Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Voortgang 'Maatwerk voor morgen' over lerarentekort

Datum nieuwsfeit: 30-03-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CDA

Voortgang "Maatwerk voor morgen" (300300)

Den Haag, 30 maart 2000

Informatie
Na het debat op 31 mei 1999 heeft de Kamer twee voortgangsrapporten ontvangen. De eerste op 11 oktober 1999. Daarover heeft een schriftelijke vragenronde plaatsgevonden. En de tweede op 22 maart 2000. Aangezien het toegezegde rapport van de Onderwijsraad over de totaliteit en samenhang van de lerarenopleidingen (vergezeld van de beleidsreactie) pas in april/mei wordt verwacht, staan in dit AO met name de arbeidsmarktaspecten centraal. Later wordt een AO gewijd aan de opleidingsaspecten.

Inbreng
De verleiding is groot om alle punten na te lopen. Dat zal ik niet doen, ik zal mij beperken tot een aantal knelpunten. De verleiding is minder groot om in navolging van de heer Cornielje dreigende taal te spreken in de richting van de onderwijsbonden (Telegraaf, 28 maart), die volgens hem alle pogingen om het nijpende lerarentekort op te lossen, frustreren. De VVD-minister Hermans lijkt een waakhond te hebben gekregen. Of hij daarop zat te wachten? Zeker, CAO-onderhandelingen zijn altijd hard, maatregelen worden niet zomaar van kracht. In ieder geval vindt het CDA dat de CAO-afspraken ruimte moeten bieden. Niemand zit op nieuwe door de minister of door de bonden- dichtgetimmerde regelingen te wachten. Het CDA zal de CAO met name op dat aspect beoordelen. Leveren de gemaakte afspraken een bijdrage aan de oplossing van het lerarentekort of niet? Daar gaat het om.


1. Herziening van het loongebouw in samenhang met taak- en functiedifferentiatie.

Het een kan niet zonder het ander

De salarislijnen moeten korter

Taak- en functiedifferentiatie moeten eindelijk vorm krijgen. De belangrijkste functie in school is goed lesgeven. Wil je die professionaliseren dan leidt dat tot differentiatie en taaksplitsing. Dat kan leiden tot vermindering van werkdruk. Het rapport Meer handen in de school is veelzeggend. Nieuwe functies zijn een stimulans om te groeien. En een kans op kwaliteitsverbetering enerzijds en vermindering van werkdruk anderzijds. Onderschat de mogelijke doorstroming niet. Wat wordt de follow up van dit rapport?

Het CDA heeft zorgen over de positie OOP. Met name die van de conciërges. Hiervoor is specifieke aandacht nodig. Conciërges in school zijn extra ogen en oren: op het schoolplein, in de gangen enz. Assistentfuncties bieden hierbij geen oplossing, want die moeten iemand assisteren. CDA pleit voor apart bezien van deze functie met name binnen het basisonderwijs.

Herziening van de inrichting van het loongebouw moet leiden tot meer beslissingsruimte op het niveau van het bevoegd gezag. Dus geen nieuwe gecentraliseerde aanpak.

Verminderen contracturen is nodig, en moet in samenhang met taak- en functiedifferentiatie worden bekeken.
Jammer, dat de minister op dit terrein zo weinig vooruitgang boekt! Hopelijk biedt de uitkomst van de CAO onderhandelingen op dit punt wat meer! Maar niet dichtgetimmerd, want dan krijgt de heer Cornielje alsnog gelijk!


2. Het schoolprofielbudget
Het CDA hecht zeer aan het schoolprofielbudget als decentraal in de vullen beleidsbudget. Dat kan worden ingezet bij specifieke problemen. Niet dichttimmeren dus.


3. Integraal personeelsbeleid
De ontwikkeling daarvan stagneert, hoe komt dat? Is het RPBO ook hier een belemmerende factor? Zo ja, dan moet dat ook worden uitgesproken. Het valt op dat weinig woorden worden gewijd aan de modernisering/deregulering van de rechtspositie. Terwijl dit juist een van de zaken is die zeer bepalend zijn voor de dichtgetimmerde arbeidsmarktsituatie van het onderwijs! Met ingang van 2000 komt het beschikbare budget voor competentiemanagement en beloning beschikbaar voor de instellingen. Hoe vrij is de beslissingsruimte voor de instellingen? Ook voor wat betreft het al dan niet benutten van het rapport Berenschot Competenties van leraren, een goede bouwsteen voor integraal personeelsbeleid in het onderwijs?


4. De beloningspositie van directeur, bovenschools management en locatiedirecteur in het PO.
Die is nog altijd slecht.
Ook hier wreken zich de rigide en lange salarislijnen. De verhouding tussen leerkracht en aansturend management is scheef: de verschillen zijn te klein. Te veel leidinggevenden in het PO leggen het bijltje er bij neer. Terwijl die mensen juist leiding moeten geven aan het tot stand komen van allerlei vernieuwingen binnen de school. De school als lerende organisatie vergt wel mensen die dit patroon sturen. Anders lukt het niet!
Wat wil het CDA:

erkenning van de functie als zodanig (dus als normfunctie en lijnfunctie) Het is geen primus inter pares-functie.

De bijbehorende waardering en

De daarbij behorende financiering. B.v. op basis van de aanwezige FTEs binnen het bevoegd gezag in relatie tot het aantal lokaties. Dat moet worden geregeld binnen de CAO. Maar ook bij de verdeling van de meevallers bij het bespreken van de Voorjaarsnota. Het betreft hier beleid waar de Kamer al driemaal per motie om heeft gevraagd!


5. Nascholingsbudget fl. 700,-- per FTE
Juist in het basisonderwijs blijkt het aantal parttimers heel groot. Heb je 5 FTEs (formatieplaatsen), verdeeld over b.v. 8 leerkrachten dan kom je niet ver met 3500,= per jaar. Verruiming is hier echt nodig, wil het concept van de lerende school echt kunnen worden ingevuld. Daarbij komt dat door de marktwerking op het terrein van de nascholing, de vraag- ipv de aanbodfinanciering, de prijzen van nascholing schrikbarend zijn gestegen. De nascholingsbudgetten staan in geen enkele verhouding hiermee. Nascholen moet, maar moet wel betaalbaar blijven. Graag een reactie van de minister.

6. Naast bovengenoemde punten zijn er een aantal andere zaken die volgens het CDA onder de loep moeten worden genomen.
a) Het probleem van de vervanging. Het ziekteverzuim neemt toe. M.n. in het basisonderwijs. Afgelopen week werden er 100 kinderen naar huis gestuurd in Amsterdam. Wat doet de minister aan dit probleem? Gaat het echt alleen om meer geld? Dat kan ik mij nauwelijks voorstellen. Het gaat om mensen, om het functioneren van vervangingspools, om ruimte in de regelgeving en om reïntegratie. Zomaar wat punten:

Op 9 december 1999 is een plan van aanpak terugdringing ziekteverzuim aangekondigd. Het is er nog niet.

De tekorten van het Vervangingsfonds lopen op tot zon 70 miljoen. Dat dreigt te leiden tot premieverhoging. Maar hoe verhoudt zich dat tot de toezegging om tot synergie tussen Participatiefonds en Vervangingsfonds te komen en zo de tekorten aan te zuiveren met de overschotten uit het andere fonds. Hoe zit dat dan met de bonus-malus? En waarom kunnen scholen die geen vervanger kunnen vinden en het daarom intern oplossen geen aanspraak maken op een vergoeding van het vervangingsfonds, desnoods op een later tijdstip? Zo worden creatieve oplossingen en taakverzwaring door collegialiteit niet beloond.

Het is raar dat onderwijs niet als hoge-risico-bedrijfstak is gesignaleerd. Ondanks de cijfers. Ondanks de problemen. OCW heeft dus maar zelf plannen ontwikkeld. Hoe zit het dan met de prioriteit die dit kabinet geeft aan onderwijs?

Hoe zit het met de financiering van de af te sluiten Arbo-convenanten? Niet op basis van FTEs, want dat doet geen recht aan de feitelijke situatie van de vele parttimers.

De werking van de vervangingspools blijft problematisch. Hoe gaat dit verder? Waarom komt er geen geld om personeel in de vervangingspools boventallig in dienst te nemen? Dan hebben deze pools voor besturen ook echt een meerwaarde.

In het bijzonder onderwijs is een nieuw probleem ontstaan als gevolg van de uitspraken over de vakantieregeling van artikel 7:636 BW. Deze is van dwingend recht en geldt voor het bijzonder onderwijs waar wordt gewerkt op basis van arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht: ziekte en zwangerschapsverlof tijdens vakantiedagen leidt tot compensatiedagen op een ander tijdstip. Hoe gaat de minister dit probleem oplossen?

Met ingang van 1 januari 2000 hebben een aantal scholen extra geld gekregen. Het gaat om achterstandsscholen, waarbij de factor IQ en allochtone afkomst meetellen. Worden daarmee alle probleemscholen bediend?

b) VUT-ters mogen sinds 1 januari 2000 100% bijverdienen in het onderwijs. Voor wachtgelders geldt dat niet. Mijn collega Mosterd heeft daarom op 3 maart jl. vragen gesteld over vervanging door wachtgelders zonder sollicitatieplicht in het onderwijs. De minister heeft daar kortgeleden op geantwoord: wachtgelders, ook al hebben ze geen actieve sollicitatieplicht, zijn werkloos. Als zij net als VUT-ters 100 % mogen bijverdienen dan ontstaan er verschillen tov wachtgelders met sollicitatieplicht en tov van werklozen buiten het onderwijs. De antwoorden van de minister zijn formeel vast uitermate correct, maar getuigen van weinig creativiteit. Er is een groot vervangingsprobleem in het onderwijs. Er zijn mensen die ooit met wachtgeld zijn gegaan, maar inmiddels bereid zijn tijdelijk vervangingswerk te doen. Het moet toch mogelijk zijn om deze mensen, die minimaal ouder dan 55 zijn, nu het zo hard nodig is in te zetten. Bijvoorbeeld door hen niet direct uit te betalen, maar later in hun pensioen. Wachtgeld geeft maar een halve pensioenopbouw, een hogere opbouw van hun pensioen zou voor wachtgelders aantrekkelijk zijn.

c) De arbeidsmarktramingen geven nog steeds aan dat er meer nieuwe instroom nodig is dan er wordt gerealiseerd. 96% van de afgestudeerde PABO-studenten start in het onderwijs. Maar ik krijg signalen dat binnen 2 jaar 25% afhaakt. Dit moet worden onderzocht. De gemiddelde betrekkingsomvang van nieuwe leerkrachten in het PO is 0,78 FTE voor mannen en 0,6 FTE voor vrouwen en 0,45 FTE voor herintredende vrouwen. Oorzaken? Actie? In het VO is de situatie niet veel beter: HBO-ers 61% in het onderwijs, WO-ers 73% in het onderwijs. Oorzaken? Actie?

d) De Besturenraad is samen met met de lerarenopleidingen Windesheim en IDO-VU en scholen voor voortgezet onderwijs begonnen met een aanbod voor hoogopgeleiden die les willen geven in een schoolvak wat verwant is aan hun vooropleiding. Twee keer zijn er advertenties geplaatst en de Besturenraad heeft tweeduizend brieven (en vijfduizend telefoontjes) gekregen! Er zijn dus wel mensen die belangstelling hebben voor het onderwijs. Gelukkig wil de minister dit initiatief met brieven en al overnemen en gaat het SBO dit plan trekken. Want met deze mensen moeten we zorgvuldig omgaan.

e) De positie van de onderwijsassistenten. Het is ongewenst dat er een opleiding op zowel niveau 3 als niveau 4 is. Het CDA deelt de mening van de minister. Wanneer is meer duidelijkheid te verwachten, het onderzoek zou in maart af zijn. Ander probleem betreft de arbeidsmarktkansen voor onderwijsassistenten. Vanwege de salarissystematiek kost één onderwijsassistent en één leerkracht ongeveer evenveel als 1,7 FTE leerkracht! Hoe zit dat nu precies?

f) LIO: daarvoor komt een wetsvoorstel. Dat zullen we afwachten. Maar er is wel samenhang in de vele vormen van praktijkcomponent nodig. Ook wat betreft de financiering en de honorering! Stagiaires krijgen geen vergoeding, terwijl LIOs van dezelfde opleiding dit wel krijgen. Dat is niet uit te leggen. Het CDA wil dat op dit punt gelijke rechten ontstaan.

g) De afwikkeling van de aangenomen moties: Wat is daarvan de stand van zaken

23.328, motie Van der Hoeven over duale trajecten in BVE en VO

23.328, motie Lambrechts over verzilvering ADV

23.328, Motie Hamer over financiering stimulansen waaronder het afbouwen van de studieschuld

Enkele slotopmerkingen
De inhoud van assessment staat toch eigenlijk niet in verhouding tot startbekwaamheden leraar secundair onderwijs. Die laatste zijn zeer gedetailleerd en volledig. Het assessment bestrijkt een halve dag: een port folio, een proefles en een interview. En op basis daarvan moet worden beoordeeld of iemand als zij instromer meteen voor de klas kan komen. Dat lijkt mij stug. Hoe ziet de minister dit?
Conclusie.
Het lerarentekort is er nog steeds, ondanks alle goede voornemens en de campagne leraar elke dag anders. (die overigens nauwelijks aansluit bij de beleving van studenten, onderwijsveld ed. De minister kan beter de resultaten van de PABO talent prijs benutten voor zijn campagne!) De vervangingsproblematiek is er nog steeds, neemt nog steeds toe, ondanks alle toezeggingen. De regelgeving is nog steeds zeer gedetailleerd ondanks alle aandringen van de Kamer b.v. ten aanzien van het RPBO.
Kortom, het is hoog tijd om (zoals het CDA al eerder heeft gesuggereerd), een deltaplan voor de werkgelegenheid in het onderwijs te ontwikkelen!

Woordvoerder: Maria van der Hoeven

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie