Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief BUZA over EU-handvest grondrechten; verslag conventie

Datum nieuwsfeit: 30-03-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief BUZA inzake eu-handvest grondrechten; verslag b ijeenkomst conventie 20-21 maart 2000

Gemaakt: 5-4-2000 tijd: 9:14

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 30 maart 2000

Onderwerp:

EU-handvest grondrechten

Op 20 en 21 maart jl. vond opnieuw een formele vergadering plaats van de Conventie, belast met het opstellen van het EU-Handvest grondrechten. Tijdens deze vergadering is de concepttekst besproken van de artikelen 1 tot en met 16 van het ontwerp-handvest (vide CHARTE
4149/00, opgenomen in bijlage). Deze artikelen betreffen met name een aantal klassieke grondrechten. De tekst van deze ontwerp-artikelen is het resultaat van besprekingen in eerdere bijeenkomsten van de Conventie, als werkgroep bijeen.
ProcedureProcedure De tekst van bedoelde artikelen is niet definitief. Deze teksten dienen voor het Redactiecomité als basis voor de definitieve versie van het ontwerp-handvest, die later aan de Conventie zal worden voorgelegd. Er bestaat dan nog de mogelijkheid voor het indienen van amendementen, die vervolgens door de Conventie zullen worden behandeld. De in het document opgenomen horizontale artikelen, onder meer over beperking van rechten en over het niveau van bescherming, zijn ter vergadering niet besproken. Deze artikelen zijn echter wel van het grootste belang voor de uiteindelijke reikwijdte en betekenis van het Handvest. Met de concrete behandeling van ontwerp-artikelen gaat het voorzitterschap van de Conventie vooralsnog ook voorbij aan de beantwoording van een aantal horizontale vragen betreffende onder meer het al dan niet bindende karakter van het Handvest en de vraag naar de wenselijkheid van toetreding van de EU tot het EVRM. TijdsschemaTijdsschema Het voorlopige werkprogramma voor de Conventie voorziet in afronding van de werkzaamheden van de Conventie uiterlijk op 18 en 19 oktober 2000. In een gesprek tussen de voorzitter van de Conventie Herzog en de Franse minister voor Europese aangelegenheden Moscovici is echter in beginsel afgesproken dat de buitengewone Europese Raad onder Frans voorzitterschap op 13 en 14 oktober a.s. reeds in de gelegenheid wordt gesteld de concepttekst van het Handvest te zien en hierover een eerste oordeel uit te spreken. Het ontwerp-Handvest zal daarna worden overgelegd aan de IGC en vervolgens aan de Europese Raad van Nice. Dit tijdschema impliceert dat de voorbereidingen voor het Handvest reeds in september in plaats van in oktober moeten zijn afgerond en legt dus een extra tijdsdruk op de voortgang van de werkzaamheden van de Conventie. In reactie op vragen ter zake van mr. Patijn of dit tijdsschema wel reëel was en voldoende ruimte bood voor een grondig debat over een aantal fundamentele vragen stelde de voorzitter dat gestreefd wordt bespreking van de tekst af te ronden op 5 en 6 juni. Behandeling van horizontale vragen kan daarna aan de orde komen. Deze planning zou, naar mening van het voorzitterschap, in beginsel haalbaar moeten zijn. In het onderstaande komen de in CHARTE 4149/00 opgenomen rechten kort aan de orde, waarbij met name de relatie van deze artikelen tot vergelijkbare artikelen in het EVRM centraal staat. Reden om hieraan speciaal aandacht te besteden is dat het al dan niet afwijken van de bepalingen opgenomen in het EVRM een steeds weer terugkerend punt van discussie vormde.

De ontwerp-artikelen 1 t/m 16De ontwerp-artikelen 1 t/m 16

Meest opvallend in de bespreking van de ontwerp-artikelen is dat in die gevallen waarin afgeweken werd van het EVRM, deze afwijkingen veelal reden vormden voor kritisch commentaar van de leden. Afwijkingen van de bepalingen in het EVRM stuitten, zeker als deze afwijkingen leiden tot minder bescherming dan op basis van het EVRM het geval is, veelal op grote bezwaren van de leden van de Conventie. Onder meer mr. Korthals Altes benadrukte meermalen dat in geval van afwijken van de tekst

in het EVRM het risico bestaat dat een andere uitleg wordt gegeven aan het recht zoals beschreven in het Handvest ten opzichte van het recht opgenomen in het EVRM.

Artikel 1 betreft de menselijke waardigheid, door het redactiecomité beschouwd als de essentie van de grondrechten en om die reden in beginsel op te nemen aan het begin van het Handvest. Discussie ontstond over de vraag of aan dit artikel niet een bepaling vooraf zou moeten gaan waarin bepaald is dat het Handvest gericht is op de instellingen van de EU. Een andere mogelijkheid is om een lid 2 aan artikel 1 toe te voegen, waarin de werkingssfeer van het Handvest wordt vastgesteld. De Conventie nam hierover geen definitief standpunt in.

Artikel 2 heeft betrekking op het recht op leven. Lord Goldsmith, de Britse regeringsvertegenwoordiger, stelde voor in plaats van te bepalen «Een ieder heeft het recht op leven», te stellen «Een ieders recht op leven zal door de wet beschermd worden». Dit voorstel werd onder meer door mr. Patijn gesteund.

Mr. Korthals Altes bracht naar voren dat aan de bepaling in lid 2, waarin wordt gesteld dat niemand tot de doodstraf wordt veroordeeld of terechtgesteld, toegevoegd zou dienen te worden dat hierop een uitzondering gemaakt kan worden in oorlogstijd. Overigens zou ook bij de formulering van dit artikel niet (te ver) afgeweken moeten worden van de tekst in het EVRM. De Franse regeringsvertegenwoordiger Braibant stelde dat de tekst van het EVRM zo mogelijk volledig moet worden overgenomen, met inachtneming van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Artikel 3 heeft betrekking op eerbiediging van de integriteit. Voorgesteld werd onder meer om toe te voegen aan lid 1 dat een ieder recht heeft op eerbiediging van niet alleen zijn fysieke en geestelijke, maar ook van zijn genetische integriteit.

De bewoordingen in artikel 4, dat een verbod van foltering en onmenselijke behandeling bevat, geven de tekst van artikel 3 van het EVRM weer en hebben dan ook niet tot veel discussie geleid.

Artikel 5 betreffende het verbod van slavernij en dwangarbeid gaf aanleiding voor mr. Korthals Altes om te vragen waarom de uitzondering in lid 3 van artikel 4 EVRM, dat bepaalt in welk geval arbeid niet als dwangarbeid of verplichte arbeid wordt beschouwd, niet is overgenomen. Het voorzitterschap gaf hierop geen antwoord.

Het recht op vrijheid en veiligheid wordt behandeld in artikel 6. Lid van het Europees Parlement Friedrich vroeg zich af waarom dit artikel niet beperkt is tot het recht op vrijheid. Het recht op veiligheid in dit artikel zou dan komen te vervallen. Onder meer

mr. Korthals Altes steunde deze suggestie. Eventueel zou het recht op veiligheid in een afzonderlijk artikel kunnen worden opgenomen.

Artikel 7 betreffende het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel gaf geen aanleiding tot een uitvoerige discussie, anders dan de suggestie om dit artikel wellicht samen te voegen met artikel 8 inzake het recht op een onpartijdig gerecht. Ten aanzien van laatstgenoemd artikel merkte de Franse Europarlementariër Berthu op dat dit artikel te veel in detail zou treden, met name waar het betreft het recht op kosteloze rechtsbijstand. Dit zou gaan om een toepassingsmodaliteit, niet om een principe, en om die reden niet in dit artikel moeten worden opgenomen. Ook naar mening van Lord Goldsmith zou de verwijzing naar gratis rechtsbijstand geschrapt moeten worden.

Friedrich stelde dat, als er aandacht was voor kosteloze rechtsbijstand, er in het artikel ook aandacht besteed zou moeten worden aan te voorziene taalproblemen. Het aspect van de taal/vertaling ter zitting zou in dat geval in aanmerking moeten worden genomen.

Mr. Patijn merkte op dat er een duidelijke samenhang bestaat tussen de artikelen 7 t/m 11. Overigens hebben de EU-organen geen bevoegdheden op het terrein van het strafrecht. De artikelen ter zake, opgenomen in het EVRM, zouden in Handvest niet geherformuleerd dienen te worden.

Naar mening van mr. Korthals Altes heeft artikel 8 betrekking op meer dan strafrecht alleen. Het ziet ook op het administratief recht en civiele procedures. Met betrekking tot het in artikel 9 opgenomen vermoeden van onschuld vroeg mr. Korthals Altes of dit ook buiten het strafrecht geldt. Het opnemen van grondrechten op het terrein van het strafrecht in het Handvest is overigens naar mening van mr. Korthals Altes wel degelijk van betekenis. Bij de implementatie van richtlijnen zijn immers ook strafbepalingen ingevoerd.

Ten aanzien van artikel 10 (nullum crimen sine lege) stelde de Deense plaatsvervangend regeringsvertegenwoordiger Lehmann een kortere tekst voor. Lid 2 van dit artikel is, ten opzichte van het vergelijkbare artikel 7 in het EVRM, in die zin gewijzigd dat voorgesteld wordt te spreken over «de algemene rechtsbeginselen die door de democratische (i.p.v. beschaafde) volken worden erkend. Dit wijzigingsvoorstel stuitte op bezwaren, onder meer van de Spaanse regeringsvertegenwoordiger Rodriguez-Bereijo en van mr. Korthals Altes.

Artikel 11 legt het beginsel «ne bis in idem» vast. Lord Goldsmith stelde voor in deze bepaling op te nemen «Niemand kan worden vervolgd of veroordeeld voor hetzelfde strafbare feit (i.p.v. voor strafbare feiten) waarvoor hij reeds onherroepelijk is

vrijgesproken of veroordeeld». Expliciet zou verwezen moeten worden naar artikel 4 lid 2 van het zevende Protocol van het EVRM met betrekking tot nieuwe of pas aan het licht gekomen feiten die de uitkomst van de zaak zouden kunnen beïnvloeden.

De eerbiediging van het privé-leven wordt geregeld in artikel 12. Rodriguez-Bereijo stelde voor in dit artikel ook te verwijzen naar beperkingen van dit recht. De verwijzing naar de eerbiediging van de goede naam zou naar mening van Lord Goldsmith, daarin onder meer ondersteund door mr. Korthals Altes, moeten worden geschrapt. Wellicht zou hiervoor in de plaats gesproken kunnen worden over de persoonlijke reputatie, zo merkte Friedrich op. Hij voegde eraan toe dat in beginsel zo dicht mogelijk aangesloten zou moeten worden bij de tekst van het EVRM. Ook naar mening van mr. Patijn was de desbetreffende tekst van het EVRM beter.

In artikel 13 inzake het recht op eerbiediging van het gezinsleven is ook opgenomen dat de bescherming van het gezin wordt gewaarborgd op juridisch, sociaal en economisch gebied. Deze bepaling zou volgens mr. Patijn vallen onder de sociale grondrechten. Lord Goldsmith vroeg naar de bedoeling van deze bepaling en stelde voorts de vraag door wie deze bescherming te waarborgen zou zijn. Commissaris Vitorino merkte op dat deze bepaling wellicht als volgt kan worden geformuleerd: «Binnen het kader van haar bevoegdheden zal de Unie waken over de bescherming van het gezin ».

Met betrekking tot artikel 14 (vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst) merkte Europarlementariër mw. Kaufmann op dat hierin ook het recht op dienstweigering zou moeten worden opgenomen. Naar mening van prof. dr. Hirsch Ballin schiet artikel 14 tekort ten opzichte van het vergelijkbare artikel 9 EVRM, nu het tweede deel van het eerste lid is weggelaten. Prof. dr. Hirsch Ballin is geen voorstander van een bekorting van dit artikel. Lord Goldsmith stelde voor in die gevallen waar specifieke beperkingen gelden terug te verwijzen naar de relevante artikelen van het EVRM, waar deze beperkingen zijn opgenomen.

Ten aanzien van het recht van meningsuiting (artikel 15) merkte mw. Kaufmann op dat ook inperkingen van dit recht geformuleerd moeten worden, bijvoorbeeld wat betreft antisemitische en/of racistische uitlatingen. De Franse regeringsvertegenwoordiger Braibant stelde dat er ten aanzien van het opnemen van beperkingen drie mogelijkheden zijn, te weten:


7


1. het opnemen van specifieke beperkingen in het Handvest;

2. het opnemen van beperkingen in een deel B bij het Handvest;

3. het opnemen van een globale bepaling aan het eind van de artikelen in het Handvest.

De keuze voor één van deze drie opties zal in het vervolg van de Conventie moeten worden gemaakt.

Prof. dr. Hirsch Ballin vroeg zich af hoe deze bepalingen zich verhouden tot de bevoegdheden van de Gemeenschappen. Hij uitte met name bezwaren tegen de bepaling dat de wetenschap vrij is. De media zouden, conform artikel 10 van het EVRM, aan regulering te onderwerpen moeten zijn.

Artikel 16 regelt het recht op onderwijs. Het ontwerp-artikel gaf prof. dr. Hirsch Ballin aanleiding op te merken dat, in geval van partiële leerplicht, in Nederland lesgeld verschuldigd is. Dit komt dus niet overeen met de in lid 1opgenomen mogelijkheid het verplichte onderwijs kosteloos te volgen. Verscheidene leden stelden voor het recht op onderwijs positief te formuleren.

Visie van het Europees ParlementVisie van het Europees Parlement

Behalve het voorlopige resultaat van de besprekingen in de Conventie in de afgelopen periode is ook relevant een resolutie van het Europees Parlement over de opstelling van een handvest van de grondrechten d.d. 16 maart 2000. Opvallend in deze, met grote meerderheid van stemmen aangenomen, resolutie is dat het Europees Parlement toetreding van de Unie tot het EVRM na de daarvoor noodzakelijke wijzigingen van het EU-Verdrag beschouwt als een belangrijke stap naar een betere bescherming van de grondrechten in de Unie. Het Handvest zou volledig rechtsgeldig moeten worden door het in te bedden in het EU-Verdrag. In het Handvest zou een clausule moeten zijn opgenomen krachtens welke geen der bepalingen ervan in restrictieve zin ten aanzien van de in artikel 6 lid 2 EU-Verdrag gewaarborgde bescherming mag worden uitgelegd. Het Parlement verzoekt de IGC om de opneming in het Verdrag van het Handvest op haar agenda te plaatsen en voorts ervoor te zorgen dat de EU toetreedt tot het EVRM.

De Minister van Buitenlandse Zaken

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie