Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoord Kamervragen onredelijk tijdsverloop in strafzaak

Datum nieuwsfeit: 31-03-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Antwoord Kamervragen over een onredelijk tijdsverloop in een strafzaak
Gemaakt: 3-4-2000 tijd: 15:14


3

Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 31 maart 2000

Onderwerp:

Kamervragen

In antwoord op uw brief van 23 februari 2000, nr. 2990007440, deel ik u mede dat de vragen van het lid Van Oven van uw Kamer over het onredelijk tijdsverloop in een strafzaak, worden beantwoord zoals aangegeven in de bijlage bij deze brief.

Bijgesloten zijn voldoende kopieën van het antwoord, ten behoeve van de vragensteller en de afdeling Voorlichting van uw Kamer.

De Minister van Justitie,

Antwoord van de Minister van Justitie op de vragen van het lid Van Oven over het onredelijk tijdsverloop in een strafzaak (ingezonden 23 februari 2000, nr. 2990007440)


1.

In de casus die ten grondslag ligt aan het arrest van de Hoge Raad van
26 oktober 1999 wordt het Openbaar Ministerie door het Gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in een strafzaak tegen een verdachte die wordt vervolgd wegens schending van art. 244 Sr.
Uit de arresten blijkt dat zowel het hof Amsterdam als de Hoge Raad van oordeel zijn dat de redelijke termijn is geschonden. Het oordeel van het hof dat dit, gezien de omstandigheden van het geval dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt echter door de Hoge Raad gecasseerd. De Hoge Raad stelt, in navolging van eerdere arresten , dat overschrijding van de redelijke termijn in zijn algemeenheid dient te worden gesanctioneerd door strafvermindering. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard. De beslissing van het gerechtshof om de niet-ontvankelijkheid uit te spreken was in casu zonder nadere motivering, met name gezien de ernst van het feit, niet begrijpelijk.


2 + 3.

Volgens het arrest van het Hof Amsterdam is er vanaf de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld tot de terechtzitting in hoger beroep een periode van drie jaar en acht maanden verstreken. De periode tussen het vonnis van de rechtbank en de ontvangst van de dossierstukken bij dit hof omvat nagenoeg elf maanden, terwijl de periode tussen vonniswijzing en appelbehandeling drieëntwintig maanden bedraagt.

In de arresten wordt voor deze overschrijding geen nadere verklaring gegeven. In het algemeen geldt dat in een aantal gevallen de situatie zich voordoet dat door de grote belasting van de rechtsprekende macht, strafzaken pas na verloop van een aantal maanden kunnen worden behandeld. Deze praktijk is niet gewenst. Daarom zijn zowel in het kader van de uitvoering van de Contourennota `Rechtspraak in de 21 e eeuw' als in het kader van specifiek op de strafsectoren van de gerechten gerichte maatregelen getroffen om onder meer de doorlooptijden in strafzaken terug te dringen. Over de resultaten van dit moderniseringsproces wordt de Tweede Kamer regelmatig door de voortgangsrapportages over de Contourennota op de hoogte gesteld.

Met de constatering van de Hoge Raad dat het in casu om ernstige feiten gaat kan worden ingestemd. Gezien de onafhankelijkheid van de rechtsprekende macht kan ik echter verder niet in het oordeel van beide colleges treden.


4.

Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen een schending van de redelijke termijn in feitelijke aanleg die door de lagere rechter wordt geconstateerd - zoals in het arrest is gebeurd naar aanleiding waarvan de kamervragen zijn gesteld - en een schending van de redelijke termijn die door de Hoge Raad wordt geconstateerd. Dat kan een schending in feitelijke aanleg betreffen, maar ook een schending in de cassatiefase.

Voor wat betreft de cassatiefase heeft de Hoge Raad de gedragslijn ontwikkeld dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn indien er tussen het instellen van het beroep in cassatie en de binnenkomst van de stukken ter griffie van de Hoge Raad meer dan acht maanden verstrijken. Als het meer dan acht maanden duurt voordat de zaak bij de Hoge Raad binnenkomt en er in cassatie wordt geklaagd over een schending van de redelijke termijn zal in beginsel de strafoplegging worden vernietigd door de Hoge Raad. De Hoge Raad maakt bij de constatering van een schending van de redelijke termijn wat betreft de daaraan te verbinden gevolgen een afweging tussen het belang dat de verdachte heeft bij het verval van het recht tot strafvervolging en het belang dat de samenleving heeft bij normhandhaving door berechting. Als, zoals regel is, het laatstgenoemd belang prevaleert, leidt de overschrijding tot strafvermindering, waarbij de mate van strafvermindering afhankelijk is van de duur van de overschrijding. Als het eerste belang prevaleert dan wordt het OM niet-ontvankelijk verklaard in zijn vervolging.

In 1999 heeft de Hoge Raad in totaal 3200 strafzaken in cassatie behandeld. Daarvan zijn 30 uitspraken vernietigd wegens schending van de redelijke termijn.

De meeste zaken (25) waarin de Hoge Raad een schending van de redelijke termijn constateerde, betroffen zaken waarin de hiervoor genoemde 8-maandentermijn werd overschreden. In 22 zaken heeft de Hoge Raad vervolgens zelf de straf verminderd. In 3 zaken - waarin ook om een andere reden werd gecasseerd - heeft de Hoge Raad de zaak verwezen naar een hof.

Een klein aantal zaken (3) betreft de situatie dat tussen het wijzen van een uitspraak bij verstek en de uiteindelijke betekening van de verstekmededeling de redelijke termijn was overschreden, gelet op het achterwege laten van eerdere pogingen die uitspraak te betekenen. Ook in die zaken heeft de Hoge Raad de straf verminderd.

Verder zijn er nog 2 zaken waarin de Hoge Raad heeft beslist dat het hof ten onrechte geen schending van de redelijke termijn had geconstateerd, nu er tussen het instellen van hoger beroep en de binnenkomst van de stukken bij de appelinstantie meer dan 11 maanden waren verstreken. In deze gevallen verminderde de Hoge Raad eveneens de opgelegde straf.

Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het in de meeste gevallen ging om een schending van de redelijke termijn in de cassatiefase.

De Hoge Raad heeft in 1999 in geen enkel geval naar aanleiding van een door de Raad vastgestelde schending van de redelijke termijn het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard.

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie