Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Bijdrage PvdA aan debat strafrechtelijke opvang verslaafden

Datum nieuwsfeit: 28-03-2000
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Partij van de Arbeid

Den Haag, 28 maart 2000

BIJDRAGE VAN ATHANASIS APOSTOLOU (PvdA) AAN HET PLENAIRE DEBAT OVER DE STRAFRECHTELIJKE OPVANG VAN VERSLAAFDEN (26 023)

Het voorliggende Wetsvoorstel strafrechtelijke opvang verslaafden (SOV) is uitvoerig in twee schriftelijke rondes besproken. Dit is mede een indicatie dat het hier om een ingrijpende maatregel gaat, maar getuigt tevens van de zorgvuldigheid waarmee regering en parlement met dit onderwerp omgaan. Ik wil de regering danken voor de gegeven antwoorden naar aanleiding van het verslag en het nader verslag. Met de tweede nota van wijziging heeft de regering op een drietal punten wijzigingen aangebracht op grond van commentaar van enkele Kamerfracties waaronder de fractie van de PvdA. De fractie van de PvdA vindt deze wijzigingen een verbetering. De doelstelling van resocialisatie is nu in de wetstekst opgenomen naast de doelstelling van bestrijding van overlast. Mijn fractie vond het een noodzakelijke aanvulling. Ook de mogelijkheid die nu in de wet is opgenomen dat de rechter ook na oplegging van de SOV éénmaal - op vordering van het Openbaar Ministerie, op verzoek van de veroordeelde of zijn raadsman dan wel ambtshalve - tot een tussentijdse toetsing kan besluiten vindt de fractie van de PvdA een verbetering.

De derde verbetering die ik hier wil aanhalen betreft de nadere omschrijving van artikel 38m eerste lid onderdeel 2. De regering stelt daarbij niet met zoveel woorden dat de dwangvariant die door deze wet wordt geïntroduceerd een laatste schakel is in een keten van strafrechtelijke interventies. Een ultimum remedium. Om misverstanden daarover weg te werken heb ik een amendement op dit punt ingediend. Ik kom in het vervolg van mijn inbreng specifiek hierover te spreken.

De Wet strafrechtelijke opvang verslaafden is niet onomstreden. Velen hebben kritiek geuit omdat niet onomstotelijk vaststaat dat deze ingrijpende maatregel effectief zou zijn. Uit onderzoeken blijkt wel dat langdurige programma's meer effect sorteren, maar of dwang helpt is de vraag. Het Trimbos-instituut komt in zijn publicatie "effectiviteit van justitiële drang en dwang bij de behandeling van verslaafden" tot de conclusie dat (ik citeer) "toepassing van dwang niet gerechtvaardigd kan worden met een beroep op de veronderstelde effectiviteit van deze aanpak. Anderzijds kan ook niet gesteld worden dat dwangbehandeling ineffectief is." Of de SOV, zoals in deze wet wordt voorgesteld, effectief zal zijn moet voor een deel nog worden bewezen. Dat is het deel van de resocialisatie van de verslaafde crimineel. De doelstelling van de terugdringing van overlast zal door oplegging van deze maatregel zeker de effectiviteittoets doorstaan. Uit het drangproject in Rotterdam blijkt dat de overlast in de binnenstad wezenlijk is verminderd door de onderbrenging van een 60-tal harddrugsverslaafden die zich veelvuldig schuldig maken aan strafbare feiten bij het drangproject. Het moeilijke punt blijft de radicale breuk van de verslaafde crimineel met het gebruik van drugs. Dat is echter een punt waar meer interventiemethoden mee te kampen hebben. Het uitdagende van de drang- en dwangbenadering in de SOV is naar mijn mening gelegen in de directheid, de hardheid en de duidelijkheid in de doelstelling en de oriëntatie. Gedurende twee jaar zal worden geprobeerd om de basale voorwaarden voor een regulier bestaan, namelijk werk, inkomen en huisvesting te realiseren. Niet alleen de totale afhankelijkheid van de drugs moet worden bestreden, maar er dient gewerkt te worden aan zelfstandigheid. Het zich staande kunnen houden in de maatschappij is essentiële voorwaarde voor een leven dat de afhankelijkheid van drugs kan weerstaan. Deze praktische, non-therapeutische benadering is één van de motieven waarom de Partij van Arbeid het de moeite waard vindt om de drang- en dwangvariant van de SOV in de praktijk toe te passen. Het is een methodiek die positieve reacties oproept bij de betrokkenen zelf, de beleidsmakers en lokale bestuurders en de uitvoerende werkers. De Kamercommissie voor Justitie had het genoegen deze positieve geluiden te vernemen bij een werkbezoek aan het drangproject in Ossendrecht in november vorig jaar. Maar, nogmaals, de effectiviteit van deze maatregel dient nog te worden bewezen. Niets wijst erop dat de resultaten achter zullen blijven.

Vanuit met name de hulpverleningspraktijk voor harddrugsverslaafden zijn met betrekking tot dit wetsvoorstel kritische vragen gesteld omtrent het aspect dwang. Methodologische en ethische overwegingen zijn door enkelen naar voren gebracht waarbij de term dwangbehandeling veelvuldig is gebezigd. In de nota naar aanleiding van het nader verslag stelt de regering dat "het onthouden van drugs aan degene die gedetineerd wordt - daartoe behoort de strafrechtelijke opvang - zonder zijn instemming kan niet worden aangemerkt als dwangbehandeling". Ik neig er toe deze stelling van de regering te onderschrijven. Ik zou de minister echter graag willen uitnodigen nader in te gaan op de aanduiding van de SOV als dwangbehandeling. In de eerder aangehaalde notitie van het Trimbos-instituut staat: "De SOV is een voorbeeld van dwangbehandeling omdat plaatsing in een inrichting waar behandeld gaat worden strafrechtelijk, en zonder keus, wordt opgelegd. In ieder geval het afkicken moet gezien worden als dwangbehandeling." Kan de minister deze opvatting van commentaar voorzien? Het is mijn inziens belangrijk duidelijk te hebben wat de bedoelingen van de regering zijn. De regering is toch niet vóór een dwangbehandeling?

Over de doelgroep van de SOV is veel gezegd in de schriftelijke behandeling van het wetsvoorstel. De fractie van de PvdA is het eens met de regering op het punt van de uitsluiting van de SOV- maatregel van de niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen. Criminelen die illegaal in Nederland verblijven vallen binnen het normale justitiecircuit. Zij zullen in de regel een vrijheidsstraf opgelegd krijgen of zullen op grond van de Vreemdelingenwet uitgezet worden.

De fractie van de PvdA heeft moeite met het feit dat vrouwen niet in aanmerking komen voor de SOV-maatregel. De regering stelt dat dit vooralsnog niet mogelijk is vanwege het ontbreken van geschikte inrichtingen. Zou de minister bereid zijn initiatieven die gericht zijn op vrouwen financieel en anderszins te faciliteren? Of, misschien beter gesteld, gaat de minister zelf initiatieven daartoe nemen?

De minister stelt overigens terecht dat binnen de wettelijke criteria enige differentiatie over de afbakening van de doelgroep mogelijk moet zijn. Marginale verschillen zijn inderdaad mogelijk afhankelijk van de lokale problematiek en de situatie in de verschillende gemeenten.

Naar aanleiding van de doelgroepproblematiek wil ik stilstaan bij de samenwerking tussen de verschillende overheden. Allereerst is het nodig dat de minister aangeeft waarom hij niet gekozen heeft om dit wetsvoorstel tezamen met de coördinerend minister voor het drugsbeleid n.l. de minister van VWS in te dienen. Het formele argument van de aanwijzingen voor de regelgeving en dat de regering met één mond spreekt begrijp ik, maar is niet afdoende als antwoord op de vraag. Gezien de aard van de SOV-maatregel, waarbij een combinatie van justitiële instrumenten en opvang en begeleiding richting resocialisatie wordt beoogd, ware het naar ons oordeel beter dat de betrokkenheid van VWS meer zichtbaar was in dit wetsvoorstel. Ook het feit dat de SOV in een keten van strafrechtelijke en hulpverleningsinterventies staat vraagt om gecoördineerd optreden. Kan de minister aangeven hoe de samenwerking met het ministerie van VWS is verlopen en hoe de toekomstige samenwerking bij de uitvoering van deze maatregel zal verlopen? Ik stel deze vraag mede naar aanleiding van het feit dat criminele drugsverslaafden met psychiatrische problematiek een ander traject dan de SOV dienen te volgen. Gesteld wordt dat er regionale samenwerkingsafspraken komen tussen verslavingszorg en psychiatrie om te komen tot een meer adequaat aanbod voor deze doelgroep. Er is echter meer te zeggen over een nauwere samenwerking tussen de twee voor het drugsbeleid verantwoordelijke ministeries.

De overlast in en rond de centra van veel steden en de daardoor negatieve beïnvloeding van de leefbaarheid in openbare ruimten op stations en winkelcentra kan consequent worden aangepakt door een combinatie van maatregelen, variërend van opvang- en gebruikersruimten tot op medisch voorschrift verstrekken van heroïne aan langdurig verslaafden en programma's voor afkicken en resocialisatie. Ik wil hiermee zeggen dat er in het voortraject, voordat men zover komt dat de SOV in beeld komt, hard moet worden gewerkt aan de leefomstandigheden van deze veelal jonge mensen die in de problemen zijn geraakt. Graag verneem ik van de minister op welke wijze hij een gecoördineerde aanpak van de complex problematiek van drugsverslaving, criminaliteit en aantasting van het leefklimaat in de openbare ruimte - met name in de centra van onze steden - wil bevorderen.

Dan de verhouding tussen rijk en gemeenten. De regering zegt dat daarover sluitende afspraken zullen worden gemaakt. Ook als het gaat om de financiën stelt de minister dat de consequenties voor de SOV voor het eerst bij de begrotingsbehandeling voor het jaar 2001 aan de orde zullen komen. Enkele vragen aan de minister op dit punt. Kan de actuele stand van zaken in de gemeenten die de SOV-maatregel gaan toepassen worden uiteengezet? Uit brieven van enkele gemeenten, mede gericht aan de Kamer, blijkt dat ze klaar staan om uitvoering aan deze wet te geven. Welke gemeenten zijn zover dat ze direct kunnen beginnen? Over welke aantallen drugsverslaafde criminelen spreken we dan en welke toekomstige ontwikkelingen zijn verder te verwachten? De tweede vraag betreft het reële probleem dat er in gemeenten die niet direct meedoen met SOV-voorzieningen zich delinquenten voor de SOV-maatregel kunnen aandienen. Waar worden deze dan opgevangen? Hoe flexibel wordt er omgegaan met de gemeentelijke grenzen bij de toepassing van deze maatregel? Meer in het algemeen zou ik de vraag willen stellen: kan een harddrugsverslaafde die criminele activiteiten pleegt en dus voldoet aan de criteria voor de SOV niet voor de SOV-maatregel in aanmerking komen?

De fractie van de PvdA acht het met het kabinet noodzakelijk dat er een evaluatie van de SOV plaats vindt. Aan welke evaluatiecriteria zou een evaluatie dienen te beantwoorden om van succes of mislukking te kunnen spreken? Gezien voorts het ingrijpende karakter van de SOV zou ik me kunnen voorstellen dat er in de jaarlijkse voortgangsrapportage drugsbeleid aan de voortgang van de SOV een speciale paragraaf wordt gewijd. Wat vindt de minister van een dergelijk voorstel?

Ik kom tot het laatste punt van mijn inbreng en dat betreft de verhouding tussen de lopende drangprojecten en de dwangvariant van deze wet. In verschillende paragrafen van de nota's naar aanleiding van het verslag en het nader verslag wordt door de regering in lovende woorden gesproken over de drangprojecten. In antwoord op vragen van mijn fractie bevestigt de regering dat bestaande voorzieningen en experimentele (drang)projecten inzake de opvang van verslaafden niet zullen verdwijnen, noch minder prioriteit zullen krijgen als gevolg van de invoering van de SOV. Op vragen van de fractie van GroenLinks in hetzelfde nader verslag wordt gesteld dat steeds beoogd is de drangvariant om te zetten in de dwangvariant zodra het wetsvoorstel SOV kracht van wet krijgt. Ook het justitiepersoneel gaat dan over naar de dwangvariant. In de nota naar aanleiding van het nader verslag van 1 november 1999 wordt gesproken over een ambtelijke werkgroep die aan het einde van het jaar advies zou uitbrengen over de vraag of de drangvariant als zodanig kan blijven voortbestaan in de huidige of gewijzigde vorm. In de brief van 23 december 1999, dus eind 1999, aan de Vaste Kamercommissie voor justitie spreekt de minister over een 'task force' die gevraagd is te adviseren over de toekomst van het drangexperiment na 1 januari 2001.

Al met al blijft de minister vaag en verschuilt zich achter procedurele aspecten, werk van werkgroepen en 'task forces'. Het is nu tijd dat wij duidelijke taal spreken. De fractie van de PvdA is voorstander van het voortbestaan van de drangvariant. Om verzekerd te zijn van het voortbestaan daarvan heb ik het amendement op stuk nr. 10 ingediend. Als we daadwerkelijk de dwangvariant als ultimum remedium in de keten van strafrechtelijke en andere interventies beschouwen dan wordt daarmee erkend dat eerst andere alternatieven worden uitgeprobeerd. Daarbij hoort, naar de mening van de PvdA-fractie, het alternatief van de drangvariant. Gemotiveerdheid voor het volgen van het programma van twee jaar is essentieel voor het succes. Het laten voortbestaan van de drangvariant helpt tevens bij het vormen van groepen die vanaf het begin motivatie tonen en daarin volharden en diegenen die een extra duwtje nodig hebben door dwang. In de toelichting op het amendement heb ik grotendeels letterlijk citaten van opvattingen van de regering opgenomen welke mijns inziens duidelijk zijn en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Ik ben benieuwd naar de reactie van de minister. In het verlengde van dit amendement wil ik de minister vragen wat er gebeurt in het geval SOV-cellen voor de dwangvariant leeg komen te staan door onvoldoende vraag omdat veel delinquenten het vrijwillige traject van de drang willen volgen. Voorkomen moet worden dat ter wille van het gebruik van daarvoor bestaande voorzieningen het ultieme middel van dwang wordt toegepast terwijl het niet nodig is. Tenslotte is het essentieel te weten wat de minister doet met de lopende drangprojecten per 1 januari 2001. Mijn fractie is voor continuering. Indien de minister geen duidelijkheid op dit punt verschaft wil ik in tweede termijn een uitspraak van de Kamer vragen.

De fractie van de Partij van de Arbeid benadert het voorliggende wetsvoorstel vanuit de zorg voor de overlast in veel steden die veroorzaakt wordt door een hoogactieve groep daders die aan harddrugs zijn verslaafd. Vermindering van deze overlast door veelvuldig crimineel gedrag is een vereiste. Verbetering van het leefklimaat in winkelcentra, stations en andere openbare gelegenheden is een doelstelling die de PvdA-fractie in het kader van veiligheid en leefbaarheid nastreeft. Dat is de primaire invalshoek van de Strafrechtelijke Opvang van Verslaafden. Daarom onderschrijven wij het primaat van het ministerie van Justitie in deze. De SOV zou echter een disproportionele maatregel zijn voor de gepleegde misdrijven, ware het niet dat het aspect van resocialisatie een tweede, maar zeer essentieel bestanddeel van deze wet uitmaakt. De SOV dient bescheiden pretenties te hebben, gezien de hardnekkigheid van de drugsverslaving en de daarmee gerelateerde criminaliteit. De SOV heeft wel de pretentie en biedt tevens de mogelijkheid aan de drugsverslaafde om het uitzichtloze patroon van "vastzitten, vrijkomen en terugvallen" te doorbreken en hem of haar de kans tot resocialisatie te bieden. Dit debat en met name de concreetheid van de antwoorden van de minister kunnen bijdragen aan een goed gestructureerde maatregel die ten goede kan komen aan zowel de drugsverslaafde als de samenleving.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie