Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Bijdrage CDA Senaat ontwikkeling internationale rechtsorde

Datum nieuwsfeit: 28-03-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CDA


Ontwikkeling van de internationale rechtsorde bijdrage Hirsch Ballin namens de CDA-fractie aan de behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken op 28 maart 2000


1. Het is een feit van ruime bekendheid dat de bewindslieden van Buitenlandse Zaken met een flinke ambitie tot vernieuwing aan hun taken begonnen zijn. Dat past bewindslieden ook, en daaraan doet niet af dat vernieuwingen altijd ook weerstanden kunnen oproepen. De begroting 2000, die wij vandaag bespreken, is de eerste waarvan minister Van Aartsen de voorbereiding samen met minister Herfkens en staatssecretaris Benschop geheel in eigen hand had. In vergelijking met de reputatie die hun vooruitgesneld was, verrast de matte toon in de toelichting. Die begint met twee zinnen die geen andere bedoelingen kunnen hebben dan ieder die nog in hoger sferen mocht zweven, weer stevig op de grond te zetten: Investeren in de internationale samenleving loont. Het Nederlandse beleid is idealistisch zonder illusies.
De openingszinnen van de paragrafen die op deze harde landing volgen, kun je eigenlijk zelfs geen open deuren noemen. Het zijn deuropeningen zonder deur. De Europese Unie is volop in beweging, Veiligheid is geen vanzelfsprekendheid, Op het gebied van de mensenrechten moet nog veel werk worden verzet, maar dan: De tegenstelling tussen Atlantici en Europeanen is achterhaald (pp. 6-7).
Bij die laatste zin willen wij even stilstaan. Het zal de minister niet zijn ontgaan dat op dit punt zijn reputatie een andere is dan het aan zijn voorganger toegeschreven buurlandenbeleid. Wij willen hem graag uitnodigen aan te geven wat hij wilde zeggen met deze nadrukkelijke uitspraak in de begrotingstoelichting voor 2000: De tegenstelling tussen Atlantici en Europeanen is achterhaald. Betekent dit dat er geen tegenstelling met zijn ambtsvoorganger was, of zit de tegenstelling juist daarin dat in het nieuwe beleid die tegenstelling ten grave wordt gedragen? Hoe moeten we de spanningen tussen de EU en de Verenigde Staten over de Europese veiligheids- en defensie-identiteit begrijpen als er volgens dezelfde passage afgezien van de handelspolitiek geen actuele antithese meer is? Waarop of waarnaar richt(te) Nederland zich in die tegenstelling over de EVDI? Wij zouden de minister willen uitnodigen de ontwikkeling in de oogpunt van de achterliggende opvattingen, van visie dus op de verhouding tot de VS inzake de nieuwe militaire taken in Europa en zijn omgeving. "Het tweede paarse kabinet ziet (...) geen reden tot zelfgenoegzaamheid", aldus de begrotingstoelichting op p. 7. De CDA-fractie wil het kabinet daarin graag ondersteunen. Er is in de internationale politiek veel te doen. Buitenlands beleid met een grote broek heeft geen zin, maar er zijn wel niches en bijzondere relaties waarin het Nederlandse buitenlandse beleid werkelijk verschil kan maken. Daarom willen wij in onze bijdrage tot het debat over de begroting van buitenlandse zaken nalopen hoe helder de hoofddoelstellingen van het buitenlands beleid van dit kabinet zijn uitgewerkt en van onze kant zorgen en suggesties voorleggen. De doelstellingen die het kabinet op p. 5 noemt zijn: "het bevorderen van de internationale rechtsorde en veiligheid, het nastreven van nationale belangen (waaronder de economische belangen) en het verminderen van internationale armoede door duurzame ontwikkeling". Daarop volgt de opsomming van een reeks "prioriteiten", die onder meer internationale ordening, mensenrechten, de transatlantische relatie en consulaire dienstverlening omvatten.


2. Ik begin met het onderwerp dat niet als het meest verheven deel van het beleid lijkt te worden beschouwd, maar wel belangrijk is: de consulaire bijstand. Wij lezen dat de regering het "belangrijk" vindt "dat de consulaire functie wordt versterkt: kwalitatief en kwantitatief." De regering rekent het tot haar taak samen met maatschappelijke organisaties - goed dat deze worden erkend en gewaardeerd - " de Nederlandse gedetineerden in het buitenland bij te staan in hun vaak erbarmelijke omstandigheden." Er zijn de laatste jaren nogal wat klachten geweest over een gebrek aan aandacht van de kant van consulaten en consulaire afdelingen. Wat wordt gedaan om de voorgenomen kwalitatieve en kwantitatieve verbeteringen te realiseren? Welke rol speelt kennis van penitentiaire onderwerpen in de opleiding voor de buitenlandse dienst? Is men bijvoorbeeld in staat om adequaat te reageren als "informele" sancties worden toegepast tegen gedetineerden die zich verstouten te klagen? Welke voorzieningen zijn er voor familieleden? En ondervindt de overdracht van executie van gevangenisstraffen nog steeds problemen? Tot op heden wordt deze consulaire bijstand aan gedetineerden gezien als een taak die los staat van het eigenlijk internationale beleid. Behandeling van klachten over schendingen van mensenrechten bijvoorbeeld in gevangenissen vormen bij Buitenlandse Zaken een andere rubriek. Is dat eigenlijk wel goed? Als het gaat om fundamentele rechten en vrijheden zijn Nederlandse gedetineerden niet de enigen die hulp en bescherming behoeven. Zouden bezoeken aan penitentiaire inrichtingen niet óók aanleiding moeten geven tot een beoordeling of het gevangeniswezen aan de internationaal-rechtelijke eisen voldoet, en zou dat niet een positief stimulerend effect kunnen hebben?


3. De bevordering van de internationale rechtsorde wordt als eerste doelstelling van het kabinetsbeleid genoemd. Dat ligt nogal voor de hand, want de Grondwet schrijft dat ook uitdrukkelijk voor (of eigenlijk het bevorderen van de ontwikkeling van de internationale rechtsorde, art. 90 Grondwet). Maar hoe wordt de daad bij het woord gevoegd? Wij lezen dat de regering van zichzelf vindt dat zij "hard (heeft) gewerkt om de zetel van het Internationaal Strafhof naar Nederland te krijgen." Zeker, het vorige kabinet en heel in het bijzonder ook de ambtenaren die Nederland zo'n toonaangevende rol in het onderhandelingsproces bezorgden verdienen alle lof dat de vestiging van de internationale straftribunalen in Den Haag dit voor de hand liggende maar daarom nog niet vanzelfsprekende vervolg heeft gekregen. Maar zou dit engagement niet na twintig maanden eens gevolgd moeten zijn door de aanbieding van het Statuut van het Internationaal Strafhof ter goedkeuring aan de Staten-Generaal? Het is ook wat zonderling als de minister nu in zijn brief van 17 maart ons vraagt het nog in te dienen voorstel voor de goedkeuringswet prioritair te behandelen, terwijl er van haar kant zo weinig prioriteit aan is gegeven. Het overzicht van verdragen bevat trouwens nog heel veel meer aanwijzingen dat er iets hapert bij de goedkeuring van verdragen. Ook voor het VN-Verdrag van 9 december 1994 inzake de veiligheid van VN-personeel wordt dit jaar pas goedkeuring gevraagd en dan meteen maar weer prioritair. Onze fractie zal graag meewerken aan een voorspoedige behandeling, maar vraagt wel uitdrukkelijk aan de minister of er eigenlijk wel voldoende organisatie en capaciteit is om voortgang te maken met de behandeling van zulke onderwerpen in het verkeer met de Staten-Generaal. Bij de behandeling van de Justitiebegroting hebben wij aangedrongen op het alsnog toetreden tot het 7de Protocol bij het EVRM; graag horen wij ook van deze minister hoe hij daartegenover staat. Bij die gelegenheid hebben wij ook aandacht gevraagd voor twee verdragen van de Raad van Europa. Het eerste was de Criminal Law Convention on Corruption van 27 januari 1999 (verdrag 173). Op dat moment had het Koninkrijk der Nederlanden als een der zeer weinige lidstaten van de Raad nog niet ondertekend, maar minister Korthals verzekerde ons desalniettemin dat daarover in mei advies zou worden gevraagd aan de Raad van State. Verdrag 174 van 4 november 1999 over de civielrechtelijke corruptie heeft een nog slechtere ondersteuning. Volgens de mededelingen van de Raad van Europa is de situatie nog steeds zo dat het Koninkrijk der Nederlanden op 1 maart beide verdragen nog niet had ondertekend. Zo zijn er meer voorbeelden, zoals het al op 4 april 1997 ondertekende biomedicine-verdrag met protocol; van 12 januari 1998, en onze na bijna een jaar nog onbeantwoorde vragen over de notitie over normenhiërarchie in het Europese recht. Graag horen wij straks over de stand van zaken bij deze onderwerpen, en, behalve een verklaring, ook wat de minister van plan is te doen om een adequate voortgang in de toekomst te bevorderen.


4. EU-Handvest voor de grondrechten. Sinds december vorig jaar werkt een 62-koppige "Conventie" aan een Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie; ik neem daaraan namens de Eerste Kamer deel, in goede samenwerking met collega Patijn uit de Tweede Kamer en collega Jurgens als plv. lid. Mijnheer de voorzitter, in dit verband wil ik de regering ook ermee complimenteren dat zij een
regeringsvertegenwoordiger heeft weten te vinden die zich absoluut niet opstelt als een tegenspeler van de parlementaire leden. We staan hier duidelijk voor de gezamenlijke taak bij te dragen aan de ontwikkeling van de Europese rechtsorde. Over de doelstellingen van dit project bestonden echter in het begin nogal wat misverstanden. Sommigen dachten dat het hier om nog weer een andere, voor de lidstaten verbindende verankering van de rechten van de mens zou gaan. Waar het om gaat is echter iets veel specifiekers, namelijk het dichten van het EU-gat in de Europese grondrechten-bescher-ming.De lidstaten zijn gebonden aan hun eigen constitutie en de daarvan deel uitmakende grondrechtenbescherming. Bovendien zijn alle lidstaten gebonden aan het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dat geldt ook als ze gemeenschaps- of unierecht uitvoeren. Het Verenigd Koninkrijk ondervond dit bijvoorbeeld toen het Europese Hof voor de rechten van de mens op 18 februari 1999 uitspraak deed inzake een klacht van de in Gibraltar woonachtig Britse staatsburger Matthews tegen het Verenigd Koninkrijk. De uitsluiting van inwoners van Gibraltar van het kiesrecht voor het Europese Parlement vormde een schending van het EVRM door de staat die de regeling toepaste, ook al was dit zo voorgeschreven in een Europese regeling. Maar als het gaat om de eigen besluiten en handelingen van de instellingen van de Europese Unie, dan zijn er geen constitutionele waarborgen van grondrechten en evenmin zijn de Unie of de Gemeenschappen partij bij het EVRM. Dat is wat ik net omschreef als het EU-gat in de grondrechtenbescherming. Natuurlijk, het Hof van Justitie van de EG oriënteert zich sinds lang op het EVRM en artikel 6 van het EU-Verdrag (art. F in de versie van Maastricht) bekrachtigt dit. Maar de voor de hand liggende verankering van de grondrechten via toetreding tot het EVRM is tot nu toe uitgebleven. In 1993/1994 is een poging gedaan dit recht te trekken, maar het Hof van Justitie oordeelde in zijn (rechtens bindende) advies van 28 maart 1996 dat daarvoor een verdragswijziging nodig zou zijn, voor te bereiden in een intergouvernementele conferentie. In de voorbereiding van het Verdrag van Amsterdam werd daarvoor nog geen ruimte gevonden, maar de ervaring bij het werk aan het handvest leert dat dit onderwerp niet langer terzijde gelegd mag worden. Toetreding van de Unie en de Gemeenschappen tot het EVRM zou de helderste en juridisch veruit de eenvoudigste manier zijn om het EU-gat te dichten. Dat doet niet af aan de mogelijkheid dat er in een Handvest als eigen constitutioneel document waarborgen worden gegeven die aanvullende betekenis hebben in relatie tot het EVRM, net zoals nationale grondwetten dat doen. Maar alleen zo kan worden voorkomen dat er uiteenlopende interpretaties van grondrechten gegeven blijven worden door de twee hoven. Daarom dringen wij er bij de regering op aan, een nieuw initiatief te nemen om te komen tot toetreding van de Europese Unie en de Europese Gemeenschappen tot het EVRM. Van de Gemeenschappen staat vast dat ze rechtspersoonlijkheid hebben; voor de Unie kan de procedure van artikel 24 EU-Verdrag worden gevolgd. Juridisch is de aansluiting bij het EVRM-systeem lang niet zo gecompliceerd als wel eens is gesuggereerd; het gaat immers uitsluitend om de eigen besluiten en handelingen van de Europese instellingen. Eigenlijk is het absurd dat deze binding - terwijl we de gelding van het EVRM in hoog tempo naar Midden- en Oost-Europa hebben uitgebreid - nog steeds niet tot stand is gebracht. Wij willen de regering vragen om de komende Europese Raad aan te grijpen voor een initiatief ten einde dit onderwerp te agenderen voor de IGC zodat toetreding tot het EVRM mogelijk wordt.


5. Een Conventie voor de democratie? Ik zei al er zijn wel niches en bijzondere relaties waarin het Nederlandse buitenlandse beleid werkelijk verschil kan maken. Een discussie in deze kamer over de relatie tussen Israël en Syrië in deze kamer zal niet zoveel verschil maken, maar juist in de ontwikkeling van de internationale rechtsorde kan een land zonder grote mogendheid te zijn met visie en deskundigheid iets op gang brengen. Collega Van Gennip zal er straks ook aandacht aan besteden wat onze relatie met Indonesië kan betekenen. Interdependency als kenmerk van de huidige internationale betrekkingen betekent dat ook een land als het onze een zinvolle rol kan spelen. De tijd dat Frankrijk en Duistland samen in Europa de leiding hadden, heeft om een aantal redenen plaats gemaakt voor veelzijdige relaties. De Franse president heeft daar onlangs nog uiting aan gegeven, en in dat nieuwe internationaal-politieke realisme past bijvoorbeeld ook dat Frankrijk zich duidelijker als actor in het Caribische gebied wil manifesteren. Wij vragen ons intussen af of het Nederlandse buitenlandse beleid wel voldoende op deze mogelijkheden bedacht is. Een beleid ter versterking van de rechten van de mens en de democratie kan immers van hieruit stimulansen krijgen; als ze zouden komen van de kant van een grote mogendheid zouden ze echter als onwenselijke poging tot hegemonie worden geïnterpreteerd. Mary Robinson, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de rechten van de mens, heeft eervorige week scherpe kritiek geuit op China inzake de eerbiediging van de rechten van de mens (vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst, vrijheid van vereniging. De gevolgen van de met harde hand gevolgde één-kind- politiek zijn vaak huiveringwekkend. Onlangs overleed een Chinese kardinaal die dertig jaar lang, tot op zeer hoge leeftijd, in de gevangenis had doorgebracht.
Wat er van de nieuwe mensenrechtenambassadeur wordt verwacht is niet erg duidelijk. Is zij vooral woordvoerder en verkenner voor de minister van Buitenlandse Zaken, of is het de bedoeling dat zij tot een internationaal gezaghebbende persoon uitgroeit? In de toelichting op de begroting wordt gezegd dat Nederland waar nodig en nuttig, in bilaterale contacten met landen vrijheid van godsdienst aan de orde zal stellen (p. 35), maar in antwoord op kamervragen van collega Verhagen van 26 januari jl. over de aanhoudende vervolging van kerkelijke ambtsdragers en gelovigen in China wordt slechts melding gemaakt van stappen in multilaterale overlegsituaties. Van beslissend belang voor de Nederlandse rol zal zijn hoe goed de mensenrechtenambassadeur toegang zal weten te vinden tot het geweten van de internationale samenleving.
Een van de redenen waarom wij zoveel waarde hechten aan de rechten van de mens is daarin gelegen dat een democratisch en deugdelijk bestuur zo de meeste kansen krijgt. De tijd is voorbij dat de staatsvorm als een louter interne aangelegenheid werd beschouwd en dus taboe was in de internationale betrekkingen. Democratie heeft niet overal precies dezelfde vorm, maar er is een aantal wezenlijke kenmerken die ook in landen die uit andere bronnen putten zoals landen met een moslim-meerderheid - worden gerealiseerd. Wij vragen ons af of de tijd niet rijp is voor een meer systematisch in het internationaal verkeer bespreekbaar maken van een aantal wezenlijke kenmerken van de democratische staatsvorm. Soms gaat het hier om burgerrechten en politieke rechten, zoals het kiesrecht en de vrijheden van meningsuiting en informatie, soms ook om institutionele vragen zoals die naar checks and balances, openbaarheid van bestuur en participatiemogelijkheden. Internationale waarnemingen bij verkiezingen zijn gemeengoed geworden. Deels uit eigen beweging, deels als resultaat van ontwikkelingen in de media zijn veel vroegere censuursystemen ontkracht. In de islamitische wereld komt met vallen en opstaan een democratische cultuur tot leven, die pluriformiteit accepteert en ruimte maakte voor vrouwen. President Wahid is van die verbinding van islam en democratie een lichtend voorbeeld. Zou de internationale rechtsorde niet verder kunnen worden versterkt door basisvereisten van een democratisch staatsbestel in een verdrag te verankeren en ten overstaan van bijvoorbeeld een toezichthoudende commissie bespreekbaar te maken? Aansluitend op ruim een halve eeuw van steeds steviger verandering van de rechten van de mens en de recentere, sinds begin jaren negentig opgekomen aandacht voor good governance, zie ik het moment naderen waarop een nieuwe stap kan worden gezet, namelijk de verankering van een aantal wezenlijke kenmerken van de democratische staatsvorm in een internationaal rechtelijk verbindende vorm. Een Conventie voor de democratie.
Mijnheer de voorzitter! Gedachten zoals ik die zojuist verwoordde zijn bedoeld als een nieuwe impuls in een beleid ter versterking van de internationale rechtsorde, waarvan de verwezenlijking behalve tijd ook geduld en vasthoudendheid vergt. Andere stappen, zoals de ratificatie van het Statuut voor het Internationaal Strafhof, de toetreding tot het 7de Protocol en de Biomedicine-conventie, hoeven niet op zich te laten wachten. Voor de toetreding van de EU/EG tot het EVRM geldt, dat er periculum in mora is. Eventueel zullen wij samen met andere fracties een kameruitspraak vragen. Met belangstelling zullen we de antwoorden van de kant van de regering beluisteren.

motie van het lid Hirsch Ballin c.s., voorgesteld bij de behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken in de Eerste Kamer op 28 maart 2000

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende, dat de totstandkoming van een Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie wordt voorbereid,

overwegende, dat alle lidstaten van de Europese Unie evenals alle kandidaat-lidstaten zijn aangesloten bij het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM);

overwegende, dat een hiervan gescheiden rechtsontwikkeling bij de grondrechtenbescherming ten aanzien van de instellingen van de Europese Unie onwenselijk is;

spreekt uit dat de eenheid van interpretatie van grondrechten door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens verzekerd moet zijn;

verzoekt de regering te bevorderen dat de Europese Unie en de Europese Gemeenschappen partij worden bij dit verdrag en daartoe in de eerstkomende Europese Raad initiatieven te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Hirsch Ballin
Roscam Abbing-Bos
Van Thijn
Zwerver
De Vries
Kohnstamm
Jurgens
Van Gennip
Bierman

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie