overeenkomst. Hoe ver zijn de noodzakelijke voorbereidingen gevorderd? Welke afspraken zijn gemaakt over de salariëring van de zij-instromer gedurende de periode dat de scholingsovereenkomst geldt? Hoe worden de overige zaken rond primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden geregeld tijdens de periode van de scholingsovereenkomst en tijden de periode van een eventueel aangetekend beroep? De leden van de CDA-fractie vinden het gewenst dat in ieder geval wordt aangegeven welke zaken in deze overeenkomst worden vastgelegd.

Universiteiten en hogescholen met een lerarenopleiding zijn bevoegd tot uitvoering van de in het wetsvoorstel bedoelde werkzaamheden. Een aanvraag is daarvoor niet vereist, alleen een melding bij de regering. Is een kale melding voldoende? Waarom wordt geen plan van aanpak daarbij vereist? Is over dit wetsvoorstel overleg gevoerd met het betrokken onderwijsveld? Zo ja, wat is daarvan het resultaat?

De leden van de CDA-fractie willen voorts weten welke relatie er wordt gelegd tussen de nu reeds bestaande verkorte deeltijdopleidingen voor het basisonderwijs en dit wetsvoorstel. De verkorte deeltijdopleidingen duren 2 jaar voor instromers met een afgeronde HBO of WO opleiding. De duur van de opleiding is afhankelijk van vooropleiding, kennis en vaardigheden van de betrokkene.

De D66-fractie vraagt een reactie van de regering op het voorstel van de Onderwijsraad om via een landelijke waarborg er zorg voor te dragen dat het assessmentadvies zodanig naar een opleidingstraject op maat kan worden vertaald dat voldaan wordt aan de bekwaamheidseisen.

Een belangrijke stap in de zij-instroom van nieuwe leraren is het vaststellen van een scholings- en begeleidingstraject voor de aspirant-leraar. De leden van de fractie van GroenLinks hebben nog enkele vragen over de manier waarop die scholing wordt georganiseerd, zowel naar inhoud, als naar werkwijze en omvang, maar zij gaan er van uit dat ook deze vragen zullen worden beantwoord in de genoemde uitvoeringsregeling. Los van deze vragen willen de leden van de fractie van GroenLinks antwoord hebben op enkele vragen betreffende de financiering van deze opleiding. De regering geeft aan dat deze kosten in beginsel worden gedragen door de scholen en de werknemer, niet door de rijksoverheid. Voor een beperkte overgangsperiode is een beperkte tegemoetkoming beschikbaar. De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het op deze manier aantrekkelijk en uitvoerbaar is voor zowel de scholen als voor de betrokken aspirant-leraren om uitvoering te geven aan de plannen van de regering.

In de memorie van toelichting wordt vermeld dat het scholingstraject zal worden gerealiseerd als post-hoger onderwijs. De leden van de SGP-fractie nemen aan dat dit niet geldt voor zij-instromers in beroepsgerichte vakken van het vmbo, aangezien voor hen alleen een toegangskwalificatie voor het hbo is vereist. Zij vragen welk scholingstraject deze groep zij-instromers dan wel moet volgen.


2.h Bekwaamheidsonderzoek

Waarom, zo vragen de leden van de VVD-fractie, is een apart bekwaamheidsonderzoek nodig en wordt niet gewoon aangesloten bij de eindtermen van de reguliere lerarenopleiding voor het behalen van het getuigschrift?

Het is onduidelijk aan welke eisen zij-instromers moeten voldoen willen zij in aanmerking komen voor een leraarsbevoegdheid. Vrijwel alle betrokkenen uiten hun zorgen over dit gegeven en de leden van de SP-fractie verzoeken de regering dan ook om de uitvoeringsvoorschriften uit te werken zodat deze bij de parlementaire behandeling betrokken kunnen worden. In het advies van de onderwijsraad staat eveneens dat het voor de Raad niet duidelijk is hoe de slag gemaakt wordt van kerncompetenties in het assessment naar bekwaamheidseisen in volle omvang. De leden vragen om zowel de kerncompetenties als de bekwaamheidseisen te verhelderen.


3. Rechtsbescherming

De leden van de PvdA-fractie vragen een nadere uitleg van de rechtspositie van zij-instromers die er niet in slagen binnen twee jaar hun voorwaardelijke bevoegdheid in een permanente om te zetten. Zullen scholen in dit soort gevallen wachtgeld moeten betalen? Is de regering van mening dat het mogelijk ontstaan van wachtgeldclaims remmend kan werken op de bereidheid van scholen om met een zij-instromer in zee te gaan?

Iemand kan slechts voor een periode van twee aaneengesloten jaren als niet volledig bevoegde zij-instromer worden benoemd. Welke mogelijkheden, zo vragen de leden van de CDA-fractie, van bezwaar en beroep staan open als na die twee jaar niet voldaan wordt aan de vereiste kwalificatie?


4. Advies Onderwijsraad

De leden van de PvdA-fractie zijn met de Onderwijsraad en de Raad van State van mening dat de uitvoeringsregeling, waarin de kwaliteitscriteria van assessment en bevoegd- en bekwaamheidseisen worden vastgelegd, bij Algemene Maatregel van Bestuur dient te worden vastgesteld. Dit vanwege het belang dat de samenleving moet kunnen blindvaren op de kwaliteit van het assessment.

De Onderwijsraad heeft fundamentele bezwaren tegen het wetsvoorstel. Die bezwaren richten zich met name op de zij-instroom voor het primair onderwijs. Het wordt een te kwetsbaar instrument gevonden dat als zodanig niet in dat onderwijs zou moeten worden ingezet. De leden van de CDA-fractie constateren dat dit onvoldoende wordt weerlegd door de regering. De regering acht het instrument «mogelijk» kwetsbaar maar acht de geboden kwaliteitswaarborgen een voldoende tegenwicht. De leden van de CDA-fractie constateren dat de in de memorie van toelichting geformuleerde voorschriften en kwaliteitswaarborgen nog geen feitelijke invulling hebben gekregen. De beoogde uitvoeringsregeling(en) ontbreken. Hierdoor is het onmogelijk om een inzicht te krijgen in de inhoudelijke verankering van de waarborg van de kwaliteit van de zij-instromende leraar. Het komt erop neer dat bij invoering van dit wetsvoorstel niet voldaan is aan de kwalitatieve randvoorwaarden die erbij behoren. De leden van de CDA-fractie achten dit een omissie en verzoeken de regering daarin alsnog te voorzien voor de plenaire behandeling van dit wetsvoorstel. De uiteindelijke vorm van de uitvoeringsregeling(en) zou, wat betreft de leden van de CDA-fractie, de vorm moeten hebben van een AMvB met voorhang.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering voorts uitdrukkelijk om aan te geven welke specifieke HO getuigschriften van belang zijn voor de zij-instroom in het basisonderwijs. De leden van de CDA-fractie vragen de regering ook om aan te geven welke elders verworden competenties voor de zij-instroom in het basisonderwijs relevant kunnen worden geacht.

De leden van de fractie van D66 stellen vast dat de Raad van State en de Onderwijsraad vrezen dat onderhavig wetsvoorstel nadelige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het onderwijs met name waar het gaat om de geschiktheid om les te geven in het speciaal en primair onderwijs. De regering deelt die zorg maar vindt dat het wetsvoorstel voldoende waarborgen biedt om kwaliteitsverlies te voorkomen. In hoeverre, zo vragen deze leden, kan de regering garanderen dat onderhavig wetsvoorstel er zorg voor draagt dat een zij-instromer zowel wat betreft zijn vakkennis als zijn didactische vaardigheden na twee jaar scholing en begeleiding gelijkwaardig is aan een leraar die een onderwijsbekwaamheid via een lerarenopleiding heeft gehaald? Kan de regering de Kamer een globaal overzicht geven welke kerncompetenties in de uitvoeringsregeling zullen komen te staan? Zal daar in ieder geval vakinhoud, vakdidactie en pedagogisch-didactische vaardigheden deel van uitmaken? Wat vindt de regering, zo vragen de leden van de fractie van D66, van het voorstel van de Onderwijsraad dat een van de criteria bij het geschiktheidonderzoek moet zijn betrokkenheid bij de ontwikkeling van jongeren?


5. Uitvoeringsgevolgen

De leden van de CDA-fractie vinden het opmerkelijk dat onder het kopje «Uitvoeringsgevolgen» alleen wordt gesteld dat de uitvoeringsorganisatie Centrale financiën instellingen van het Ministerie van OCW het wetsvoorstel uitvoerbaar acht. Waarop is die mening gebaseerd? Wat is de mening van het betrokken onderwijsveld?


6. Financiële gevolgen

De leden van de PvdA-fractie zetten ook enige vraagtekens bij de financiële gevolgen van het wetsvoorstel, die slechts tijdelijk zullen worden opgevangen. Waar baseert de regering de verwachting op dat scholen de extra taak van intensieve begeleiding van zij-instromers in de regel zullen kunnen opvangen binnen hun huidige budget? Betekent de vaste omvang van de voor de overgangsperiode uitgetrokken middelen ook dat er een plafond aan het aantal zij-instromers zal worden gesteld?

De VVD-fractie merkt op, dat maxima voor de opleidings- en begeleidingsbedragen per zij-instromer worden genoemd. Is dit gebaseerd op schattingen over het aantal zij-instromers, en zo ja, hoe zijn die schattingen?

Heeft, zo vragen de leden van de CDA-fractie, de regering enig inzicht in de structurele kosten van de invoering van dit wetsvoorstel? Op basis waarvan concludeert de regering dat de voorgestelde tijdelijke financiering voldoende is?

STOAS Research heeft de opdracht gekregen tot het ontwikkelen van een aantal zaken, zo lezen de leden van de CDA-fractie. Wat is de inhoud van de opdracht aan STOAS? Wat is de financiële omvang van deze opdracht? Op basis van welke gunningcriteria is deze opdracht verleend? Is aan de gunning van deze opdracht een openbare aanbesteding of tenderprocedure vooraf gegaan? Zo nee, waarom niet?

De leden van de fractie van D66 willen graag een reactie van de regering op het voorstel van de Aob om een opleidings- en scholingsfonds op te richten. Deze leden vragen dit omdat zij vermoeden dat een goede scholing en begeleiding voor zij-instromers wel eens extra kosten met zich mee kunnen brengen. Ook willen de D66-leden graag een nadere motivering waarom de extra financiering op basis van de Wet overige OCenW-subsidies plaatsvindt en niet als onderdeel van de begroting.

De opleiding van nieuwe leraren kost veel geld. Allereerst zijn er de opleidingskosten voor de lerarenopleidingen die moeten worden vergoed. Naar de mening van de genoemde leden is de kans groot dat de bestaande budgetten van scholen niet voldoende zijn om hierin te voorzien. Zeker scholen die kampen met bijvoorbeeld een hoog ziekteverzuim of een tekort aan invallers moeten al grote kosten maken om vervangers te vinden. Deze problemen worden verergerd doordat er niet alleen kosten moeten worden gemaakt voor de opleiding aan de lerarenopleiding, maar ook voor begeleiding en coaching van aspirant-leraren binnen de school. De school moet hier binnen de al krappe formatie mensen voor vrijmaken. Voor aspirant-leraren zelf is het niet aantrekkelijk wanneer zij moeten beginnen met het maken van hoge kosten alvorens zij aan de slag kunnen. De vrees dat dit leidt tot een verminderde wervingskracht en daarmee een verminderde kans op succes in de bestrijding van het lerarentekort, lijkt daarom gegrond.

Naast kosten voor opleiding en begeleiding van aspirant-leraren is er sprake van indirecte kosten in de vorm van inkomstenderving van de aspirant-leraren. De tijd die de aspirant-leraar moet steken in zijn of haar opleiding kan niet worden ingezet voor productieve uren op de arbeidsmarkt. De aspirant-leraar moet zijn of haar oude baan opzeggen en verliest daarmee de inkomsten uit die betrekking. De vraag is of deze opleidingstijd wordt vergoed als ware het betaalde arbeid. Wanneer dat namelijk niet zo is, is de kans klein dat dit een aantrekkelijke optie is voor mensen die reeds actief op de arbeidsmarkt en bij gevolg ook afhankelijk zijn van het inkomen dat ze daar verwerven. Wanneer deze tijd wel wordt vergoed, is de vraag door wie die kosten worden gedragen, te meer daar het hierbij om aanzienlijk kosten zal gaan. Hoe succesvoller deze campagne zou zijn, hoe hoger de kosten worden. De leden van de fractie van GroenLinks vragen zich daarom ten zeerste af of de stelling van de regering dat deze wet vrijwel budgetneutraal kan worden ingevoerd, terecht is. Zij vragen de regering of zij het niet met de Algemene Onderwijsbond eens is, dat er een opleidingsfonds moet komen om de kosten die dit project met zich meebrengt te financieren. En de vervolgvraag is of de regering bereid is om, in het kader van de discussie over de begrotingsmeevallers van de rijksoverheid, ruimte te vinden op de rijksbegroting om de benodigde rijksbijdrage aan een dergelijk fonds te kunnen leveren. De leden van de fractie van GroenLinks zijn van mening dat het maatschappelijk belang van het bestrijden van het lerarentekort een dergelijke investering zou rechtvaardigen.

Het is vanzelfsprekend dat de interimwet zij-instroom extra kosten met zich meebrengt voor begeleiding, opleiding en assessment. Net als de Algemene Onderwijsbond pleiten de leden van de SP-fractie, de toevoeging van middelen, voor de instelling van een opleidings- en scholingsfonds.

Naast de kosten die de uitvoering van interimwet met zich meebrengt, is het te verwachten dat zij-instromers vanuit het bedrijfsleven relatief hoog ingeschaald moeten worden, wil het voor hen aantrekkelijk zijn om de overstap naar school te maken. Net als de onderwijsbond CNV, is de SP-fractie van mening dat alleen al `ervaring in het bedrijfsleven' niet tot een hogere inschaling mag leiden. Het zou binnen de scholen tot wanverhoudingen kunnen leiden. Reguliere leraren mogen niet minder verdienen dan zij-instromers uit het bedrijfsleven, en het is überhaupt redelijk als de salarissen van leraren omhoog gaan gezien de hoge werkdruk. Bovendien wordt het beroep hierdoor aantrekkelijker, zoals ook de Raad van State benadrukt. De leden vragen de regering of zij kijk heeft op de hoogte en de verschillen in salariëring van zij-instromers in vergelijking met de zittende leerkrachten. Ook vragen de leden wat de effecten zullen zijn van salarisverschillen van zij-instromers en zittende leraren.

Uit de memorie van toelichting (blz. 15) blijkt dat slechts voor een beperkt aantal jaren een extra financiële tegemoetkoming wordt gegeven voor de uitvoering van het geschiktheidonderzoek, de scholing en begeleiding en de uitvoering van het bekwaamheidsonderzoek. De leden van de fracties van GPV en RPF vragen of onderzocht is of de extra uitgaven die het in dienst nemen van een zij-instromer met zich brengt binnen de bestaande budgetten van scholen kunnen worden opgevangen. Genoemde leden zijn bevreesd, dat als gevolg van de beperkte inzet van extra middelen, scholen niet zullen overgaan tot het in dienst nemen van zij-instromers omdat zij onvoldoende over de benodigde financiële middelen beschikken of dat het aantrekken van zij-instromers ten koste zal gaan van andere budgetten, bij voorbeeld het budget voor nascholing van het overige personeel.

De leden van de SGP-fractie constateren dat in de memorie van toelichting wordt geconcludeerd dat op grond van het uitgangspunt dat de kosten voor uitvoering van het geschiktheidonderzoek, de scholing en begeleiding, alsmede het bekwaamheidsonderzoek door de scholen en betrokkenen worden gedragen, aan de invoering van het voorliggende wetsvoorstel geen structurele gevolgen voor de rijksbegroting zijn verbonden. Wel is er voor de eerstvolgende jaren een additionele bijdrage beschikbaar. De genoemde leden vragen zich af of hierbij voldoende rekening is gehouden met de vele extra kosten die een zij-instromer voor scholen oplevert, zoals assessmentkosten en inproductiviteitskosten. Zij missen in dit verband een beschouwing over de salarissen en vragen om daar alsnog aandacht aan te besteden. Is het juist dat de regering heeft gezegd dat zij-instromers er in salaris niet op achteruit zullen gaan? Zo ja, wat betekent dit naar verwachting voor de hoogte van de door de school te betalen salarissen en de bekostiging daarvan? De leden van de SGP-fractie vragen tevens naar het oordeel van de regering over de mogelijkheid dat zij-instromers een beduidend hoger salaris hebben dan collega's die hetzelfde werk doen en bovendien veel meer in hun opleiding hebben geïnvesteerd.

De leden van de SGP-fractie constateren dat het voornemen is om de groep zij-instromers in het leraarsberoep onder de werking van de Wet tegemoetkoming studiekosten te laten vallen. Deze leden vragen om een nadere onderbouwing hiervan. Wat betreft de lerarenopleidingen wordt momenteel bij wijze van uitzondering voor de tekortvakken de Wet tegemoetkoming studiekosten toegepast. Moet het voornemen van de regering betreffende zij-instromers ook als een dergelijke uitzondering worden gezien? Zo ja, wat zijn hiervoor dan de argumenten, zo vragen de leden van de SGP-fractie.


7. Draagvlak

De leden van de fractie van GroenLinks willen ingaan op de betrokkenheid bij - en het draagvlak voor - deze wet in het onderwijsveld. Duidelijk is dat deze wet veel onrust veroorzaakt en ook op weerstanden stuit bij de zittende leraren. Het verbaast de genoemde leden dat de Algemene Onderwijsbond aangeeft niet voldoende betrokken te zijn geweest bij de voorbereiding en uitwerking van dit wetsvoorstel. De leden van de fractie van GroenLinks zijn juist van mening dat deze betrokkenheid essentieel is voor een goede kwaliteit van de wetgeving en voor draagvlak voor deze vernieuwingen onder de leraren. De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering om een reactie op de klachten van de Algemene Onderwijsbond over de geringe manier waarop zij betrokken zijn geweest bij het proces. Voorts vragen de genoemde leden of de regering de mening over het belang van betrokkenheid bij- en het draagvlak voor deze wet onder de leraren deelt en of zij voornemens is de betrokkenheid van de personeelsorganisaties bij de uitwerking en uitvoering van deze wetgeving te versterken.


8. Evaluatie

De leden van de PvdA-fractie hechten er aan dat de uitwerking van dit wetsvoorstel wordt geëvalueerd voordat de voorwaardelijk bevoegde leraar definitief zijn plek krijgt in de Wet op het Leraarschap. Is de regering daar toe bereid, zo vragen zij. Onderhavig wetsvoorstel regelt een structurele verruiming van toegang tot het beroep van leraar middels zij-instroom in het beroep. Zou het, zo vragen de leden van de fractie van D66, daarom niet wenselijk zijn de Interim-wet te evalueren? Artikelsgewijze toelichting Artikel 2 De leden van de PvdA-fractie vragen of ook remedial teachers onder de strekking van het wetsvoorstel vallen? Zal voor deze functie een apart assessment worden ontworpen? artikel 4 Hier wordt gesproken over een AMvB die moet regelen hoe het vooronderzoek plaatsvindt bij de bepaling of de vooropleiding voldoende relatie heeft tot het beroepsgerichte VMBO vak. De leden van de CDA-fractie vragen of hierbij gebruik wordt gemaakt van de leerlijnen van het BVE? Zal voor deze AMvB een voorhangprocedure gelden? artikel 5 Het verdient naar het oordeel van de leden van de CDA-fractie aanbeveling om wel degelijk aan te geven dat partijen voorzieningen moeten treffen indien de uitvoering van de overeenkomst op problemen stuit. In ieder geval moet worden aangegeven welke onderwerpen de overeenkomst moet bevatten om rechtsgeldig te kunnen zijn. Artikel 12 De leden van de PvdA-fractie vragen of het eerste assessment voor schooljaar 1999-2000 reeds heeft plaatsgevonden? Hoe zijn de resultaten en ervaringen? Artikel 12 regelt dat deelnemers aan het experiment met terugwerkende kracht onder deze regeling zullen gaan vallen. Hoe groot is deze groep en wie komen hiervoor in aanmerking, zo vragen de leden van de fractie van D66. De voorzitter van de commissie Van der Hoeven De griffier van de commissie Mattijssen 1) Samenstelling: Leden Schutte (GPV) Van der Vlies (SGP) Van de Camp (CDA) Van der Hoeven (CDA), voorzitter Rabbae (GL) Lambrechts (D66) Dittrich (D66) Cornielje (VVD) De Vries (VVD) Dijksma (PvdA) Van Zuijlen (PvdA) Cherribi (VVD) Rehwinkel (PvdA), ondervoorzitter Passtoors (VVD) Belinfante (PvdA) Kortram (PvdA) Ross-van Dorp (CDA) Hamer (PvdA) Nicolaï (VVD) Van Bommel (SP) Barth (PvdA) Halsema (GL) Orgü (VVD) Wijn (CDA) Eurlings (CDA) Plv. leden Stellingwerf (RPF) Schimmel (D66) Mosterd (CDA) Atsma (CDA) Harrewijn (GL) Bakker (D66) Ravestein (D66) E. Meijer (VVD) Van Baalen (VVD) Valk (PvdA) De Cloe (PvdA) Udo (VVD) Van der Hoek (PvdA) Gortzak (PvdA) Middel (PvdA) Schreijer-Pierik (CDA) Spoelman (PvdA) Brood (VVD) Poppe (SP) Arib (PvdA) Blok (VVD) Vendrik (GL) Rijpstra (VVD) Verhagen (CDA) Visser-van Doorn (CDA)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie