Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Bijdrage CDA aan debat Eerste Kamer over begroting BUZA

Datum nieuwsfeit: 28-03-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CDA

Nieuws uit de Senaat

Bijdrage aan het plenaire debat inzake Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2000

Ontwikkelingssamenwerking

op 28 maart 2000 door het CDA Van Gennip


1. Inleiding.

Het ambitieniveau van deze minister is vanaf het begin hoog geweest. Mijn Fractie respecteert dat. Nog sterker: een meedeinen op de door haar voorganger teweeggebrachte stroom is beslist onvoldoende om internationale samenwerking in onze samenleving haar sterke positie te doen behouden, of, in de woorden van de minister, terug te geven. Internationale samenwerking, zo we willen ontwikkelingssamenwerking, moet in de komende jaren om drie redenen hoog op die agenda blijven:

de eerste reden is, dat we te maken blijven hebben met ruim anderhalf miljard ten dele "oude" en ten dele "nieuwe" armen;

de tweede reden is, dat de gezamenlijke inspanning van de arme volkeren zelf en de bijdrage vanuit het Noorden in hulp en investeringen geleid hebben tot het in de historie ongekende fenomeen van ontworsteling aan armoede en een gelijktijdige bevolkingsexplosie bij tenminste anderhalf miljard andere medeburgers in landen, die vijf, tien of twintig jaar geleden nog als zuiver ontwikkelingsgebied werden geclassificeerd; het gaat om zeer rendabele investeringen dus.

en de derde reden is de noodzaak, absolute noodzaak van, wat ik zou willen noemen, de verticalisering van de ontwikkelingssamenwerking Ontwikkeling in deze eeuw is naast armoedebestrijding de opbouw van een op recht, participatie en toekomstvastheid gevestigde wereldorde. En misschien is er nog een vierde reden: wie hecht aan een Nederlandse identiteit in een communautair Europa, kan aan ruim vier eeuwen intercontinentale betrokkenheid via internationale samenwerking een nieuw hoofdstuk toevoegen.

Maar eenvoudig zal het niet zijn om een nieuw elan, beter gezegd een nieuwe basis te leggen, voor een stroming, een beweging, die zo gezichtsbepalend is geweest voor onze positie in de laatste dertig jaar.

Vele, zelfs ooit gelijkgezind genoemde, landen hebben afgehaakt; en weinig nieuwe rijkgeworden naties lijken bereid hun plaats in te nemen; de neergang van de officiële hulp is dramatisch. De minister zelf wijst op de vergrijzing in ons land en de marginale positie, die het geheel nog speelt in de politiek.

Het debat lostrekken, dat wilde de minister. Waarom wordt het debat dan zo flets gevoerd? Bijvoorbeeld in tegenstelling met de beleidsdiscussies over natuur en milieu. Is het omdat wie tot tegenspraak in staat waren met gouden koorden aan de subsidie- of opdrachtenpot vast denken te zitten? Als we de analyse van Hoebink lezen over de totstandkoming van de officiële geschiedschrijving van vijftig jaar ontwikkelingshulp, dan moeten we dat wel haast geloven. Anderen hebben zich vanuit wetenschappelijk oogpunt aangesloten bij deze kritiek en er zich over verbaasd, dat hoofdverantwoordelijken voor het beleid gedurende een aantal decennia ook hoofdverantwoordelijk konden worden gemaakt over wat de balans had moeten worden over ten dele hun eigen werk en inzichten. Onverlet de verdienstelijke hoofdstukken en passages, acht ik zon kostbare publicatie een gemiste kans als bijdrage aan dat nieuwe debat. Wat vindt de minister eigenlijk van die onderneming? Overigens: voor de rest was het een mooi verjaardagsfeestje, al komt het niet veel voor, dat een jonge veertiger zich erop laat voorstaan Abraham al te hebben gezien.

Toch denk ik, dat die cruciale vraag naar de plaats van de ontwikkelingssamenwerking in de samenleving van de 21e eeuw veel dieper reikt. Het is de generatie, die geworteld nog was in de tradities van missie en zending aan de ene kant en de hervormde - sociaal democratie aan de andere kant, die OS die prominente plaats is begonnen te geven in de Nederlandse politiek, aangevuld en ten dele opgevolgd door de generatie van 68. Trefwoorden: Wereldraad van Kerken, een Pauselijke encycliek, Tinbergen, Landencomités. Zij vormden- soms ongewild een coalitie met anticommunisten en verlichte neo-kolonialisten. En daarmee werd het kader gevormd waarin OS stond: Missie, zending, planeconomie, Koude Oorlog, Noord-Zuidblok.

Wat is de plaats van die broodnodige OS in die andere wereld: van globalisering en vrije marktdenken, van regionale conflicten en grote migratiestromen, van flitskapitaal en de nieuwe economie, van nieuwe rijk geworden landen en arm gebleven of arm geworden volkeren, van milieubelasting , van de dood van de afstand, van de opkomst van Europa als wereldmacht tegen wil en dank, om met een nu lopende lezingencyclus te spreken. Wat zullen de coalities van de komende kwart eeuw zijn, dat lijkt me de vraag.

De minister zegt: allereerst een coherent, inspirerend en effectief beleid, daar gaat het om.
Prima, en met veel respect voor haar inzet terzake. Dat is een absolute voorwaarde, en ik herhaal uit eerdere jaren daarbij: realistische, meetbare resultaten: eerst het OESO-rapport, en nu die zeven, scherp geformuleerde doelstellingen, van de scheidende directeur van die IMF, die juist ooit door de ontwikkelings avant garde van de vorige generatie zo verguisd was.

Het kan verkeren: lofprijzingen van deze minister en protesten van het Republikeins establishment in de VS tegen deze vaandragende Franse socialist. Van verlaging van de kindersterfte met tweederde in vijftien jaar tijds tot uitbanning van geslachtsongelijkheid in het basisonderwijs in vijf jaar tijds en ga zo door, spreekt Camdessus, ik geloof overigens een brave christen democraat. Nederlandse actiegroepen, voorzover nog in leven, houd Uw literatuur bij!

Maar beslissend is, of we nieuwe coalities kunnen vormen, partners, die bij deze eeuw passen: de milieubeweging, de civil society, dat zal wel lukken, al heeft het verregaande consequenties, maar ook de hoofdactoren van die vrije markt: de klassieke investeerders en de hoofdrolspelers in de nieuwe economie, ICT-bedrijven, banken en media-concerns, maar ook zij, die meer direct betrokken zijn bij het asiel- en migratiebeleid, bij het internationale veiligheidsbeleid, bij de rol van Europa in de wereld.
Ontwikkelingssamenwerking op de agenda van de NAVO, ja zeker, het gebeurt. Een conferentie van Pax Christi met het ministerie van Defensie en ontwikkelingsorganisaties, prima. Maar het zal uit de incidenten en evenementensfeer moeten: in navolging van Reinicke van de Wereldbank heb ik hier al eens gepleit voor een regelmatig quasi-institutioneel treffen van
bedrijfsleven-overheid-ontwikkelingsorganisaties, en zou ik eraan willen toevoegen maatschappelijke organisaties. Die suggestie is kennelijk overgenomen, en wel door de mfos te dwingen aan een tafel te gaan zitten met de voorzitter van de sectie OS van VNO/NCW, de heer van Loon, maar dan in diens capaciteit van voorzitter van Foster Parents, maar dat was nou ook weer niet helemaal de bedoeling. In alle ernst: zulke fora ook als stimulans voor een zelfde driehoek in de ontwikkelingslanden, waar het ook hoog tijd wordt, dat de antagonismen van de vorige eeuw tussen ngos en overheden en bedrijfsleven worden omgezet in vormen van coöperatie. Wat vindt de minister hiervan. Ik heb voor mezelf die strategie van nieuwe coalitie-vorming uiteraard nog niet compleet, maar een aantal elementen zijn duidelijk.
Zou de minister ervoor voelen om eens een initiatief te nemen wellicht in multilateraal verband om belangrijke actoren van de nieuwe economie bijeen te brengen met regeringsleiders van ontwikkelingslanden en centrale OS-beleidsmakers. Maar misschien gebeurt het al.

En meer gerichte aandacht lijkt nodig voor de ingewikkelde relatie asielbeleid-ontwikkelinssamenwerking. Zeg maar de bovenstroomse aanpak.

Hetzelfde geldt voor de relatie veiligheid-ontwikkeling. Het gebeurt al een beetje, maar zoals Rio zo terecht middels een grote internationale conferentie de relatie milieu-ontwikkeling bevestigde, zo zou ook de relatie met de veiligheid op de agenda kunnen komen, en dat zou b.v. voor een nieuw draagvlak in de VS wel eens heel belangrijk kunnen zijn.

En uiteraard hoort bij OS in de nieuwe eeuw, of we het leuk vinden of niet, die nieuwe mondiale realiteit genaamd Europa, de vraag m.a.w. maar de externe identiteit van die nieuwe wereldmacht.

Een nieuwe coalitie is niet genoeg: het gaat ook om een verschuivende doelstelling. Ontwikkeling krijgt er veel meer die verticale lijn bij: werken aan een wereldorde, die niemand uitstoot, en waar iedereen dus belang bij heeft of krijgt; recht tegenover de macht van de sterkste, of vooral tegen regelloosheid; een architectuur van stabiliteit tegenover gezagsloosheid en wisselvalligheden; de bevestiging, de markering van die gebieden, die niemands privé-eigendom mogen worden, van genetisch materiaal tot de ruimte, van de oceanen tot ja, zeker toegang tot onderwijs en gezondheidszorg. Global Public Goods heet de nieuwste studie van het UNDP. Natuurlijk: we moeten niet meegaan met modieuze concepten. Maar toch: bij de realiteit van de globalisering past een benadering, die gemeenschappelijkheid, erfgoed, patrimonium markeert, gebieden dus waar ik geen eigen grenspalen mag slaan, geen new frontier mag leggen; maar ook die andere dimensie, die agendastelling: als ieder mens recht heeft op zaken als gezondheid, veiligheid, onderwijs, dan moeten wij samen ook die goederen produceren. Ik zou de mening van de minister graag horen over de vraag, of zij in deze taakstellende benadering niet een zekere meerwaarde ziet t.a.v. het overigens ook valabele concept van de jongste generatie mensenrechten als recht op onderwijs, op gezondheidszorg. Mij spreekt die agendastelling van global public goods als leitmotiv voor de internationale samenwerking in deze eeuw wel aan.

En tot slot: die paradigmawisseling in de internationale samenwerking heeft verregaande consequenties voor alle actoren. Regeringen van ontvangende landen, de civil society aldaar, de ngos; over die noodzaak van een nieuwe opstelling binnen de ontvangende landen spraken we al; het vraagt van velen een dramatisch renversement des alliances en een indringende mentaliteitswijziging. Ik kom daar verderop bij de behandeling van de hulpverlening nog te spreken. Maar ook de actoren in de donorwereld zullen zich indringend moeten aanpassen: overheden over de noodzaak van een nieuwe professionaliteit komen we ook nog te spreken - , politici, de publieke opinie, de maatschappelijke organisaties hier willen zij tenminste de dragers van deze nieuwe samenwerking zijn.
Op de politiek rust de zware plicht en verantwoordelijkheid om zich
a.h.w. om te scholen en bij te scholen.
Maar dit terzijde. Engagement moet zich koppelen aan deskundigheid, aan nieuwe kennis, data, trends, beleidsontwikkelingen. Dat betekent ook andere vormen van communicatie en andere bronnen. In dat verband zal onze focus zich veel meer moeten richten op multilaterale instellingen en de Bretton Woods Instituten, maar ik zou ook willen voorstaan een zekere structuur in de parlementaire relatie met een instituut als de OESO, waar zoveel data voor een nieuwe beleidsontwikkeling gepresenteerd worden, zeker nu die OESO steeds meer niet leden, dus armere landen bij haar studie en overleg betrekt. Geen parlementaire Assemblee, alsjeblieft niet, maar waarom niet een jaarlijks studie- en overlegtreffen van parlementariërs van een aantal landen, die zich met IS bezig houden. Zou de minister ervoor voelen in overleg met haar collega's van BUZA en EZ om deze mogelijkheid te onderzoeken?


2. De Europese dimensie.

Nieuwe kaders, zeiden we. Internationale samenwerking in 2000 heeft of wij het willen of niet te maken met die nieuwe werkelijkheid van Europa. Of wij het willen of niet: Het OS-wereldje is nooit zo dol op Europa geweest, en dat gold zeker de generatie van 68. Wie vandaag de dag klaagt over de kwaliteit van de Europese ontwikkelingshulp en dat in navolging van de Britse studie van afgelopen jaar, moet ook in navolging van die studie zeggen, dat het de lidstaten zijn, die een zware medeverantwoordelijkheid dragen voor dat kwaliteitsverlies en zeker voor het gebrek aan coherentie van het Europese beleid. Toen de Franse socialist Cheysson als Commissaris belast was met de ontwikkelingssamenwerking klaagde hij al, dat hij minder te vertellen had dan een afdelingshoofd op de Quay dOrsay en iedere week moest bedelen bij de vervangers van de vervangers van de Permanente Vertegenwoordigers voor wat voedselhulp aan land A of wat humanitaire hulp aan organisatie B. En het feit, dat in de vorige Commissie de verantwoordelijkheid voor OS verdeeld was over niet minder dan vijf Commissarissen is ook nooit bij mijn weten door de Regering scherp aangeklaagd. Nee, Europa, dat was Papas project, vooral iets van christen democraten. Daar protesteerde je hoogstens tegen, maar je engageren? Een treinkaartje naar Brussel was in officiële en niet officiële OS-kringen dikwijls duurder dan een ticket naar Washington of New York.
Nu is dat Europa een medebepalende realiteit geworden in de internationale verhoudingen.
Allereerst op het terrein van de handel. Wij hebben vorige week hier bij de begroting van Milieu tamelijk uitgebreid gediscussieerd over Seattle. De minister van VROM evalueerde de mislukking van Seattle tamelijk genuanceerd. De milieubeweging i.h.a. reageert van positief tot mixed blessing. De minister van OS volgt, als wij haar goed begrijpen, eerder The Economist in de stelling, dat de armen van de wereld de echte verliezers van Seattle zijn. Is mijn indruk juist, dat zij de rol van Europa positiever beoordeelt dan velen, nu erop leek, dat op het landbouwdossier de tegenstellingen met de VS overbrugbaar waren, maar vooral nu bleek, dat er coalities gevormd zouden kunnen worden met de groep armere landen, die voor het eerst een eigen, en duidelijk tegengeluid lieten horen. De minister heeft zich aan de overkant nogal negatief uitgelaten over de milieu-beweging in de VS, en wij kennen inderdaad de duivelse alliantie, die kan ontstaan tussen milieu-beweging en vakbeweging tegen de vrijhandel. Toch heb ik de indruk, dat het niet de actiegroepen waren in Seattle, maar die combinatie van slechte voorbereiding, verkiezingsjaar in de VS, een sterk rechts- Republikeins verzet en een aarzelende VS-Administratie. Graag toch nog eens de eigen visie van de minister of van de staatssecretaris, ook over de rol van Europa. En als ik het mis heb, dan is daar een reden voor. Wij hebben ons er een beetje over verbaasd, dat bij een dossier, dat van zon eminent belang is voor de toekomst van de Atlantische verhoudingen, maar ook voor de integratie van de armen in de wereld in een nieuw sociaal-economisch wereldbestel, de Eerste Kamer zo weinig betrokken is. Niemand of weinigen zitten hier op reisjes te wachten, maar waarom kon er wel een zware delegatie uit de Tweede Kamer uitgenodigd worden om als waarnemer naar Seattle te gaan en niemand bij mijn weten uit dit Huis. Misschien wil de regering die opmerking ook doorgeven aan de Staatssecretaris van EZ.

Maar goed, terug naar Europa: coherentie van beleid. Dat is meer dan een kreet. Niet alle vleesexport naar Sub-Sahara Afrika is marktverstorend, niet alle dumping is een vernietiging van de lokale productie en als de minister van het instrument voedselhulp geen normale ontwikkelingseffecten verwacht, dan verdient dat wat nadere toelichting. Ook al ben ik altijd een sterk voorstander van triangulaire operaties geweest, dan sluit ik de ogen niet voor de stabiliserende rol die reguliere voedselhulp kan hebben in landen met een structureel of incidenteel voedseltekort. Graag de visie van de minister hierop en ook de consequenties van die opvatting voor de EU en het WFP. Maar deskundigheid, zorgvuldigheid en nuance komen niet in de plaats van doelgerichtheid. Onze verwachtingen zijn hooggespannen. Wij hebben in ons verkiezingsprogramma nadrukkelijk ingezet op een minister voor ontwikkelingssamenwerking. Dat ministerschap zal zijn functionaliteit ontlenen aan een duidelijk stempel op ons regeringsstandpunt inzake een coherent Europees beleid, een beleid van maximale kansen voor de export van de ontwikkelingslanden, een beleid van systematisch en deskundig analyseren, waar het Europees beleid met de ene hand geeft en de andere neemt. En hoort daarbij ook niet die neiging van bepaalde lidstaten om toegang van producten uit het Zuiden of het oosten a.h.w. weg te kopen met hulpgelden? Kan de minister haar agenda terzake preciseren?

De kwaliteit van de hulp is een ander hoofdstuk. Kort door de bocht, drie kernwoorden, drie vragen:

de eigen rol, plaats van de Europese hulp in onderscheiding van die van de lidstaten?

De kwaliteitsverbetering van de hulpverlening, inclusief een minder interventionistische rol van de lidstaten en met een herstel van evenwicht tussen controle noodzakelijk en slagkracht een absolute voorwaarde; in dit verband brandt natuurlijk de vraag naar oorzaak en correctie van de kennelijk slecht lopende Europese bijdragen aan de Balkan en het Stabiliteitspact.

De coördinatie van de hulpverlening, hoe, door wie en ook het vraagstuk van de ontbinding en de harmonisatie van de procedures.

Wat die eigen rol betreft, heeft mijn Fractie wel een aantal ideeën Wij denken daarbij zeker, dat de Europese coördinatie van het asiel- en migratiebeleid, zoals dat in Tampere is overeengekomen, ook vergaande consequenties heeft voor die bovenstroomse benadering van conflictpreventie, migratiebeperking en opvang in de regio. Daar zien wij een duidelijke meerwaarde voor de Europese hulp, en dat is ook de brug, de passerelle kan ik in dit verband beter zeggen, naar mijn eerder pleidooi voor een radicaal nieuwe inkadering van de internationale samenwerking.

Maar het grootste belang van een gecoördineerd optreden van Europa is gelegen in die combinatie van wereldwijde verantwoordelijkheidneming en de eigen visie op vrije markt, samenleving en cultuur. Paars 2 houdt niet zo van accentuering van die eigen Europese identiteit, waar tweeduizend jaar gezamenlijke, ook christelijke, geschiedenis karakteriserend hebben gewerkt, en ook in het buitenland is dat niet altijd en vogue, - denk aan Joschka Fischer met zijn uitspraak in het Turkije-debat, dat gelukkig Europa niet langer meer een christen-clubje is maar dat wil nog niet zeggen, dat we die identiteit kunnen of moeten willen wegpoetsen. Gelukkig is daar steun van onverdachte zijde als van de voorzitter van de Socialistische Internationale , en dit half jaar voorzitter van de Raad, en verder is er vooral Romano Prodi, die partijgenoot van twee van de drie bewindslieden hier e n van mij ook dat komt voor in het Europese landschap -, die in aanwezigheid van alle kameraden van de Derde Weg en van President Clinton in Florence dat indrukwekkende pleidooi hield voor die eigen Europese weg. Verdedig, zouden wij de Regering willen oproepen, via Europa en direct onze visie op markteconomie, onze visie op inrichting van een verantwoordelijke samenleving thuis en wereldwijd, onze visie op authenticiteit. Wat voor soort Europese samenleving willen we, wat voor soort wereldsamenleving willen wij, soms met, maar soms ook in afwijking van de dominante Amerikaanse visie? Dat terzijde, achten wij het Europese debat van de komende tien jaren, een debat, dat zo broodnodig gevoerd moet worden ook in de kaders van Europese politieke formaties. De staatssecretaris kan weten, dat wij dat de sleutel vinden voor een nieuwe inspiratie in het Europese debat, veel meer dan het gesteggel over instrumentele zaken. Maar dat heeft ook praktische consequenties voor een gecoördineerd optreden naar de multi-laterale en Bretton Woodsinstellingen en over onze teleurstelling heen over haar scepsis vorig jaar heeft onze Fractie met tevredenheid geconstateerd, dat deze minister met haar drie collegas, het Uttstein-beraad, dat debat aandurft intern in Europa en naar de multilaterale instellingen. Kan de minister iets zeggen over komende stappen, ambities en lijnen, ook nu de christen democratische partner in die combinatie is verdwenen?

Maar, als het waar is, dat Europa er niet aan ontkomt zijn eigen externe identiteitsagenda in te vullen, en niet alleen op het gebied van de veiligheid, zou het dan niet voor de hand liggen, dat internationale samenwerking een keer het hoofdagendapunt wordt op een Top, en zou het niet voor de hand liggen, dat er een echt Europees platform komt, van wetenschap en bedrijfsleven, van ngos en overheden terzake internationale samenwerking, minstens in de vorm van een soort Europese Adviesraad voor Internationale Samenwerking. Wat vindt de regering daarvan?


3. Het Nederlandse Hulpbeleid.

Ik kom nu bij het Nederlandse hulpbeleid. Deze minister staat daarbij voor een gigantische uitdaging. En zij is daarbij optimistisch. Regelmatig lezen we in de MvT, dat Paars 2 de zaak wel eens zal gaan klaren. Paars 2 zal een beter hulpbeleid voeren; Paars 2 ziet grote perspectieven voor Afrika, en zo kunnen we nog wel een tijdje doorgaan. Soms, heel soms, als de verwachtingen wat minder gespannen zijn, zoals ten aanzien van het Vredesproces in het Midden-Oosten, ziet opeens 'de regering' wel of niet kansen. En het is natuurlijk voor de bewoners van Afrika een hele geruststelling, dat Paars 2 het met hen wel ziet zitten. Maar zullen ze zich afvragen, wie ziet het dan niet met ons zitten? Want ja, de oppositie is ook voor Afrika, dus daar kan het niet over gaan.
Als je leest, dat Paars 2 - letterlijk - de kwaliteit van de hulp wel eens zal gaan verbeteren, dan rest ons maar één conclusie: de echte oppositie van Paars 2 was Paars 1.

En misschien heeft de regering daar ook wel een beetje gelijk in. Als Paars 2 de rit uitzit, zal het tegen de dertig miljard aan hulp verstrekt hebben, en laten we nou eens aannemen, dat de helft van dat bedrag nieuwe investeringsbeslissingen vraag, zo'n vijftien miljard. Dat is het grote verschil met andere spending departments, die soms tot voor tachtig tot vijfennegentig procent met doorlopende verplichtingen te maken hebben. Maar vijftien miljard investeren, nieuwe beslissingen dus nemen, over prioriteit en kwaliteit en kosten-baten, dat is de verantwoordelijkheid van een groot concern.

Dat vraagt drive van het hele apparaat, dat vraagt professionaliteit, van het hele apparaat, dat vraagt een goed collectief geheugen; dat vraagt bezieling en engagement, en bovenal - het ging toch om een miljardenstroom - ondernemerschap, op bijna alle niveaus. Zeker nu de minister ook nog eens zoveel in het apparaat is gaan delegeren, en dat laatste lijkt ons juist.

Mijn Fractie heeft bij het aantreden van Paars 1 inderdaad grote vraagstekens gezet bij de zg. herijkingsoperatie. Wij waren noch voorstander van een 'agency', noch van de communicatie-kloof tussen de M- en de R-sector, maar wij hebben altijd gevonden, dat qua instelling en professionaliteit het O.S.-werk, met name die investeringscapaciteit, nogal verschilde met andere taken van het grote ministerie. Dat hoefden voor ons ook geen levenslange schotten te zijn, maar wel moet een minister, die zoveel uitgevende en investerende verantwoordelijkheid heeft over een daarop toegespitst apparaat kunnen beschikken. Ik vraag de minister, of zij al een balans heeft opgemaakt van de voor- en nadelen van de herijking voor haar verantwoordelijkheid?

Een andere hoge lat, die de minister voor haar zelf heeft aangelegd, is haar ambitie om de ontwikkelingslanden zelf zoveel mogelijk meester te laten zijn van hun ontwikkelingsproces, een uitgangspunt, waarvoor mijn Fractie al acht jaren heeft gepleit. Dat wil zeggen tegen het spiegelbeeld van het opleggen van onze prioriteiten en soms hobby's, tegen het particularisme van de afzonderlijke donoren, tegen de consultants- en projectencultuur. En als het kan: vóór een soort contractuele relatie.

Vooruit dan maar: de relatie ownership-partnership-donorship en die wel herijkt. De OESO heeft het over partnership-strategieën.

In dat licht hebben wij er begrip voor, dat er een beperking van het aantal reguliere landen moet zijn. Maar het hele verhaal staat of valt met drie basisvoorwaarden:

1) De bereidheid allereerst van onszelf om terughoudend te zijn met onze voorkeuren. Sommige moties aan de andere kant begrijp ik dan niet, zoals het voorstel van de partijgenote van de minister, Dijksma, om die stedelijke armoedebestrijding weer als prioriteit aan de ontvangende landen op te leggen. Wat vindt de minister daarvan?

Verder juichen wij het op zich toe, dat de minister het zgn. beleidsoverleg weer heeft ingevoerd. Dat kan een buitengewoon nuttig instrument zijn voor de dialoog, maar het kan ook gemakkelijk als echoput gaan werken: in Nederland zijn ze tegenwoordig dol op dit of dat, en dus verzilveren we dat.Wat doet de minister om dit soort verleidingen, die volgens iemand als Prof. Ellis endogeen zijn in de Afrikaanse situatie, te voorkomen. Hoe legt zij zichzelf en ons terughoudendheid op?

En dan zijn er nog die authentieke verzoeken, die je misschien niet zou verwachten en die ons niet zo welkom zijn, maar die toch reëel gemeend zijn. Zijn wij dan ook bereid hun prioriteiten, hun 'ownership' te accepteren?

Ik neem het voorbeeld Indonesië. De minister heeft een en andermaal duidelijk gemaakt, dat zij weinig voelt voor een geprofileerde bilaterale relatie. Terecht is zij bang voor hobbyisme en voor een verdichting van aan elkaar gewende oudere netwerken. Ook onze Fractie voelt niets voor honorering van een driekwart eeuw te laat geboren ambities van sommigen om weer resident, laat staan gouverneur-generaal te worden. Maar als die President van Indonesië ginds en hier, een en andermaal te kennen geeft zeker op bepaalde terreinen die samenwerking met Nederland wel op prijs te stellen, wie zijn wij dan zou ik zeggen, om dan vooral uit vrees voor neokolonialisme nee te zeggen, of per se te willen multilateraliseren. Zou het niet ook tot het begrip 'ownership' kunnen horen, dat ontvangers over de door ons vooronderstelde bezwaren heen stappen en juist samenwerking willen op terreinen als rechtsontwikkeling en wetgeving, rechtspraak en politieopleiding, democratische toerusting, versterking 'civil society'. Dat de minister wil breken met die vroegere Hotel Borobudur-cultuur van bemiddelaars, introducanten en goederenleveranciers, daar kan ik me heel wat bij voorstellen, maar op een authentieke vraaggestuurde samenwerking met Nederland is mijns inziens niets tegen. Een afhoudende opstelling zou mijns inziens paradoxaal zijn.

2) De tweede voorwaarde ligt bij andere donoren, bilaterale en multilaterale. Een Nederlandse 'Alleingang' is dan wel aardig voor een gidsland, maar uiteindelijk gedogen wij dan in onze beste tradities de mindere praktijken van andere donoren.

3) En de derde conditie betreft het ontvangende land zelf. Het moet gaan om regeringen, die voldoen aan de vele criteria van 'good governance' en het moet ook gaan om een expressie van een eigen ontwikkelingsstrategie, waarin ook de visie van het bedrijfsleven en de eigen 'civil society' tot uitdrukking komt.

Laten we eens eerlijk zijn, dat is geen schande bij zo'n ambitieuze opzet, die ook in onze ogen moet lukken: hoeveel regeringen uit het uitverkoren lijstje voldoen in zo'n doorslaggevende mate aan het criterium, dat we ze de vrijwel volledige beschikkingsbevoegdheid willen gunnen: toch zeker niet Jemen, Zambia, Mozambique, Zuid-Afrika, maar wie wel?

En dan is er nog die grijze zone tussen programmahulp en projecthulp, zeker in combinatie met een voorkeur voor een aanpak op regionaal of provinciaal niveau. Ik zou de ministers van financiën van ontwikkelingslanden niet de kost willen geven, die niet hun handen in het vuur durven steken voor ministeriële of lagere collega's en die vinden, maar tegenover de minister of ambassadeur dat niet durven zeggen, dat je met programmafinancieringen de kat op het spek bindt.

Als ik het rapport over de voortgang van de partnership strategy lees van de DAC , dan word ik er niet erg vrolijker op. Ik zie weinig andere landen het Nederlandse voorbeeld volgen. Maar dat rapport is van een jaar geleden. Ik hoor echt graag, dat de situatie in de afgelopen twaalf maanden substantieel verbeterd is.

Wanneer moeten we constateren, dat de partnership-strategie niet van de grond komt, niet vanwege verkeerde bedoelingen hier, maar gewoon omdat of de Nederlandse politiek te weinig hun prioriteiten wil respecteren, of omdat te weinig andere donoren ons volgen of omdat er te weinig landen zijn, die kwalificeren voor deze benadering.

En dan die rol van de 'civil society'? Daar zit ik een beetje mee. De minister klaagt, dat er zoveel via de achterdeur gaat in de zgn. goede landen. Maar zelfs in goede landen kan de afhankelijkheid van ngo's van hun eigen overheden hun eigen raison d' être ontkrachten. We hebben gezien, dat in de goede tijden in Suriname - nou ja - de overeengekomen doorgeleiding door de regering van gelden naar de eigen ngo's tot cliëntelisme leidde en we zagen exact hetzelfde in de clausules van de Lomé-verdragen, die dezelfde faciliteit bevatten.

Maar dat is te verhelpen: ook wij zijn van mening, dat ngo's wel dienen te coördineren, af te stemmen, te dialogeren en samen te werken met hun eigen regeringen op centraal of decentraal niveau: de dagen van het exclusieve basisme zijn voor ons al lang voorbij. Dat sluit evenwel een eigenstandige aanspraak op OS middelen niet uit, ook en juist in bevoorrechte landen. Juist van regeringen die voldoen aan de kwalificatie van good governance , mag verwacht worden, dat zij ruimte bieden aan onafhankelijke ngo s en juist van volwassen verwortelde ngos en hun contactorganisaties hier mag verwacht worden, dat zij niet per definitie opposioneel zijn of een eigen parallel-structuur in stand willen houden. Samenwerking hoeft niet te betekenen het binden met gouden koorden van de civil society aan de eigen regeringen.

Daarmee kom ik op het onvermijdelijke punt van de openbreking van het GOM door de minister. Het is deze Kamer en deze Kamer alleen en mijn Fractie in het bijzonder geweest, die bij de totstandkoming van de Kaderwet Subsidies, deze ontwikkeling zag aankomen. Maar wat zei de Regering in antwoord op onze vooronderstellingen: niet waar; het gaat om een codificatie en niet om een modificatie van het subsidiebeleid. In goed Nederlands: er verandert dus niets, en wat gebeurt er een jaar later? Juist ja.
Kan de minister mij verzekeren, dat zij zich volledig bewust is geweest van de antwoorden van haar collega van BUZA op onze vragen? En zo ja, waarom zijn dan zo bewust de grenzen opgezocht van de strekking van die antwoorden en in onze opinie overschreden? Iedereen wist wat de achtergronden van de kritische vragen van mijn Fractie waren.
Transparantie, gewekte verwachtingen: we vragen dat ook van de ontvangende regeringen. Is dat de ogen sluiten voor nieuwe ontwikkelingen; is dat niet vragen aan de
medefinancieringsorganisaties hun bedden regelmatig op te schudden, is dat kartelbescherming. Geldt voor hen niet die paradigma-wisseling, die we de regering voorhouden? Ja, zeker, en we hebben dan ook in de afgelopen twintig jaar gezien, dat achterbannen, parlement en overheid steeds opnieuw eisen hebben gesteld, evaluaties uitgevoerd, hervormingen hebben gestimuleerd. Bij de organisaties als geheel en afzonderlijk. Het zou eens de moeite waard zijn om na te gaan, wat er door regering en parlement allemaal gevraagd is, van controle tot prioriteiten, zelfs tot openbreken van onderling afgesproken verdeelsteutels, maar vooral terzake de integrale ontwikkelingsbenadering van, let wel, de organisaties afzonderlijk. Wie dat op zich laat inwerken, begrijpt niet, dat een organisatie die één doelgroep kent, één bepaalde stijl van werken, één cultuur dan opeens wordt toegelaten. En laat nou de heer Ter Veer niet spreken over de evergreens van de medefinanciering. Ik heb ook best wensen t.a.v. opstelling, presentatie, relatie met wetenschap, etc. van de mfos, maar ik vind het overheidsoptreden vooral niet consistent. En als de minister veel sympathie heeft voor Foster Parents, dan kan ik mij daar veel bij voorstellen, maar was dan de koninklijke weg niet geweest, zoals bij b.v. de Lepra-stichting e.a., om een afzonderlijke doelsubsidie te verstrekken, voor mij part gekoppeld aan de eigen fondswerving. Dan was het uitgangspunt van de medefinanciering: iedere organisatie heeft een integraal ontwikkelingsprogramma, dat overeengekomen en te toetsen en aan te scherpen, uitgangspunt overeind gebleven, afgezien nog van de m.i. moeilijk te vermijden precedentwerking.

De commotie rond dit gebeuren zal wel niet het antwoord geweest zijn op de terechte vraag van de minister naar meer debat. Ik had uiteraard graag de voorkeur gegeven aan een debat over de nieuwe kaders, over wereldhandel en de positie van de armen daarin, over zoiets gevoelig als medicijnen en ontwikkelingslanden, over Europa en de globalisering, over de brug die mensen als Amartya Sen proberen te slaan tussen economie en waarden, en daarbij steun lijkt of moet ik zeggen leek te krijgen van Wolfensohn, wanneer deze in bankrapporten termen gaat gebruiken als empowerment en participatie. Dat leek: zullen het vertrek van Stiglitz en nu weer Reinicke consequenties hebben voor die lijn? Over de onverwacht grote impact, die zoiets als een Jubilee-aktie lijkt te krijgen. Over de dilemmas van ngos tussen professionalisering of mee doen met de verknuffelingsmode van media.
Er is zoveel om toekomstgerichte debatten aan te gaan. En dan is er nog een ander punt van debat: die spanning namelijk, die nog eens onderstreept wordt in de notitie van de DAC over partnership, die spanning tussen need en performance, het dilemma van het landenbeleid van de minister. Goed presterende landen belonen, prima. Maar recent onderzoek leidt tot de echt dramatische conclusies, dat een nieuwe bezemwagen in de ontwikkelingskaravaan volloopt met steeds verder wegzakkende landen, met name die in een conflict zitten of zich daarvan proberen te herstellen.
De verdienstelijke inzet van de minister van belonen verdient o.i. een pendant, namelijk een uitgewerkt beleid over hoe de condities voor good governance te scheppen, daar waar zij nog niet aanwezig zijn. Ik ken er in ieder geval een, en dat zou voor mij een echte ontpronking zijn. Namelijk hulp verlenen bij de ontwikkeling van deskundigheid. Uit de Azie-crisis tot de erosie van de pas verworven democratieën in sommige Latijns Amerikaanse landen komt naar voren de afwezigheid van een deskundige, sociaal bewuste, niet omkoopbare elite, ja elite. Elite van politieke leiders, ondernemers, maar ook de rechterlijke macht. Dat is opleiden, trainen, elkaar toerusten op seminars en conferenties ginds, en dat is ook samenwerking met daarop toegeruste instellingen hier, zoals b.v. het Centre for Legal Cooperation, gevestigd te Leiden.
Dat is natuurlijk maar een element uit zon - wat ik zou willen noemen- ontsnappingsstrategie. Daar hoort een visie bij op de civil society, op media, op opbouw politieke partijen, op signalering van schending van mensenrechten, op terugkeer van vluchtelingen, op een carrot and stick beleid bij humanitaire hulp, en zoveel meer. Op de relatie - en dan zijn we weer terug tussen veiligheid en ontwikkeling.
Jubilee, zei ik en anderen zeiden na 2000 jaar mea culpa. Soms wordt dat respectvol benaderd, soms lacherig. Wat mij nou zo intrigeert is de zekerheid, waarmee een volgende generatie de vinger naar ons zal wijzen, die klemmende vraag: wat hebben we de laatste tien jaar b.v. alleen al in het Gebied van de Grote Meren laten gebeuren, in Sierra Leone, in Angola . Onze verlamming, soms gelatenheid, die afwezigheid van een echte ontsnappingsstrategie. Wij, zeker ook zij ginds, maar ook de westerse wereld als geheel, die de mogelijkheid heeft niet om alles te voorkomen, maar wel veel. Wij wensen de minister voor ontwikkelingssamenwerking alle succes juist bij haar opdracht te werken aan zon strategie, waarbij partijpolitieke tegenstellingen in het niet vallen.



Den Haag, 28 maart 2000

Motie-Van Gennip over aankoop en financiering grond voor natuur en landbouw

De Eerste Kamer heeft vandaag met algemene stemmen een motie aangenomen inzake een nieuwe inzet voor aankoop en financiering van gronden voor natuur en landbouw. De motie was ingediend door senator Jos van Gennip (CDA).

De motie beoogt de bevordering van vooral provinciale grondbanken, waarin de overheid en particulieren samenwerken om de zg. mobiliteit van grond te bevorderen. In navolging van Gedeputeerden als Pieter van Geel (CDA, Noord-Brabant) bepleit de motie een beter mechanisme bij aanbod en aankoop van gronden en de vorming van grondreserves. Hierdoor kan ook een beter evenwicht ontstaan tussen de sterke claims voor infrastructuur, bedrijfsterreinen en woningen aan de ene kant én het behoud van natuur en uitoefening van de landbouw aan de andere kant.
Daarbij moet - aldus de motie - tevens de wanverhouding weggewerkt worden, die is ontstaan tussen de grote ambities van de overheid voor versterking van natuur en landschap, vooral binnen de Ecologische Hoofdstructuur, en de zwaar achterblijvende financiële middelen. Daardoor ontstaat een achterstand van vele jaren en een zeer aanzienlijke kostenverhoging.

De motie zet erop in om deze achterstand weg te werken ook door het mogelijk te maken, dat meer middelen van particulieren, waaronder beleggingsinstellingen, rendabel kunnen worden ingezet in natuurbeheer en landschapsbescherming.

Voor meer informatie: Jos van Gennip, 070-3424885.

Natuur en Milieu

Bijdrage aan het plenaire debat inzake de begroting van VROM voor 2000 op dinsdag 21 maart 2000

door de CDA-fractie Van Gennip

a) Inleiding.

Ergens tijdens de behandeling in de Tweede Kamer komt de minister met een uitspraak, bijna terloops, een opmerking, die o.i. de benadering van het milieuvraagstuk typeert en die wij van harte onderschrijven: Ik zal het niet meer alleen hebben, zegt de minister, over verdroging, verzuring of vermesting, maar vooral ook over gezondheid, kwaliteit van woon- en leefomgeving en toegang tot veilig drinkwater en veilig voedsel. Het milieubeleid moet beredeneerd worden vanuit de consequenties voor de leefomgeving, zowel in Nederland als over de grens.
Kijk, die benadering spreekt ons aan. De benadering van natuur en milieu niet vanuit een beleidsmatige probleemstelling, maar vanuit de diepe zorg van burgers voor hun eigen leefomgeving; de planetaire problematiek niet vanuit een Titanic-mentaliteit van bijna onvermijdelijke ondergang en onomkeerbaarheid, maar vanuit een agenda-stelling.

Het is daarom jammer, dat de consequente doortrekking van die lijn in deze begroting en bij dit beleid lang niet altijd zichtbaar is, duidelijke paradoxale elementen vertoont en soms zelfs contraproductief lijkt.

Ik moet mij daarbij beperken tot een paar onderwerpen, die ik over een drietal blokken zou willen spreiden: het energievraagstuk, het internationale beleid en de financieringsproblematiek van natuur- en milieubehoud.

b) Het energiebeleid en de beperking van de CO2-uitstoot. Ik begin met het energiebeleid, vooral in het licht van de Kyoto-doelstellingen en van de vernieuwbaarheid. Daar is dan op de allereerste plaats het paradoxale beleid t.a.v. de kerncentrale Borssele.
De Raad van State heeft recent de voorgenomen sluiting in een buitengewoon scherp arrest onrechtmatig verklaard. Je vraagt je af, als je het vonnis leest, hoe een rijksoverheid zo heeft kunnen klungelen en slordig is omgegaan met eigen voorschriften en rechtsregels. Maar dat is niet op de eerste plaats de verantwoordelijkheid van deze minister. Deze minister draagt de zware medeverantwoordelijkheid voor de inhoudelijke opstelling t.a.v. deze sluiting. Vraag mij nu niet, of ik onbekend ben met de afvalproblematiek en de andere gevaren; ik ben me daar, in navolging van de grote natuurkundige en milieuactivist en vader van het conciliair proces, Von Weizsäcker, zeer van bewust. Hij geeft in de afwegingsprocessen van uitputting en uitstoot bij fossiele brandstoffen in vergelijking met kernenergie deze laatste het voordeel van de twijfel. Borssele alleen al: 1,4 miljoen ton CO2 uitstoot wordt vermeden; Borssele: honderden miljoenen recent geïnvesteerd om het te maken tot de erkend een van de modernste en veiligste centrales in de wereld, die zeker nog tien tot vijftien jaar probleemloos elektriciteit kan produceren, een periode, waarin het energiebeleid van de 21e eeuw met al zijn opties, waaronder kernenergie ik citeer de regering zelf vorm moet krijgen; Borssele, dat ruim een kwart van de Nederlandse voorraad afgescheiden splijtbaar plutonium kan wegwerken, en dat ons een rol kan geven in het veiliger maken van de kerncentrales elders. Het zijn geen lofprijzingen van mij, maar wederom van de regering zelf. En wat doet deze regering: sluiten; het is de regering van de quick fix, geen problemen, snelle oplossingen en even niet naar verwachtingen van het verleden kijken of naar de lange termijn consequenties. Kenmerkend ik citeer de Groningse hoogleraar bestuurskunde Herweijer als typerend voor deze paarse aanpak. En wat doet deze regering nog meer: ja, zeker: dus energie uit het buitenland importeren, en wat voor energie, ja, precies: uit Frankrijk, kernenergie.
En wat zegt juist deze minister tegen de Zeeuwen, als ze wat aarzelen met windenergie-parken: schandelijk, die not in my back yard, niet in mijn achtertuin mentaliteit! Aardige paradoxen.
Over windenergie gesproken: hier ook weer zon paradox. In de Tweede Kamer is gesproken over het feit, dat kennelijk van de Europese autoriteiten groene stroom niet goedkoper mag zijn dan de laat ik maar zeggen gewone, maar nog erger lijken de indringende consequenties van het belastingstelsel voor de 21e eeuw voor de belangrijkste financier van windenergie: de Groenfondsen.
Na een aarzelende start zijn deze Fondsen een uiterst succesvolle rol gaan spelen in allerhande vormen van energievoorziening denk aan de warmtekrachtkoppeling , aan windmolens, aan installaties voor bio-massagebruik, aan energiebesparing, zoals Groen Labelkassen en buiten het directe energiekader juist milieusparing in groen labelstallen en verwerving van grond voor natuur. Weg de verwachtingen van die duizenden ethische beleggers, weg die creativiteit van gewone en alternatieve beleggingsinstellingen, weg die verwachtingen van boeren, natuurbeschermingsorganisaties, ondernemingen in de tuinbouw, die in hun ondernemingsplan met deze mogelijkheid rekening hadden gehouden. Maar misschien kunnen ze zich nog tot filmmaker laten omscholen: die houden, nee die krijgen in het belastingplan hun begunstigde positie wel.
Mijn Fractie zal op dit punt zeker terug komen, maar ik zou nu al aan deze minister willen vragen, of hij zich wil inspannen deze belangrijke financieringsbron voor natuur en milieu te redden.
Een andere paradox betreft het LPG-beleid t.a.v. vrachtverkeer. Ook hier zien we eerst een stimulering in de vorm van subsidies voor research en ontwikkeling.
Nederland zou met een structureel gebruik van LPG in met name zijn stedelijk transport en busvervoer een fantastische bijdrage direct en als voorbeeld kunnen leveren voor minder schadelijke uitstoot. In NMP3 is ingezet op zeker de helft van de brandstofmix ten gunste van LPG, maar de minister weet ook, dat de gebleken technologische potentie gefrustreerd wordt door gebrek aan maatregelen in de vorm van lagere LPG-prijzen of subsidies. Zal het milieubeleid van Paars II dat zijn van die slechte ruiter, die zijn paard zo hard opment, dat het juist voor de eerste de beste hindernis terugschrikt? Wat wil de regering doen om het LPG-gebruik bij stedelijk transport tot een doorbraak te brengen?

Een andere mogelijkheid, waarin ons land een win-win situatie kan bereiken, is de tuinbouw. Ik heb vorig jaar ook al eens opgebracht de gigantische mogelijkheden om geconcentreerd een enorme CO2-vastlegging te bereiken, tezamen met energiebesparing door de verbinding b.v. in het Bleiswijk-complex van WKK-Vinex-blokverwarming en het kassencomplex. Het gaat daarbij ook om aanwending van industriële restwarmte en opslag CO2.
Degenen, die bij het project betrokken zijn, hebben het over het realiseren aldus van een substantieel deel van onze nationale CO2-doelstelling. En wat zien we nu: juist bij dit aansprekende project gaat de liberalisatie van de energiemarkt in de vorm van de nieuwe gasprijsstructuur en de import van vuile energie, b.v. uit Oost-Europa, er waarschijnlijk voor zorgen dat de spil-energiecentrale niet gebouwd kan worden. Paradoxen? Wat doet de regering om dit soort projecten veilig te stellen?

En als laatste vraag in dit kader zou ik opnieuw de aandacht van de minister willen vragen, nu urgenter dan ooit, voor de compensatie van de non-profit instellingen terzake de regulerende energieheffing. Zo dikwijls en van zovele kanten is in deze Kamer aangedrongen om waar te maken, wat de woordvoerder van de PvdA in de Tweede Kamer zei: het gaat niet om meer belasting, maar om andere belasting en daarom mag deze heffing niet tot lastenverzwaring leiden. Wel het is evident, dat bij instellingen, die naar hun aard geen winst maken, het wel om een lastenverzwaring gaat, tenzij de regering ook hier de inventiviteit en de creativiteit opbrengt voor compenserende maatregelen.

c) De Europese en de internationale dimensie.
Zolang de externe integratie van het milieubeleid, om met de minister te spreken, nog niet overal is doorgevoerd, komen wij in onze vraagstellingen en in onze kritiek via deze minister bij zijn collegas uit; dat realiseerden wij ons bij de vorige onderwerpen, en dat geldt ook de volgende opmerkingen, die het Europese en internationale kader betreffen.

Dan blijf ik toch even bij die energie-aanpak. Het was President Clinton, die in augustus afgelopen jaar aankondigde een enorme research-impuls te willen geven aan wat wij hier zijn gaan noemen de agrificatie.
Nu ben ik zelf altijd wat sceptisch geweest over donkergroene energie in de vorm van bio-massa, vooral hout. In Nederland is dat vanwege de hoge grondprijzen ook nauwelijks haalbaar. Maar in Europees perspectief ligt dat wellicht toch anders, zeker als de grote arealen uit Centraal en Oost Europa aan het Verdragsgebied worden toegevoegd of gaan behoren tot gebieden, waar wij een structurele vrijhandelsrelatie mee zouden opbouwen.
Én de nieuwe gebieden in ons continent én de toegenomen aandacht voor hernieuwbare energie, én de noodzaak van vastlegging van CO2, én nieuwe wetenschappelijke inzichten van biotechnologische aard tot conversietechnologie, én vooral het vrijkomen van areaal voor landbouwproductie de profeet daarvan, de partijgenoot van de minister, de heer Rabbinge, is in ons midden creëren m.i. een situatie, waarin herbezinning op agrificatie gewenst is.
Energie, recycling, afbraakbare materialen, een vergroening van een mogelijk grijs wordend platteland en nieuwe inkomstenbronnen daarvoor, daar gaat het om.
Wij zouden graag de visie van de minister horen, of hij vindt, dat in het milieu- en landbouw beleid van de Europese Unie een nieuwe start gemaakt kan worden rond de mogelijkheid van het landelijk gebied voor recycling, hernieuwbare energie, productie van afbreekbare grondstoffen. Het gaat niet alleen om hout, ook om b.v. fabrieksaardappelen, maar vooral toch om houtopstand, bos. Europa als continent van het bos, het woud. In onze verkiezingsprogrammas hebben wij zeer gepleit voor een herbossing van Europa en een herwaardering van boom en hout. Ooit hield een geestverwant van deze minister, President Mitterand, een indrukwekkende conferentie over Chene et Accacia.
Een van de paradoxen van de huidige economische situatie ook hier weer die paradox is dat bosbouw de meest verliesgevende activiteit ten plattelande is. Toen er nood was aan graan, hebben wij de graanproductie tot spil gemaakt van een Europees landbouwbeleid. Is het echt ondenkbaar, dat de opvolgingsgeneratie van diegenen, die nog wisten, wat voedseltekort was, die opvolgingsgeneratie, die weet heeft van klimaatverstoringen en desertificatie, ook in Europa, aan dit continent weer haar longen terug geeft?

Maar wat dat Europa betreft, ben ik lichtelijk in verwarring. Vorig jaar was ik verbaasd over een voor zijn doen onhistorisch enthousiaste minister. Omgekeerde rollen met in mijn hoofd nog het Europees debacle in Rio. Maar nu waaien allerhande zure opmerkingen uit de Tweede Kamer over rond het optreden van ministers uit regeringen, die vooral tot zijn politieke familie horen, en die de moed hebben Nederland te kritiseren vanwege zijn onwil om het Clean Development Mechanism boven op de OS-gelden te brengen. Nu ben ik het hartgrondig eens met zijn analyse over de hypocrisie van deze non spenders, maar toch blijft dan de vraag staan, die centrale vraag: Europa als grootmacht tegen wil en dank, om met de cyclus van de Society for International Development te spreken, zal het zijn die een mondiaal milieubeleid maakt of het zal niet zijn. Er moet toch met de gezamenlijke parochie van Derde Weg-aanhangers een Europees milieubeleid te maken zijn, of moeten we de lofzang in de catechismus van Giddens voor de Derde Weg op het christen-democratisch-liberaal milieubeleid van het tweede kabinet Lubbers als een brevet van onmacht zien voor het sociaal-democratisch Europa, zoals we ook van onze minister president weinig over het milieu horen. Heeft de minister echt geen heimwee naar de grote lijn en de visie van minister president Lubbers in Rio ? Ik acht deze minister visionair en betrokken genoeg om geen genoegen te nemen met een passief en volgend Europa, en ik acht hem intelligent genoeg om te weten, dat zeker op dit terrein een Nederlandse Alleinegang vruchteloos is. Wil de minister iets van de sluier oplichten van zijn frustraties en verwachtingen, zijn agenda en haar beperkingen terzake Europa? En ook met name de consequenties van het feit dat het Brussel is, dat meer en meer ons milieubeleid zal bepalen, van nitraat tot water tot klimaat.

Maar hiermee komen we ook op dat centrale gebeuren in de relatie Europa-milieu-economie in de laatste maanden: de wereldhandelsconferentie in Seattle. Ik denk, dat het terecht is, dat het milieu zijn naamloosheid aan de onderhandelingstafel in Seattle doorbroken heeft, maar wie trof het als bondgenoten? In het MAI-verzet we zijn het niet vergeten waren het niet de derde wereldactivisten, maar ultrarechtse Republikeinen, die de doodsklap gaven. Nu is er de doorslaggevende vraag : hoe krijgen we een uitzuivering tussen echte milieubelangen en onversneden protectionisme. Wie zijn de echte verliezers van Seattle? vroeg The Economist. Ik weet het niet, en ook niet of de demonstraties in Seattle de laatste stuiptrekkingen van een oude orde waren, die zich niet kan verzoenen met de realiteit van de globalisering of de klaroenstoten van een nieuwe orde, waar vrijhandel e n zorg voor milieu in een nieuw evenwicht moeten komen. Wij horen graag de visie van deze minister op de weg en tijdspad post Seattle. Interessant is ook zijn visie op de relatie tussen "Montreal" en de WTO.

Wat het internationale beleid betreft, nog een paar kleinere opmerkingen, in de verwachting is die terecht? dat we volgend jaar een duidelijke accentverschuiving naar deze dimensie zullen zien rond de Klimaatconferentie in Den Haag.

In de MvT zegt de minister, dat hij een bijdrage wil leveren aan de opbouw van de civil society in Midden en Oost Europa terzake het milieubeleid. Wij juichen dat op zich zeer toe, en zouden graag zien, dat de minister dat beleidsvoornemen wat zou uitwerken. Wat datzelfde Oost Europa betreft, stellen wij opnieuw aan de orde de kwaliteit van de joint implementation. Energiebedrijven hebben kennelijk soms wel eens moeite voldoende goede doelen voor hun overtollige gelden te vinden, zoals mijn Gelderse collegas hier wel zullen kunnen getuigen, maar als financieringen in transitielanden (en in ontwikkelingslanden) sterk aanbod gestuurd zijn, dan is het gevaar van kwaliteitsverlies ik hoef deze minister niets te vertellen levensgroot. Hoe stimuleren we de toepassing van de lessen van vijftig jaar internationale samenwerking ook op dit soort projecten?

Civil society, duurzaamheid, participatie: woorden, die in een andere context gebruikt zijn. Ooit hebben we hier van gedachten gewisseld om een of meer landen in Oost Europa bij de zg. Duurzaamheidsverdragen te betrekken. In de MvT worden die DOVs weer genoemd, en verdrag of niet: nog steeds is milieusanering in veel Midden- en Oost Europese landen van levensbelang. Zouden er vormen te bedenken zijn ik druk mij voorzichtig uit van meer structurele samenwerking en intensivering ervan met een of meer van deze landen?

d) Financiering van natuur en milieu.
Ik sprak over het zoeken van goede doelen door nutsbedrijven, die kennelijk te vroeg geprivatiseerd zijn. Nou, ik weet in ieder geval een terrein, waar geld tekort is, en dat is de financiering van milieuvoorzieningen en natuurbouw.
Ik sprak al over de waarschijnlijk dramatische gevolgen van het drooglopen van de Groenfondsen als financieringsinstrument voor milieu- en energiebesparingsprojecten, maar vooral de situatie terzake de Ecologische Hoofdstructuur en in het algemeen de aankoop van grond voor natuur is uiterst beangstigend.
Moet dat in een zo rijk land, bij een bevolking, die zo massaal blijkt te interesseren te zijn voor milieu en natuur? Of geldt ook hier de wet van Beaumont, dat gemeenschapsvoorzieningen altijd onder druk komen: als het het land slecht gaat, wordt daar het eerst op bezuinigd en als het het land goed gaat, ja dan kunnen we toch de marktsector niet bijhouden. Sociaal democratie en christen democratie hebben beide ooit hun raison détre ontleend aan het doorbreken van die vicieuze cirkel.
Ik zei het hierboven: de liberalisatie van de energiemarkt lijkt op paradoxale wijze juist energiebesparings- en milieuprojecten te treffen; bij de aankopen van gronden ter realisering van de EHS zien we op verschillende manieren werken, wonen, vervoeren het winnen van de natuur en de boer. Het KPMG-rapport Grond voor Natuur geeft een indrukwekkende opsomming van gemeentelijke interventie, fiscale onevenwichtigheid, te geringe overheidsbudgetten en gebrek aan visie en marktkennis.
De geestverwante van de minister en onze collega, mevr Meindertsma heeft bij de begrotingsbehandeling van LNV die paradoxale situatie nog eens haarscherp belicht tegen de achtergrond van de kennelijke bereidheid van particulieren en particuliere beleggingsinstellingen om een gedeelte van hun investeringen richting milieu en natuur te geleiden.

Als bestuurder weet zij ook, net als de minister in zijn vorige verantwoordelijkheid, hoe nog een andere factor een daadkrachtig beleid, dat anticipeert op de markt en niet alleen volgt, gefrustreerd wordt door ons op kasbasis gebaseerd begrotingssysteem. Frustraties bij boeren, die hun bedrijven zien ingekleurd worden, maar geen idee hebben over hoeveel jaar er geld zal zijn voor de aankoop, terwijl zij niet zelden wel allerhande planologische schaduwwerkingen moeten gedogen; nog grotere frustraties bij die agrariërs die bereid zijn zonder hun bedrijf op te geven, structurele ik herhaal structurele veranderingen in hun bedrijfsvoering aan te brengen ten gunste van natuur en landschap, en de grootst mogelijke frustraties bij de natuurbeschermingsorganisaties, die op hun vingers voortellen, dat de schemas voor de EHS bij lange na niet gehaald worden en dat de belastingbetaler uiteindelijk waarschijnlijk een vijf miljard extra zal moeten betalen voor de noodzakelijke aankopen. En een beetje frustratie ook bij pensioenfondsen en beleggers omdat er geen fatsoenlijke formules meer zijn of blijven om in een gediversifieerde portefeuille ook licht- en donkergroene bestanddelen te kopen. Het gaat om nieuwe energie, het gaat om milieu, het gaat om natuur. Vooral natuur, maar ook behoud landschap, monumenten, dorps- en stadsgezichten: zoveel, wat niet direct te gelde te maken is, maar daarom wel waardevol is en geld kan en moet aantrekken. Ik mag het hier aan de orde stellen, omdat het om meer gaat dan die natuur, maar ook omdat deze minister medeondertekenaar is van de Belvedere-nota.

Die centrale vraag is onze welvaartsstaat: hoe takken we geldstromen af van de hoofdstroom van consumptieve bestedingen en lucratieve beleggingen naar gemeenschapsvoorzieningen, naar investeringen voor de kwaliteit van de huidige en de toekomstige samenleving, naar behoud van wat generaties voor ons hebben opgebouwd en naar de klassieke public goods als lucht, water, landschap, bos, natuur. Het antwoord op die vraag, is eigenlijk een van de grote agendapunten voor de politiek in deze decennia. Slagen wij er met zn allen in om de middelen vrij te maken voor investeren in de kwaliteit van ook onze fysieke leefomgeving. De centrale vraag van onze Fractievoorzitter bij de Algemene Beschouwingen. Tien jaar geleden vroeg Lubbers zich af, hoe hij het zijn kleinkinderen kon uitleggen, als die met de vraag kwamen, dat de steden verloederden, terwijl er bijna een miljoen werkelozen in die steden woonden; moeten ónze kleinkinderen zich straks afvragen waarom bij de miljardencycloon, die ook over ons land raast, we toen niet een betekenisvol deeltje ervan hadden kunnen laten neerdalen in financieringen voor milieu en natuur.

Het antwoord is niet alleen gewoon belastingen verhogen. Soms gaat het juist om door middel van minder belastingen particulier geld los te weken, zoals we gezien hebben bij de Groenfondsen; soms gaat het om een beter overheidsinstrumentarium, zoals een ander begrotingssysteem; soms gaat het om het bewandelen van andere wegen om hetzelfde doel te bereiken denk aan particulier en agrarisch natuurbeheer, denk ook aan de onderschatte potentie van agrarische en milieucoöperaties - soms gaat het om gewoon goed koopmanschap en meestal om een combinatie van instrumenten en middelen.
Daarbij hoort m.i. wat ze elders deftig noemen financial engeneering. Of gewoon: als wij nu op onze vingers kunnen natellen, dat we bij onveranderde traagheid straks een vijf miljard meer moeten betalen, alleen al voor de EHS, waarom zetten we dan geen gedeelte van dat geld in om met kapitaalmarktmiddelen het nu al mogelijk te maken de verwervingen te versnellen, b.v. door garanties en rentesubsidies. De sparende Nederlanders schreeuwen om beleggingsmogelijkheden en we zien de tientallen miljarden loskomen voor soms wel heel erg onzekere investeringen.
Anderen, zoals Gedeputeerde van Geel, pleiten voor de instelling van een Grondbank, ook om die structurele machtspositie van rood t.o.v. groen ik heb het niet over politieke verhoudingen te corrigeren. Hoe zijn de grondclaims voor natuur en landbouw te versterken tegenover die voor werken, wonen en transporteren.
De minister zelf kwam met de interessante gedachte om stallen in te ruilen voor woningen, en zo nieuw geld naar het landelijk gebied te brengen. Hoe zit het overigens met dit beleidsvoornemen? In het Partijprogramma van mijn beweging wordt in dit verband een pleidooi gevoerd voor de instelling van een Nationaal Erfgoedfonds, een gedachte, die ik enkele jaren geleden heb proberen uit te werken in deze Kamer. In zo'n fonds zouden allerhande soorten financieringen bijeen kunnen komen, van loterijgelden tot subsidies, van giften tot investeringen. Maar de heer Van Aartsen heeft me toen hartelijk uitgelachen: de aankopen waren immers op schema en waar had ik het eigenlijk over. Nu loop ik wel eens met mijn handen in de zakken op het platteland rond, maar dan kom ik toch niet erg veel boeren tegen, die voor twee gulden per meter hun grond kwijt willen; de toenmalige minister van LNV kennelijk wel.

Van Aartsen had overigens ook wel een beetje gelijk: misschien moeten wij niet in deze Kamer proberen allerhande financieringsmodellen proberen uit te dokteren.

Misschien verdient die grote maatschappelijke en politieke uitdaging van deze tijd beter. Het gaat om niet minder dan de vraag, of wij in de komende tien-twintig jaar ons land onomkeerbaar laten verloederen, verstenen en verasfalteren of dat we een beslissende impuls geven aan een nationaal tegenproject voor schone lucht, zuinige energie, behoud landschap en monumenten, herstel en opbouw van natuur. Het landelijk gebied vooral als contrapunt tegen wat ze in de VS noemen the urban sprawl, landelijk gebied in zijn functie vooral van herstel, recreatie, recycling.
Misschien verdient de veelsoortige, gecompliceerde financiële onderbouwing van zon tegenproject wel een aparte staatscommissie, waarin bancaire en investeerdersdeskundigheid samenkomen met expertise op fiscaal, administratief rechtelijk, bestuurlijk gebied en op dat met betrekking tot de ruimtelijke ordening. Op die manier zou ook dat centrale tegenproject de politieke en maatschappelijke onderstreping krijgen, die het verdient.

d) Slot.
Milieubeleid, zei de minister, moet beredeneerd worden vanuit de consequenties voor de leefomgeving, zowel in Nederland als over de grens. Van harte mee eens, maar alleen fysieke leefomgeving? Deze minister moet zijn beleid verwerkelijken in een leefomgeving, in een cultuur, die niet erg gericht is op soberheid, bezuinigen, aan elders en aan de toekomst denken. Deze minister moet dat beleid verwezenlijken in een politiek klimaat, waarin de demarcatielijnen tussen het commerciële en het niet commerciële dagelijks onduidelijker worden. Een van de opmerkelijkste ontwikkelingen daarbij is, dat de partij zelf van deze minister lijkt mee te gaan met het uitgummen van die grensstreep. We hebben vandaag gezien, wat de consequenties kunnen zijn van premature of niet aan zorgvuldige voorwaarden gebonden privatiseringen in de energie-sector ik verwijs wederom naar de bijdrage van mijn fractie bij de Algemene Beschouwingen contraproductief t.o.v. het door deze minister voorgestane milieubeleid. Maar dat is slechts één aspect. De boeiende en beslissende vraag is, hoe vruchtbaar een milieubeleid kan zijn, als het niet ingebed is in een totaalbeleid van soberheid, toekomstgerichtheid, mondiale verantwoordelijkheid, zorg voor de publieke zaak. Hoe vruchtbaar kan een op zich goed milieubeleid zijn als het zijn plaats moet vinden binnen en naast een beleid van overprivatisering, of een overcommercialisering, die zelfs voor één dag terughoudendheid in de week geen plaats kent; van een beleid terzake de publieke omroep, dat ook in de opvatting van veel sociaal-democraten onrecht doet aan de eigen tradities van cultuur, identiteit en non-profitkarakter. Milieubeleid is beleid om een tegenstroom te stimuleren, anders wordt het bijna letterlijk een vlag op een modderschuit. De uiteindelijke balans van dit beleid wordt opgemaakt met het criterium, of naast technologie, naast internalisering in marktwerking, ook een ander bewustzijn gaat prevaleren. Dat bepaalt uiteindelijk of dit beleid ten diepste paradoxaal is of authentiek. Wij wensen de minister daar veel succes bij.



CDA-Eerste Kamerlid Marie-Louise Bemelmans-Videc zal op de Landelijke Bestuurskunde Dag (LBD)op donderdag 20 april een workshop geven over de controle op Europese geldstromen.

De LBD wordt op non-profit basis georganiseerd door studenten en docenten Bestuurskunde van de KUN en zal worden gehouden in De Vereeniging in Nijmegen (aan Keizer Karelplein). Naast mevrouw Bemelmans-Videc zullen ook andere prominente sprekers aan het woord komen. Zie hiervoor www.lbd.nl


Visie op Justitie

Bijdrage aan het debat op de Justitiebegroting van de CDA-fractie Woordvoerder Ernst Hirsch Ballin 15 februari 2000

Verantwoordelijkheid voelen
In de memorie van toelichting bij de Justitiebegroting 2000 lezen wij: Justitie voelt zich verantwoordelijk voor wetgeving, preventie, handhaving, rechtspleging en de realisering van de daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen. In een politiek tijdsgewricht waarin verantwoordelijkheid nogal eens is gereduceerd tot een verwijsbord is dat goed nieuws. Onze fractie wil de minister van Justitie graag ondersteunen bij het dragen van verantwoordelijkheid voor deze kerntaken. Bij de behandeling van de Justitiebegroting 1999 heeft onze fractie in oude samenstelling deze minister succes en goede resultaten toegewenst, en dat herhaalt onze fractie in nieuwe samenstelling graag. Om eraan bij te dragen dat het gevoel van verantwoordelijkheid blijft, zoals dat in de memorie van toelichting is verwoord, om dat gevoel levend te houden zullen wij de minister steunen waar mogelijk, kritisch bevragen waar nodig, en aanspreken op zijn verantwoordelijkheid voor doel, middelen en resultaten.
Verantwoordelijkheid ook voor mensen en middelen Als die middelen tekortschieten, kan dat een onvoorziene omstandigheid zijn die de minister moet uitleggen maar verder niet hoeft te verantwoorden. Maar het kan ook zijn dat het tekort voorzienbaar was en dus vermijdbaar moet worden geacht. Daarom hebben wij ons onlangs nog uitgesproken tegen de uithuis-plaat-sing van de landelijke politiediensten. Daarom hebben wij ook al in 1996 gewaarschuwd tegen het wederom te traag tot stand komen van wetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens. Dat is niet alleen een kwestie van willen, maar ook van kunnen, en daarvoor is de minister verantwoordelijk. De toenmalige minister van Justitie trachtte ons gerust te stellen: de termijn van indiening zou worden gehaald. In feite werd die met acht maanden overschreden en inmiddels wordt Nederland door de Europese Commissie in gebreke gesteld. Eervorige week verscheen een advertentie waarin wordt geworven voor een nieuwe raadadviseur op dit gebied, ter vervanging van iemand wiens werkkracht in dit project moeilijk kan worden gemist. Er moeten immers naast de behandeling van dit wetsvoorstel ook nogal wat inspanningen worden verricht voor de invoering; een wetsvoorstel terzake ligt nu bij de Tweede Kamer. Dat de invoeringswetgeving veel aandacht vereist, komt trouwens vaker voor. De herziening van het erfrecht (een onderdeel van Boek 4) is in deze kamer aanvaard met de uitdrukkelijke toezegging dat een reeks substantiële verbeteringen zal worden aangebracht. Hoe ver is de minister daarmee gevorderd?
Niettegenstaande onze zorgen over de gang van zaken bij de wetgeving inzake persoonsregistraties kan Justitie naar onze waarneming over het geheel genomen trots zijn op de kwaliteit van haar wetgevingsjuristen. De planning en prioriteiten blijven intussen een punt dat ook politieke aandacht behoeft. Er is veel gezegd en geschreven over de op zichzelf begrijpelijke ergernis van bestuurders als besluitvormingsprocedures en rechtspraak zich jarenlang voortslepen. Dat heeft veel invloed gehad op de roep om dejuridisering van de werkgroep-Van Kemenade. Die roep is onlangs door de minister van Justitie in het Nederlands Juristenblad elegant vertaald in een behoefte aan kwalitatief goed recht. Voor ons is intussen nog steeds een punt van zorg dat er meer dan zeven jaren nadat dit onderwerp was geagendeerd nog geen voorstellen liggen voor de procedurele coördinatie van samenhangende besluiten in de Algemene wet bestuursrecht. In de brief van de Minister van Justitie van 26 oktober 1999 wordt de aanbieding van een wetsvoorstel daarover voor het zomerreces 2000 aan de Raad van State in het vooruitzicht gesteld. Een voorontwerp inzake de inhoudelijke coördinatie zou in de eerste helft van 2000 gereed komen. Kan de minister bevestigen dat deze planning wordt gerealiseerd, nu eind vorige maand de commissie-Scheltema haar werk aan het eerstgenoemde wetsvoorstel heeft voltooid? In dezelfde brief kondigt de minister trouwens ook een besluit aan over de onder juristen veelbesproken vraag of er wetgeving moet komen inzake de verdeling van rechtsmacht inzake zogenaamde zelfstandige schadebesluiten. Het verwachte arrest van de Hoge Raad is er nu (het arrest in de zaak Groningen/Raatgever van 17 december 1999); tot welke conclusie brengt dit de minister? Onlangs kwamen de minister en de staatssecretaris met voorstellen voor een Raad voor de Rechterlijke Macht. Het Franse voorbeeld, de Conseil supérieur de la magistrature, is juist in discussie, maar stuit af op de benodigde grondwetswijziging. Hoe komt het eigenlijk dat wij volgens de regering zonder grondwetswijziging zon Raad kunnen invoeren? Zijn zijn taak en bevoegdheden zo beperkt dat dit kan? En als dat zo is, wat winnen we met de instelling ervan dan precies, en wat gaat ermee verloren? Bestaat niet het risico dat door de instelling van de Raad rechtspraak en openbaar ministerie nog meer van elkaar vervreemd raken nadat (bijvoorbeeld) eerder al de traditionele nauwe relatie tussen de Hofpresidenten en de PGs was verbroken?

Samenwerking met de Nederlandse Antillen en Aruba In dit verband moeten we toch ook even stilstaan bij de justitiële en politiële samenwerking in Koninkrijksverband. Is het al meer dan zes jaar geleden begonnen werk aan rijkswetgeving inzake de strafrechtelijke samenwerking tussen de landen van het Koninkrijk en inzake de positie van de rechterlijke macht en het openbaar ministerie heel erg vertraagd of helemaal stilgelegd? In Europa verzet Nederland zich tegen verplichtingen om voor bepaalde categorieën delicten minimumstraffen te introduceren. In Europees verband gaat het trouwens hoogstens om een gematigd systeem van minimumstraffen; het versmalt de marge voor de straftoemeting, maar laat daarbinnen ruimte voor rechterlijke straftoemeting en sluit ook niet uit dat met persoonlijke omstandigheden zoals verminderde toerekeningsvatbaarheid rekening wordt gehouden. Intussen wordt in de Nederlandse Antillen wetgeving voorbereid die heel wat verder gaat: verplicht levenslang voor bepaalde zeer ernstige delicten. Welk standpunt heeft de minister in het door artikel 39, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk voorgeschreven overleg ingenomen? Is hij van plan zich bij een eventuele invoering van dit systeem neer te leggen, en heeft dat dan tot gevolg dat ook in Nederland aanhouding van verdachten en veroordeelden op grond van deze regeling kan plaatsvinden?

Internationale strafrechtelijke samenwerking
Onze fractie heeft, zoals ik al zei, ook in het verleden gewaarschuwd voor het laten voortbestaan van lacunes in de internationale strafrechtelijke samenwerking. Ook hier geldt dat een tijdige en adequate versterking van het ministerie behoort tot een anticiperend beleid als waarop wij de minister aanspreken. Anticiperend op een voor de hand liggend antwoord van de minister willen wij van onze kant volmondig erkennen dat dit soort verdragen lastige en bewerkelijke onderhandelingen vereist en dat het ministerie te dun bezet is om heel veel meer te doen dan er wordt gedaan. Maar ook dit is een kwestie van een adequate inzet van mensen en middelen. In de nota naar aanleiding van het verslag meldt de minister dat het overzicht van verdragen betreffende uitlevering en strafrechtelijke rechtshulp na 1 september 1998 niet meer wordt bijgehouden, omdat er voor de multilaterale verdragen nu actuele overzichten op het internet beschikbaar zijn. Het beeld dat het overzicht geeft is trouwens nogal verontrustend voor een tijdsgewricht waarin een heleboel mensen zich ook om minder nobele redenenen over de aardbol bewegen: met heel wat landen heeft het Koninkrijk enkel en alleen inzake de drugshandel strafrechtelijke samenwerkingsrelaties. Er wordt nu, gelukkig, aan een breder verdrag ter bestrijding van de georganiseerde misdaad in VN-verband gewerkt. Wij nodigen de minister graag uit zijn beleid ter zake uiteen te zetten. Mogen wij verder aannemen dat de lijst van bilaterale verdragen wel geactualiseerd wordt? Het zou goed zijn als dat overzicht periodiek ter kennis van het parlement wordt gebracht. Het deed ons trouwens genoegen dat dit overzicht reeds in september 1998 was gemaakt, want de maand daarvoor nog op 4 augustus 1998 - had de toenmalige minister van Justitie op onze kamervragen geantwoord dat zij het vervaardigen van een algemene wereldomvattende inventarisatie van lacunes in de verdragen voor strafrechtelijke samenwerking (...) weinig zinvol achtte. Deze lijst hadden we toen graag in antwoord op onze vragen ontvangen. In antwoord op die vragen wees de toenmalige minister van Justitie geruststellend op de multilaterale verdragen. Op zichzelf is het in onze ogen terecht dat daaraan zo mogelijk de voorkeur wordt gegeven, maar we moeten dan wel onder ogen zien dat in multilaterale onderhandelingen vaak, te vaak eigenlijk, ruimte wordt gelaten voor voorbehouden en facultatieve clausules. Wij bepleiten dat de regering zich inspant om de internationale verdragen zoveel mogelijk van ontsnappingsclausules te ontdoen, uiteraard mits de beginselen van de rechtsstaat niet worden geschonden. Twee recente verdragen van de Raad van Europa de Criminal Law Convention on Corruption van 27 januari 1999 en de Civil Law Convention on Corruption - willen het kwaad van de grensoverschrijdende corruptie in Europees verband aanpakken op een manier die strakker is dan in de OECD-conventie voorzien. De eerstgenoemde conventie is door het overgrote deel van de lidstaten ondertekend. Van de EU-lidstaten hebben alleen Spanje, Oostenrijk en het Koninkrijk der Nederlanden zich tot nu toe afzijdig gehouden. Waarom is de regering hier tot nu toe niet van de partij en wanneer gaat dat veranderen? Het viel ons op dat dit verdrag in de memorie van toelichting bij het op 10 april 1999 ingediende wetsvoorstel 26 468 (R1637) betreffende enkele andere verdragen tegen fraude en corruptie onder het hoofd Raad van Europa zelfs niet wordt genoemd. We mogen toch wel aannemen dat de bewindslieden niet onkundig waren van de ondertekening van de Criminal Law Convention on Corruption 2½ maand daarvoor; waarom is dan geen melding gemaakt van de recente ontwikkelingen en de beoordeling daarvan?
Een belangrijk multilateraal verdrag is de International Convention for the Suppression of the Financing of Terrorism, in het kader van de Verenigde Naties gesloten op 10 januari van dit jaar. Het is in het belang van de bestrijding van het grensoverschrijdende terrorisme dat de geldstromen ten gunste daarvan minder vrijelijk kunnen vloeien. Het is ook in het belang van de goede naam van het bankwezen dat Nederland hier niet achterblijft, en dat geldt ook voor de Nederlandse Antillen en Aruba. Welk tijdschema wil de regering aanhouden om ervoor te zorgen dat dit verdrag voor het Koninkrijk zonder territoriale beperkingen gelding verkrijgt, en zou het Koninkrijk niet alsnog partij moeten worden bij het 7de Protocol bij het EVRM? En nu we het toch over verdragen hebben, zou het ons niet bij uitstek passen wat meer voortgang te maken bij de ratificatie van het Statuut van het Internationaal Strafhof van 1998?

Anticiperen
Wat wij naar voren brachten over het aanknopen van verdragsrelaties onderstreept dat Justitie moet anticiperen en dus haar middelen gereed houden voor wat onvoorzien gebeurt. Met instemming lazen wij in de toelichting op de Justitiebegroting: Justitie dient (...) sterk georiënteerd te zijn op de samenleving en op ontwikkelingen daarin te anticiperen. Daarom stelden wij op 11 januari jl. in het kader van de schriftelijke voorbereiding een paar vragen over het anticiperen op ontwikkelingen. De vraag naar de verdragen betreffende uitlevering en strafrechtelijke rechtshulp was niet nieuw. Al jaren wijst onze fractie erop dat het vlechtwerk van verdragen voor internationale strafrechtelijke samenwerking op orde en bij de tijd moet zijn. In februari 1998 kregen wij alleen ontwijkende antwoorden en een half jaar later strandde het verzoek om aanhouding en uitlevering van een bekende Surinaamse verdachte op het ontbreken van een adequate verdragsrelatie met Trinidad en Tobago.
Helaas komt Justitie vaker terecht in zon situatie die we kenschetsen met het spreekwoord: Als het kalf verdronken is, dempt men de put. Zeker, justitiebeleid is onontkoombaar vaak reactief: het behoort tot de beginselen van rechtsstatelijk strafrecht dat iemand alleen aan sancties wordt onderworpen wegens de daden die hij heeft begaan, of waarmee hij althans een begin van uitvoering heeft gemaakt; maatregelen van kinderbescherming zijn een reactie op gebleken problemen; en buiten het strafrecht geldt dat de rechter pas in actie komt nadat de burger van rechtsmiddelen gebruik heeft gemaakt. Het spreekwoord Als het kalf verdronken is, dempt men de put heeft minder bekende equivalenten, die voor Justitie minstens zo toepasselijk zijn: Het is te laat de stal gesloten, als het paard gestolen is, en Het is te laat de kooi gesloten, als het vogeltje gevlogen is. Toen wij eveneens al een paar jaar geleden opmerkten dat de meerjarencijfers van Justitie een daling van de tbs-capaciteit aangaven, terwijl iedereen wist dat een uitbreiding nodig was, verwees de toenmalige minister naar de onderhandelingen over een nieuw regeerakkoord. De huidige minister speelde bij die onderhandelingen een sleutelrol, zodat we niet hoeven te vrezen dat onze hernieuwde vragen opnieuw met een doorverwijzing zullen worden beantwoord. De antwoorden leren dat er een capaciteitstekort in dit jaar wordt voorzien van 50 plaatsen, volgend jaar van 105 plaatsen, in 2002 van 80 plaatsen en vanaf 2003 van 140 plaatsen. Dit betekent dat de capaciteitsuitbreiding die in 2002 beschikbaar komt al tekort schiet voor de capaciteitsbehoefte in 2001. Onze waarschuwingen twee jaar geleden waren dus niet overbodig, maar belangrijker nog vinden wij het antwoord op de vraag wat de regering hier alsnog aan gaat doen. Welke voorstellen heeft de minister ontwikkeld of gaat hij ontwikkelen om het voorziene groeiende capaciteitstekort te verhelpen? En hoe wil hij reageren op de door het WODC onder de aandacht gebrachte problemen zoals het onbegeleid ontslag geven aan TBS-gestelden met een hoog recidiverisico?
Gevangeniscapaciteit
Dat wij onze vragen nu beperkten tot de tbs-capaciteit, betekent niet dat wij ons zonder meer scharen in de vorig jaar door Justitie opgeroepen euforie over het einde van het capaciteitstekort bij het gevangeniswezen. Zeker, de vreugde over dit resultaat van lange-termijnbeleid van drie voorafgaande kabinetten is ook de onze. Maar het begeleidende bericht dat het nu genoeg is, zelfs meer dan genoeg, roept bij ons vragen op. Criminaliteit die weliswaar veel voorkomt, maar beslist niet klein of onbelangrijk, zoals inbraken in autos, vernieling en beschadiging van publieke en private eigendommen, en allerlei diefstallen blijven justitieel onbeantwoord, tenzij er wegens bijzondere omstandigheden, zoals men dat dan zegt, beleid op wordt losgelaten alsof Beleid een vervaarlijke politiehond zou zijn. Natuurlijk willen ook wij niet dat mensen wegens onbelangrijke delicten via de gevangenis met de harde wereld van de misdaad vertrouwd worden gemaakt. Maar detentiecapaciteit is ook capaciteit voor voorlopige hechtenis en dient au-projecten en andere inspanningen om de afstand tussen delict en het ervaren van een reactie daarop te verkleinen. Is het misschien zo dat er helemaal niet zon overcapaciteit bij het gevangeniswezen is, maar dat de andere schakels van de justitiële keten teveel beperkingen en tekorten ondervinden? Naast de kwantitatieve aspecten van het gevangeniswezen vereisen ook de kwalitatieve voortdurend aandacht. Artikel 2, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet zegt terecht: Met handhaving van het karakter van de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel wordt de tenuitvoerlegging hiervan zoveel mogelijk dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding van de terugkeer van de betrokkene in de maatschappij. Dat betekent niet dat de straf gemodelleerd kan worden naar een teruggekeerd-zijn in de maatschappij. Een werkzame detentie omvat naast werk ook andere activiteiten die structuur en normatief inzicht aan de gedetineerden willen meegeven. In deze hachelijke opgave speelt ook de dienst geestelijke verzorging een belangrijke rol. Onder leiding van de hoofpredikant, de hoofdaalmoezenier en het hoofd humanistische geestelijke verzorging heeft deze dienst haar waarde bewezen.
Helaas is in het kielzog van een discussie over bezuinigingen en deconcentratie van het beheer der penitentiaire inrichtingen (abusievelijk vaak als decentralisatie aangeduid) de zelfstandige positie van deze dienst in discussie gekomen. De wettelijke grondslag daarvan is gelegen in artikel 41 van de Penitentiaire beginselenwet. De dienst geestelijke verzorging omvat personen die als uitvloeisel van de scheiding van kerk en staat in de inhoud van de geestelijke verzorging vrij zijn ten opzichte van de executerende autoriteiten, maar voor wier capaciteit en beschikbaarheid de minister wel de apparaatzorg heeft. Wij achten het een heilloze gedachte deze beproefde formule in te ruilen voor een systeem waarbij de gevangenisdirecteuren naar behoefte en hun inzicht pastores, humanistische raadlieden en andere geestelijke verzorgers inhuren (zoals dat heet). Zon flexibilisering van het beheer leidt niet alleen tot een verschraling . De dominee uit een naburige parochie zoals een gevangenisdirecteur het onlangs redelijk interconfessioneel denkend omschreef mist de vertrouwdheid met deze bijzondere vorm van pastoraat en met de penitentiaire structuur. Kwaliteitsverlies is voorspelbaar en misschien ook een grotere gevoeligheid voor conflicten. Maar wat ons nog het meest verontrust is het verlies van professionele en confessionele onafhankelijkheid. Men zegt dat de ambtelijke status niet goed past voor deze diensten, maar vergeet dat losse contracten de geestelijke verzorger een veel minder gewaarborgde positie geven. Wij willen de minister dan ook dringend vragen de budgetten en beheersfunctie ten aanzien van de geestelijke verzorging niet aan de gevangenisdirecteuren over te dragen en de situatie te bestendigen waarin deze zorg wordt betrokken van een inhoudelijk onafhankelijke dienst geestelijke verzorging onder leiding van mensen die een missie hebben van de zendende instanties.

Nuchterheid
De minister wordt alom geprezen om zijn praktische instelling. Ook wij waarderen zon instelling. Zijn nuchterheid ten overstaan van leden van de Tweede Kamer die drastische maatregelen tegen geweld en seksueel misbruik bepleiten, oogst niet alleen bij commentatoren lof, maar wordt zelfs bewonderd door kritische hoogleraren strafrecht die (ex)-strafpleiter zijn. Nu kan men op minstens twee manieren nuchter zijn: nuchter tegenover de problemen, en nuchter ten opzichte van de middelen. Als het om de laatste gaat delen wij het verlangen van de minister naar bezonnenheid. De anti-stalkingswet van mr. B.O. Dittrich is in zijn ogen een symboolwet, ja zelfs een onuitvoerbare wet (Opzij 1 februari 2000). Wij moeten die wet nog behandelen een aantal kritisch vragen is al gesteld - en hechten waarde aan het oordeel van de minister. Zien wij het goed dat zijn opvatting dat de wet onuitvoerbaar is, ons zou moeten brengen tot verwerping van het voorstel?
Nuchterheid dus als zonder voldoende onderzoek drastische middelen worden voorgesteld. Maar als het gaat om de problemen, is er absoluut geen reden voor afstandelijke nuchterheid. Dan moet er met passie en visie worden gezocht naar verstandige middelen. De mededeling dat er zeventig jaar geleden ook al geweld in de samenleving was, maar dat de televisie er toen niet zoveel bekendheid aan gaf, getuigt van een helder historisch inzicht, althans in de ontwikkeling van het medium televisie. Maar als informatie voor justitieel beleid is deze mededeling waardeloos. Een slachtoffer van geweld kan dit alleen maar ervaren als nog een klap in het gezicht en deze slachtoffers zijn heel veel talrijker dan de bekende slachtoffers van dodelijk geweld. Scholen en andere instanties doen er vaak liever het zwijgen toe, uit zorg om hun reputatie. Blijkens een enquête die op 27 januari jl. werd gepresenteerd bij een conferentie waar ook minister Hermans het woord voerde, is geweld op de ROCs een alledaags verschijnsel. Het onderzoeksrapport Veiligheid en geweld in de bve-sector. Tijd voor beleid (CINOP, s-Hertogenbosch 2000) maakt melding van 5% van de jongeren tussen 15 en 25 jaar die hebben deelgenomen aan een vechtpartij met flink lichamelijk letsel, en 17 procent die hadden gedreigd iemand in elkaar te slaan. Dat zijn cijfers van jaren geleden. Intussen is in de periode 1992-1999 het aantal geregistreerde geweldsmisdrijven met zon 20% toegenomen. Amsterdam en Utrecht spannen de kroon; Tilburg laat een verontrustend grote toeneming zien; dit alles volgens de Atlas voor gemeenten van 1999. Als ondeugdelijke middelen worden afgewezen, is dat natuurlijk terecht. Maar laat niemand de illusie hebben dat met die afwijzing het werk geklaard is. Er is meer nodig.

De incubatie van geweld
In onze ogen is het dringend noodzakelijk dat de rechtshandhaving aan overtuigingskracht wint. Het handhavingstekort moet drastisch worden verminderd. Dat is een invalshoek die past in justitiebeleid met visie. Geweld voorkomen betekent: de voorstadia van geweld analyseren en bestrijden. Er is al jaren veel, heel veel te doen over geweld waarmee jonge mannen zich zonder enige aanvaardbare grond keren tegen passanten op weg van of naar een café of sportwedstrijd. Als iemand dientengevolge ernstig letsel oploopt of komt te overlijden wordt er niet alleen herdacht, maar ook opgetreden. Maar afkeuren en optreden in dat stadium zullen weinig helpen, als de voorstadia feitelijk ongemoeid blijven. Het spreekt vanzelf dat wij als christen-democraten daarbij niet enkel naar justitie en politie kijken, hoe belangrijk die ook zijn. Dat hier (ook of zelfs op de eerste plaats) een taak ligt voor opvoeders, leerkrachten en maatschappelijke organisaties wordt nu alom erkend. Het ministerie van Binnelandse Zaken en Koninkrijksrelaties maakte bij de presentatie van het Integraal Veiligheidsprogramma melding van leuke contacten met maatschappelijke organisaties. Particuliere beveiligingsbedrijven, Horeca Nederland, BOVAG, RAI en ANWB werken mee; er wordt gesproken van een Poldermodel voor veiligheid. Dat is natuurlijk prima, maar het gaat wel om rechtshandhaving. In februari 1998 achtte de minister van Justitie zich ter zake nog eerstverantwoordelijk en zond zij een notitie Geweld op straat, Maatregelen ter voorkoming en bestrijding aan ons toe. Daarin werden onder meer de volgende concrete initiatieven aangekondigd: voor iedereen binnen de school een veilige, herkenbare en overzienbare plek, trajectbegeleiding voor voortijdige schoolverlaters, binnen het sociaal cultureel werk en het jeugd- en jongerenwerk een aanbod (...) aan jongeren om zich sociale vaardigheden eigen te maken.
Zoveel aandacht voor de samenleving en het communiceren van waarden is, zeker in onze ogen, heel loffelijk. Misschien wil de minister ons een puntsgewijs overzicht van de uitvoering van al deze concrete initiatieven doen toekomen. Maar wij vrezen dat dit allemaal een slag in de lucht blijft als er geen wisselwerking is met een overtuigender rechtshandhaving. Is er niet naast het gedoogbeleid een grauwzone ontstaan van gedragingen die naar algemene opvatting afkeuring verdienen, maar toch door politie en justitie vrijwel buiten beschouwing worden gelaten. Onlangs verklaarde de Nationale ombudsman de klacht gegrond van iemand die na herhaalde mishandeling bij de politie vergeefs aanklopte. Dat was een kwestie van prioriteitenstelling. Onze vraag is of er niet een veel hogere prioriteit moet worden gegeven aan het tegengaan van incubatie van geweld in de samenleving. Het denken in termen van het strafrecht als ultimum remedium pakt alleen maar goed uit als er andere remedies aan voorafgaan. Als echter de realiteit is dat bedreiging en een droge klap praktisch geen aandacht krijgen, kan het strafrecht helemaal geen effectief remedium zijn, ultimum of niet. De in de Staatscourant van 1999, nr. 62, gepubliceerde richtlijn voor de inzake mishandeling te vorderen straf geeft enig inzicht in de nuchterheid ten opzichte van de prille stadia van openbaar geweld. Het basisdelict is de eenvoudige mishandeling. Voor de straftoemeting levert dat zeven strafpunten op, hetgeen neerkomt op een transactie of boete van 7 x fl 50,00, dus fl 350,00. Een dag cel is het equivalent van fl 50 als vergelding van één sanctiepunt. Een strafpunt levert in beginsel één sanctiepunt op, maar bij meer dan 180 strafpunten komt men in een schijf waar de sanctiepunten tot 50% worden gereduceerd, en bij meer dan 540 strafpunten geldt de derde schijf met een reductie tot 25%. Met automatische hulpmiddelen moet iedere officier van justitie dit kunnen uitrekenen.
Zeven punten dus voor een droge klap, of fl 350. Die basispunten worden dan verhoogd of verlaagd al naar gelang de omstandigheden en het slachtoffer. Had het slachtoffer de verdachte getergd, dan gaat er 25% van af, was het slachtoffer een ambtenaar, bewaker, ordehandhaver of toezichthouder, dan komt er 25 % bij. Een tand door de lip of een bloedneus, leidt tot 3 punten extra; zijn er bijvoorbeeld discriminatoire aspecten of is er een relatie met een sport evenement, dan komt er 25 % bij. Wie dus een niet willekeurig gekozen medereiziger een tand door de lip slaat in een supporterstrein komt op 12,5 strafpunt en een gelijk aantal sanctiepunten, dus Fl 625 transactie of boete. Mocht ik iets verkeerd hebben berekend, dan wil de minister mij wel corrigeren.
Deze calculerende rechtshandhaving zal de politie niet de boodschap meegeven dat Justitie zich echt druk maakt om dit soort criminaliteit. De realiteit van het leven is dat de politie weinig aandacht besteedt aan delicten die toch niet tot voorlopige hechtenis leiden, bijvoorbeeld omdat ze met een transactie zullen worden afgedaan. Zou hier niet een heel andere benadering ingang moeten vinden? Daarvoor is natuurlijk wel wat nodig: een ruimere capaciteit in de hele justitiële keten, van politie tot tenuitvoerlegging van sancties. Kernpunt is dat gedragingen niet pas erg zijn als ze tot dramatische gevolgen leiden, maar dat geweld en dreiging daarmee simpelweg niet worden geaccepteerd. Als hetgeen nu de realiteit is jarenlang intimiderend gedrag wordt geaccepteerd en de meeste mensen wat schichtig passeren, dan moet voor degenen die zich daar zo ophouden de enkeling die een op- of aanmerking maakt wel een hufter zijn aan wie een lesje moet worden geleerd.
Er is vaak gezegd dat er in de samenleving een mentaliteitsverandering nodig is inzake geweld en andere vormen van misdaad. Misschien is er eigenlijk vooral een andere attitude nodig bij de rechtshandhaving, waarbij niet de capaciteit de werkwijze bepaalt, maar omgekeerd de werkwijze de capaciteit. Doel moet zijn, de incubatie van geweld in de samenleving tegen te gaan: door een consequent optreden tegen elk begin van bedreiging van anderen en door tijdige hulpverlening bij het uitzetten van een maatschappelijk acceptabele levensweg, en door een veel consequenter optreden tegen wapenbezit.

Openbare orde in plaats van rechtshandhaving
Die werkwijze is uiteraard een kwestie van beleid, zou dat althans moeten zijn. Vandaar dat wij onze gedachten hier voorleggen. Justitie lijkt de leidende trol te hebben overgedaan aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; hij is althans degene die als coördinerende minster vorig jaar juni het Integraal Veiligheidsprogramma presenteerde. Rechtshandhaving wordt steeds duidelijker getransformeerd in veiligheidszorg. Meer en meer is het criterium voor optreden de overlast of verstoring van de openbare orde. Sluiting van plaatsen waar drugs worden verhandeld is daarvan afhankelijk gemaakt. De EK-wetgeving staat in hetzelfde teken, en nu pleit de Minister van BZK ook voor een wet op de openbare orde en veiligheid. Er is een opvallend contrast met de ontwikkeling in de tweede helft van de 19de eeuw, toen de handhaving van de openbare orde plaats maakte voor rechtshandhaving op basis van welomschreven wettelijke normen. Nu wordt, precies omgekeerd, de rechtshandhaving tot onderdeel van een diffuse "openbare orde gemaakt. Herkent de minister deze tendens en is hij bereid daaraan weerstand te bieden? In dit verband hebben wij ook een vraag over de justitiële bijdragen voor het Grote-Stedenbeleid. De besteding daarvan is primair een zaak van de hoofdofficier van justitie, maar welk beleid en welke maatstaven kan of moet hij daarbij aanhouden? Hoe zijn de ervaringen tot nu toe? De vacatures en het ziekteverzuim bij de politie lopen, naar wij horen, die in grootstedelijke gebieden inderdaad op 2 x 5% of meer. Komen wij met onze vragen over het justitieel beleid dan toch bij een nieuw verwijsbord, nu naar BZK?

Visie
Een staat heeft een zekere ordening nodig, maar alleen als het recht maatstaf is (en dus niet de - openbare - orde zelf), is er een rechtsstaat. De CDA-fractie hecht grote waarde aan de rechtsstaat. Dat is niet alleen een samenstel van procedurele eisen en randvoorwaarden; het is vooral een verbond van staat en samenleving, een verbond tegen geweld, dwang en ander onrecht dat mensen hindert, kwetst en vernedert. Om dit voor iedere burger tot realiteit te maken is een nuchtere, consequent volgehouden strijdbaarheid nodig. Niemand heeft de illusie van perfecte rechtshandhaving, maar van berusting mag absoluut geen sprake zijn. Daarop spreken wij de minister aan in zijn verant-woordelijkheid voor justitie en in zijn medeverantwoordelijkheid voor de middelen die justitie krijgt in het beleid van het kabinet als geheel, verantwoordelijkheid en inzet die door visie gedragen moeten zijn. Met belangstelling zullen wij beluisteren in hoeverre de minister deze visie op Justitie deelt.



Fractievoorzitter Braks na Algemene Politieke Beschouwingen Senaat

Kabinet luistert niet naar kritiek

CDA-fractievoorzitter Gerrit Braks kijkt met gemengde gevoelens terug op de medio november in de senaat gehouden Algemene Politieke Beschouwingen. Braks drukte met een aantal van zijn hoofdthemas zoals het achterstallig onderhoud aan de samenleving, de rol van de overheid en de medisch-ethische wetgeving van het kabinet, een belangrijk stempel op het debat. Over de beantwoording van minister-president Kok is hij echter niet te spreken. Ik heb de minister-president gevraagd open te staan voor kritiek uit Kamers en samenleving, maar zijn wijze van beantwoording heeft mij gesterkt in de idee dat hij dit kennelijk niet op kan brengen. De antwoorden op de vragen van alle fracties waren sterk procedureel en ontwijkend van karakter. Het is allemaal een tikkeltje arrogant.

Gerrit Braks is sinds juni dit jaar voorzitter van de CDA-Eerste Kamerfractie. Het waren dus zijn allereerste Algemene Beschouwingen als fractievoorzitter. Als voorzitter van de grootste oppositiepartij beet hij de spits af. Braks haalde het CDA-motto Investeren in de kwaliteit van de samenleving nog eens aan. Hij constateerde veel achterstallig onderhoud aan de samenleving. Als voorbeelden noemde hij onder meer de lange wachtlijsten in de zorg, de onveiligheid op straat en de achteruitgang van het onderwijs op alle niveaus. Braks: Dit zijn stuk voor stuk zaken die de burger direct raken, maar het kabinet geeft niet thuis. Het kabinet heeft met de mond wel gekozen voor investeren in de kwaliteit van de samenleving maar feitelijk domineert nog steeds het oude motto werk, werk, en nog eens werk. Dat is goed voor de marktsector maar biedt geen oplossingen voor genoemde publieke opdrachten bij gebrek aan middelen en werkers. In de plannen van het kabinet ontbreekt het ten enenmale aan een aanpak van het gebrek aan sociale cohesie. Iedereen moet in Nederland mee kunnen doen maar de praktijk leert anders.
De CDA-fractievoorzitter besteedde vanuit de christen-democratische optiek veel aandacht aan de rol van de overheid, met name tegen de achtergrond van privatiseringstendensen. Braks: Voor ons staat vast dat een betrouwbare en krachtige overheid nodig blijft. De overheid heeft de opdracht de publieke gerechtigheid te dienen. Geloofwaardigheid en gezag van de overheid zijn dan ook essentieel. Het CDA vindt ook dat de overheid waarden en normen moet stellen en handhaven als het gaat om zaken van leven en dood. Braks laakte de nieuwe euthanasiewet van paars: De beschermwaardigheid van het leven is de norm voor zowel het naar het einde neigende leven als voor ongeboren of pasgeboren leven. Neemt een overheid die strafbaarheid van euthanasie heeft voorzien zich nog wel serieus als de toetsing door het OM tussen haken wordt gezet en wordt vervangen door een eindoordeel van de toetsingscommissies. Een betrouwbare en krachtige overheid dient te garanderen dat een recht op leven niet kan verworden tot een gunst.
Braks is sceptisch over allerlei privatiseringstendenzen. Doel van privatisering moet zijn de efficiency te dienen. Geen privatisering als doel-in-zichzelf dus. En van bedrijven met een monopoliepositie zoals NS kun je natuurlijk geen marktwerking verwachten.
De CDA-senator had forse kritiek op het kabinet omdat het na de Nacht van Wiegel het wetsvoorstel tot verandering van de Grondwet inzake het correctief referendum gewoon weer indient. Dat is toch verbijsterend. Heeft de regering er wel rekening mee gehouden dat de politieke samenstelling in dit huis ingrijpend is gewijzigd na de Statenverkiezingen of gebeurt dit al als ik let op de lange tijd die wordt genomen voor de beantwoording van een enkele aanvullende vraag over het herindelingsvoorstel Twente? Braks verweet het kabinet verder niet erg productief te zijn als het gaat om wetgeving. Onze Kamer kampt al weken met een bijna lege agenda voor plenaire zittingen. Dat is toch een teken aan de wand? En als er dan wetsvoorstellen worden ingediend wordt het parlement nauwelijks tijd gegund die zorgvuldig te behandelen zoals nu weer blijkt bij de aanpak van het Belastingplan. Dit komt de kwaliteit van de wetgeving waarop toch nogal wat kritiek wordt geuit niet ten goede. Braks vindt dat paars niet luistert naar de Kamers en de samenleving. Een belastinghervorming is een cultuurschok, de impact is geweldig. Die kun je niet zomaar even door de Kamers jagen. De Eerste Kamer in de gewijzigde samenstelling zal zeker niet zonder slag of stoot akkoord gaan met rammelende belastingwetgeving.
De gang van zaken rond het Belastingplan is volgens hem illustratief voor de wijze waarop het kabinet omgaat met kritiek. Men is arrogant bezig. Men luistert niet. Daarom heb ik Kok ook op de man af de vraag gesteld of hij wel open staat voor kritiek. Ook daarop reageerde hij ontwijkend, zoals hij overigens de hele Kamer ontwijkend antwoordde. Ook de paarse fracties. Deze hebben ook in senaat kritiek maar uiteindelijk steunen ze het beleid wel. Het regeerakkoord is heilig. Zon strakke binding aan het regeerakkoord brengt de democratie om zeep.


Algemene Beschouwingen Eerste Kamer door ir. G.J.M. Braks


1. Deze zomer had ik behoefte aan wat contant geld en ging naar de bank om me via de PIN-automaat op maat te laten bedienen. Ik wachtte op gepaste afstand op mijn beurt en zag dat een vitale wat oudere man druk doende was het moderne tuig te bedienen. Met enige spanning bespeelde hij het toetsenbord, wachtte even en streek zijn geldbundeltje op. Hij keerde zich om en keek me recht in mijn gezicht, herkende me en zei tevreden: Wat leven we toch in een mooie tijd, meneer Braks. Er was geen gelegenheid voor een verder gesprek, maar de man liet me niet meer los. Was hij gefascineerd door de techniek, die het mogelijk maakt zomaar geld uit de muur te halen of wilde hij tevredenheid tonen vanwege het feit dat er ook daadwerkelijk geld beschikbaar is om uit de muur te komen, ook voor eenvoudige mensen als hij. En wat voor achtergrond zou de man hebben om zo tevreden te zijn? Ik denk dat hij in zijn leven nog veel onzekerheid en armoede gekend heeft.


2. Maar als ik afga op wat ik elders in de samenleving en in de publiciteit opvang, zijn de gevoelens momenteel niet overal zo tevredenstellend. Bij veel mensen - ook al staan ze zelf aan de goede kant - leeft de vraag hoe het toch komt dat bij een reeds jaren durende als maar meevallende economische groei, de kwaliteit van:
de gezondheidszorg met zijn veel te lange wachtlijsten en wachttijden

de verpleeg- en verzorgingstehuizen met een groot tekort aan capaciteit

de opvang van lichamelijk en verstandelijk gehandicapten

de thuiszorg (gebudgetteerd op 18 minuten per adres)

het onderwijs op alle niveaus

de veiligheid op straat

zo ontstellend zijn achteruitgegaan, terwijl het aantal mensen met (voor zichzelf onoplosbare) schulden in een jaar tijd is verdubbeld. Hoe ervaart de MP deze ontwikkelingen? Richt paars zich niet te eenzijdig op afspraken tussen werkgevers en werknemers, gericht op werk, werk en nog eens werk? Dat motto is blijkbaar te simplistisch om daarmee de huidige problemen op te lossen. Hoe kan de PvdA daar dan zo gretig achteraan lopen? Is de MP met zijn achtergrond van nature niet al te sterk gericht op werk en inkomen, het primaire speelveld van de sociale partners? De overheid heeft daar slechts een afgeleide verantwoordelijkheid, terwijl zij toch een eerste verantwoordelijkheid heeft om te voorkomen dat de zwakkeren en afhankelijken in de knel komen. Er doen zich ontwikkelingen voor die de samenleving opnieuw in tweeën dreigen te delen: degenen die opgeleid zijn en werk en inkomen genieten en anderen die om welke reden dan ook een opleiding missen en vaak afhankelijk zijn, weinig gelegenheid hebben zichzelf verder te ontwikkelen of voor zichzelf op te komen. Maar er is meer.


3. De huidige ontwikkelingen leiden tot een sterk toegenomen consumptiedrift en daarmee voor werkgelegenheid in de marktsector en heeft tot gevolg dat er onvoldoende geld en werkers zijn voor de uitvoering van de eerder genoemde echte overheidstaken. Recentelijk liet de MP blijken zich niet makkelijk te voelen met het gedrag van mensen met kapitaal die zijns inziens te veel speculeren en als ondernemers te weinig gericht investeren. Maar ontbreekt het de Nederlandse samenleving niet veel meer aan een spannende visie, met passie van de overheid om samen het volgende millennium goed binnen te gaan? De zieners dromen, het kapitaal en de technocraten regeren! Maar de maatschappij staat niet stil. We treden nu een tijdperk binnen waarin de plaats van het individu veel meer op de voorgrond treedt. In toenemende mate hebben de mensen een eigen inkomen en hebben zelfstandig iets te kiezen. Op de markt van producten en diensten wordt dan ook terdege rekening gehouden met hun wensen. Maar dat vraagt juist extra attentie van de overheid om hen die tussen wal en schip terecht dreigen te komen, te beschermen, temeer omdat de vroeger sterk ontwikkelde onderlinge solidariteit steeds verder naar de achtergrond verdwijnt. De mensen vervreemden van elkaar. Bij het bepalen van het regeerprogramma van dit kabinet is de ethische inbreng gering geweest. De partijen hadden het te druk met hun eigen stokpaardjes en hebben dan ook tevergeefs gezocht naar een gezamenlijk motto. De arrogante bestuursstijl van paars gaat de PvdA opbreken, schrijft niemand minder dan Paul Kalma, de directeur van de Wiardi Beckman Stichting, in een vernietigend artikel in de Volkskrant van 2 oktober jl. Wil de MP hierop reageren? In de plannen voor de komende jaren ontbreekt ten enen male een aanpak voor het gebrek aan sociale cohesie in de samenleving. Iedereen moet mee kunnen doen in Nederland, maar de practijk leert anders. De inkomensverschillen zijn de laatste jaren drastisch toegenomen. Inmiddels heeft het kabinet een benadering gevonden: investeren in de kwaliteit van onze samenleving. Het werd tijd, want er is nogal wat achterstallig onderhoud ontstaan.

4. Investeren in de kwaliteit van de samenleving, is overigens een motto dat de afgelopen jaren al herhaaldelijk door het CDA is opgeworpen. Eindelijk gerechtigheid zou je zo zeggen. Men doet het wel eens voorkomen alsof onze rol uitgespeeld is. Wat ons betreft - we zijn de grootste fractie in dit huis - is dat geenszins het geval en wij putten moed uit het verleden. Een eeuw geleden bevond de christen-democratie zich - net als thans - in de oppositie. Het vrijzinnig-liberale kabinet Pierson-Goeman Borgesius en de meerderheid van de Tweede Kamer stond ook toen vaak scherp tegenover onze erflaters, maar de christen-democratie stond op de drempel van de nu aflopende eeuw op doorbreken. Inmiddels mag de twintigste eeuw met recht een eeuw genoemd worden waarin de christen-democratie nadrukkelijk een merkteken op het openbaar bestuur en de Nederlandse samenleving gezet heeft. Met uitzondering van een dozijn jaren droegen christen-democraten regeringsverantwoordelijkheid: vaak dominant. Haar gedachtengoed kleurde zelfs de Nederlandse varianten van socialisme en liberalisme. Het voor Nederland zo typerende partculiere maatschappelijke en civiele initiatief kreeg veel ruimte en bloeide op. Bij de opbouw van de sociale zekerheid hebben christen-democraten, met wisselende partners, een wezenlijke rol gespeeld, terwijl zij in Europa zeer intensief betrokken zijn geweest bij de grote projecten van Europese en Atlantische samenwerking.


5. Genoeg omgekeken. De christen-democratie wil vanuit haar eigen vaste waarden in de komende eeuw mee blijven werken aan een kwalitatief goede inrichting van de samenleving, ook in het openbaar bestuur. De samenleving en de mensen ten goede. Wij zullen daarbij staatshuishouding gezond te maken c.q. te houden. Onze fractie zal bij de Algemene Financiele Beschouwingen nader ingaan op de Miljoenennota en het Belastingplan. Nu zij al opgemerkt dat - met waardering voor het beleid van de bewindslieden op Financiën - er enkele donkere wolken te zien zijn. Met vele economen zijn wij van mening dat de indicaties voor een overspannen arbeidsmarkt en de relatief hoge inflatie zorgwekkend zijn. De overbesteding die zich aftekent wordt door het regeringsbeleid alleen maar gevoed. Weinig of geen EU-landen hebben een hogere inflatie dan wij. Dit is op den duur slecht voor onze concurrentiepositie, slecht voor de economie en slecht voor de laagst betaalden, die uiteindelijk de kosten van de inflatie moeten dragen. Maar goed dat de aan de Euro ten grondslag liggende voorwaarden ook ons dwingen tot discipline.
Voorts is onze lijn dat prioriteit gegeven moet worden aan een verdere reductie van het financieringstekort of aan de vorming van een overschot. Aldus kan de schuldquote versneld verlaagd worden, wat juist nu met gunstige economische ontwikkelingen, wenselijk is. We volgen daarmee in wezen de lijn van minister Zalm. Eventuele gerichte lastenverlichting moet dan binnen de al beschikbare begrotingsruimte gevonden worden. Dit alles om ook financieel in de kwaliteit van onze samenleving te investeren.


6. Vandaag bij de algemene politieke beschouwingen willen wij wel wat meer zeggen over de rol van de overheid. De christelijke volkspartijen in de Nederlandse parlementaire geschiedenis kenden een duidelijke visie op de overheid, haar grondslag en haar roeping. In onze opvatting valt de overheid niet samen met de samenleving. De overheid heeft de opdracht de publieke gerechtigheid te dienen. Onmisbaar als voorwaarde voor beschaving. Aan de overheid zijn dus ook grenzen gesteld. Deze liggen in de rechten van de mens en zij liggen in het recht op zelfbepaling en zelforganisatie van samenlevingsverbanden. Soevereiniteit in eigen kring en de subsidiariteit en daarmee verbonden het CDA beginsel van de gespreide verantwoordelijkheid, onderbouwen deze visie. Overheidsinterventie dient zijn legitimering dan ook te vinden in een zekere mate van sociale consensus aangaande bindende sociale waarden. Wij zien op dit punt een belangrijke rol voor een vitaal maatschappelijk middenveld, waarbinnen burgers hun bestemming als lid van de samenleving actief kunnen waarmaken. De overheid is daarbij geen regiseur. Ook kan zij niet op voorhand de hoofdrol claimen in het debat over waarden en normen. Zeker op de domeinen die nauw verbonden zijn met de menselijke ontplooiing en die onder het beslag liggen van levensbeschouwelijke waarden en van maatschappijvisies past terughoudendheid: bijvoorbeeld ten aanzien van opvoeding, onderwijs, vorming, cultuur, zorg, arbeid, e.d.. Hier is een rol van de overheid van belang, maar deze dient vooral voorwaardenscheppend te zijn. Op andere gebieden -zoals de handhaving van de in- en externe veiligheid, justitie, de inrichting van de schaarse ruimte, het verzorgen van een sociaal vangnet, e.d. - is de rol van de overheid fundamenteel.


7. In de recente brief van de Minister van Justitie over de capaciteit van de justitiële inrichtingen wordt beweerd dat zich in het gevangeniswezen overcapaciteit aftekent. Wij betwijfelen echter of er werkelijk wel sprake is van overcapaciteit. Nog steeds blijft een groot aantal ernstige misdrijven justitieel onbeantwoord, met name in de sfeer van diefstallen en inbraken, vernielingen en kleinschalige drugshandel. De verklaring daarvan is voor een belangrijk deel gelegen in een gebrek aan capaciteit van politie, openbaar ministerie en strafrechtspraak. In feite gaat het dus om een capaciteits tekort in deze schakels van de justitiële keten. Dit betekent niet dat onze fractie zich eenzijdig verlaat op het strafrecht. Voorkoming van situaties en gedragspatronen waarin criminaliteit gedijt neemt bij ons al jaren een belangrijke plaats in. Dan moet er wel adequate opvang zijn voor mensen met gedragsproblemen. De mogelijkheden voor toepassing van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, waar men toch al kampt met te weinig capaciteit, zijn naar de mening van mensen uit de gemeentelijke practijk wel erg beperkt. Dat vraagt aandacht van het kabinet, zowel qua wetgeving als qua capaciteit.
Degenen die denken dat het vreemdelingen beleid nog op nationale wijze kan worden uitgevoerd, geven zich over aan een bedenkelijke illusie. In Tampere tekende zich weliswaar vooruitgang af, maar in verhouding tot wat echt nodig is, bepaald te weinig. Een gemeenschappelijk beleid is nog ver weg: een aantal lidstaten houdt een billijke verdeling van de opvang van asielzoekers over Europa uit nationale gemakzucht nog steeds tegen. Was de tevredenheid van de MP na de Europese Raad wel realistisch, en hoeveel tijd is aan de Raad van Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken eigenlijk gegeven om de juridisch niet bindende consensus van de staatshoofden en regeringsleiders inzake criminaliteitsbestrijding, asiel en immigratie om te zetten in bindende besluiten?


8. In een democratie is de betrokkenheid van de samenleving vooral via de volksvertegenwoordiging wezenlijk. Wetgeving en bestuur behoren zeker op hoofdlijnen met die volksvertegenwoordiging te worden ontwikkeld, maar er is meer, nl. het gezagsmotief dat in onze politieke geschiedenis altijd mede benadrukt is en eigenlijk een geconditioneerd recht van de overheid is, om zijn besluiten in de samenleving tot gelding te brengen. Maar verdampt die overheid niet voor een fors deel in de hitte van allerlei ontwikkelingen, zoals de mondialisering van de economie, de supranationale integratie, de horizontalisering van machtuitoefening, waarover onder anderen de essayist Peper schrijft, en vooral ook de relativering van het territoir als fundament van het traditionele overheidsgezag? Voor ons staat echter onverminderd vast dat de overheid nodig blijft. Daarom moet met alle kracht gewaakt worden tegen uitholling van haar opdracht, haar gezag, haar slagkracht. In het debat zullen we het regeringsbeleid blijven toetsen op heldere keuzen, helder beleid met relatieve continuïteit, dat laatste ter versterking van de betrouwbaarheid van het handelen van de overheid. De overheid dient er
b.v. voor te waken dat waar zij publieke taken uitoefent, deze afgeschermd worden van het commerciële domein. Dan zijn er andere waarden aan de orde. Hybride organisaties leveren morele mengvormen op die tot broedplaatsen worden voor niet integer gedrag. Dit werd in de voorbije periode herhaaldelijk geïllustreerd, recentelijk nog op pijnlijke wijze met de onrechtmatige commerciële activiteiten van de Provincie Zuid-Holland, terwijl ik geschrokken ben van het bericht dat particuliere milieu- adviesbureaus ten behoeve van de bedrijven, belastende gegevens voor de overheid systematisch weglaten of gunstiger beschrijven dan de werkelijkheid. Hoe denkt de regering dergelijke ontwikkelingen in de hand te krijgen?

9. Een goed funktionerende democratische rechtsstaat vereist helderheid t.a.v. gezag, verantwoordelijkheid en verantwoordingsplicht. In het proces van de terugtredende overheid doen zich allerlei contradicties voor in de beeldvorming rond de overheid. Mijnheer de voorzitter, uw voorganger in dit huis, de huidige vice voorzitter van de Raad van State, de heer Tjeenk Willink, sprak over die problematiek bij gelegenheid van het 35 jarig bestaan van de Faculteit der Sociale Wetenschappen van de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Hij komt tot de conclusie dat de overheid aan het einde van de 20ste eeuw in een uiterst kwetsbare positie bevindt. Ter illustratie somt hij zeven actuele contradicties rond de overheid op:
die van de opvatting dat de overheid moet terugtreden en de opvatting dat uiteindelijk de overheid verantwoordelijk blijft voor risicos die burgers lopen

die van de opvatting dat de overheid bedrijfsmatig moet werken, hetgeen risico nemen impliceert, en de opvatting dat de overheid geen fouten mag maken

die van de opvatting dat juist overheidsdiensten waarmee burgers direct te maken hebben moeten worden verzelfstandigd, zo niet geprivatiseerd, en de opvatting dat de overheid garant moet staan voor kwaliteit, toegankelijkgheid, samenhang en controleerbaarheid van diensten en hun producten

die van de opvatting dat de burger toch vooral als klant moet worden beschouwd en de opvatting dat de calculerende burger het voornaamste probleem voor de overheid vormt

die van de waarneming dat ook de verhoudingen binnen de overheid horizontaliseren én de behoefte overheidsmacht in persoon te duiden, hetgeen hierarchisering suggereert

die van de opvatting dat het tekort aan informatie het belangrijkste manco in het functioneren van de overheid is én de ervaring dat de overvloed aan informatie meer het knelpunt vormt

die van de verwachtingen die worden gewekt én de mogelijkheden(qua geld, tijd en capaciteit) om aan de verwachtingen te voldoen

Onze oud collega komt tot de conclusie dat door deze inconsequente wijze van benadering de geloofwaardigheid van de overheid en dus het politieke gezicht daarvan - kabinet en parlement - verzwakt. Mediatisering en politieke nervositeit dragen aan de kwetsbaarheid van de overheid bij, zo stelt Tjeenk Willink in zijn heldere betoog. Ik neem aan dat het kabinet er ook kennis van genomen heeft en ik zou de MP willen vragen een reactie te geven, ook op de nogal kritische passages?

10. Heldere keuzen maken parlementaire controle en controle door andere externe organen pas goed mogelijk. Het kabinet wil de inhoud en reikwijdte van de ministeriële verantwoordelijkheid dan ook onverkort handhaven. Terecht! Verantwoordelijkheid wordt anders een fictie, omdat de bevoegdheden dan niet helder geregeld zijn. Tegelijkertijd constateert zij afnemend sturend vermogen in een context van toenemende afhankelijkheid; vooral van de markt, maar ook van andere overheden, semi-overheden en maatschappelijke organisaties. Bij het zoeken naar verhelderingen over de rol van de bewindspersoon en van de ambtenaar denkt men sterk hiërarchisch en blijft voor een goed deel steken in procedures, zonder dat helder wordt welke waardeoriëntaties aan de regelingen ten grondslag liggen. Zonder zon duidelijke keuze overtuigt een overheid niet. Intern vormt de ambtelijke loyaliteit en de daarmee verbonden discretie het logische complement van de ministeriële verantwoordelijkheid. Elke keer als incidenten - die in aantal zeker niet afnamen - aan het licht komen, laait de (waak-) vlam van de discussie weer op. Minister Peper schrijft riant positief over het inhoud geven aan het integriteitsbeleid, maar het betreft een veelheid aan interne regeltjes, zonder dat daaraan een eenheid van visie ten grondslag ligt. Wij dringen aan op wetgeving in formele zin.

11. Een kwalitatief goede samenleving dient ruimte te scheppen om gestalte te geven aan de zorg van mensen voor elkaar en vooral voor hen wiens bestaan in hoge mate afhankelijk is van de zorg van anderen. Werkdruk, consumptisme en individualisering lijken de onderlinge zorgplicht te doen eroderen. Is het minimale gebruik van de door Minister Melkert ingevoerde wettelijke zorgplicht daar een symptoom van of is de regeling te mager om mensen werkelijk de gelegenheid te geven om voor hun zieke familie te zorgen? Hoe beoordeelt de regering de recent gepubliceerde resultaten met betrekking tot het gebruik van de wettelijke zorgplicht? Omdat het CDA zeer veel waarde hecht aan onderlinge lotsverbondenheid en solidariteit, bepleiten wij voor verruiming van de regeling. Wij zijn ook verheugd over de verruiming van het budgettaire kader voor de zorgsector, die in de vorige kabinetsperiode ernstig geleden heeft door ontoereikende financiele middelen. Toch komt het herstel van het zorgaanbod nauwelijks tot stand, omdat niet alleen het budgettaire kader, maar vooral ook de krapte op de arbeidsmarkt een belangrijke belemmerende factor is voor een toereikend zorgaanbod. Het imago is slecht en wij vragen de regering dringend aan dit steeds nijpender wordende probleem hoge prioriteit toe te kennen. Wachtlijsten en wachttijden bij vrijwel alle onderdelen van de zorgsector, is een fenomeen waar de samenleving helaas al veel te lang mee geconfronteerd wordt.

12. Investeren in de kwaliteit van de samenleving veronderstelt een kwalitatief sterke overheid, die ook normen stelt en handhaaft als het gaat om zaken van leven en dood. De beschermwaardigheid van het leven is volgens de CDA-fractie de norm voor zowel naar het einde neigende leven als voor ongeboren of pasgeboren leven. Illustratief voor de wijze waarop paars omgaat met kwetsbaar leven is het wetsvoorstel Toetsing levensbeeindigend handelen op verzoek en hulp bij zelfdoding, dat bij de Tweede Kamer is ingediend. De levensbeeindiging van kinderen vanaf 12 jaar zonder toestemming van een van de ouders heeft terecht bij velen weerstand opgeroepen. En neemt een overheid, die strafbaarheid van euthanasie heeft voorzien, zich nog wel serieus als de toetsing door het Openbaar Ministerie tussen haken wordt gezet en wordt vervangen door een eindoordeel van toetsingscommissies? Een betrouwbare krachtige overheid dient te garanderen dat een recht op leven niet kan verworden tot een gunst. Natuurlijk moet er - bij ondraaglijk lijden in stervenssituaties - ruimte kunnen zijn voor verschillende interpretaties over wat menswaardig is, maar het beëindigen van het leven door artsen kan niet als normaal medisch handelen worden beschouwd.

13. De kwaliteit van een samenleving is naar de mening van de CDA-fractie in hoge mate gediend met mensen die hun maatschappelijke verantwoordelijkheid gezamenlijk willen waarmaken in organisaties. Het belang van de publieke omroep is dan ook gegeven met omroepverenigingen die daarvoor de ruimte hebben. Uit de aanpak van de regering blijkt dat zij echter alleen vertrouwen heeft in zichzelf en getuigt door een sterke centralisatie middels bestuurlijke constructies van een ouderwets geloof in de maakbaarheid van de samenleving. Door van omroepverenigingen te verwachten én zichzelf én de netten die zij bespelen te profileren, zijn zij gedwongen de marathon te lopen in een spagaathouding. In de Consessiewet, ernstig bekritiseerd door de Raad van State, wordt het evenwicht tussen identiteit en autonomie verder geweld aan gedaan. Het lef ontbreekt om pluriformiteit en verscheidenheid van onderop te laten blijven gedijen. Hoe is het met elkaar te rijmen dat de regering in het mediabeleid omroepverenigingen knevelt en diep ingrijpt in hun eigen verantwoordelijkheid, terwijl bij de algemene toelichting van de begroting van O,C en W (pag. 3) met positieve waardering wordt gesteld: De constanten in het cultuurbeleid - expressievrijheid, verscheidenheid, kwaliteit en terughoudendheid van overheden - hebben een enorme veelvormigheid in de cultuur mogelijk gemaakt? Wat de kunst in het algemeen betreft hebben wij eenzelfde zorg. Voor het op zichzelf goede streven om een breder publiek in aanraking te brengen met kunst, valt de regering terug op marktdenken, waarbij de aandacht wordt verschoven van de aanbodzijde naar de vraagzijde. Vergaande regulering en subsidies met quotas voor jongeren en minderheden moeten de cultuur democratiseren. De strafkortingen voor wie niet aan de quota voldoet, vormen een navrant bewijs van onvermogen. Niet de kunst moet naar de jongeren en allochtonen gebracht worden, maar -omgekeerd
- er moet bewerkstelligd worden dat deze groepen door de kunst worden aangetrokken. Om Ruud Lubbers te citeren (State of the Union op 2 september jl. bij het thearterfestival): Vraag de muze niet om ondernemer te zijn, vraag de ondernemer cultureel te zijn. Hoe oordeelt de regering over deze opvattingen?

14. Onderwijs is meer dan kennisoverdracht en het aanleren van vaardigheden. Het is ook essentieel voor persoonlijke vorming en ontplooiing; het is een cultureel bindmiddel en een instrument om de samenleving tot eenheid te brengen. Daarom dient onderwijs, ook als geen nadruk ligt op levensbeschouwing, in de eerste plaats georganiseerd te worden in nauwe betrokkenheid van ouders en hun verantwoordelijkheden. De verantwoordelijkheid voor het onderwijskundige proces behoort te liggen bij de instellingen. Het adagium: wie betaalt, bepaalt gaat hier dus niet helemaal op. Tot de taak van de overheid behoort in ieder geval te zorgen voor voldoende financiele middelen, voor de toegankelijkheid en voor een adequate infrastructuur, waarbij het niet alleen gaat om gebouwen, maar ook om voldoende gemotiveerd personeel en het betaalbaar en tijdig beschikbaar zijn van lesmateriaal. De slogan betreffende onderwijs in de begroting 2000: sterke instellingen en een verantwoordelijke overheid spreekt ons wel aan, maar zou in het licht van het voorgaande omgekeerd moeten worden: verantwoordelijke instellingen(voor het onderwijskundige proces) en een sterke overheid(die uiteraard publieke verantwoording vraagt af te leggen van het onderwijskundig proces). Dat geldt voor alle niveaus van onderwijs. Sprekend over de kwaliteit van het onderwijs, blijft het problematisch dat steeds meer kinderen de basisschool verlaten zonder dat ze kunnen lezen en schrijven. Het aantal analfabeten in Nederland loopt in de honderden duizenden. Dat is een grote zorg. In het grote steden beleid heeft de regering terecht ruimte gemaakt om de achterstandproblemen aan te pakken. Het gaat er om, dat het - ook buiten de grote steden - nu ook in het onderwijs opgepakt wordt, omdat eenmaal opgelopen achterstanden slechts moeizaam en in langdurige processen weg te werken zijn.

15. De nadruk die minister Hermans - zeker in vergelijking met zijn voorganger- legt op verantwoordelijkheid en autonomie, spreekt het CDA aan. Het is zeer de vraag of de middelen toereikend zijn om de geschetste doelstellingen te realiseren. Het blijft zorgelijk dat de onderwijs inspanning in ons land onder het gemiddelde van de OECD en de ons omringende landen blijft. Een kabinet dat pretendeert te investeren in de kwaliteit van de samenleving, kan bij investeringen ten gunste van kwaliteit van ons land als kennisland toch niet achterblijven? In de afgelopen jaren is de instroom in de hogescholen ruim 2 maal zo snel gegroeid als die in het universitair onderwijs, terwijl het bedrag per student sinds 1993 elk jaar daalt! Pabos moesten noodgedwongen een studentenstop doorvoeren, omdat er onvoldoende stageplaatsen in het basisonderwijs beschikbaar komen bij gebrek aan middelen voor het extra werk voor de stagebegeleiding. De hoge eigen bijdragen van de ouders, zijn voor lager betaalden en kleine zelfstandigen momenteel zodanig, dat dit niet bevorderlijk is voor het democratisch gehalte van het onderwijs? Binnenkort is de voorziene evaluatie van de WEB (wet educatie en beroepsonderwijs) aan de orde. Met deze wet heeft dit segment van voortgezet onderwijs in Nederland een compleet nieuw aanzien gekregen. Bijna de helft van de Nederlandse beroepsbevolking heeft op een of andere manier dit onderwijs, dat nauw moet aansluiten bij de behoefte op de arbeidsmarkt, gevolgd. De wetgeving voor de bve sector zou meer taakstellend en minder voorschrijvend moeten zijn, om met de nodige flexibiliteit en souplesse, aan de wensen van het veld te kunnen voldoen. Het gebrek aan personeel op de arbeidsmarkt doet zich vooral voor in sectoren waar men mensen vraagt met een laag opleidingsniveau.De bve sector is in staat velen die zelfs die opleiding nog ontberen op korte termijn zodanig te scholen dat zij bij de productie, de dienstverlening en in de zorg in te zetten zijn. Dat is niet alleen investeren in de markt, maar ook in de toekomst van mensen. Door hen nu met betrekkelijk kleine extra inspanningen op het goede pad te zetten, kan de samenleving over een paar jaar veel ellende en kosten besparen. Hier is personeel te werven. Graag een reactie van de regering?

16. De regering heeft het voornemen het wetsvoorstel tot verandering van de grondwet inzake het correctief referendum ongewijzigd opnieuw in te dienen. Dit voornemen is verbijsterend. De regering acht dit kennelijk rechtvaardig omdat maar één stem in dit huis bij tweede lezing ontbrak voor de vereiste 2/3e meerderheid. Heeft de regering er rekening mee gehouden dat de politieke samenstelling van dit huis ingrijpend gewijzigd is na de Statenverkiezingen? Of gebeurt dat al gelet op de lange tijd die genomen wordt bij de beantwoording van een enkele aanvullende vraag over het herindelingsvoorstel inzake Twente. Het kabinet is overigens erg weinig productief als het gaat om wetgeving. Onze kamer kampt al weken met een lege agenda voor de plenaire zittingen. Dat is toch een teken aan de wand. En als er wetsvoorstellen worden ingediend, wordt het parlement nauwelijks tijd gegund deze zorgvuldig te behandelen, zoals nu weer blijkt bij de aanpak van het Belastingplan. Dit komt de kwaliteit van de wetgeving, waar toch al veel kritiek op is, niet ten goede.

17. De CDA-fractie heeft haar standpunt bij de behandeling van het wetsvoorstel en bij de stemmingen over het correctief referendum duidelijk naar voren gebracht: ons standpunt is niet veranderd. Evenmin is onze opvatting gewijzigd over de positie van de Eerste Kamer zoals uitgesproken b.g.v. de interpellatie Schuurman. Dat wil niet zeggen dat wij altijd tegen elke vorm van grondwetswijziging zijn. Komend weekend zullen we ons, onder leiding van oud college Postma, bezinnen over een aantal staatsrechtelijke problemen, waarover in de partij in mei volgend jaar formele besluitvorming zal plaats vinden.
Herkenbaarheid en doorzichtigheid van het openbaar bestuur is ons inziens gediend met bestuursbevoegdheid zo dicht mogelijk bij de burger. Wij ondersteunen daarom het decentralisatiebeleid. Er wordt vaak veel lippendienst bewezen aan de gemeentelijke autonomie, maar een fundamentele bezinning op wat deze autonomie in onze tijd betekent of zou kunnen betekenen ontbreekt. Bij de recente behandeling van het wetsvoorstel inzake opheffing van het alg. bordeelverbod, verzette de regering zich met hand en tand tegen een autonome beleidsruimte voor de gemeenten om bordelen op grond van locale overwegingen te blijven weren. Het CDA bepleit dan ook dit thema op te nemen in de constitutionele agenda-2000 om te onderzoeken of een betere grondwettelijke bescherming van autonomie mogelijk is. De gemeente is toch geen filiaal dat naar wisselende inzichten in Den Haag steeds moet worden verbouwd.

18. Het debat over de infrastructuur en de ruimtelijke ordening van Nederland dreigt voor de buitenstaander (en dat zijn verreweg de meeste Nederlanders) de vorm van een Babylonische spraakverwarring aan te nemen. Terwijl de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening nog volop in uitvoering is en nog tot het jaar 2010 doorloopt, wordt rond de wisseling van het millennium alweer het eerste deel van de Vijfde Nota verwacht. Midden in een discussie over de nieuwe stedelijke uitbreiding (vinexlocaties) moet er ineens ook gepraat worden over begrippen als stedenland-plus, corridors, en netwerken. Alhoewel er begrip kan worden opgebracht voor het feit dat het Rijk zich in een vijfde nota al weer bezint op de verdere toekomst, mag volgens onze fractie niet vergeten worden dat de gemeentes nog volop bezig zijn met het uitvoeren van de vinexafspraken tot 2010 en met andere investeringen verband houdend met de Vierde Nota. Zo is het al te snel changeren van de bij de Vierde Nota geïntroduceerde knooppuntenbeleid naar een mogelijke corridorbenadering in de Vijfde Nota niet erg bevorderlijk voor het ruimtelijk investeringsbeleid. Deze investeringen (met name in de infrastructuur) zijn meestel gebaseerd op lange termijn planning en -afspraken, en vereisen daarmee consistentie in beleid, te meer wanneer men via P.P.S.-constructies private financiers daarbij wil betrekken.

19. Interventie versus soevereiniteit wordt een van de centrale spanningen in het buitenlandse beleid in de komende jaren, juist nu we zo goed geïnformeerd zijn wat er zich in de verschillende landen in de wereld afspeelt. Een van de complicaties daarbij is, dat in de veiligheidsraad soms, zoals we bij Kosovo gezien hebben, geen mandaat te verkrijgen is, terwijl we toch vonden, dat de schendingen van mensenrechten, die soms afmetingen van genocide krijgen, gestopt moeten worden. De minister van Buitenlandse Zaken heeft in zijn toespraak tot de Algemene Vergadering van de VN, als wij het goed begrepen hebben, een pleidooi gehouden voor een nogal ruime interpretatie van het recht en de plicht van de volkerengemeenschap om te interveniëren, wanneer in een bepaald land mensenrechten geschonden worden. Daarentegen heeft hij zich in Duitsland nogal scherp afgezet tegen het toegeven aan emoties, door de media opgestuwd, om protest om te zetten in aktie. Wat denkt de MP hiervan? Ook zouden wij graag willen horen - richting bepalend - waar de regering nu echt voor staat en of onze defensie inspanningen nog wel voldoende zijn om in bondgenootschappelijk verband geloofwaardigheid te behouden? Hoe denkt de regering over een toekomstige Europese defensiepolitiek, met een eigen leger zoals de heer Solana dat bepleit?

20. Door nationaal te investeren in kennis en in versterking van de productie- en marktstructuur heeft de Nederlandse landbouw, onder de vlag van het belangrijkste landbouwpolitieke instrument voor Nederland, het GLB, een sterke concurrentiepositie opgebouwd, waardoor we konden uitgroeien tot een van de hoofdrolspelers in de internationale handel in landbouwproducten. De Minister van LNV laat voortdurend blijken daar trots op te zijn. Internationaal staat de Nederlandse landbouw dan ook nog steeds in hoog aanzien, maar onze concurrentiepositie neemt af. Dat moet de overheid een zorg zijn, maar is dat wel zo? Nationaal voelt de land- en tuinbouw, die over vrijwel de hele breedte langdurig met lage prijzen te maken heeft, zich door de overheid in de steek gelaten. Er dreigen duizenden bedrijven failliet te gaan of anderszins af te haken. De WHV leidt schipbreuk bij elke rechterlijke toetsing. Wij hebben het met vele anderen voorspelt, maar de coalitie hield - ook in dit huis - tegen beter weten in, halsstarrig vast. Een voorbeeld van slechte wetgeving. Intussen zijn de boeren op het verkeerde been gezet, met allerlei verkeerde beslissingen en heel veel onnodige kosten, en zijn er 3 jaar verloren gegaan. De regering heeft nu voor een nieuwe aanpak gekozen, waarvan wij ons in de richting goed kunnen vinden, maar waarvan het tempo nu veel te hoog is. Dat zet met name bedrijven die recentelijk veel geïnvesteerd hebben in milieu en welzijn onder druk. Wij zijn benieuwd hoe de middelen voor flankerend beleid - ook sociaal - worden ingezet? Overigens hebben wij de minister van LNV - sprekend in algemene termen - de laatste weken enkele malen met instemming beluisterd. Laat hem het vertrouwen herstellen en de landbouw in Nederland opnieuw op de kaart zetten. Inmiddels moet er natuurlijk fors geïnvesteerd worden om de landbouw duurzaam te maken en om tegemoet te komen aan de hoge eisen die de moderne consument en maatschappij aan zijn voedselpakket en aan de kwaliteit van het landelijk gebied stelt. Maar er is meer: het agrarisch natuurbeheer stagneert en de realisatie van de EHS dreigt vast te lopen bij gebrek aan geld, terwijl de ontwikkeling van groene energie in Nederland nauwelijks aandacht krijgt. Wat wil je ook, met zoveel gas onder het Waddengebied?

21. Voorzitter ik rond af. Maar ik wil dat niet doen zonder in samenvattende zin nog eens de boodschap van het betoog van de CDA-fractie te onderlijnen. Wij zien een kabinet dat zich mag koesteren in de welvaart en daaraan een zeker zelfvertrouwen ontleend. Sinds het eerste kabinet-Lubbers de bakens verzette, sinds dat kabinet bezuinigingen koppelde aan lastenverlichting en daarmee zorgde voor loonmatiging ligt ons land op koers. De concurrentiepositie is stevig, de werkgelegenheid is uitzonderlijk groot en het consumentenvertrouwen is aanzienlijk. Het was een kabinet van CDA en VVD-huize dat voor de hoofdlijnen van het beleid zorgde. Wij durven nu om herijking van het beleid te vragen. Lastenverlichting leidt in de huidige omstandigheden al snel tot oververhitting. Een krappe arbeidsmarkt die op de proef wordt gesteld kan de lonen opdrijven. Ook zullen private en publieke sector met elkaar uit de pas gaan lopen. De bedrijven kunnen loonsverhogingen wel opbrengen. Maar er zal dan nog minder ruimte zijn voor investeringen in agenten, verpleegkundigen, leraren en dergelijke. Kortom, het kabinet heeft met de mond dan wel gekozen voor investeren in de kwaliteit van de samenleving, maar feitelijk domineert nog steeds het oude motto: werk, werk en nog eens werk. Dat is op allerlei fronten te zien. Is het nu met het oog op de kwaliteit van de samenleving of met het oog op de arbeidsmarkt, dat bijstandsmoeders verplicht moeten gaan werken? Is het met het oog op de kwaliteit van de samenleving dat het kabinet kiest voor lastenverlichting en consumptie? Had u niet beter kunnen kiezen voor een overschot met het oog op de kosten van de dubbele vergrijzing die er aankomt?
Dit kabinet kent een te eenzijdig belang toe aan werk en aan marktwerking. Teveel andere belangen komen daardoor te weinig in beeld. De kwaliteit van de samenleving lijdt daaronder.
22. Ik sprak ook over ons cultuurbeleid en over de media. Ook hier mis ik visie van het kabinet. Op het terrein van verkeer en vervoer is het niet veel anders. Eindeloos gesteggel over rekeningrijden en over de Betuwelijn, maakt geen doortastende indruk. Het wekt niet het vertrouwen dat er een toekomstvisie op de mobiliteit is, terwijl eigenlijk niet langer gewacht kan worden. Automobiliteit en openbaar vervoer zijn beide uiterst problematisch aan het worden met grote risicos voor de positie van ons land in de toekomst. Op het terrein van de overheid zien we een coalitie die lichtelijk in verwarring is; gaan we door met een privatiseringsbeleid of niet, en wat is eigenlijk de leidraad? De netwerkende overheid geeft veel uit handen en gaat aarzelend het debat aan. Die aarzeling zien we ook rond de uitvoeringsorganisaties van de sociale zekerheid en rond de financiering van de zorg. Stuk voor stuk vragen deze onderwerpen om een doortastend beleid, juist vanuit een visie op de kwaliteit van de samenleving. Succes kan gemakkelijk bedrijfsblind maken. Er is daartegen een probaat middel: openstaan voor kritiek. Dat is zeker niet de sterkste kant van de paarse kabinetten geweest. Het etiket sorry-democratie wordt wellicht soms wat al te gemakkelijk opgeplakt, maar het is niet geheel toevallig ontstaan. Openstaan voor kritiek dus: kritiek als die in rechterlijke uitspraken besloten ligt, vanuit de samenleving, van jongeren en zeker ook vanuit het parlement, inclusief de Eerste Kamer. Dan wordt politiek weer aantrekkelijk en uitdagend, ook voor een nieuwe generatie, en misschien dat dan de mensen ook over vijftig jaar opnieuw zullen zeggen:wat leven we toch in een mooie tijd.

We zien met belangstelling een reactie en antwoorden van de regering tegemoet.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie