Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Doelstellingen Defensie Milieubeleidsplan 2000

Datum nieuwsfeit: 28-03-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

Ministerie van Defensie



Rapporten - Doelstellingen DMB 2000



Doelstellingen Defensie Milieubeleidsplan 2000

28-03-2000

Algemeen
De krijgsmachtdelen, het DICO (Defensie Interservice Commando) en de CO (Centrale Organisatie) zullen voor 1 januari 2003 milieuzorgsystemen hebben ingevoerd, die certificeerbaar zijn volgens de ISO 14001 norm.

Defensie voert in 2000 een meet- en registratiesysteem in aan de hand van de Formats Milieugegevens Defensie. Begin 2002 zal een totaal overzicht van de milieubelasting kunnen worden gegeven.

De DMB 2000 concentreert zich op de volgende zes milieuthema's:
* Thema 1: Energie en luchtverontreiniging
* Thema 2: Geluid

* Thema 3: Milieugevaarlijke stoffen

* Thema 4: Verontreiniging van de bodem

* Thema 5: Afval

* Thema 6: Natuur

Thema 1: Energie en luchtverontreiniging
Tot en met 2004 zal Defensie 9 procent energie-efficiencyverbetering op onroerend goed (t.o.v. 1999) en 4 procent duurzame energie bij onroerend goed hebben verwezenlijkt.

Thema 2: Geluid
Defensie stelt zich ten doel om het niveau van geluidshinder ten gevolge van defensie-activiteiten op gezoneerde terreinen en vergunde inrichtingen niet te laten stijgen.

Thema 3: Milieugevaarlijke stoffen

1. Defensie stelt zich ten doel uiterlijk in 2002 de inventarisatie naar de aanwezigheid van de 23 milieugevaarlijke stoffen gereed te hebben.

2. Het toepassen van chemische gewasbeschermingsmiddelen is vanaf 2003 niet meer toegestaan op defensieterreinen.

Thema 4: Verontreiniging van de bodem

1. Defensie zal voor 2010 alle ernstige bodemverontreinigingen op defensieterreinen saneren of beheersen.

2. Bij Defensie zal in 2004 een systeem van actief bodembeheer zijn opgezet en ingevoerd.

Thema 5: Afval
In 2001 zal Defensie al haar afvalstromen kwalitatief en kwantitatief in beeld hebben gebracht, inclusief industrieel afvalwater.
Thema 6: Natuur
In 2002 heeft Defensie voor het beheer van haar terreinen een monitoringssysteem waarmee de natuurwaarden blijvend worden geïnventariseerd en bewaakt. Vijfjaarlijks wordt een evaluatie uitgevoerd.



Rapporten - Hoofdstuk 1 DMB 2000


Hoofdstuk1 DMB 2000

28-03-2000


1. Inleiding


1.1 Context
Defensie bezit vele roerende en onroerende goederen en is eigenaar en gebruiker van zo'n 34000 hectaren grond. Deze middelen zijn nodig om de in de Grondwet vastgelegde taak, de bescherming van de belangen van de Staat en het bevorderen van de internationale rechtsorde, uit te voeren. Zoals bij elk groot bedrijf heeft ook de bedrijfsvoering van Defensie invloed op het milieu. Er worden grondstoffen gebruikt, er zijn uitlaatgassen, er is geluidshinder, enzovoort. In de Grondwet is tevens vastgelegd dat de zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Defensie, als onderdeel van de overheid, draagt haar deel hieraan bij. Daarbij is het belangrijk een juist evenwicht te vinden tussen beide belangen. Defensie moet in staat worden gesteld de aan haar opgedragen taken uit te voeren. De belasting van het milieu zal daarbij echter zoveel mogelijk worden beperkt.

In het Defensie Meerjarenplan Milieu (DMPM) uit 1993 is een eerste aanzet gegeven tot een duurzame relatie tussen Defensie en milieu. De spanning tussen sommige militaire activiteiten in Nederland, zoals (laag)vliegen en schieten, en enkele uitgangspunten in het beleid op het gebied van ruimtelijke ordening en milieu is evident. Defensie spant zich in om te komen tot een verantwoord milieu- en ruimtelijk beleid. Ondanks die inspanningen is het niet in alle gevallen mogelijk uiteenlopende belangen met elkaar te verenigen. De algemene verdedigingstaak, zowel nationaal als internationaal, en het vastgestelde ambitieniveau wat betreft vredes- en crisisbeheersingsoperaties vergen een goed voorbereide krijgsmacht. Dat betekent dat alle facetten van de krijgsmachttaken moeten worden beoefend. Alleen zo kan de vereiste maximale beschikbaarheid worden bereikt. Dat is niet alleen nodig voor een succesvolle operationele inzet, maar ook voor de veiligheid van de betrokken militairen en de burgers in het gebied waarin wordt geopereerd. Aan het niveau van geoefendheid kan niet worden getornd. Dat maakt het in voorkomend geval nodig keuzes te maken en prioriteiten te stellen. Het betekent dat in specifieke gevallen het defensiebelang zal moeten prevaleren boven het milieu- of het ruimtelijk belang. Bij de keuzes en prioriteitenstelling is een voortdurende zorgvuldige afweging van belangen, intern Defensie en met andere betrokken overheden, vanzelfsprekend.

Een milieuverantwoorde bedrijfsvoering is voor Defensie uitgangspunt. De belasting van het milieu die door Defensie wordt veroorzaakt, wordt in beginsel bij de bron aangepakt. Indien het onmogelijk is voldoende brongerichte maatregelen te treffen, moeten effectgerichte maatregelen de milieugevolgen van de defensie-activiteiten binnen maatschappelijk aanvaardbare grenzen houden. Effectgerichte maatregelen zijn ook nodig om erfenissen uit het verleden, zoals bodemveront-reiniging, op te ruimen. Door bij alle fasen (ontwerp, bouw, gebruik en afstoting/vernietiging) van de roerende en onroerende goederen die Defensie gebruikt rekening te houden met het milieu, wordt de kwaliteit van het milieu verbeterd.

Om te kunnen komen tot doelstellingen moeten er referentiepunten (nulmetingen) zijn. Tevens moet er zicht zijn op de operationele, financiële en
technische haalbaarheid van doelstellingen. Uit de evaluatie van het DMPM bleek dat dit niet gold voor alle doelen in dat plan. Daarom zullen de milieudoelstellingen in deze nota zoveel mogelijk voldoen aan zogeheten SMART-criteria:

* Specifiek: betrekking op een concreet onderwerp.
* Meetbaar: kwantitatieve onderbouwing.

* Actueel: aansluiten bij het rijksbeleid.
* Realistisch: redelijkerwijs te verwezenlijken.
* Tijdgebonden: binnen een aan te geven termijn te verwezenlijken.
Het is nu nog niet mogelijk voor alle thema's doelstellingen te formuleren die voldoen aan de SMART-criteria, omdat nog niet alle inventarisaties zijn afgerond. In 2000 zal het eerste gevalideerde overzicht kunnen worden gegeven van de belasting van het milieu door Defensie op grond van de door de krijgsmachtdelen, het DICO en de Centrale Organisatie aangeleverde gegevens. Enkele aspecten vergen meer tijd vanwege hun aard of omvang. Voor natuurwaarden geldt dat zij over vele jaren gevolgd moeten worden. Omdat milieugevaarlijke stoffen in vele duizenden producten zitten vergt inventarisatie de nodige tijd. In de loop van 2001 moeten ook deze gegevens bekend worden zodat begin 2002 het inzicht volledig zal zijn. Defensie zal aan de hand van de SMART-criteria een doelmatig en verantwoord milieubeleid voeren, waardoor de gewenste duurzame relatie met het milieu tot stand komt.


1.2 Leeswijzer
In hoofdstuk twee zal worden teruggeblikt op het DMPM, de interne evaluatie daarvan en het rapport van de Algemene Rekenkamer over geluidshinder bij Defensie. De aanbevelingen uit de evaluatie en het rapport van de Algemene Rekenkamer zijn richtsnoeren geweest bij het opstellen van de Defensie Milieubeleidsnota 2000 (DMB 2000). Tevens wordt ingegaan op de nationale- en internationale wet- en regelgeving. Om Defensie in staat te blijven stellen haar taak goed te kunnen uitoefenen zijn enkele randvoorwaarden gesteld die in dit hoofdstuk aan de orde komen. Tenslotte wordt aandacht besteed aan de relatie tussen milieu en arbeidsomstandigheden.

In het derde hoofdstuk staan de eerste twee pijlers van de DMB 2000 centraal: De invoering van milieuzorgsystemen en de invoering van een uitgebreid meet- en registratiesysteem. Hierbij komt aan de orde het opnemen van milieu in de plannings- en besluitvormingsprocessen van de defensieorganisatie, zoals het Integraal Defensie Plannings Proces (IDPP) en het Defensie Materieelkeuze Proces (DMP). Ook zal worden ingegaan op beleidsevaluaties en milieuaudits.

De eerste twee pijlers hangen nauw samen met de derde pijler: de verdere reductie van de belasting van het milieu. Hiertoe zijn thema's en doelstellingen opgenomen in hoofdstuk vier. De thema's die worden gehanteerd zijn afgeleid van de thema's van het Nationaal Milieubeleids Plan 3 (NMP 3) en zijn toegespitst op de defensieorganisatie. In dit hoofdstuk wordt ook ingegaan op natuur, een aspect van milieu in ruime zin.

In hoofdstuk vijf wordt aandacht besteed aan de wijze waarop de doelstellingen worden bereikt. Opleidingen, metingen en registraties zijn onderwerpen in dit hoofdstuk. Ook zal worden ingegaan op de organisatie en verantwoordelijkheden, de financiële aspecten, communicatie en rapportage.



Rapporten - Hoofdstuk 2 DMB 2000


Hoofdstuk 2 DMB 2000

28-03-2000

Hoofdstuk 2. Terugblik en omgeving


2.1 Defensie Meerjarenplan Milieu (DMPM)
In 1993 bracht Defensie het Defensie Meerjarenplan Milieu uit. Het plan was een ambitieuze, maar tamelijk rigide vertaling van rijksnota's naar de Defensie-organisatie. In 1998 is het DMPM geëvalueerd. Daaruit bleek onder meer dat sommige streefdoelen te weinig waren geoperationaliseerd. Het inzicht in de belasting van het milieu was in de achterliggende jaren toegenomen, maar nog steeds ontbraken op verschillende punten de nulmetingen. De verwachting dat ontbrekende kwantitatieve gegevens over de belasting van het milieu bij de uitvoering van het DMPM zouden kunnen worden verkregen, was niet uitgekomen. Uit de evaluatie bleek dat er te weinig werd gemeten en geregistreerd. Ook werd geconstateerd dat milieu nog teveel als afzonderlijk onderwerp werd gezien en daardoor te weinig was geïntegreerd in plannen en bedrijfsvoering.

De belangrijkste aanbevelingen uit de evaluatie waren:
* Milieubeleid dient te worden toegespitst op de voor Defensie relevante belasting van het milieu en hiervoor zullen op uitvoeringsniveau concrete doelstellingen moeten worden opgesteld.
* Er dient een toereikend meet- en registratiesysteem te worden opgezet. Zonder een dergelijk systeem is geen inzicht in de voortgang en de effecten van milieumaatregelen mogelijk.
* Milieu dient te worden geïntegreerd in de bedrijfsvoering door middel van de invoering van bedrijfsinterne milieuzorg, waarbij de ISO 14001 norm als richt- snoer kan worden gebruikt.

2.2 Rapport Algemene Rekenkamer
In oktober 1998 bracht de Algemene Rekenkamer het rapport 'Geluidshinder Defensie' uit. Het rapport richtte zich in eerste instantie op streefdoel 16 van het DMPM dat gaat over het beleid met betrekking tot geluidsbelasting. Het rapport richtte zich in tweede instantie op het systeem van bedrijfsinterne milieuzorg binnen Defensie. In het rapport kwamen verschillende knelpunten naar voren die ook in de interne evaluatie van het DMPM waren geconstateerd, zoals een te abstracte formulering van doelen, de onmogelijkheid van toetsing door het ontbreken van nulmetingen en een geringe integratie van milieu in de bedrijfsvoering en besluitvorming. Daarnaast vond de Algemene Rekenkamer dat er te weinig sturing en coördinatie op centraal niveau was, en dat de interne en externe informatievoorziening tekort schoot.

De resultaten van de evaluatie van het DMPM en de conclusies en aanbevelingen uit het rapport van de Algemene Rekenkamer zijn ter harte genomen bij de opstelling van de DMB 2000. Dit blijkt uit de gekozen aanpak (SMART-doelen) en de genomen maatregelen (invoering milieuzorgsystemen en uniforme metingen en registraties).

3 Nationale en internationale omgeving
Het milieubeleid van Defensie is gebaseerd op de belangrijkste rijksnota's. Voor het bedrijfsmatig milieubeleid is het NMP 3 (1997) van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) bepalend. Voor het natuur- en landschapsbeleid zijn onder meer het Natuurbeleidsplan (1990) en het Structuurschema Groene Ruimte (1992) van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij richtsnoeren. Voor energie geldt dat wordt aangesloten bij nota's van het ministerie van Economische Zaken zoals de nota Duurzame Energie in Opmars (1997), de Energiebesparingsnota 1998 en het Actieprogramma Energiebesparing 1999. Andere nota's die relevant zijn voor het milieubeleid van Defensie zijn de Nota Milieu en Economie (1997), de Nota Duurzaam Bouwen (DUBO) 2000 (1998), de Nota Scheepvaart & Milieu (1998), de Bouwvisie 2015 (1998) en de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid 1999. Voor Defensie geldt het rijksbeleid als uitgangspunt. In deze nota staan de milieudoelstellingen voor Defensie geformuleerd voor de planperiode 2000 tot en met 2004.

De Europese Unie ontwikkelt steeds meer regelgeving op het gebied van natuur en milieu. Deze EU-regelgeving kan voor Defensie een direct bindende werking hebben zonder tussenkomst van nationale regelgeving. Een voorbeeld is de Verordening ozonlaagaantastende stoffen. Voorts moeten veel EU-richtlijnen, worden geïmplementeerd in nationaal recht. Een voorbeeld is de Habitatrichtlijn. Defensie heeft belang bij invloed op milieuregels die in Brussel totstandkomen. Bij de totstandkoming van Europese regelgeving wordt nog niet altijd voldoende rekening gehouden met de belangen van Defensie.

Omdat de EU geen eigen Defensieraad heeft is het tot nu toe aan de andere ministeries om de belangen van Defensie te behartigen. Defensie kan dit slechts indirect. Zij doet dit via de Commissie Internationale Milieuzaken (CIM). De CIM, die uit verschillende subcommissies bestaat, stelt wekelijks voor het onderwerp milieu een instructie op voor de raadswerkgroep in Brussel. Deze werkgroep vormt het voorportaal voor de Milieuraad. Defensie is agendalid van de subcommissies en actief lid van de zogeheten 'grote CIM' die éénmaal per jaar samenkomt. In de grote CIM wordt de agenda van het EU-voorzitterschap in grote lijnen besproken. In de komende beleidsperiode zal Defensie, op de voor haar relevante onderdelen, de contacten met de meest relevante ministeries (Buitenlandse Zaken, VROM, LNV) intensiveren, zodat zij directer bij de besluitvorming kan worden betrokken. Met name op het gebied van de lucht- en scheepvaart vindt er voor Defensie belangrijk overleg plaats op Europees niveau.

Tot slot neemt Defensie binnen de NAVO, namens Nederland, actief deel aan verschillende projecten die tot doel hebben de spanning tussen militaire activiteiten en milieu- en natuurbelangen te verminderen.


2.4 Defensieomgeving
De operationele inzetbaarheid van de krijgsmacht mag niet worden aangetast door milieumaatregelen. Defensie zal de haar opgedragen taken te allen tijde moeten kunnen uitvoeren. Deze taken zijn de laatste jaren door de internationale ontwikkelingen aan wezenlijke veranderingen onderhevig geweest. Voor de voorbereiding op de uitvoering van deze taken vormen oefeningen een blijvend onmisbaar onderdeel. Daarbij is belasting van het milieu onvermijdelijk. Deze mag echter de wet- en regelgeving niet te buiten gaan. Ook bij uitzendingen van eenheden en oefeningen in het buitenland wordt in beginsel aan de Nederlandse milieunormen vastgehouden, tenzij de normen in het gastland scherper zijn.

De defensiebegroting heeft jaren onder druk gestaan. Niettemin heeft Defensie in die jaren veel in milieu geïnvesteerd. Het bodemsaneringsprogramma en het geluidsisolatieprogramma zijn voorbeelden van projecten van elk ongeveer een half miljard gulden (250 miljoen euro). Milieukosten maken ook integraal onderdeel uit van bouwprogramma's en materieelontwikkeling. Defensie maakt in de toekomst structureel meer geld vrij voor milieu. Overigens kunnen milieumaatregelen ook geld opleveren, omdat ze kunnen leiden tot een zuiniger gebruik van middelen.

Bij de aanschaf van zowel militair materieel als facilitaire goederen worden milieu-aspecten in beschouwing genomen. Zowel aan de producten als aan de leveranciers worden milieueisen gesteld. Defensie wil duurzame producten met een laag energieverbruik en een hoge mate van hergebruik. Tevens dienen de kosten voor afstoting zo laag mogelijk te zijn.


2.5 Relatie milieu en arbeidsomstandigheden Milieu en arbeidsomstandigheden hebben veel raakvlakken. De zorgsystemen vertonen grote overeenkomsten, met name op het punt van de beleidscyclus en de rol die deskundigen binnen het zorgsysteem vervullen. Voor zowel het milieuzorgsysteem als het Arbozorgsysteem vormt het kwaliteitszorgsysteem de basis. Zo kunnen bijvoorbeeld inventarisaties van milieugevaarlijke stoffen voor beide doelen dienen. Dit geldt ook voor de asbestinventarisatie. De wettelijke regels voor het beoordelen en indelen van de stoffen op hun risico's zijn vastgelegd in voorschriften van of op grond van de Wet Milieugevaarlijke Stoffen (WMS). Het gaat bij de WMS om regels voor het indelen, verpakken, etiketteren en afleveren van producten die vooral voor de mens gevaarlijk zijn. In vele gevallen zullen milieumaatregelen ook effect hebben op het personeel. Bij Defensie valt de zorg voor Arbo en milieu op het werkniveau vaak onder dezelfde functionarissen of afdeling. Dit is logisch gelet op de verwevenheid in de uitvoering.

Naast raakvlakken zijn er ook wezenlijke verschillen. Bij het milieu staan de omgevingsfactoren centraal, bij de arbeidsomstandigheden de zorg voor de werknemer. De belangen kunnen hierdoor anders zijn. Een voorbeeld is het gelijktijdig verwarmen en ventileren van een ruimte: goed voor de mens, minder goed voor het milieu. Het hergebruik van materialen kan uit oogpunt van milieu de voorkeur hebben, terwijl vanuit het oogpunt van arbeidsomstandigheden nieuwe materialen wenselijk zijn. Deze tegenstelling tussen Arbo en milieu is dusdanig dat het op het beleidsniveau niet wenselijk is beide terreinen samen te voegen. Wel zullen de contacten die er op beleidsniveau zijn worden geïntensiveerd om tot een optimale afstemming te komen.



Rapporten - Hoofdstuk 3 DMB 2000


Hoofdstuk 3 DMB 2000

28-03-2000


3. Milieubeleid


3.1 Algemeen
In dit hoofdstuk komen de eerste twee pijlers van de DMB 2000 aan de orde. De eerste pijler betreft de invoering van systematische milieuzorgsystemen binnen de defensieorganisatie. De tweede pijler ligt besloten in de systematiek van de bedrijfsinterne milieuzorg: de opzet van een toereikend meet- en registratiesysteem. Ook de integratie van milieu in de planvorming, het materieel- en het infrastructuurbeleid vloeit voort uit de milieuzorgsystemen. Door integratie van milieu in de bedrijfsvoering wordt gewaarborgd dat de aandacht voor het milieu structureel is.


3.2 Milieuzorgsystemen
De krijgsmachtdelen, het Defensie Interservice Commando (DICO) en de Centrale organisatie (CO) zullen hun belasting van het milieu gaan beheersen met behulp van integrale milieuzorgsystemen. Deze milieuzorgsystemen dienen te voldoen aan de ISO 14001 norm, de internationale standaard. De vijf elementen van een dergelijk systeem zijn: het opstellen van milieubeleid, het maken van een planning, de uitvoering van het milieubeleid, controle en eventueel corrigerende maatregelen en de beoordeling van de uitvoering door het management.
Defensie zal voor 2003 certificeerbare milieuzorgsystemen invoeren. Hoewel hiertoe nog geen wettelijke verplichting bestaat, wordt bij de meest in aanmerking komende onderdelen van Defensie gewerkt aan het behalen van certificaten voor de milieuzorgsystemen. De Koninklijke marechaussee en een onderdeel van de Koninklijke luchtmacht zijn al gecertificeerd. Aan het eind van de looptijd van deze nota zal de stand van zaken ten aanzien van certificering worden opgenomen, zodat desgewenst in de opvolger van de DMB 2000 een doelstelling kan worden geformuleerd over certificering. De Secretaris-Generaal, de Bevelhebbers en de Commandant DICO zien erop toe dat de kwaliteit van de milieuzorgsystemen onveranderd hoog blijft. De rapportages over de milieuzorgsystemen worden op het hoogste ambtelijke niveau besproken. Hierbij komen verbeteracties nadrukkelijk aan de orde.

Doelstelling
De krijgsmachtdelen, het DICO en de CO zullen voor 1 januari 2003 milieuzorgsystemen hebben ingevoerd die certificeerbaar zijn volgens de ISO 14001 norm.


3.3 Meet- en registratiesysteem
Om binnen de milieuzorgsystemen op een gelijke wijze te kunnen meten en registreren zijn de 'Formats Milieugegevens Defensie' ontwikkeld. Deze formats worden door alle betrokkenen gebruikt bij de gegevensverzameling en -verwerking. Op deze wijze ontstaat een uniform inzicht in de belasting van het milieu door Defensie. Meten en registreren hebben nog een andere belangrijke functie: ook de communicatie en de motivatie intern Defensie worden ermee gediend, omdat kwantitatieve gegevens een beter inzicht geven in de voortgang van het beleid. De Formats Milieugegevens Defensie worden centraal beheerd. In 1999 was het voor het eerst mogelijk een gekwantificeerd overzicht van de belasting van het milieu door Defensie te geven. Het betrof het jaar 1998. Naast het verkrijgen van gegevens was het opstellen van dit overzicht vooral bedoeld om ervaring op te doen met de invoering van een meet- en registratiesysteem. De ervaringen uit 1999 worden gebruikt voor de invoering van een dergelijk systeem in 2000. De gegevens over milieugevaarlijke stoffen en natuurbeheer zijn begin 2002 beschikbaar (zie hoofdstuk 4).

Voor het meten en registreren gelden de uitgangspunten zoals op de linkerpagina is aangegeven. Alleen de door Defensie rechtstreeks veroorzaakte belasting van het milieu wordt gemeten. Belasting van het milieu door de toeleveranciers van Defensie wordt niet in de milieumetingen van Defensie meegenomen. De toeleveranciers hebben veelal hun eigen doelgroepenbeleid. Indien Defensie deze belasting van het milieu 'voor haar rekening' zou nemen, zouden dubbeltellingen ontstaan.

Doelstelling
Defensie voert in 2000 een meet- en registratiesysteem in aan de hand van de Formats Milieugegevens Defensie. Begin 2002 zal een totaaloverzicht van de belasting van het milieu door Defensie kunnen worden gegeven.


3.4 Integratie in planvorming
Het Integraal Defensie Plannings Proces (IDPP) regelt alle planvorming binnen Defensie. In het DMPM werd aanbevolen milieu meer in de planvorming op te nemen. Sinds 1998 is in de lange termijnplannen en de activiteitenplannen en begrotingen milieu verankerd en geïntegreerd. In 2000 zal dit worden geëvalueerd. Bij de eerstvolgende wijziging van het Defensie Strategisch Plan krijgt milieu ook hierin een plaats. Ook in de Defensienota 2000 wordt aandacht besteed aan milieu. Hiermee is het opnemen van milieu in de planvorming bij Defensie voltooid. De uitvoering van de DMB 2000 wordt in deze plannen geïntegreerd.


3.5 Integratie in het materieel- en infrastructuurbeleid In het Defensie Materieelkeuze Proces (DMP) is milieu als keuzecriterium in de verschillende fasen reeds geïncorporeerd. In de planperiode zal de wijze waarop de milieueffecten van een voorgenomen aankoop dienen te worden geïnventariseerd nader worden uitgewerkt. Aan de hand van een milieu-effectenanalyse zal de belasting van het milieu veroorzaakt door de verschillende alternatieven worden bepaald. Hierbij zullen ook de mogelijkheden worden beschouwd van een 'Mid Life Update' van bestaande systemen en het hergebruiken van (delen van) deze systemen. Voor opleidingsdoeleinden zal maximaal gebruik worden gemaakt van simulatoren. Levensduurkostenanalyse speelt bij de materieelkeuze een belangrijke rol.

Defensie zal bij aanschaffingen het aanwezig zijn van een milieuzorgsysteem bij de leverancier mede als gunningscriterium hanteren. Voorts zullen aan deze milieuzorgsystemen eisen worden gesteld (ISO 14001 certificaat). Tenslotte levert Defensie een bijdrage aan de overheidsbrede werkgroep 'Duurzaam Inkopen'. Zij werkt mee aan het opbouwen van het Programma Duurzaam Inkopen waarin Rijksdiensten, Provincies, Gemeenten en Waterschappen samenwerken bij het opzetten van een bestand met milieugegevens van producten. In NAVO-verband wordt een richtlijn opgesteld over milieugericht inkopen; Nederland levert hieraan een actieve bijdrage. Deze richtlijn zal worden meege-nomen in het aanschaffingsbeleid. Bovenstaande beleidsvoornemens worden in de DMP-documenten opgenomen.

Milieu moet ook worden geïntegreerd in het onroerendgoedbeleid. Duurzaam bouwen (DUBO) wint in dat kader binnen Defensie aan terrein. Jaarlijks wordt het pakket aan DUBO-maatregelen uitgebreid en aangescherpt. In 2000 moeten in alle Programma's van Eisen DUBO-maatregelen zijn opgenomen. Op toepassing van de maatregelen wordt toegezien. Het defensiepersoneel dat werkzaam is op het gebied van infrastructuur krijgt DUBO-opleidingen. Defensie heeft zitting in de VROM-werkgroep DUBO-2000 die een beleids- en een uitvoeringsprogramma maakt voor de periode 2000-2004. Hierin gaat de aandacht onder meer uit naar verbetering van bestaande bouw, minder gebruik van fossiele brandstoffen en het gebruik van meer duurzame energie. Specifiek voor Defensie is het aanbrengen van isolatie bij bestaande gebouwen en meer hergebruik van grondstoffen. Daarnaast zal aandacht worden besteed aan integraal waterbeheer.


3.6 Beleidsevaluatie en audits
Het management van de defensieorganisatie vraagt betrouwbare en snelle informatie om haar milieubeleid te kunnen sturen en beheersen. Door middel van het periodiek uitvoeren van milieu-audits wordt op verschillende niveaus binnen de defensieorganisatie inzicht verkregen in de effectiviteit en doelmatigheid van het milieubeleid. Ook de milieu-audit zal worden geïntegreerd in de normale bedrijfsvoering. Op decentraal niveau wordt, overeenkomstig het voorgeschreven milieuzorgsysteem, de milieu-audit gebruikt om te bezien of de uitvoering van het milieuzorgsysteem op een effectieve en doelmatige wijze gebeurt. De uitvoering van het milieubeleid wordt ook meegenomen in de centraal gecoördineerde auditplanning van Defensie. De audits op centraal niveau hebben meer het karakter van een beleidsevaluatie. Ze zijn volledig ingebed in de jaarlijkse plannings- en begrotingscyclus.



Rapporten - Hoofdstuk 4 DMB 2000


Hoofdstuk 4 DMB 2000

28-03-2000


4. Milieuthema's en doelstellingen


4.1 Algemeen
In dit hoofdstuk komen aan de orde de milieuthema's die het meest relevant zijn voor Defensie met de bijbehorende doelstellingen. Defensie heeft een aantal thema's uit het NMP 3 samengevoegd, zodat beter wordt aangesloten bij de bedrijfsvoering van Defensie en de eerdergenoemde Formats Milieugegevens Defensie. De onderstaande thematische indeling geeft tevens de indeling van dit hoofdstuk weer.

* Thema 1: Energie en luchtverontreiniging
* Thema 2: Geluid

* Thema 3: Milieugevaarlijke stoffen

* Thema 4: Verontreiniging van de bodem

* Thema 5: Afval

* Thema 6: Natuur

Per thema wordt aandacht besteed aan de relevantie van dit thema voor Defensie, het rijksbeleid, de stand van zaken bij Defensie en de doelstelling(en) van Defensie. De themadoelstellingen gelden voor heel Defensie, maar kunnen per krijgsmachtdeel in onderling overleg op verschillende wijzen worden ingevuld.


4.2 Energie en luchtverontreiniging
Defensie beschikt over veel roerend en onroerend goed. Hierdoor is zij een grootgebruiker van brandstoffen. Het thema energie is derhalve relevant voor Defensie. Het gebruik van brandstoffen leidt tot verandering van het klimaat en tot verzuring. Deze NMP-thema's tonen grote verwevenheid met energieverbruik en duurzame energie en worden daarom hier behandeld.

Rijksbeleid
Het thema Verandering van Klimaat omvat zowel het broeikaseffect als de aantasting van de ozonlaag. De Europese Unie (EU) heeft zich in Kyoto (Japan) verplicht om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen met 8 procent in de periode 2008 - 2012 ten opzichte van 1990. Nederland is in EU-verband overeengekomen dat zij 6 procent zal reduceren in 2010 ten opzichte van basisjaar 1990. Er is strikte wetgeving voor het gebruik van ozonlaagaantastende stoffen. In beginsel zullen ozonlaagaantastende stoffen worden verboden.
Bij Energie is de rijksdoelstelling dat wordt gestreefd naar 10 procent duurzame energie in 2020. Ook wordt er gestreefd naar een gemiddelde verbetering van de energie-efficiency van 1,8 procent binnen de utiliteitssector en 0,6 procent per jaar binnen de sector verkeer en vervoer tot aan 2010.
De rijksdoelstellingen voor Verzuring (SO2 en NOx) zijn gericht op specifieke groepen (elektriciteitscentrales, raffinaderijen, zware industrie en verkeer). Maatregelen voor deze groepen kunnen leiden tot een reductie in de orde van grootte van 50 - 80 procent. Overeenkomstig de rijksdoelstelling dient de uitstoot van Vluchtige Organische Stoffen (VOS) ten opzichte van 1980 te worden gehalveerd.
Stand van zaken bij Defensie
Defensie stoot ongeveer 0,4 procent van het Nederlandse totaal aan broeikasgassen uit. Schepen en vliegtuigen zijn hierbij de grootste bronnen. In de afgelopen beleidsperiode heeft Defensie voor een groot deel aan de Rijksdoelstelling voor Verandering van Klimaat voldaan. Belangrijkste oorzaken die hieraan ten grondslag liggen zijn de inkrimping van de krijgsmacht, het op een andere wijze op peil houden van de geoefendheid van het personeel en de energie-efficiëntere inzet en het energie-efficiëntere gebruik van het roerende- en onroerende goed. Op het gebied van ozonlaagaantastende stoffen volgt Defensie de wet- en regelgeving.

Defensie verbruikt momenteel ongeveer 0,4 procent van het totale Nederlandse energieverbruik. Hiervan wordt slechts een verwaarloosbaar gedeelte duurzaam opgewekt.

De verzuring door SO2 en NOx wordt bij Defensie voornamelijk veroorzaakt door het roerende goed. Dit zou kunnen worden teruggebracht door de invoering van zwavelarme brandstof en de katalysator. Defensie gebruikt echter al zwavelarme brandstof, en kan door de brandstof die zij gebruikt (diesel en kerosine/diesel ) niet op korte termijn omschakelen op katalysatoren. Het gegeven dat Defensie relatief lang met haar roerend goed doet, maakt dat Defensie op dit punt niet op korte termijn tot grote reducties kan komen.

Defensie heeft nog geen inzicht in de uitstoot van VOS door vlieg-, vaar- en voertuigen. Het probleem hierbij is een goede meetmethode te ontwikkelen. In de Formats Milieugegevens Defensie voor het meetjaar 2000 zullen hiervoor indicatoren worden opgenomen. Hierdoor zal in de komende jaren een goed beeld ontstaan. Defensie neemt ruim 1 procent van het Nederlandse totaal van de uitstoot van verzurende stoffen voor haar rekening.

Beleid Defensie
Defensie zal de luchtverontreiniging bepalen door hantering van kengetallen. De verbruikte hoeveelheid fossiele brandstof (benzine, diesel, kerosine, scheepsbrandstof, huisbrandolie, aardgas e.d.) wordt vermenigvuldigd met kengetallen inzake het zwavelgehalte en andere luchtverontreinigende stoffen bij het verbruik van verschillende soorten brandstoffen en soorten materieel. Op deze wijze is de bijdrage van Defensie aan de thema's Verandering van klimaat en Verzuring inzichtelijk te maken.

Defensie wil een bijdrage leveren aan de rijksdoelstelling voor energie-efficiency en duurzame energie zonder dat de geoefendheid van het personeel hieronder lijdt. Dit betekent dat deze doelstellingen bij Defensie bijna uitsluitend via het onroerend goed, in het bijzonder via duurzaam bouwen, moet worden bereikt. Bijna elke bezuiniging op het brandstofverbruik van het roerend goed gaat ten koste van de geoefendheid en daarmee van de kwaliteit van de taakuitvoering van Defensie. Gelet op de veelvuldige inzet van de Nederlandse krijgsmacht in risicovolle omstandigheden is dit onaanvaardbaar. Dit uitgangspunt ontslaat Defensie niet van haar verantwoordelijkheid ten aanzien van het milieu als het gaat om de aanschaf en het ontwerp van roerende goederen zoals wapensystemen. Defensie stelt zichzelf tot doel om bij de aanschaf van nieuw materieel en modificatie van bestaand materieel, met inachtneming van de operationele eisen en naar de stand van de techniek, het meest energiezuinige materieel aan te schaffen. Via verbetering van de energie-efficiency (gemiddeld 1,8 procent per jaar voor onroerend goed in de sector Utiliteit) zal Defensie aan het einde van de planperiode van de DMB in totaal 9 procent energiezuiniger zijn bij haar onroerend goed. Om in de pas te lopen met de rijksdoelstelling van 10 procent duurzame energie in 2020 zal het percentage duurzame energie voor Defensie aan het einde van de planperiode 4 procent moeten zijn bij het onroerend goed. Voor het gebruik van materieel zal worden onderzocht of Defensie op de lange termijn kan voldoen aan de 0,6 procent energie-efficiency-verbeteringsdoelstelling voor roerende goederen die in het rijksbeleid is vastgelegd. Hierbij wordt de lange levensduur van defensiematerieel in beschouwing genomen. Nieuw (en naar verwachting zuiniger) materieel wordt immers niet vaak op grote schaal aangeschaft. In de komende beleidsperiode zal Defensie door de vergroting van de energie-efficiency en de inzet van duurzame energie een bijdrage leveren aan de CO2 -reductie.

De uitstoot van VOS door roerende goederen zal worden geïnventariseerd met behulp van kengetallen.

Doelstelling
Tot en met 2004 zal Defensie 9 procent energie-efficiencyverbetering op onroerend goed (t.o.v. 1999) en 4 procent duurzame energie bij onroerend goed hebben verwezenlijkt.


4.3 Geluid
De inzet van defensiematerieel (oefenen, schieten) kan de directe leefomgeving van burgers beïnvloeden. Dit valt onder het NMP-thema Verstoring. Het betreft geluid, trillingen, geur, externe veiligheid en lokale emissies naar de lucht. Voor Defensie zijn binnen dit thema geluid, trillingen en externe veiligheid relevant. Het aspect geur en het aspect lokale luchtemissie wordt zodanig gering ingeschat dat hierop geen beleid wordt geformuleerd. Voor trillingen geldt dat Defensie zal voldoen aan Nederlandse wettelijke voorschriften. Externe veiligheid komt in het nieuwe Structuurschema Militaire Terreinen (SMT) aan de orde. In de DMB 2000 wordt daarom alleen aandacht besteed aan geluid.

Rijksbeleid
Het rijksbeleid stelt dat het geluidshinderniveau dat van 1985 niet mag overstijgen. Voor ernstige hinder is de doelstelling voor 2010: geen ernstig gehinderden. Defensie acht, evenals het ministerie van VROM, de rijksdoelstelling voor ernstige hinder niet haalbaar.
Stand van zaken bij Defensie
Voor een aantal inrichtingen en activiteiten van Defensie is een wettelijke maat beschikbaar voor de beoordeling van geluidshinder. Voor die activiteiten is de geluidsbelasting vastgelegd. Daardoor kan worden getoetst of Defensie binnen de vastgelegde geluidsgrenzen blijft en is het aantal geluidsgehinderden bepaald. Voor veel activiteiten is echter (nog) geen wettelijke maat voorhanden om geluidshinder die eventueel wordt veroorzaakt te bepalen. Het gaat bijvoorbeeld om het oefenen op oefenterreinen en het vliegen met helikopters en andere vliegtuigen. Overigens geldt ook voor civiele vliegtuigen en helikopters dat er geen wettelijke maat is voor het meten van hinder. Defensie is hierin dus niet uniek. Voor zover het mogelijk is om de geluidshinder te bepalen heeft Defensie dit gedaan. Dit heeft geleid tot het vaststellen van geluidszones rond luchtvaartterreinen en bepaalde inrichtingen met een milieuvergunning.
Defensie beseft dat ook buiten de inrichtingen en activiteiten met een geluidszone geluidsoverlast kan worden ondervonden. Daarom is in de afgelopen jaren een uitgebreid onderzoeksprogramma uitgevoerd naar de fysische en geluids-hinderaspecten van schietgeluid en het geluid van militaire voertuigen. De mogelijkheden zullen worden bezien om door het treffen van infrastructurele maatregelen de geluidsbelasting te beperken.

Tegen die achtergrond wordt met het ministerie van VROM de mogelijkheid tot de vaststelling van geluidszones rondom schiet- en oefenterreinen verkend. In overleg met VROM zal moeten worden vastgesteld welke wettelijke hindermaat moet worden gebruikt. Voor helikopterlandingsplaatsen wordt gewerkt aan regels die zijn gericht op het voorkomen of verminderen van geluidsoverlast. De volgende stap is het opnemen van deze regels in de Wet Luchtvaart. De ministeries van Defensie en Verkeer & Waterstaat willen daaraan een beoordelingssystematiek voor het geluid koppelen. Een en ander zal ook aan de orde komen in het SMT dat in de loop van 2000 zal verschijnen.

Er zullen activiteiten blijven waarbij geen maat voorhanden is waarmee de geluidshinder eenduidig kan worden bepaald. Dit betreft bijvoorbeeld vliegen boven Nederland, oefenterreingebonden vliegbewegingen, laagvliegroutes en laagvlieggebieden. Uiteraard probeert Defensie de geluidsoverlast door deze activiteiten, waar mogelijk, in tijd en/of plaats te beperken. Dit geschiedt bijvoorbeeld door het aanhouden van minimum vlieghoogten, het vermijden van aaneengesloten bebouwing, ziekenhuizen, sanatoria en dergelijke, en voor de laagvliegroutes door onder meer het vaststellen van gebruiksregels zoals een maximum aan de vliegsnelheid en aan het aantal vliegtuigen in formaties. Ook aan laagvliegen zal in het nieuwe SMT aandacht worden besteed.

Defensiebeleid
Eén van de uitgangspunten van het milieubeleid is bestrijding van belasting van het milieu aan de bron. Dit is bij 'militaire geluidssoorten' maar beperkt mogelijk. Bij militaire luchtvaartterreinen vindt bestrijding van geluidsbelasting plaats aan de bron, maar tevens worden mogelijkheden voor beperkingen van de geluidsoverdracht gehanteerd, gebruiksregels opgesteld, geluidszones ingevolge de Luchtvaartwet vastgesteld en een geluidsisolatieprogramma uitgevoerd. Bij de inrichtingen als bedoeld in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en Vergunningenbesluit (IVB) Milieubeheer gebeurt het beperken van geluidsbelasting door het vaststellen van geluidszones en het uitvoeren van een saneringsprogramma. Elementen hiervan zijn het treffen van operationele maatregelen en infrastructurele voorzieningen (bijvoorbeeld proefdraaicriteria, geluidswallen, 'hushhouses', etcetera).

Als nulsituatie voor geluidshinder geldt bij gezoneerde luchtvaartterreinen (Luchtvaartwet) de hindersituatie in 1985 (SMT deel 2) en bij gezoneerde inrichtingen (Wet Milieubeheer) de hindersituatie in 1993, zoals door de minister van VROM vastgesteld. De geluidshindersituatie zal in de toekomst worden vastgesteld rondom de vergunde inrichtingen en de gezoneerde schietterreinen en oefenterreinen. Overeenkomstig het rijksbeleid wil Defensie het niveau van geluidshinder niet laten stijgen. Er bestaat binnen deze doelstelling flexibiliteit. Dit houdt in dat, als de geldende wet- en regelgeving dit toelaat, op sommige plaatsen het geluids-hinderniveau zou kunnen toenemen mits het elders wordt gecompenseerd. Deze flexibiliteit is noodzakelijk voor een optimaal gebruik van defensie-inrichtingen en faciliteiten ter uitvoering van de defensietaak. Defensie zal de ontwikkelingen op dit gebied, zoals die zijn beslag zal krijgen in de opvolger van het NMP 3, volgen.

Doelstelling
Defensie stelt zich ten doel om het niveau van geluidshinder ten gevolge van defensieactiviteiten op gezoneerde terreinen en vergunde inrichtingen niet te laten stijgen.


4.4 Milieugevaarlijke stoffen
Defensie verbruikt veel milieugevaarlijke stoffen. Het is daarmee een relevant thema voor Defensie. Milieugevaarlijke stoffen vallen in het NMP 3 onder het thema Verspreiding. Verspreiding betreft de verontreiniging van bodem, water, lucht en directe leefomgeving met toxische, milieugevaarlijke en radioactieve stoffen en genetisch gemodificeerde organismen. Voor radioactieve stoffen geldt een apart regime dat buiten het bestek van deze beleidsnota valt. Voor Defensie zijn genetisch gemodificeerde organismen niet relevant. Ook deze blijven verder buiten beschouwing.

Rijksbeleid
Het beleid op het thema Verspreiding valt uiteen in een preventief en een curatief deel. In de afgelopen jaren heeft het preventieve deel veel aandacht gehad. Te denken valt daarbij aan het verbieden van het importeren, vervaardigen en gebruiken van bepaalde gevaarlijke stoffen. Het curatieve beleid is gericht op het wegnemen van effecten van de stoffen, bijvoorbeeld door het voorkomen van emissies en het stellen van strikte voorschriften aan het omgaan met gevaarlijke stoffen. In de komende jaren zal het rijksbeleid onverminderd worden voortgezet.

Stand van zaken bij Defensie
Defensie heeft besloten om alle producten die zij gebruikt te inventariseren op de aanwezigheid van 23 milieugevaarlijke (prioritaire) stoffen (zie bijlage pag. 48). Over de keuze van die stoffen is overeenstemming met het ministerie van VROM. Het inventariseren is een zeer omvangrijke onderneming. Het betreft vele duizenden producten die in toenemende mate decentraal, door de defensie-inrichtingen, worden aangeschaft. Gelet op de omvang van de inventarisatie is de verwachting dat Defensie hiermee niet eerder dan in 2002 gereed zal zijn.

Defensiebeleid
Op het moment dat milieugevaarlijke stoffen worden aangetroffen, zal worden bezien of hiervoor milieuvriendelijker alternatieven verkrijgbaar zijn binnen de operationele en financiële randvoorwaarden. Indien geen milieuvriendelijker alternatieven beschikbaar zijn zal Defensie onderzoek hiernaar bevorderen of, in het uiterste geval, initiëren. Mocht het gebruik van een gevaarlijke stof voorlopig onontkoombaar zijn wordt het gebruik omgeven met strikte voorschriften, waardoor de risico's worden geminimaliseerd. Na verloop van tijd wordt bezien of nieuwe technologische ontwikkelingen uitfasering alsnog mogelijk maken. Zodra de inventarisatie gereed is zal een register worden opgesteld waarin staat aangeven in welke artikelen of toepassingen de 23 milieugevaarlijke stoffen voorkomen. Met een plan van aanpak zal vervolgens worden aangegeven of en zo nodig hoe tot uitfasering van de betreffende stoffen kan worden gekomen. Defensie zal bij het uitfaseren van milieugevaarlijke bedrijfsstoffen het rijksbeleid volgen.

De inventarisatie is een éénmalige actie die gevolgd wordt door aanvullende eisen bij de aanschaf van producten. Deze maatregel moet voorkomen dat de inventarisatie binnen enkele jaren opnieuw moet worden gedaan. Aan leveranciers zal gevraagd worden of in een aan te schaffen product milieugevaarlijke stoffen zijn gebruikt. Daarmee zal worden zekergesteld dat milieugevaarlijke stoffen niet in een aan te schaffen product voorkomen als dit vermijdbaar is. Bovenstaande procedure moet ertoe leiden dat Defensie niet meer plotseling wordt geconfronteerd met incidenten. Hierbij dient te worden aangetekend dat Defensie afhankelijk is van de leveranciers van producten. Aangezien Defensie in de toekomst meer zaken wil doen met bedrijven met een milieuzorgsysteem, verwacht zij in de toekomst dat leveranciers steeds vaker in staat zullen zijn om dit gevraagde inzicht te verschaffen.

Doelstelling
Defensie stelt zich ten doel uiterlijk in 2002 de inventarisatie naar de aanwezigheid van de 23 milieugevaarlijke stoffen gereed te hebben.
Een specifieke categorie milieugevaarlijke stoffen zijn de chemische gewasbeschermingsmiddelen. Defensie heeft met het ministerie van LNV een bestuursovereenkomst gesloten om de afhankelijkheid van deze middelen vergaand terug te dringen. Overeengekomen is om gefaseerd over te stappen op andere wijzen van gewasbescherming. Dit moet ertoe leiden dat Defensie vanaf 2003 geen chemische
gewasbestrijdingsmiddelen meer gebruikt. Hierdoor kunnen de ongewenste neveneffecten van het gebruik van deze middelen worden geëlimineerd.
Doelstelling
Het toepassen van chemische gewasbeschermingsmiddelen is vanaf 2003 op defensieterreinen niet meer toegestaan.


4.5 Verontreiniging van de bodem
Het thema Verontreiniging van de bodem heeft betrekking op situaties waarin verontreinigende (milieuvreemde) stoffen in de bodem bedreigend kunnen zijn voor mensen en/of ecosystemen. Omdat Defensie beschikt over veel terreinen en veel verontreinigende stoffen gebruikt, is dit thema relevant.

Rijksbeleid
Het rijksbeleid bij landbodems gaat, sinds het gewijzigde kabinetsstandpunt van juni 1997 over de beleidsvernieuwing bodemsanering (BEVER), ervan uit dat bij het saneren van ernstige verontreiniging die zich niet verder verspreiden, gekeken wordt naar de bestemming van het te saneren terrein. Concreet betekent dit bijvoorbeeld dat bij woningbouwlocaties andere terugsaneerwaarden gelden dan bij industrieterreinen. Tevens wordt gekeken naar de meest kosteneffectieve sanering van verontreiniging van het grondwater. Monitoring van vervuilingen (zowel bronnen als diffuse verontreinigingen), beheersing van de bodemkwaliteit en hergebruik van grond zijn belangrijke middelen naast het actief saneren van de bodem. Al deze zaken maken onderdeel uit van het actief bodembeheer. De omvang van de bodemverontreiniging zal voor heel Nederland voor 2005 in kaart zijn gebracht. Dit kan door middel van bodemkwaliteitskaarten. In 2020 moet de bodemverontreiniging in Nederland onder controle zijn. De nadruk zal bij de saneringsmethoden gaan liggen op het gebied van biologische 'in situ' methoden: sanering ter plekke in plaats van afgravingen. Hiertoe zal de komende jaren actief aan kennisontwikkeling op dit gebied worden gewerkt. Bij nieuwe vervuilingen blijft het beleid dat wordt uitgegaan van multifunctionaliteit: de vervuiling moet helemaal worden opgeruimd.
Stand van zaken bij Defensie
Defensie heeft in de Novemberbrief 1994 aan de Tweede Kamer toegezegd dat alle ernstige bodemverontreinigingen in 2010 zullen zijn gesaneerd of beheerst. Naar het zich nu laat aanzien zal de gestelde termijn worden gehaald. Defensie heeft hiertoe 500 miljoen gulden (225 miljoen euro) gereserveerd. Daarvan is op 1 januari 2000 meer dan 250 miljoen gulden (115 miljoen euro) besteed. Naar verwachting zal het gereserveerde budget toereikend zijn om de gestelde doelstelling tijdig te halen. Bij calamiteiten wordt de verontreiniging altijd onmiddellijk opgeruimd, overeenkomstig de wetgeving die hierover bestaat. In het kader van het nieuwe beleid voor schiet- en oefenterreinen krijgt de sanering en de beheersing van verontreinigingen op deze terreinen speciale aandacht.
Defensiebeleid
Bij de uitvoering van de 'Gedragslijn bodemverontreiniging in staatseigendommen' heeft Defensie haar eigen deelprogramma binnen het 'Meerjarenprogramma bodemsanering staatseigendommen'. Tevens levert Defensie binnen de interdepartementale werkgroep voor de uitvoering van de gedragslijnen een actieve bijdrage, waarmee nuttige ervaringen worden uitgewisseld op het gebied van onderzoek en sanering.
Defensie zal ook de komende jaren werken aan de invoering van de methodiek van functiegerichte, biologische 'in situ'- sanering. Tevens zal zij bijdragen aan de kennisontwikkeling op het gebied van 'in situ'-sanering door verontreinigde locaties voor onderzoeksprojecten ter beschikking te stellen en te participeren in de Stichting Kennisontwikkeling Kennisoverdracht Bodem (SKB).

Om het aantal saneringen in de toekomst te verminderen, is preventief beleid met betrekking tot de bodem nodig. Daartoe zal Defensie, overeenkomstig de richtlijnen van het ministerie van VROM, bodemkwaliteitskaarten maken en een inventarisatie uitvoeren naar bodembedreigende activiteiten en processen. Via het 'actief bodembeheer', dat overeenkomstig het NMP 3 uiterlijk in 2004 moet zijn opgezet en ingevoerd, zal worden bekeken hoe tot een uitbreiding van verplaatsingsmogelijkheden met (licht verontreinigde) grond kan worden gekomen. Dit zal gebeuren conform het landelijk beleid.

Doelstellingen
Defensie zal voor 2010 alle ernstige bodemverontreinigingen op defensieterreinen saneren of beheersen.
Bij Defensie zal in 2004 een systeem van actief bodembeheer zijn opgezet en ingevoerd.


4.6 Afval
Het thema Afval gaat over het voorkomen van het ontstaan van afval en het verbeteren van de kwaliteit van afval en afvalscheiding. Gelet op de hoeveelheden die Defensie produceert is dit een relevant thema.
Rijksbeleid
Met betrekking tot afval geldt rijksbreed, respectievelijk, de volgende voorkeur: preventie, hergebruik en definitieve verwijdering. Het is primair van belang het onnodige verlies van grondstoffen te voorkomen. Het hergebruikspercentage in Nederland dient in 2010 op 80 procent te liggen (nu: 72 procent). Daarom is het noodzakelijk een effectieve, efficiënte en te handhaven wijze van afvalverwijdering in stand te houden.

Stand van zaken bij Defensie
Defensie heeft zich in de afgelopen jaren geconcentreerd op het in beeld krijgen van de soorten afvalstromen en het daarna scheiden van afvalstoffen. Dit zijn ook de belangrijkste doelen van het rijksbeleid. Dit beleid is in het algemeen succesvol geweest.
De totale productie van gevaarlijk afval van Defensie is bijna 7000 ton. Het aandeel van Defensie voor Nederland als geheel kan niet worden aangegeven, omdat er voor Nederland geen betrouwbaar cijfer voor de gevaarlijk-afvalproductie is (zie Milieubalans; RIVM 1998).

De kwaliteit van het geloosde afvalwater, waaronder de concentratie van zware metalen, blijft voor Defensie een punt van aandacht. Defensiebreed wordt niet veel afvalwater geloosd. Er wordt slechts beperkt geloosd op open water. Deze lozingen voldoen aan de geldende wet- en regelgeving en zijn door de genomen maatregelen al veel schoner dan vroeger. Bij de krijgsmachtdelen vinden bedrijfsmatige afvalwaterlozingen plaats op het binnenwater en op het riool. De Koninklijke landmacht beheert twee eigen
rioolwaterzuiveringsinstallaties. Bezien zal worden of deze rioolwaterzuiveringen ook in de toekomst nog perspectieven bieden, of dat het beter is om op het openbare riool aan te sluiten. De schepen van de Koninklijke marine zijn de afgelopen jaren voorzien van een zogeheten 'lenswaterreiniger'.

Defensiebeleid
De onderdelen van Defensie die nog geen inzicht hebben in hun afvalstromen zullen dit inzicht in de planperiode moeten ontwikkelen. Afval is een van de items in de Formats Milieugegevens Defensie. Hierdoor zal het inzicht in 2001 volledig zijn.
Doelstelling In 2001 zal Defensie al haar afvalstromen kwalitatief en kwantitatief in beeld hebben gebracht, inclusief industrieel afvalwater.

Na de inventarisatie kan de aandacht worden gericht op het voorkomen van afval en de verbetering van de milieukwaliteit van het afval. Daarbij zal met name bij de aanschaf van producten worden gekeken naar zaken als verpakking, levensduur, hergebruik, enzovoort. Hiervoor is inzicht in milieubelastende bedrijfsprocessen noodzakelijk. Dit inzicht wordt verkregen via de invoering van milieuzorgsystemen. Er zal meer aandacht moeten komen voor het totale logistieke proces en het afvalbeleid moet daarop aansluiten. Hierbij dient zowel kwantitatief alsook kwalitatief inzicht te ontstaan. Ook de uitkomsten van de inventarisatie gevaarlijke stoffen zullen worden gebruikt om de milieukwaliteit van het afval van Defensie te verbeteren en het hergebruik te bevorderen. Vervolgens zal nog in de planperiode van de DMB een kwantitatieve afvaldoelstelling worden geformuleerd.


4.7 Natuur
Defensie is één van de grote terreinbeherende organisaties in Nederland. Daarom is Natuur een relevant thema. Defensie neemt haar verantwoordelijkheid als beheerder van terreinen die nationaal en internationaal grote natuurwaarden vertegenwoordigen. Een verantwoorde afstemming tussen de militaire en de natuurfunctie gebeurt op zodanige wijze dat de krijgsmacht in staat wordt gesteld de gewenste geoefendheid te bereiken, waarbij tegelijkertijd de natuurwaarden in stand worden gehouden en waar mogelijk door gericht beheer verder worden ontwikkeld.

Rijksbeleid
Ten aanzien van natuur en landschap volgt Defensie het rijksbeleid, in het bijzonder zoals dit is vastgelegd in het Natuurbeleidsplan (1990) en het Structuurschema Groene Ruimte (1995). Centraal staat de vergroting van de bio-diversiteit. De hoofddoelstelling van het natuur- en landschapsbeleid is: 'duurzame instandhouding, herstel en ontwikkeling van natuurlijke en landschappelijke waarden'. De verwezenlijking en bescherming van een Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in Nederland is één van de belangrijkste middelen.
Stand van zaken bij Defensie
De meeste defensieterreinen grenzen aan of liggen in de EHS. Ze hebben veelal hoge natuurwaarden. Dit komt mede omdat Defensie veel investeert in het beheer van de terreinen.

Defensiebeleid
Binnen defensieterreinen worden, waar zinvol en mogelijk, militaire activiteiten geconcentreerd in bepaalde zones. Om de aanwezige natuurwaarden in de resterende gebiedsdelen te waarborgen, zal op deze terreindelen de natuurfunctie prevaleren boven de militaire functie. Defensie garandeert daarmee de duurzaamheid van zeldzame natuurwaarden op haar terreinen. Via passende beheers- en inrichtingsmaatregelen zullen de biodiversiteit en natuurwaarden op defensieterreinen verder worden gehandhaafd of vergroot. Defensie en de omliggende terreinbeheerders zullen gezamenlijk afspraken maken over een betere afstemming van het beheer. Met het ministerie van LNV zullen afspraken worden gemaakt over militair gebruik en natuurbeheer in relatie tot internationale aanwijzingen.

Om rekening te kunnen houden met natuurwaarden op defensieterreinen en het beheer te kunnen evalueren en bijstellen, is sinds 1996 in samenwerking met het ministerie van LNV een monitoringsysteem van natuurwaarden op defensieterreinen opgezet. Dit systeem bevordert een optimaal natuurbeheer. Elke vijf jaar wordt een evaluatie uitgevoerd. Defensie volgt hierin het beleid van andere grote rijks- en particuliere terreinbeherende organisaties. Het monitorsysteem zal in 2002, na de eerste evaluatie, volledig operationeel zijn.

Schade aan natuur bij gebruik en inrichting van defensie-objecten wordt zoveel mogelijk voorkomen of beperkt. Dit houdt onder meer in dat waar grote inrichtingen aan de orde zijn, die een wezenlijke aantasting van de bestaande natuurwaarden met zich meebrengen, eerst de afweging zal worden gemaakt of de inrichting van het desbetreffende terrein en het gebruik op die locatie noodzakelijk is. Defensie zet zich ervoor in natuurwaarden te compenseren die door militair gebruik of inrichting verloren gaan. Daar echter de meeste natuurwaarden op relatief korte termijn niet te compenseren zijn, heeft het voorkomen van schade de hoogste prioriteit.
De inzet van Defensie bij het beheer van haar terreinen is toe te werken naar een situatie dat bij 30 procent van de bossen het beheer is gericht op de omvorming van productie- of multifunctioneel bos naar natuurbos. Dit moet in 2004 zijn verwezenlijkt. Ook in de overige multifunctionele bossen op defensieterreinen zal het beheer verder richting Natuur verschuiven. In grotere natuurlijke systemen is begrazing de aangewezen methode om voor landschappelijke variatie te zorgen. Defensie wil meer terreinen die door begrazing worden beheerd. Op terreinen waar begrazing niet mogelijk is, kan variatie ontstaan door waardevolle overgangszones te creëren tussen verschillende soorten begroeiing. Via aangepast beheer kunnen in de overgangszones vegetaties worden verkregen waar talloze organismen een biotoop vinden.

De uitstoot van verzurende en vermestende stoffen hebben een sterk negatief effect op de natuurkwaliteit, evenals de verdroging als gevolg van drainage en waterwinning. Defensie zal, voor zover mogelijk, problemen bij de bron aanpakken. Om verdroging tegen te gaan is het van groot belang om doelmatig met (drink)water om te gaan. Defensie zal hiertoe in de komende periode meer aandacht besteden aan integraal waterbeheer. In het kader van duurzaam bouwen betekent dit het toepassen van waterbesparingstechnieken, het gebruikmaken van andere bronnen bij toiletspoeling en besparingsmaatregelen bij voertuigwasplaatsen. Daarnaast zal worden bevorderd dat regenwater niet wordt afgevoerd, maar op meer natuurlijke wijze in de bodem verdwijnt.

Defensie zal zich inzetten voor een vergroting van de natuurwaarden bij bebouwde objecten. Dit betekent kiezen voor inheemse soorten, het vaker toepassen van inheemse kruidenvegetaties in plaats van gazons. Verder zullen vaker voorzieningen voor bijvoorbeeld zwaluwen en vleermuizen worden verwezenlijkt.

Doelstelling
In 2002 heeft Defensie voor het beheer van haar terreinen een monitoringsysteem waarmee de natuurwaarden blijvend worden geïnventariseerd en bewaakt. Vijfjaarlijks wordt een evaluatie uitgevoerd.



Rapporten - Hoofdstuk 5 DMB 2000


Hoofdstuk 5 DMB 2000

28-03-2000


5. Uitvoering van het beleid


5.1 Algemeen
In dit hoofdstuk komen de verantwoordelijkheden op milieugebied aan de orde. Ook zal worden ingegaan op andere aspecten van de uitvoering van het milieubeleid, zoals financiën, opleidingen en communicatie.

5.2 Verantwoordelijkheden
Deze nota wordt uitgevoerd door de Bevelhebbers van de krijgsmachtdelen, de Commandant DICO en de Secretaris-Generaal. Zij zijn verantwoordelijk voor het tijdig behalen van de milieudoelen in deze nota. Hierbij stellen zij zelf hun prioriteiten binnen de milieudoelen en termijnen. Bij de Centrale Organisatie dienen alle beleidsvormende directies rekening te houden met het milieu bij het opstellen van beleid. De milieudoelen in deze nota worden, door degene die voor de uitvoering verantwoordelijk is, ingebracht in de daarvoor geschikte plannings- en begrotings-processen. De Coördinator Ruimtelijke Ordening en Milieu Defensie (CROMD) zal de voortgang van de uitvoering van de DMB 2000 bewaken.

De verantwoordelijkheidsverdeling uit het DMPM blijft gehandhaafd. De sturende- en toetsende rol van het ministerie (de CROMD) zal worden geïntensiveerd. De verantwoordelijkheid voor het behalen van milieudoelstellingen en het uitvoeren van milieumaatregelen ligt in de lijnorganisatie, dus bij de verschillende defensieonderdelen. De milieucoördinatoren bij de staven fungeren als kenniscentra. Omdat het belang van milieuzaken te benadrukken is de samenstelling van het Interservice Comité Ruimtelijke Ordening en Milieu (ICROM) aangepast. Het bestaat niet langer uit specialisten op het gebied van milieu en ruimtelijke ordening, maar uit de relevante sous-chefs van de krijgsmachtdelen onder voorzitterschap van de CROMD. De milieucoördinatoren van de krijgsmachtdelen en een aantal andere specialisten behouden een coördinatieplatform in de vorm van het Interservice Overleg Ruimtelijke Ordening en Milieu (IOROM).

Vanaf 2001 zal aan de Staatssecretaris van Defensie jaarlijks een overzicht worden aangeboden van de milieudoelen uit deze nota en de wijze waarop aan de uitvoering wordt gewerkt. Dit overzicht gaat vergezeld van een financiële onderbouwing en een advies over eventueel verder te nemen stappen. De CROMD zal jaarlijks de voortgang van de uitvoering van deze nota bespreken in het Interservice Comité Ruimtelijke Ordening en Milieu. Indien nodig zal door dit Comité nadere richtlijnen worden vastgesteld. De voortgang van de uitvoering van de DMB zal ook regelmatig op de agenda komen van het hoogste ambtelijk overlegforum binnen Defensie.

De vergunningen, waarvoor VROM bevoegd gezag is, zullen uiterlijk in 2003 zijn geactualiseerd. In het kader van het milieubeleid zullen ook de overige vergunningen om de vijf jaar worden bezien op actualiteit. Tevens zal door middel van pilot-studies worden bezien welke consequenties en randvoorwaarden voor de defensieorganisatie gelden indien wordt overgegaan op de zogeheten 'Vergunning op hoofdlijnen' of 'Vergunningen op maat'.


5.3 Financiën
Het zichtbaar maken van de financiële consequenties van het milieubeleid verhoudt zich slecht tot het doel van milieuzorgsystemen: volledige integratie van milieuzorg in de bestaande bedrijfsvoering. De verborgen kosten voor milieu zijn niet zichtbaar te maken zonder onevenredige administratieve inspanningen. Deze kosten (afhankelijk van de definitie van 'milieukosten') vormen een aanzienlijk bedrag. Wel kunnen de kosten van afzonderlijke projecten worden gekwantificeerd zoals bij geluidsisolatie en bodemsanering. In de toekomst zullen de kosten voor het verwezenlijken van duurzame energie eveneens apart inzichtelijk worden gemaakt.

De financiële planning van milieumaatregelen gebeurt in de reguliere plannings- en begrotingsprocessen. Milieu-uitgaven dienen apart zichtbaar te blijven in bijlage G van het zogeheten 'Activiteitenplan en begroting' (APB). De noodzaak voor een apart milieu-uitvoeringsprogramma, zoals nu wordt opgesteld, vervalt door de opneming van milieu in het APB. Voor uitvoering van de DMB 2000 is vanaf 2000 5 miljoen gulden (2,5 miljoen euro) extra opgenomen voor milieumaatregelen, oplopend tot jaarlijks 20 miljoen gulden (9 miljoen euro) extra vanaf 2003. Tot nu toe geeft Defensie ongeveer 100 miljoen gulden (45 miljoen euro) per jaar uit aan milieu, exclusief de verborgen uitgaven die in andere begrotingsposten zijn verwerkt (zoals materieel en infrastructuur).


5.4 Opleidingen
In het kader van het milieuzorgsysteem ISO 14001 zijn voor alle milieurelevante functies de opleidingsbehoeften op milieugebied geïnventariseerd. Een opleidingsplan garandeert dat het personeel dat die functies vervult de opleidingen krijgt die het behoeft. Dit opleidingsplan en de daaruit voortkomende behoefte zijn gekoppeld aan de gegevensbestanden van de personeelsadministratie. Bij nieuw te plaatsen personeel wordt die behoefte dan ook automatisch zichtbaar en meegenomen in de te volgen opleidingen.


5.5 Communicatie en rapportages
Een belangrijk aspect van milieubeleid is een goede interne en externe communicatie en een goede rapportage. In de DMB 2000 zijn daartoe verschillende maatregelen opgenomen. Om de interne communicatie te verbeteren zullen vanaf 2000 maatregelen worden getroffen zoals wederzijdse toezending van verslagen door de meest relevante organen. Aan de hand van periodieke rapportages, de zogeheten toprapportages, zullen de bevelhebbers drie keer per jaar verslag uitbrengen over de voortgang van het milieubeleid aan de bewindslieden. Eénmaal per jaar betreft dit een rapportage conform de Formats Milieugegevens Defensie. Op het gebied van externe communicatie wordt een actief beleid gevoerd om de milieumaatregelen van Defensie onder de aandacht van een breed publiek te brengen.

Sinds 1995 rapporteert Defensie periodiek aan de Tweede Kamer over de voortgang van het milieubeleid. Ook rapporteert Defensie ieder jaar per luchtvaartterrein wat de geluidsbelasting in het afgelopen jaar is geweest. De ISO 14001 norm voor milieuzorg schrijft geen externe milieurapportage voor. Ook op grond van de Wet Milieubeheer bestaat voor Defensie nog geen verplichting om externe milieurapportages te maken. Niettemin stellen de krijgsmachtdelen, het DICO en de CO vanaf 1999 jaarlijks een milieuverslag op.

In lijn met het regeringsrapport 'Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording' zal Defensie jaarlijks rapporteren over de voortgang van haar beleid. Het onderwerp 'milieu' zal hiervan een onderdeel uitmaken. De CROMD zal voor dit onderwerp een coördinerende en adviserende rol vervullen. De voortgang van het milieubeleid zal in dit kader met het ministerie van VROM worden besproken.



Rapporten - Lijst milieugevaarlijke stoffen


Bijlage DMB 2000: Lijst van milieugevaarlijke stoffen

28-03-2000

Lijst van milieugevaarlijke stoffen (bron: prioritaire stoffenlijst VROM, juni 1993)

Stof en toepassing


1. asbest: isolatiemateriaal, rem en frictiematerialen Defensiebrede inventarie is afgerond; sanering is gestart.
2. PCB en PCT: o.a. in elektrische apparatuur (oude transformatoren)
3. CFK's: kunststofschuimen, oplosmiddel en koelmiddel
4. benzeen: bestanddeel van benzines

5. PAK's: teerhoudende bindmiddelen, scheeps- verven en carbolineum
6. fluoriden: o.a. onderhoudsmiddelen

7. radon: radio-actief gas (in bouwmaterialen)
8. tetrachloortheen (per): ontvetter, reinigingsmiddel (chem. wasserij)

9. koolwaterstoffen: o.a. in brandstoffen, reinigingsmiddelen en verven
10. cadmium: luchtvaart, batterijen, kunststoffen en wapensystemen (oppervlaktelaag, stabilisator)
11. chroom: als metaallegering (corrossiebescherming) of verbinding (verven)
12. koper: als metaallegering of zuiver (bekabeling) 13. kwik: triviale toepassingen (thermometers, TL-lampen), specifieke toepassingen in relais, sensoren, e.d.
14. lood: accu's, munitie, metaallegering, verven, smeermiddelen 15. zink: als metaallegering of verbinding (verven) 16. nikkel: als metaallegering
17. ftalaten: weekmaker in kunststoffen
18. formaldehyde (methanal): bestanddeel chemische verbruiksartikelen 19. fenol: bestanddeel chemische verbruiksartikelen 20. propyleenoxide (methyloxiraan): chemische industrie en fuel-air explosives
21. ethyleenoxide (oxiraan): sterilisatie (ziekenhuizen) en conservering
22. tolueen: oplosmiddelen
23. dichloormethaan: bestanddeel van oplosmiddelen, ontvettingsmiddelen en reinigingsmiddelen

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie