Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Weekoverzicht Hof van Justitie en Gerecht Eerste Aanleg EU

Datum nieuwsfeit: 31-03-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

WEEKOVERZICHT VAN HET HOF VAN JUSTITIE EN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Week van 27 tot 31 maart 2000

nr. 11/00



I. ARRESTEN

Bij het Hof van Justitie aanhangige zaken

Zaak C-158/97

G. Badeck e.a.

Sociale politiek

Zaak C-7/98

D. Krombach/A. Bamberski

Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen

Zaak C-309/98

Holz Geenen GmbH/Oberfinanzdirektion München

Vrij verkeer van goederen

Zaak C-178/97

B. Banks e.a./Koninklijke Muntschouwburg

Vrij verkeer van personen

Zaak C-265/97 P

Coöperatieve Vereniging De Verenigde Bloemenveilingen Aalsmeer BA (VBA)/Florimex BV en Vereniging van Groothandelaren in Bloemkwekerijproducten/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Mededinging

Zaak C-266/97 P

Coöperatieve Vereniging De Verenigde Bloemenveilingen Aalsmeer BA (VBA)/Vereniging van Groothandelaren in Bloemkwekerijproducten (VGB), Florimex BV/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Mededinging

Zaak C-236/98

Jämställdhetsombudsmannen/Örebro läns landsting

Sociale politiek

Bij het Gerecht van eerste aanleg aanhangige zaken

Zaak T-251/97

T. Port GmbH & Co./Commissie van de Europese Gemeenschappen

Landbouw

Zaak T-51/96

Miwon Co. Ltd/Raad van de Europese Unie

Handelspolitiek

Zaak T-65/96

Kish Glass & Co. Ltd/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Mededinging

Zaak T-91/99

Ford Motor Company/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

Intellectuele eigendom

Zaak T-513/93

Consiglio Nazionale degli Spedizionieri Doganali/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Mededinging

II. CONCLUSIES

Zaak C-389/98 P

H. Gevaert/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Zaak C-459/98 P

I. Martínez del Peral Cagigal/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Zaak C-457/98

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Helleense Republiek

Zaak C-19/99

Modelo, SGPS, SA/Fazenda Pública

Zaak C-357/98

The Queen/Secretary of State for the Home Department, ex parte: Nana Yaa Konadu Yiadom

Zaak C-160/99

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Franse Republiek

Zaak C-210/98 P

Salzgitter/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Zaak C-403/98

Azienda Agricola Monte Arcosu Srl/Regione Autonoma della Sardegna, Organismo Comprensoriale n. 24 della Sardegna, Ente Regionale per l'Assistenza Tecnica in Agricoltura (Ersat)

III. NIEUWE ZAKEN

Nieuwe zaken bij het Gerecht

IV. MEDEDELING

Nieuwe citeerwijze van de verdragsartikelen


1. ARRESTEN

Bij het Hof van Justitie aanhangige zaken

Zaak C-158/97

G. Badeck e.a.

Sociale politiek

28 maart 2000

Prejudiciële zaak

"Gelijke behandeling van mannen en vrouwen · Tewerkstelling in de openbare dienst · Stimuleringsmaatregelen voor vrouwen"

(Voltallig Hof)

Bij beschikking van 16 april 1997 heeft het Staatsgerichtshof des Landes Hessen een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 2, leden 1 en 4, van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976.

Die vraag is gerezen in een procedure tot toetsing van een wet op vordering van Badeck e.a., in tegenwoordigheid van de Hessische Ministerpräsident (hierna: "Ministerpräsident") en de Landesanwalt beim Staatsgerichtshof des Landes Hessen (hierna: "Landesanwalt").

Op 28 november 1994 verzochten 46 afgevaardigden van de Hessische Landtag de verwijzende rechter, het HGlG, en met name de §§ 3, 5, 7, 8 tot en met 11, 14, 16 en 18 ervan, te toetsen aan de grondwet van het Land Hessen en het onverenigbaar met deze grondwet te verklaren.

Verzoekers in het hoofdgeding zijn van mening, dat het HGlG in strijd is met, in de eerste plaats, het grondwettelijke beginsel dat de beste dient te worden gekozen, aangezien sollicitanten niet op grond van hun verdienste, maar op grond van hun geslacht worden gekozen, en, in de tweede plaats, met het beginsel van gelijke behandeling, dat niet alleen verbiedt dat aan een specifieke groep bepaalde privileges worden verleend, maar ook een grondrecht voor elk individu is, dat burgers een gelijke uitgangspositie garandeert en ervoor zorgt, dat er geen onomkeerbare situaties worden gecreëerd, die voordelig zijn voor een bepaalde categorie van personen. Voorts is het HGlG volgens hen in strijd met de richtlijn, zoals door het Hof uitgelegd in het arrest van 17 oktober 1995, Kalanke (C-450/93).

Onder deze omstandigheden heeft het Staatsgerichtshof des Landes Hessen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof een prejudiciële vraag voorgelegd.

Met het eerste onderdeel van zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 2, leden 1 en 4, van de richtlijn zich verzet tegen een nationale regeling die in sectoren van de openbare dienst waarin vrouwen ondervertegenwoordigd zijn, bij gelijke kwalificatie van kandidaten van verschillend geslacht aan vrouwelijke kandidaten voorrang verleent, wanneer dit nodig blijkt ter verwezenlijking van de dwingende doelstellingen van het stimuleringsprogramma voor vrouwen en geen zwaarder wegende juridische reden zich daartegen verzet.

In de verwijzingsbeschikking wordt verklaard, dat de wetgever van het Land Hessen voor een zogenoemd "flexibel resultaatquotum" ("Ergebnisquote") heeft gekozen. Kenmerkend voor dit systeem is in de eerste plaats, dat het HGlG de quota niet uniform voor alle betrokken sectoren en diensten vaststelt, maar preciseert, dat de kenmerken van die sectoren en diensten bepalend zijn voor de vaststelling van de dwingende doelstellingen. Voorts bepaalt het HGlG niet noodzakelijkerwijs zonder meer · automatisch ·, dat het resultaat van elke selectieprocedure, indien er een impasse bestaat als gevolg van het feit dat kandidaten gelijke kwalificaties bezitten, verplicht ten gunste van de vrouwelijke kandidaat moet uitvallen.

Er moet van worden uitgegaan, dat volgens § 10, leden 1 tot en met 3, HGlG in de procedure tot selectie van sollicitanten eerst de geschiktheid, de aanleg en de beroepsbekwaamheden (kwalificatie) van de sollicitanten, gelet op de vereisten van de vacante post of het te bekleden ambt, worden beoordeeld.

Bij die beoordeling wordt rekening gehouden met een aantal positieve en negatieve criteria.

Ofschoon dergelijke criteria in geslachtsneutrale bewoordingen zijn gesteld en dus eveneens ten gunste van mannen kunnen werken, bevoordelen zij in het algemeen vrouwen. Zij dienen kennelijk een materiële en niet een formele gelijkheid tot stand te brengen, door feitelijke ongelijkheden in het maatschappelijk leven te verminderen. De wettigheid van die criteria wordt in het hoofdgeding overigens niet betwist.

Uitsluitend in geval de kwalificatie geen keuze tussen een vrouwelijke of een mannelijke kandidaat mogelijk maakt, dient voor de vrouwelijke kandidaat te worden gekozen, wanneer dit voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het betrokken stimuleringsprogramma nodig blijkt en geen zwaarder wegende juridische reden zich daartegen verzet.

Uit het antwoord van de Ministerpräsident op een schriftelijke vraag van het Hof blijkt, dat die zwaarder wegende juridische redenen een aantal, ten dele bij wet en ten dele bij bestuursrechtelijke maatregel geregelde normatieve gezichtspunten betreffen, die geslachtsneutraal zijn geformuleerd en dikwijls als "gezichtspunten van sociale aard" worden aangemerkt. Die sociale gezichtspunten zijn ten dele in het beginsel van de sociale staat en ten dele in de grondwettelijke bescherming van huwelijk en gezin grondwettelijk verankerd.

In dit verband heeft de Ministerpräsident op vijf regelingen gewezen, op grond waarvan de regel van stimulering van vrouwen buiten toepassing kan worden gelaten. Het betreft hier in de eerste plaats de voorkeursbehandeling van voormalige personeelsleden van de openbare dienst, die wegens gezinstaken in de zin van § 10, lid 1, HGlG, de dienst hebben verlaten of die om dezelfde reden na hun voorbereidingsstage geen definitief dienstverband binnen de openbare dienst hebben kunnen aanvragen. Voorts genieten personen die wegens gezinstaken in deeltijd hebben gewerkt en hun voltijdbaan wensen te hervatten, voorrang boven nieuwe aanstellingen. In de derde plaats wordt voorrang gegeven aan voormalige militairen in tijdelijk dienstverband, dat wil zeggen militairen die vrijwillig langer dan dienstplichtigen (en tenminste twaalf jaar) onder dienst zijn geweest. In de vierde plaats bestaan er soepeler bevorderingsmogelijkheden voor personen met een ernstige handicap. De verplichting tot stimulering van gehandicapten geniet voorrang boven de stimulering van vrouwen. Tenslotte noemt de Ministerpräsident de mogelijkheid om door middel van de aanstelling een einde te maken aan een langdurige werkloosheid.

Anders dan verzoekers in het hoofdgeding en de Landesanwalt stellen, blijkt de bij het HGlG ingevoerde voorrangsregel dus niet absoluut en onvoorwaardelijk in de zin van het arrest Kalanke te zijn.

Het staat aan de nationale rechter om te beoordelen, of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling verzekert, dat de sollicitaties worden onderworpen aan een objectieve beoordeling, die rekening houdt met de bijzondere persoonlijke situatie van alle kandidaten.

Met het tweede onderdeel van zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 2, leden 1 en 4, van de richtlijn zich verzet tegen een nationale regeling, volgens welke de dwingende doelstellingen van het stimuleringsprogramma voor vrouwen met betrekking tot tijdelijke posten van de

wetenschappelijke dienst en wetenschappelijke hulpkrachten in een percentage vrouwelijke personeelsleden moeten voorzien dat ten minste overeenkomt met het aandeel van de vrouwen in de afgestudeerden, promovendi en studenten van elk vakgebied.

Uit de verwijzingsbeschikking blijkt, dat § 5, lid 7, HGlG de toepassing van het beginsel dat bij selecties de beste moet worden gekozen, evenmin beperkt als bij alle selecties die met inaanmerkingneming van de doelstellingen van het stimuleringsprogramma voor vrouwen moeten worden verricht. In elk geval kan deze bepaling enkel in geval van gelijke kwalificaties van mannelijke en vrouwelijke kandidaten van invloed zijn op de selectie. In dit verband geldt hetgeen in het algemeen is gezegd over het dwingende karakter van de doelstellingen van het stimuleringsprogramma voor vrouwen.

Vastgesteld moet worden, dat de bijzondere regeling voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wetenschappelijke sector geen absoluut plafond vaststelt, doch verwijst naar het aantal personen die een deugdelijke beroepsopleiding hebben genoten, zodat een feitelijk gegeven als kwantitatief criterium wordt gebruikt om vrouwen voorrang te verlenen.

Tegen een dergelijke bijzondere regeling voor de wetenschappelijke sector bestaan gemeenschapsrechtelijk gezien geen specifieke bezwaren.

Met het derde onderdeel van zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 2, leden 1 en 4, van de richtlijn zich verzet tegen een nationale regeling voor de openbare dienst, op grond waarvan in beroepen met een volledige beroepsopleiding waarin vrouwen ondervertegenwoordigd zijn en waarin de opleiding niet uitsluitend door de overheid wordt verzorgd, ten minste de helft van de opleidingsplaatsen aan vrouwen moet worden voorbehouden.

Gelijk uit de memorie van toelichting bij § 7, lid 1, HGlG volgt, wilde de wetgever van het Land Hessen met de invoering van een "strikt resultaatsquotum" op het gebied van de beroepsopleiding, waardoor een dergelijke toegang wordt geopend, ten minste in de openbare dienst voor een evenwichtige verdeling van opleidingsplaatsen zorgen.

Deze bedoeling leidt echter niet tot een volstrekt strikt quotum.

De betrokken bepaling maakt deel uit van een beperkt plan ter verwezenlijking van de gelijke kansen. Aan vrouwen worden geen arbeidsplaatsen, maar opleidingsplaatsen voorbehouden met het oog op de verwerving van een kwalificatie die later toegang tot beroepen in de openbare dienst kan geven.

Aangezien het quotum enkel geldt voor opleidingsplaatsen waarvoor geen monopolie van de staat bestaat, en het dus om opleidingen gaat waarvoor ook in de particuliere sector plaatsen beschikbaar zijn, worden mannelijke kandidaten niet definitief van een opleiding uitgesloten. Wordt de opleiding in haar totaliteit (publieke en particuliere sector) bezien, dan beperkt de betrokken bepaling zich dus tot de verbetering van de kansen van vrouwelijke kandidaten in de publieke sector.

Bij de voorziene maatregelen gaat het derhalve om maatregelen die de oorzaken van de geringere kansen van toegang van vrouwen tot de arbeidsmarkt en tot een loopbaan moeten wegnemen, en die bovendien op het vlak van de beroepskeuze en -opleiding liggen. Dit zijn bij artikel 2, lid 4, van de richtlijn toegestane maatregelen, die de mogelijkheden voor vrouwen om op de arbeidsmarkt te concurreren en op voet van gelijkheid met mannen een loopbaan op te bouwen, dienen te verbeteren.

Met het vierde onderdeel van zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 2, leden 1 en 4, van de richtlijn zich verzet tegen een nationale regeling die bij gelijke kwalificatie van mannelijke en vrouwelijke kandidaten in sectoren waarin vrouwen ondervertegenwoordigd zijn, waarborgt dat gekwalificeerde vrouwen voor een sollicitatiegesprek worden uitgenodigd.

Volgens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepaling kan op twee manieren worden gehandeld. In het ene geval moeten alle gekwalificeerde vrouwelijke kandidaten die aan de voorwaarden van de oproep van sollicitaties voldoen, voor een gesprek worden uitgenodigd. In dat geval kan het aantal op te roepen mannelijke kandidaten gelijk zijn aan het aantal vrouwelijke sollicitanten, maar ook groter of kleiner. In het andere geval wordt slechts een beperkt aantal gekwalificeerde vrouwelijke kandidaten opgeroepen. Dan mag maximaal hetzelfde aantal mannen worden uitgenodigd.

Met de betrokken bepaling wordt geen bepaald resultaat · aanstelling of bevordering · beoogd, maar worden gekwalificeerde vrouwen door middel van deze bepaling extra mogelijkheden geboden om hun intrede in het beroepsleven en hun loopbaan te vergemakkelijken.

Voorts blijkt uit de verwijzingsbeschikking, dat deze bepaling weliswaar regels stelt betreffende het aantal sollicitatiegesprekken dat met vrouwen moet worden gevoerd, doch eveneens voorschrijft, dat de sollicitaties vooraf moeten worden onderzocht en dat uitsluitend gekwalificeerde kandidaten die aan alle bij wet of anderszins gestelde voorwaarden voldoen, worden uitgenodigd.

Het gaat dan ook om een bepaling, die, doordat zij bij gelijke kwalificatie garandeert, dat gekwalificeerde vrouwen voor een sollicitatiegesprek worden uitgenodigd, beoogt te bevorderen dat mannen en vrouwen gelijke kansen krijgen, in de zin van artikel 2, lid 4, van de richtlijn.

Met het vijfde onderdeel van zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 2, leden 1 en 4, van de richtlijn zich verzet tegen een nationale regeling, volgens welke vertegenwoordigende organen van werknemers en raden van bestuur en van toezicht voor ten minste de helft uit vrouwelijke leden moeten bestaan.

§ 14 HGlG, die de samenstelling van comités betreft, heeft geen bindende kracht, voor zover in deze niet-dwingende bepaling wordt erkend, dat veel comités op basis van een wet worden ingesteld en dat een volledige uitvoering van het vereiste van gelijke deelneming van vrouwen aan die comités in elk geval een wijziging van de desbetreffende wet zou vereisen. Bovendien is deze bepaling niet van toepassing op functies die op grond van verkiezingen worden vervuld. Ook hiervoor zou een wijziging van de relevante wettelijke bepalingen nodig zijn. Tenslotte laat deze bepaling, als niet-dwingende bepaling, een zekere ruimte om andere criteria in aanmerking te nemen.

Het Hof verklaart voor recht:

"Artikel 2, leden 1 en 4, van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, verzet zich niet tegen een nationale regeling


· die in sectoren van de openbare dienst waarin vrouwen ondervertegenwoordigd zijn, bij gelijke kwalificatie van kandidaten van verschillend geslacht aan vrouwelijke kandidaten voorrang verleent, wanneer dit nodig blijkt om de verwezenlijking van de doelstellingen van het stimuleringsprogramma voor vrouwen te verzekeren, tenzij een zwaarder wegend juridisch belang zich daartegen verzet, mits die regeling garandeert, dat de sollicitaties worden onderworpen aan een objectieve beoordeling, die rekening houdt met de bijzondere persoonlijke situatie van alle kandidaten,

· volgens welke de dwingende doelstellingen van het stimuleringsprogramma voor vrouwen met betrekking tot tijdelijke posten van de wetenschappelijke dienst en wetenschappelijke hulpkrachten in een percentage vrouwelijke personeelsleden moeten voorzien dat ten minste overeenkomt met het percentage vrouwelijke afgestudeerden, promovendi en studenten van elk vakgebied,

· die, voor zover zij een ondervertegenwoordiging van vrouwen beoogt weg te werken, in beroepen waarin vrouwen ondervertegenwoordigd zijn en waarvoor de staat geen opleidingsmonopolie bezit, ten minste de helft van de opleidingsplaatsen aan vrouwen voorbehoudt tenzij het aantal sollicitaties van vrouwelijke kandidaten, ondanks passende maatregelen om vrouwen op de beschikbare opleidingsplaatsen attent te maken, onvoldoende is,


· die bij gelijke kwalificatie van mannelijke en vrouwelijke kandidaten in sectoren waarin vrouwen ondervertegenwoordigd zijn, waarborgt dat gekwalificeerde vrouwen, die aan alle bij wet of anderszins gestelde voorwaarden voldoen, voor een sollicitatiegesprek worden uitgenodigd,


· inzake de samenstelling van vertegenwoordigende organen van werknemers en raden van bestuur en van toezicht, volgens welke de ter uitvoering van die regeling vastgestelde wettelijke bepalingen rekening moeten houden met het doel dat die organen voor ten minste de helft uit vrouwelijke leden moeten bestaan."

Advocaat-generaal A. Saggio heeft ter terechtzitting van het Hof van 10 juni 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"1) Artikel 2, leden 1 en 4, van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, verzet zich niet tegen een nationale wettelijke regeling zoals die in de wet van het Land Hesse van 30 december 1993, inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen en de afschaffing van discriminatie van vrouwen in overheidsdienst, volgens welke in gevallen waarin vrouwen in een sector of een loopbaan van de overheidsambten ondervertegenwoordigd zijn, de overheid:

a) voor een geleidelijke opheffing van deze ongelijkheid een stimuleringsplan moet vaststellen en andere maatregelen die moeten zorgen voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen in overheidsdienst, alsmede bij de toepassing van dit plan meer dan de helft van de beschikbare posten voor vrouwen moeten bestemmen, met dien verstande evenwel dat wordt uitgesloten dat die nationale wettelijke regeling niet automatisch aan vrouwelijke sollicitanten de voorkeur mag geven, maar moet waarborgen dat het beroepsmatige en persoonlijke profiel van alle mannelijke en vrouwelijke solicitanten objectief wordt onderzocht, en zulks ook in het geval dat dit onderzoek berust op beoordelingscriteria als de in de Duitse wet genoemde, die vrouwelijke sollicitanten beogen te bevoordelen;

b) voor vrouwen een aantal posten in de wetenschappelijke sector moet bestemmen, dat afhangt van het aantal vrouwelijke gepromoveerden, gediplomeerden en studenten, voor zover dit aantal niet meer

bedraagt dan de helft van het aantal beschikbare posten en aan vrouwelijke sollicitanten in de zin van sub a niet automatisch de voorkeur wordt gegeven;

c) de helft van de plaatsen in opleidingscursussen voor vrouwen moet reserveren;

d) voor sollicitatiegesprekken evenveel vrouwelijke als mannelijke sollicitanten of uitsluitend vrouwelijke sollicitanten moet uitnodigen, wanneer zij voor het bezetten van de post geschikt blijken te zijn en voor zover de sollicitanten worden beoordeeld met inachtneming van het profiel van alle personen die naar dezelfde post solliciteren in de zin van sub a;

2) Artikel 2, leden 1 en 4, van richtlijn 76/207 verzet zich tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de leden van de interne organen van het overheidsapparaat voor de helft vrouwen moeten zijn."



Zaak C-7/98

D. Krombach/A. Bamberski

Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen

28 maart 2000

Prejudiciële zaak

"Executieverdrag · Tenuitvoerlegging van beslissingen · Openbare orde"

(Voltallig Hof)

Bij beschikking van 4 december 1997 heeft het Bundesgerichtshof drie vragen gesteld over de uitlegging van artikel 27, punt 1, van het verdrag van 27 september 1968.

Die vragen zijn gerezen in een geding tussen A. Bamberski, woonachtig in Frankrijk, en D. Krombach, woonachtig in Duitsland, ter zake van de tenuitvoerlegging in laatstgenoemde verdragsluitende staat van een op 13 maart 1995 gewezen vonnis van de Cour d'assises te Parijs, waarbij Krombach, op civiele-partijstelling van Bamberski, is veroordeeld tot betaling aan deze laatste van een schadevergoeding van 350 000 FRF.

Na het overlijden van een 14-jarige Franse onderdaan in Duitsland werd tegen Krombach in Duitsland een gerechtelijk vooronderzoek ingesteld, dat uiteindelijk werd gesloten.

Op klacht van Bamberski, de vader van het meisje, werd in Frankrijk een gerechtelijk vooronderzoek ingesteld; op grond van de Franse nationaliteit van het slachtoffer achtten de Franse gerechtelijke instanties zich bevoegd. Dit vooronderzoek eindigde met een beschikking van de chambre d'accusation van de Cour d'appel te Parijs, waarbij de zaak tegen Krombach voor de Cour d'assises te Parijs werd gebracht.

De aangifte en de civiele-partijstelling door de vader van het slachtoffer werden aan Krombach betekend. Hoewel zijn persoonlijke verschijning was bevolen, verscheen hij niet op de terechtzitting. Daarop paste de Cour d'assises te Parijs de in de artikelen 627 en volgende van de Franse Code de procédure penale

(wetboek van strafvordering) geregelde verstekprocedure toe. Overeenkomstig artikel 630 van die Code, volgens hetwelk de verdachte tegen wie verstek is verleend, door niemand mag worden verdedigd, wees de Cour d'assises vonnis zonder de door Krombach gevolmachtigde verdedigers te hebben gehoord.

De Cour d'assises veroordeelde Krombach, die schuldig was bevonden aan geweldpleging de dood ten gevolge hebbende zonder opzet om te doden, tot een gevangenisstraf van vijftien jaar. De Cour veroordeelde Krombach, eveneens bij verstek, tot betaling van 350 000 FRF schadevergoeding aan Bamberski.

Op verzoek van Bamberski verklaarde de president van een civiele kamer van het relatief bevoegde Landgericht Kempten het vonnis van 13 maart 1995 in Duitsland uitvoerbaar. Nadat het Oberlandesgericht het beroep daartegen van Krombach had verworpen, stelde deze bij het Bundesgerichtshof beroep tot cassatie in; hij betoogde, dat hij zich niet doeltreffend tegen zijn veroordeling door het Franse gerecht had kunnen verdedigen.

In die omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof besloten, de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof vragen ter prejudiciële beslissing voor te leggen.

De eerste vraag

Met die vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de rechter van de aangezochte staat, gelet op de openbare-ordeclausule van artikel 27, punt 1, Executieverdrag, jegens een verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van die staat, rekening mag houden met de omstandigheid, dat de rechter van de staat van herkomst zijn bevoegdheid heeft aangenomen op grond van de nationaliteit van het slachtoffer van een strafbaar feit.

Om te beginnen zij opgemerkt, dat het Executieverdrag volgens artikel 1, eerste alinea, ervan mede van toepassing is op civielrechtelijke beslissingen van een strafrechter.

De aangezochte rechter mag in het stelsel van het Executieverdrag de bevoegdheid van de gerechten van de staat van herkomst niet toetsen.

Bijgevolg kan niet met een beroep op de openbare orde van de aangezochte staat de erkenning of tenuitvoerlegging worden onthouden aan een in een andere verdragsluitende staat gegeven beslissing, enkel op grond dat de rechter van de staat van herkomst de bevoegdheidsregels van het Executieverdrag niet in acht zou hebben genomen.

Gelet op de algemene bewoordingen van artikel 28, derde alinea, Executieverdrag, moet zulks in beginsel ook worden geacht te gelden ingeval de rechter van de staat van herkomst zijn bevoegdheid jegens een verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van de aangezochte staat, ten onrechte zou hebben aangenomen op grond van een regel die de nationaliteit als criterium neemt.

Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat de rechter van de aangezochte staat, gelet op de openbare-ordeclausule van artikel 27, punt 1, Executieverdrag, jegens een verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van die staat, geen rekening mag houden met de enkele omstandigheid, dat de rechter van de staat van herkomst zijn bevoegdheid heeft aangenomen op grond van de nationaliteit van het slachtoffer van een strafbaar feit.

De tweede vraag

Met die vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de rechter van de aangezochte staat, gelet op de openbare-ordeclausule van artikel 27, punt 1, Executieverdrag, jegens een verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van die staat en die wordt vervolgd wegens een opzettelijk gepleegd

strafbaar feit, rekening mag houden met de omstandigheid, dat de rechter van de staat van herkomst laatstgenoemde het recht heeft ontzegd zich te doen verdedigen zonder persoonlijk te verschijnen.

Op grond van de artikelen 29 en 34, derde alinea, Executieverdrag, volgens welke de juistheid van de in den vreemde gegeven beslissing niet mag worden onderzocht, is het de rechter van de aangezochte staat verboden de erkenning of tenuitvoerlegging van die beslissing te weigeren enkel op grond dat de door de rechter van de staat van herkomst toegepaste rechtsregel afwijkt van die welke de rechter van de aangezochte staat zou hebben toegepast indien het geschil bij hem aanhangig was gemaakt. Evenmin mag de rechter van de aangezochte staat de juistheid nagaan van de beoordeling rechtens en feitelijk door de rechter van de staat van herkomst.

Er kan enkel een beroep worden gedaan op de openbare-ordeclausule van artikel 27, punt 1, Executieverdrag, indien de erkenning of tenuitvoerlegging van de in een andere verdragsluitende staat gegeven beslissing op onaanvaardbare wijze zou botsen met de rechtsorde van de aangezochte staat, doordat inbreuk op een fundamenteel beginsel zou worden gemaakt. Opdat het verbod van onderzoek van de juistheid van de in den vreemde gegeven beslissing in acht wordt genomen, zou de inbreuk moeten bestaan in kennelijke schending van een rechtsregel die in de rechtsorde van de aangezochte staat van essentieel belang wordt geacht, of van een in die rechtsorde als fundamenteel erkend recht.

Het recht om zich te doen verdedigen, waarvan in de prejudiciële vraag sprake is, neemt in de organisatie en het verloop van een eerlijk proces een vooraanstaande plaats in en is één van de fundamentele rechten die voortvloeien uit de constitutionele tradities welke de lidstaten gemeen hebben.

Meer bepaald heeft het Europees Hof voor de rechten van de mens op strafrechtelijk gebied herhaaldelijk verklaard, dat het recht van elke verdachte om daadwerkelijk door een · zo nodig ambtshalve toegevoegde
· advocaat te worden verdedigd, ook al is dit geen absoluut recht, één van de fundamentele kenmerken van een eerlijk proces is en dat een verdachte dit recht niet verliest op de enkele grond dat hij niet ter terechtzitting verschijnt.

Blijkens die rechtspraak mag de nationale rechter van een aangezochte staat de weigering om de verdediger van een verdachte die niet ter terechtzitting verschijnt, te horen, als kennelijke schending van een fundamenteel recht aanmerken.

De verwijzende rechter vraagt zich evenwel af, of de rechter van de aangezochte staat, gelet op de bewoordingen van artikel II van het protocol, met een dergelijke schending rekening kan houden in het kader van artikel 27, punt 1, Executieverdrag. Dit artikel II kent het recht om zonder zelf te verschijnen zich voor de strafrechtelijke instanties van een verdragsluitende staat te doen verdedigen, aan personen die geen onderdaan zijn van die staat en die woonplaats hebben in een andere verdragsluitende staat, slechts toe voor zover zij worden vervolgd wegens een onopzettelijk gepleegd strafbaar feit. Die beperking is aldus uitgelegd, dat het Executieverdrag de bevoegdheid om zich te doen verdedigen zonder persoonlijk te verschijnen, klaarblijkelijk heeft willen ontzeggen aan personen die worden vervolgd ter zake van strafbare feiten waarvan de ernst die ontzegging rechtvaardigt.

Uit de rechtspraak die het Hof heeft ontwikkeld, volgt evenwel, dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging in iedere procedure die tot een voor de betrokkene bezwarend besluit kan leiden, is te beschouwen als een fundamenteel beginsel van gemeenschapsrecht, dat zelfs bij ontbreken van iedere regeling inzake de betrokken procedure in acht moet worden genomen.

Bovendien heeft het Hof eveneens verklaard, dat ook al heeft het Executieverdrag tot doel, de vereenvoudiging te verzekeren van de formaliteiten waaraan de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen onderworpen zijn, dit doel niet mag worden bereikt door afbreuk te doen aan de rechten van de verdediging.

Uit deze ontwikkeling in de rechtspraak volgt, dat een beroep op de openbare-ordeclausule toelaatbaar moet worden geacht in de uitzonderlijke gevallen waarin de in de wettelijke regeling van de staat van herkomst en in het Executieverdrag zelf neergelegde waarborgen niet hebben volstaan om de verweerder te beschermen tegen een kennelijke schending van zijn recht om zich voor de rechter van de staat van herkomst te verdedigen, zoals dat door het EVRM is erkend. Derhalve kan artikel II van het protocol niet aldus worden uitgelegd, dat het eraan in de weg staat dat de rechter van de aangezochte staat met het oog op de openbare orde als bedoeld in artikel 27, punt 1, Executieverdrag, rekening kan houden met de omstandigheid, dat de rechter van de staat van herkomst in het kader van een op een strafbaar feit gegronde schadevordering heeft geweigerd de verdediger van de wegens een opzettelijk gepleegd strafbaar feit vervolgde verdachte te horen, enkel op grond dat deze niet op de terechtzitting is verschenen.

Derhalve moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat de rechter van de aangezochte staat, gelet op de openbare-ordeclausule van artikel 27, punt 1, Executieverdrag, jegens een verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van die staat en die wordt vervolgd wegens een opzettelijk gepleegd strafbaar feit, rekening mag houden met de omstandigheid, dat de rechter van de staat van herkomst laatstgenoemde het recht heeft ontzegd, zich te doen verdedigen zonder persoonlijk te verschijnen.

Het Hof verklaart voor recht:

"Artikel 27, punt 1, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en bij het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek, moet worden uitgelegd als volgt:

1) De rechter van de aangezochte staat mag, gelet op de openbare-ordeclausule van artikel 27, punt 1, Executieverdrag, jegens een verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van die staat, geen rekening houden met de enkele omstandigheid, dat de rechter van de staat van herkomst zijn bevoegdheid heeft aangenomen op grond van de nationaliteit van het slachtoffer van een strafbaar feit.

2) De rechter van de aangezochte staat mag, gelet op de openbare-ordeclausule van artikel 27, punt 1, Executieverdrag, jegens een verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van die staat en die wordt vervolgd wegens een opzettelijk gepleegd strafbaar feit, rekening houden met de omstandigheid, dat de rechter van de staat van herkomst laatstgenoemde het recht heeft ontzegd, zich te doen verdedigen zonder persoonlijk te verschijnen."

Advocaat-generaal A. Saggio heeft ter terechtzitting van het Hof van 23 september 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"a) Artikel 27, punt 1, Executieverdrag, waarnaar artikel 34, tweede alinea, Executieverdrag verwijst, moet aldus worden uitgelegd, dat de tenuitvoerlegging van een beslissing niet in strijd met de openbare orde van de aangezochte staat kan worden geacht, op grond dat de rechter van de staat van herkomst, die zijn bevoegdheid uitsluitend baseert op de nationaliteit van het slachtoffer, uitspraak heeft gedaan

op een civielrechtelijke vordering in het kader van een strafrechtelijke procedure tegen een in het buitenland woonachtige verdachte;

b) deze bepaling moet bovendien aldus worden uitgelegd, dat in strijd met de openbare orde van de aangezochte staat kan worden geacht als bedoeld in artikel 27, punt 1, Executieverdrag, waarnaar artikel 34, tweede alinea, Executieverdrag verwijst, de tenuitvoerlegging van een beslissing in een burgerlijke zaak inzake de vergoeding van de schade veroorzaakt door een opzettelijk gepleegd strafbaar feit, wanneer de rechter in de staat waarin de strafrechtelijke procedure plaatsvindt, de schuldenaar het recht heeft ontzegd zich in een annexe civielrechtelijke procedure door een advocaat te laten bijstaan, omdat de in een andere verdragsluitende staat wonende verdachte die wegens het opzettelijk gepleegde strafbare feit wordt vervolgd, niet persoonlijk is verschenen."



Zaak C-309/98

Holz Geenen GmbH/Oberfinanzdirektion München

Vrij verkeer van goederen

28 maart 2000

Prejudiciële zaak

"Gemeenschappelijk douanetarief · Tariefposten · Indeling in gecombineerde nomenclatuur · Verordening (EG) nr. 1509/97 · Blokken hout voor de vervaardiging van raamkozijnen"

(Eerste kamer)

Bij beschikking van 24 juni 1998 heeft het Finanzgericht München een prejudiciële vraag gesteld over de geldigheid van verordening (EG) nr. 1509/97 van de Commissie van 30 juli 1997 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur.

Deze vraag is gesteld in een geding tussen Holz Geenen GmbH (hierna: "Holz Geenen") en de Oberfinanzdirektion München (hierna: "Oberfinanzdirektion"), betreffende de indeling van een goed in de gecombineerde nomenclatuur (hierna: "GN"), zoals opgenomen in bijlage I van verordening (EG) nr. 1734/96 van de Commissie van 9 september 1996 tot wijziging van bijlage I van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief.

Hoofdstuk 44 van de GN betreft "Hout, houtskool en houtwaren".

Postonderverdeling 4418 90 GN is onderverdeeld in 4418 90 10 "van gelamineerd hout" en 4418 90 90 "andere".

Post 4421 GN, de laatste post van hoofdstuk 44, betreft de restcategorie "Andere houtwaren", en de onderverdeling 4421 90 99 betreft de laatste restgroep "Andere · andere · andere".

Op 2 januari 1996 verzocht Holz Geenen de Oberfinanzdirektion om afgifte van een verbindende tariefinlichting terzake van waren, aangeduid als "gelijmde raamlijsten". Volgens de verwijzingsbeschikking

zijn dit blokken hout, met enigszins afgeschaafde randen, met een doorsnede van 48 x 72 mm of 85 x 72 mm (breedte x hoogte), bestaande uit twee lagen merantihout met daartussen een laag naaldhout, met hun draad in dezelfde richting opeen gelijmd. Het product wordt meestal in lengtes van 76 tot 300 cm ingevoerd en gebruikt voor de vervaardiging van raamkozijnen.

Bij tariefinlichting van 23 januari 1996, deelde de Oberfinanzdirektion het goed als "timmerwerk (gelamineerd hout)" in onder post 4418 90 10 GN.

Het bezwaarschrift dat Holz Geenen tegen deze tariefinlichting had ingediend werd bij beschikking van 16 oktober 1997 van de Oberfinanzdirektion afgewezen, nadat de Commissie verordening nr. 159/97 had vastgesteld ter uitvoering van artikel 9 van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief.

Onder punt 2 van de bijlage van genoemde verordening nr. 1509/97 heeft de Commissie "blokken hout, met de afmetingen (breedte x hoogte) 48 x 72 mm, respectievelijk 85 x 72 mm, voor de vervaardiging van raamkozijnen, bestaande uit lagen hout, met hun draad in dezelfde richting opeen gelijmd, met enigszins afgeschuinde randen", ingedeeld in postonderverdeling 4418 90 10 GN, hetgeen overeenstemde met de indeling door de Oberfinanzdirektion in de tariefinlichting van 23 januari 1996. Als motivering staat in de bijlage: "De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, alsmede de tekst van de GN codes 4418, 4418 90 en 4418 90 10. Het betreft timmerwerk (gelamineerd hout)."

Daarop stelde Holz Geenen beroep in bij het Finanzgericht München, met het betoog dat het betrokken product geen timmerwerk is, maar te rekenen is tot de "andere houtwaren" in de zin van post 4421 GN. Zij acht verordening nr. 1509/97 onwettig omdat daarin een indeling voorkomt die afwijkt van het Internationale Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (hierna: "GS"), gedaan te Brussel op 14 juni 1983 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 87/369/EEG van de Raad van 7 april 1987 (hierna: "het verdrag").

Het Finanzgericht München heeft besloten, de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:

"Is verordening (EG) nr. 1509/97 van de Commissie van 30 juli 1997 (PB L 204, blz. 8) tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur, in dit geval blokken hout met de afmetingen (breedte x hoogte) 48 x 72 mm, respectievelijk 85 x 72 mm, voor de vervaardiging van raamkozijnen, bestaande uit lagen hout, met hun draad in dezelfde richting opeen gelijmd, met enigszins afgeschaafde randen, ongeldig?"

Het Hof verklaart voor recht:

"Verordening (EG) nr. 1509/97 van de Commissie van 30 juli 1997 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur is ongeldig, voorzover daarbij in punt 2 van de bijlage .Blokken hout, met de afmetingen (breedte x hoogte) 48 x 72 mm, respectievelijk 85 x 72 mm, voor de vervaardiging van raamkozijnen, bestaande uit lagen hout, met hun draad in dezelfde richting opeen gelijmd, met enigszins afgeschuinde randen', in postonderverdeling 4418 90 10 GN zijn ingedeeld."

Advocaat-generaal F. G. Jacobs heeft ter terechtzitting van de Eerste kamer van 8 juli 1999 conclusie genomen.

Hij concludeerde, dat de verordening ongeldig is, voor zover daarbij de litigieuze goederen in postonderverdeling 4418 90 10 GN zijn ingedeeld en die goederen overeenkomstig hun samenstelling moesten worden ingedeeld in de onderverdeling van post 4412 als de dikte van de beide buitenlagen vergelijkbaar is met die van fineerhout of triplex, of anders in postonderverdeling 4421 90 99.

Aangezien de nationale rechter evenwel niet naar de correcte indeling van de betrokken goederen had gevraagd, gaf hij het Hof in overweging enkel te antwoorden als volgt:

"Verordening (EG) nr. 1509/97 van de Commissie van 30 juli 1997 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur, is ongeldig voor zover daarbij in onderverdeling GN 4418 90 10 worden ingedeeld .blokken hout, met de afmetingen (breedte x hoogte) 48 x 72 mm, respectievelijk 85 x 72 mm, voor de vervaardiging van raamkozijnen, bestaande uit lagen hout, met hun draad in dezelfde richting opeen gelijmd, met enigszins afgeschaafde randen'."



Zaak C-178/97

B. Banks e.a./Koninklijke Muntschouwburg

Vrij verkeer van personen

30 maart 2000

Prejudiciële zaak

"Sociale zekerheid van migrerende werknemers · Vaststelling van toepasselijke wettelijke regeling · Draagwijdte van E 101-verklaring"

(Vijfde kamer)

Bij beschikking van 21 april 1997 heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 14 bis, punt 1, sub a, en 14 quater van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971, en van de artikelen 11 bis en 12 bis, lid 7, van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972.

Die vragen zijn gerezen in een geding tussen Banks en acht andere operazangers alsmede een dirigent, ondersteund door drie andere artiesten, en de Koninklijke Muntschouwburg te Brussel (hierna: "Muntschouwburg") ter zake van de premies die de Muntschouwburg uit hoofde van de algemene Belgische socialezekerheidsregeling voor werknemers op hun gage heeft ingehouden.

Banks e.a. zijn theaterartiesten met de Britse nationaliteit. Zij wonen in het Verenigd Koninkrijk, waar zij gewoonlijk hun beroepsactiviteit verrichten en als zelfstandigen aan de Britse socialezekerheidsregeling onderworpen zijn. Zij zijn door de Muntschouwburg geëngageerd om tussen 1992 en 1995 in België op te treden. Elke artiest was voor minder dan drie maanden geëngageerd, met uitzondering van een van hen, wiens contracten voor een periode van vier maanden en zes dagen waren gesloten.

De Muntschouwburg hield op hun gages de premies in die zij uit hoofde van hun aansluiting bij de algemene socialezekerheidsregeling voor werknemers verschuldigd waren. Die inhouding vond plaats krachtens artikel 3, lid 2, van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969, tot uitvoering van de wet van

27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, waarbij de toepassing van die wet tot schouwspelartiesten is uitgebreid. In de contracten van Banks e.a. was deze inhouding uitdrukkelijk opgenomen.

Tijdens hun contractperiode, respectievelijk tijdens de procedure voor de verwijzende rechter hebben Banks e.a. elk een E 101-verklaring overgelegd, die het Britse Ministerie van Sociale zaken overeenkomstig artikel 11 bis van verordening nr. 574/72 had afgegeven en waarin werd verklaard, dat de betrokkenen zelfstandigen waren, die tijdens de duur van hun contract bij de Muntschouwburg een werkzaamheid anders dan in loondienst uitoefenden en voor die periode overeenkomstig artikel 14 bis, punt 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 aan de Britse socialezekerheidsregeling onderworpen bleven.

Van mening dat zij niet onder de Belgische socialezekerheidsregeling voor werknemers vielen, hebben Banks e.a. bij de Arbeidsrechtbank te Brussel een vordering ingediend tot terugbetaling door de Muntschouwburg van het bedrag van de betaalde premies, vermeerderd met de wettelijke rente. Zij betoogden, dat zij gewoonlijk een activiteit anders dan in loondienst in het Verenigd Koninkrijk uitoefenen en voor een periode korter dan twaalf maanden op het Belgische grondgebied arbeid hadden verricht, zodat zij overeenkomstig artikel 14 bis, punt 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 uitsluitend aan de Britse wettelijke regeling onderworpen bleven. Voorts stelden zij, dat zowel de Muntschouwburg als de Belgische Rijksdienst voor sociale zekerheid (hierna: "RSZ") de door het Britse Ministerie van Sociale zaken afgegeven E 101-verklaringen dienden te erkennen.

Onder deze omstandigheden heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof prejudiciële vragen voorgelegd.

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de term "arbeid" in artikel 14 bis, punt 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 betrekking heeft op elke arbeidsprestatie, al dan niet in loondienst. Voor het geval die bepaling uitsluitend naar arbeid anders dan in loondienst zou verwijzen, wenst hij te vernemen, of de aard van de betrokken arbeid moet worden bepaald aan de hand van de socialezekerheidsregeling van de lidstaat waarin gewoonlijk werkzaamheden anders dan in loondienst wordt verricht, dan wel aan de hand van de overeenkomstige wettelijke regeling van de lidstaat waar de arbeid wordt verricht.

De juiste uitlegging van de term "arbeid" is die welke door verzoekers in het hoofdgeding, de Ierse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie wordt verdedigd.

Deze uitlegging volgt in de eerste plaats uit de bewoordingen van artikel 14 bis, punt 1, sub a, van verordening nr. 1408/71. Het begrip "arbeid" heeft doorgaans namelijk een algemene betekenis, die zonder onderscheid betrekking heeft op arbeid in loondienst of anders dan in loondienst. In dit opzicht onderscheidt artikel 14 bis, punt 1, sub a, zich overigens van artikel 14 ter, punt 2, op grond waarvan op degene die gewoonlijk werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent, hetzij op het grondgebied van een lidstaat, hetzij aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart, en voor eigen rekening arbeid verricht aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een andere lidstaat vaart, de wetgeving van de eerste lidstaat van toepassing blijft.

Uit de omstandigheid dat artikel 14 bis van verordening nr. 1408/71 volgens zijn titel van toepassing is op personen die anders dan in loondienst werkzaam zijn, met uitzondering van zeelieden, kan echter niet worden afgeleid, dat de arbeid bedoeld in punt 1, sub a, van deze bepaling, noodzakelijkerwijs arbeid anders dan in loondienst moet zijn. De woorden "werkzaamheden anders dan in loondienst" in dit artikel hebben immers betrekking op de activiteit die de betrokkene gewoonlijk op het grondgebied van een of meer lidstaten verricht, en niet op de prestatie die hij bij gelegenheid buiten die lidstaat of lidstaten verricht.

Deze uitlegging van artikel 14 bis, punt 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 wordt voorts bevestigd door de omstandigheden waaronder deze bepaling is vastgesteld. Zij is in die verordening immers ingevoegd bij verordening nr. 1390/81, waarbij verordening nr. 1408/71 tot zelfstandigen en hun gezinsleden is uitgebreid.

Zowel in haar oorspronkelijk voorstel tot aanpassing van verordening nr. 1408/71 als in haar gewijzigd voorstel had de Commissie echter in plaats van de term "arbeid" de term "dienstverrichting" gebruikt, om aldus de toepassing van die bepaling te beperken tot het geval waarin arbeid anders dan in loondienst op het grondgebied van een andere lidstaat werd verricht. Daarom lijkt alles erop te wijzen, dat de Raad de term "arbeid" heeft gebruikt, teneinde eveneens het geval van arbeid in loondienst onder deze bepaling te doen vallen.

Voorts moet nog worden beklemtoond, dat de toepassing van artikel 14 bis, punt 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 vooronderstelt, dat de persoon die op het grondgebied van een lidstaat een activiteit anders dan in loondienst uitoefent, op het grondgebied van een andere lidstaat een "arbeid" verricht, dat wil zeggen een bepaalde taak waarvan de inhoud en de duur vooraf zijn bepaald en waarvan de echtheid door middel van de overlegging van de desbetreffende contracten moet kunnen worden aangetoond.

Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat de term "arbeid" in artikel 14 bis, punt 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 betrekking heeft op elke arbeidsprestatie, in loondienst of anders dan in loondienst.

Gelet op het antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede vraag dus niet te worden beantwoord.

Met het eerste onderdeel van zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of een overeenkomstig de artikelen 11 bis en 12 bis, lid 7, van verordening nr. 574/72 afgegeven E 101-verklaring, bindend is voor het bevoegde orgaan van de lidstaat waarin de arbeid wordt verricht en voor degene die gebruik maakt van de diensten van de zelfstandigen aan wie die verklaring is afgegeven. Zo ja, vraagt de verwijzende rechter zich af, hoe lang deze verklaring bindende gevolgen heeft.

De overeenkomstig artikel 11 bis van verordening nr. 574/72 afgegeven E 101-verklaring is bindend voor het bevoegde orgaan van de lidstaat waarnaar de zelfstandige zich begeeft om arbeid te verrichten, zolang zij niet is ingetrokken of ongeldig verklaard.

Aangezien de E 101-verklaring voor het bevoegde orgaan bindend is, kan niet worden aanvaard dat de persoon die van de diensten van die zelfstandige gebruik maakt, met die verklaring geen rekening zou houden. Heeft hij echter twijfels over de geldigheid van de verklaring, dan dient hij het betrokken orgaan daarvan op de hoogte te stellen.

Derhalve moet op het eerste onderdeel van de derde vraag worden geantwoord, dat de overeenkomstig artikel 11 bis van verordening nr. 574/72 afgegeven E 101-verklaring, bindend is voor het bevoegde orgaan van de lidstaat waarnaar de zelfstandige zich begeeft om arbeid te verrichten en voor de persoon die van zijn diensten gebruik maakt, zolang zij niet is ingetrokken of ongeldig verklaard.

Met het tweede onderdeel van zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de overeenkomstig artikel 11 bis van verordening nr. 574/72 afgegeven E 101-verklaring terugwerkende kracht kan hebben, wanneer zij betrekking heeft op een periode die op het moment van afgifte van die verklaring geheel of gedeeltelijk is verstreken.

Om te beginnen moet worden vastgesteld, dat artikel 11 bis van verordening nr. 574/72 geen termijn stelt voor de afgifte van het in die bepaling genoemde bewijs.

Voorts verklaart het bevoegde orgaan van een lidstaat met de afgifte van de E 101-verklaring krachtens artikel 11 bis slechts, dat de betrokken zelfstandige gedurende de gehele periode waarin hij op het grondgebied van een andere lidstaat arbeid verricht, aan de wettelijke regeling van eerstbedoelde lidstaat onderworpen blijft. Die verklaring dient weliswaar bij voorkeur vóór het begin van de betrokken periode te worden afgegeven, doch zij kan eveneens gedurende die periode en zelfs na afloop ervan worden afgegeven.

Onder deze omstandigheden verzet niets zich ertegen, dat de E 101-verklaring eventueel terugwerkende kracht heeft.

Daarom bepaalt besluit nr. 126 van de Administratieve Commissie van 17 oktober 1985 betreffende de toepassing van de artikelen 14, lid 1, sub a), 14 bis, lid 1, sub a), en 14 ter, leden 1 en 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71, dat het orgaan bedoeld in de artikelen 1 en 11 bis van verordening (EEG) nr. 574/72 verplicht is een verklaring betreffende de toepasselijke wetgeving (E 101-verklaring) te verstrekken, zelfs indien om afgifte daarvan wordt verzocht na de aanvang door de betrokkene van zijn werkzaamheid op het grondgebied van een andere dan de bevoegde staat.

Dat de E 101-verklaring terugwerkende kracht kan hebben, volgt overigens noodzakelijkerwijs uit de rechtspraak van het Hof, waar het oordeelde, dat de aan de lidstaten bij artikel 17 van verordening nr. 1408/71 geboden mogelijkheid om ten gunste van een werknemer overeen te komen, dat een andere dan de door de artikelen 13 tot en met 16 aangewezen wettelijke regeling wordt toegepast, eveneens geldt voor reeds verstreken tijdvakken.

Derhalve moet op het tweede onderdeel van de derde vraag worden geantwoord, dat de overeenkomstig artikel 11 bis van verordening nr. 574/72 afgegeven E 101-verklaring terugwerkende kracht kan hebben.

Het Hof verklaart voor recht:

"1) De term .arbeid' in artikel 14 bis, punt 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6) en vervolgens bij verordening (EEG) nr. 3811/86 van de Raad van 11 december 1986, heeft betrekking op elke arbeidsprestatie, in loondienst of anders dan in loondienst.

2) De E 101-verklaring, afgegeven overeenkomstig artikel 11 bis van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 2001/83 en vervolgens bij verordening nr. 3811/86, is bindend voor het bevoegde orgaan van de lidstaat waarnaar de zelfstandige zich begeeft om arbeid te verrichten en voor de persoon die van zijn diensten gebruik maakt, zolang zij niet is ingetrokken of ongeldig verklaard.

3) De overeenkomstig artikel 11 bis van verordening nr. 574/72 afgegeven E 101-verklaring kan terugwerkende kracht hebben."

Advocaat-generaal D. Ruiz-Jarabo Colomer heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 26 november 1998 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"1) Het begrip .arbeid' in art. 14 bis, sub 1a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals

gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, en laatstelijk bij verordening (EEG) nr. 3811/86 van de Raad van 11 december 1986, heeft betrekking op de uitoefening van om het even welke economische activiteit. Het feit dat de socialezekerheidswetgeving van de lidstaat waarin de arbeid wordt verricht, de arbeid aanmerkt als een werkzaamheid in loondienst of anders dan in loondienst, is irrelevant voor de toepassing vam deze bepaling.

2) Iemand oefent gelijktijdig een werkzaamheid in loondienst en een werkzaamheid anders dan in loondienst uit op het grondgebied van verschillende lidstaten in de zin van artikel 14 quater van verordening nr. 1408/71 wanneer hij, zonder dat hij zich in een van de door de artikelen 14, lid 1, en 14 bis, lid 1, geregelde situaties bevindt, in een lidstaat een economische activiteit uitoefent die de socialezekerheidswetgeving van die lidstaat voor de aansluiting bij het overeenkomstige socialezekerheidsstelsel aanmerkt als werkzaamheid in loondienst, terwijl hij in een andere lidstaat een economische activiteit uitoefent die de socialezekerheidswetgeving van die lidstaat voor de aansluiting bij het voor zelfstandigen geldende stelsel aanmerkt als werkzaamheid anders dan in loondienst.

3) Formulier E 101 heeft slechts declaratoire werking, maar heeft een vermoeden van geldigheid iuris tantum op alle punten waarvoor het wordt afgegeven, en bindt het bevoegd orgaan van de lidstaat waarnaar de werknemer zich begeeft om tijdelijke arbeid te verrichten. Degene die gebruik maakt van de prestaties van een werknemer, wordt slechts door dit formulier gebonden indien zijn nationale socialezekerheidswetgeving hem aanwijst als het in dit geval bevoegde orgaan. Daar de onderzochte bepalingen geen termijn stellen voor de afgifte van formulier E 101 en evenmin aangeven tot wanneer dit formulier effect sorteert, kan daaraan geen grondslag worden ontleend om de periode van geldigheid te beperken of daaraan terugwerkende kracht te ontzeggen."



Zaak C-265/97 P

Coöperatieve Vereniging De Verenigde Bloemenveilingen Aalsmeer BA (VBA)/Florimex BV en Vereniging van Groothandelaren in Bloemkwekerijproducten/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Mededinging

30 maart 2000

"Hogere voorziening · Mededinging · Beschikking tot afwijzing van klacht · Verenigbaarheid met artikel 2 van verordening nr. 26 van heffing die van externe aanvoerders wordt geheven over bloemkwekerijproducten die worden geleverd aan op terrein van coöperatieve veilingvereniging gevestigde groothandelaren · Motivering"

(Vijfde kamer)

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 19 juli 1997, heeft de Coöperatieve Vereniging De Verenigde Bloemenveilingen Aalsmeer (VBA) BA (hierna: "VBA") hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 14 mei 1997, Florimex en VGB/Commissie (hierna:

"bestreden arrest"). Hierbij werd nietig verklaard de beschikking van de Commissie (IV/32.751 · Florimex/Aalsmeer II en IV/32.990 · VGB/Aalsmeer; hierna: "litigieuze beschikking"), houdende weigering gevolg te geven aan de klachten van Florimex BV (hierna: "Florimex") en de Vereniging van Groothandelaren in Bloemkwekerijproducten (hierna: "VGB") betreffende de heffing voor gebruik van de faciliteiten van de VBA die zij oplegt voor leveringen van producten door aanvoerders die niet bij haar zijn aangesloten.

De VBA is een coöperatieve vereniging naar Nederlands recht waarbij kwekers van bloemen en sierplanten zijn aangesloten.

De VBA houdt op haar terrein te Aalsmeer veilingen van bloemkwekerijproducten. Deze producten zijn onderworpen aan de bepalingen van verordening (EEG) nr. 234/68 van de Raad van 27 februari 1968 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector levende planten en producten van de bloementeelt.

Florimex is een te Aalsmeer in de nabijheid van het complex van de VBA gevestigde onderneming die zich bezighoudt met de bloemenhandel. Zij voert bloemkwekerijproducten in uit lidstaten van de Europese Gemeenschap en derde landen, teneinde deze voornamelijk aan de groothandel in Nederland door te verkopen.

De VGB is een vereniging waarbij een groot aantal Nederlandse groothandelaren in bloemkwekerijproducten, waaronder Florimex, alsmede op het terrein van de VBA gevestigde groothandelaren zijn aangesloten.

Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep toegewezen en heeft het de litigieuze beschikking nietig verklaard.

De VBA voert acht middelen aan.

Het eerste, het vierde, het vijfde en het zesde middel hebben betrekking op zowel de omvang van de toetsing van de litigieuze beschikking door het Gerecht, als de juistheid van zijn beoordeling. Het tweede en het derde middel betreffen de afbakening van het voorwerp van het geschil door het Gerecht. Het zevende en het achtste middel hebben betrekking op andere specifieke kritische kanttekeningen die het Gerecht bij de litigieuze beschikking heeft geplaatst.

Het eerste, het vierde, het vijfde en het zesde middel

Met betrekking tot deze vier middelen, die tezamen moeten worden onderzocht, zij om te beginnen eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak de door artikel 190 EG-Verdrag (thans artikel 253 EG) vereiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. De aan de motivering te stellen eisen moeten worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een verklaring kunnen hebben.

Vervolgens moet worden vastgesteld dat het Gerecht terecht met een beroep op de arresten Frubo/Commissie en Oude Luttikhuis e.a. (beide reeds aangehaald) heeft geëist, dat de motivering van de beschikking moet doen uitkomen, op welke wijze de overeenkomst tussen de leden van een coöperatie aan elk van de doelstellingen van artikel 39 voldoet, dan wel op welke wijze de Commissie deze doelstellingen zodanig tegen elkaar heeft kunnen afwegen, dat deze uitzonderingsbepaling, die beperkt moet worden uitgelegd, kan worden toegepast.

De door rekwirante aangevoerde voorrang van het landbouwbeleid boven de doelstellingen van het Verdrag op mededingingsgebied kan de Commissie overigens niet ontslaan van een onderzoek om vast te stellen dat de in artikel 39 van het Verdrag geformuleerde doelstellingen metterdaad door deze overeenkomst worden bereikt.

De Commissie diende haar beschikking te motiveren door aan te tonen, op welke wijze de in het kader van de VBA gesloten overeenkomsten noodzakelijk waren voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag, of althans op welke wijze deze doelstellingen tegen elkaar konden worden afgewogen. Bijgevolg behoeft niet de juistheid van de overwegingen van het arrest van het Gerecht te worden onderzocht, die betrekking hebben op de gevolgen van de bij verordening nr. 234/68 ingevoerde maatregelen, alsmede op de draagwijdte van de litigieuze beschikking die volgens het Gerecht ruimer was dan die van de eerdere beschikkingen.

Het Gerecht heeft terecht geoordeeld, dat de motivering van de litigieuze beschikking betreffende het voortbestaan van de VBA niet toereikend is om aan te tonen, dat de facilitaire heffing vereist is voor de verwezenlijking van de in artikel 39 van het Verdrag vermelde doelstellingen.

Bijgevolg moeten het eerste, het vierde, het vijfde en het zesde middel van de hogere voorziening worden afgewezen.

Het tweede en het derde middel

Met deze middelen komt de VBA op tegen de punten 137 en 138 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht overwoog dat het geen uitspraak behoefde te doen over de argumenten van de VBA betreffende de niet-toepasselijkheid van artikel 85, lid 1, van het Verdrag of de eventuele toepassing van artikel 2, lid 1, tweede volzin, van verordening nr. 26, doch enkel over de wettigheid van de conclusie van de Commissie in de litigieuze beschikking, dat de facilitaire heffing onder artikel 2, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 26 valt.

De vaststelling volstaat dat de Commissie de litigieuze beschikking enkel heeft gebaseerd op de overweging dat de facilitaire heffing een wezenlijk bestanddeel van het afzetsysteem van de VBA vormt, dat volgens de Commissie noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag, in de zin van artikel 2, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 26, en dat het door Florimex en de VGB bij het Gerecht ingestelde beroep de toepassing van laatstgenoemde bepaling betrof. Het Gerecht heeft zich dus terecht niet uitgesproken over de argumenten van de VBA inzake de niet-toepasselijkheid van artikel 85, lid 1, van het Verdrag of de eventuele toepassing van artikel 2, lid 1, tweede volzin, van verordening nr. 26.

Het tweede en het derde middel van de hogere voorziening moeten derhalve worden afgewezen.

Het Hof, rechtdoende:

"1) Wijst de hogere voorziening af.

2) Verstaat dat de Coöperatieve Vereniging De Verenigde Bloemenveilingen Aalsmeer (VBA) BA haar eigen kosten zal dragen, alsmede de kosten welke Florimex BV en de Vereniging van Groothandelaren in Bloemkwekerijproducten (VGB) in verband met de procedure voor het Hof hebben gemaakt.

3) Verstaat dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen haar eigen kosten zal dragen."

Advocaat-generaal A. Saggio heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 8 juli 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging:

"1) de hogere voorziening af te wijzen;

2) rekwirante te verwijzen in de door Florimex BV en de Vereniging van Groothandelaren in Bloemkwekerijproducten in hogere voorziening gemaakte kosten."



Zaak C-266/97 P

Coöperatieve Vereniging De Verenigde Bloemenveilingen Aalsmeer BA (VBA)/Vereniging van Groothandelaren in Bloemkwekerijproducten (VGB), Florimex BV/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Mededinging

30 maart 2000

"Hogere voorziening · Mededinging · Sepositie van klacht bij gebreke van antwoord van klagers binnen gestelde termijn · Verenigbaarheid met artikel 85, lid 1, EG-Verdrag van heffing die wordt geheven van aanvoerders die overeenkomsten hebben gesloten inzake aanvoer van bloemkwekerijproducten aan op terrein van coöperatieve veilingvereniging gevestigde ondernemingen · Verenigbaarheid met artikel 85, lid 1, van het Verdrag van exclusieve afnameverplichting die is aanvaard door sommige groothandelaren die dergelijke producten doorverkopen aan detailhandelaren in specifieke verkoopruimte op hetzelfde terrein · Discriminatie · Invloed op handel tussen lidstaten
· Beoordeling in algemene kader van geheel van regelingen · Geen merkbare invloed"

(Vijfde kamer)

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 19 juli 1997, heeft de Coöperatieve Vereniging De Verenigde Bloemenveilingen Aalsmeer (VBA) BA (hierna: "VBA") hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 14 mei 1997, VGB e.a./Commissie (hierna: "bestreden arrest"). Hierbij werd nietig verklaard de beschikking van de Commissie, vervat in een brief van 20 december 1993 (hierna: "litigieuze beschikking"), houdende weigering gevolg te geven aan de klachten van de Vereniging van Groothandelaren in Bloemkwekerijproducten (hierna: "VGB"), Florimex BV (hierna: "Florimex"), Inkoop Service Aalsmeer BV (hierna: "Inkoop Service Aalsmeer") en M. Verhaar BV (hierna: "Verhaar") betreffende de door de VBA met sommige van deze aanvoerders gesloten handelsovereenkomsten.

Bij ter griffie van het Hof op 30 oktober 1997 neergelegde akte hebben de VGB, Florimex, Inkoop Service Aalsmeer en Verhaar incidentele hogere voorziening ingesteld tegen het bestreden arrest, voor zover daarbij hun middelen en argumenten betreffende de weigering van de Commissie gevolg te geven aan hun klachten tegen de overeenkomsten met betrekking tot het handelscentrum Cultra (hierna: "Cultra-overeenkomsten"), die de VBA met sommige groothandelaren had gesloten, zijn afgewezen.

De feiten voor het Gerecht

De VBA is een coöperatieve vereniging naar Nederlands recht waarbij kwekers van bloemen en sierplanten zijn aangesloten en die op haar terrein te Aalsmeer veilingen van bloemkwekerijproducten houdt. Een deel van haar terrein is gereserveerd voor verhuur, in het bijzonder aan groothandelaren in snijbloemen en handelaren in kamerplanten, als "verwerkingsruimte", bestemd voor de uitoefening van de groothandel in bloemkwekerijproducten (punt 1).

De VGB is een vereniging waarbij een groot aantal Nederlandse groothandelaren in bloemkwekerijproducten, alsmede op het terrein van de VBA gevestigde groothandelaren zijn aangesloten (punt 2).

Florimex is een te Aalsmeer in de nabijheid van het complex van de VBA gevestigde onderneming die zich bezighoudt met de bloemenhandel. Zij voert bloemkwekerijproducten in uit lidstaten van de Europese Gemeenschap en derde landen, teneinde deze voornamelijk aan de groothandel in Nederland door te verkopen (punt 3).

Verhaar is een op het terrein van de VBA gevestigde groothandel in bloemkwekerijproducten. Inkoop Service Aalsmeer is een dochtermaatschappij van Verhaar, gevestigd in het groothandelscentrum Cultra, dat zich op het terrein van de VBA bevindt (punt 4).

De VBA voert vijf middelen aan.

Het eerste middel

Met dit middel wordt gesteld, dat het Gerecht het beroep ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard. Volgens de VBA heeft het onder meer blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te beslissen dat, wanneer de klagers niet binnen de daartoe gestelde termijn reageren op een brief ex artikel 6 van verordening nr. 99/63, het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging de sepositie van klachten verbiedt indien bijzondere omstandigheden een legitieme verklaring voor een overschrijding van die termijn kunnen vormen.

Om te beginnen zij opgemerkt, dat de VBA niet de vaststelling van het Gerecht betwist, dat de brief van de Commissie van 5 augustus 1992 als een brief ex artikel 6 van verordening nr. 99/63 moet worden aangemerkt.

Vervolgens moet worden vastgesteld, dat het Gerecht, door te beslissen dat bijzondere omstandigheden de Commissie kunnen verbieden een klacht ad acta te leggen wanneer de klager niet binnen de door de Commissie gestelde termijn op een brief ex artikel 6 van verordening nr. 99/63 heeft gereageerd, de vereisten van een goed bestuur en de rechtszekerheid correct heeft afgewogen tegen die van de bescherming van de aan de klaagsters geboden procedurele waarborgen.

Ten slotte heeft het Gerecht zich terecht op het standpunt gesteld, dat omstandigheden als die van de onderhavige zaak bijzondere omstandigheden waren die een legitieme verklaring kunnen vormen voor de overschrijding van de in de brief ex artikel 6 van verordening nr. 99/63 gestelde termijn.

Bijgevolg was het Gerecht terecht van oordeel, dat in de specifieke omstandigheden van deze zaak de brief van 20 december 1993, gelezen in de context waarin hij is geschreven, als een definitieve afwijzing van de inhoud van de klachten moest worden aangemerkt.

Het tweede tot en met het vijfde middel

Met het tweede tot en met het vijfde middel betwist de VBA de vaststelling van het Gerecht, dat de brief ex artikel 6 van verordening nr. 99/63 een feitelijke onjuistheid of een beoordelingsfout bevat, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat het verschil in percentage tussen de facilitaire heffing en de heffing van 3 % die voor de handelsovereenkomsten geldt, wordt gerechtvaardigd doordat de aanvoerders die een handelsovereenkomst hebben gesloten, tegenover de VBA verplichtingen zijn aangegaan.

Er zij vastgesteld, dat het Gerecht enkel de twee argumenten heeft onderzocht op grond waarvan de Commissie de klachten betreffende de handelsovereenkomsten had afgewezen, te weten dat de VBA ten opzichte van haar handelspartners geen ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties toepaste in de zin van artikel 85, lid 1, sub d, van het Verdrag, en dat er geen sluitend bewijs was voor een merkbare beïnvloeding van de handel tussen lidstaten. Daarentegen behoefde het Gerecht zich niet uit te spreken over de vraag of er al dan niet een overeenkomst tussen ondernemingen bestond.

Er zij aan herinnerd, dat een hogere voorziening nauwkeurig de elementen van het arrest of de beschikking waarvan vernietiging wordt gevorderd, moet aangeven, alsmede de argumenten rechtens tot staving van deze vordering.

Zou een partij een middel dat zij niet voor het Gerecht heeft aangevoerd voor het eerst voor het Hof mogen aanvoeren, dan zou zij in feite bij het Hof, met een beperkte bevoegdheid inzake hogere voorziening, een geschil aanhangig kunnen maken met een ruimere strekking dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen. In hogere voorziening is het Hof dus enkel bevoegd om te oordelen over de rechtsbeslissing die is gegeven ten aanzien van de middelen die voor de rechter in eerste aanleg zijn aangevoerd.

Bijgevolg moet het tweede middel niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het Hof, rechtdoende:

"1) Wijst de principale en de incidentele hogere voorziening af.

2) Verstaat dat de Coöperatieve Vereniging De Verenigde Bloemenveilingen Aalsmeer (VBA) BA haar eigen kosten zal dragen, alsmede de kosten welke de Vereniging van Groothandelaren in Bloemkwekerijproducten (VGB), Florimex BV, Inkoop Service Aalsmeer BV en M. Verhaar BV in verband met de hogere voorziening hebben gemaakt.

3) Verstaat dat de Vereniging van Groothandelaren in Bloemkwekerijproducten (VGB), Florimex BV, Inkoop Service Aalsmeer BV en M. Verhaar BV hun eigen kosten zullen dragen, alsmede de kosten welke de Coöperatieve Vereniging De Verenigde Bloemenveilingen Aalsmeer (VBA) BA in verband met de incidentele hogere voorziening heeft gemaakt.

4) Verstaat dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen haar eigen kosten zal dragen."

Advocaat-generaal A. Saggio heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 8 juli 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging:

"1) de hogere voorziening af te wijzen;

2) de incidentele hogere voorziening van de Vereniging van Groothandelaren in Bloemkwekerijproducten, Florimex BV, Inkoop Service Aalsmeer BV en M. Verhaar BV af te wijzen;

3) de Coöperatieve Vereniging De Verenigde Bloemenveilingen Aalsmeer (VBA) BA te verwijzen in de kosten van dit geding van de Vereniging van Groothandelaren in Bloemkwekerijproducten, Florimex BV, Inkoop Service Aalsmeer BV en M. Verhaar BV, met uitzondering van de kosten van de incidentele hogere voorziening."



Zaak C-236/98

Jämställdhetsombudsmannen/Örebro läns landsting

Sociale politiek

30 maart 2000

Prejudiciële zaak

"Sociale politiek · Mannelijke en vrouwelijk werknemers · Gelijke beloning voor gelijkwaardige arbeid · Artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG - 143 EG) · Richtlijn 75/117/EEG · Vergelijking van beloning van vroedvrouw met die van ziekenhuistechnicus · Inaanmerkingneming van toeslag en arbeidstijdverkorting wegens ongunstige werkuren"

(Zesde kamer)

Bij beschikking van 2 juli 1998 heeft Arbetsdomstolen vijf prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG - 143 EG) en van richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975.

Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen
Jämställdhetsombudsmannen (ombudsman gelijke behandeling; hierna: "ombudsman") en Örebro läns landsting (provinciale raad van het län Örebro; hierna: "landsting") over de beloning van twee vroedvrouwen die lager is dan die van een lid van de technische ziekenhuisstaf, hoewel allen volgens de ombudsman gelijkwaardige arbeid verrichten.
De ombudsman heeft voor de verwijzende rechter namens twee vroedvrouwen schadevergoeding gevorderd van het landsting wegens loondiscriminatie in de periode van 1 januari 1994 tot 30 juni 1996, alsmede betaling van het verschil tussen hun salaris en het hogere salaris van een lid van de technische ziekenhuisstaf, op grond dat allen gelijkwaardige arbeid hebben verricht.

De vroedvrouwen waarom het in het hoofdgeding gaat, K. Ellmén en K. Wetterberg, en de technicus L. Persson, zijn allen in dienst van het landsting werkzaam bij het regionale ziekenhuis van Örebro. Hun beloning en hun arbeidsvoorwaarden zijn geregeld in collectieve arbeidsovereenkomsten, met name in de cao 95.

Het basissalaris van Ellmén en Wetterberg bedraagt 17 400 SEK respectievelijk 16 600 SEK per maand, dat van Persson 19 650 SEK per maand.

De toeslag voor ongunstige werkuren is bij collectieve arbeidsovereenkomst geregeld en wordt voor alle betrokken werknemers op dezelfde wijze berekend. Het bedrag verschilt naar gelang het dagdeel en naar gelang op zaterdag of op een feestdag wordt gewerkt. De toeslag wordt in het algemeen slechts toegekend voor door de week tussen 19h00 en 6h00 gewerkte uren. De twee vroedvrouwen ontvingen deze toeslag regelmatig, in tegenstelling tot Persson, die niet werkte op uren die recht op die toeslag geven.

De vroedvrouwen werken volgens een drieploegensysteem. Het werkrooster wordt voor tijdvakken van 15 weken vastgesteld. De ombudsman voert aan, dat de enige beroepsgroep die in de zorgsector in Zweden in ploegendienst werkt, die van de vroedvrouwen op de kraamafdeling is.

Volgens de cao 95 bedraagt de arbeidsduur voor voltijdwerknemers gemiddeld 40 uur per week, tenzij op zon- en/of feestdagen wordt gewerkt · dan bedraagt de arbeidsduur gemiddeld 38 uur en 15 minuten per week · en wanneer in ploegendienst wordt gewerkt; in dat geval is de arbeidsduur 34 uur en 20 minuten per week.

Voor Arbetsdomstolen stelde de ombudsman, dat de arbeid van Ellmén en Wetterberg als gelijkwaardig aan dat van de technicus moet worden beschouwd, zodat zij hetzelfde loon dienen te ontvangen. Hij stelde zich op het standpunt, dat noch de toeslag voor ongustige werkuren noch de tegenwaarde van de arbeidstijdverkorting in aanmerking dient te worden genomen.

In die omstandigheden verzocht de ombudsman Arbetsdomstolen bij interlocutoir vonnis vast te stellen, dat het landsting voor de vroedvrouwen een lager loon heeft bepaald dan voor het lid van de technische dienst.

Het landsting betwistte de stelling van de ombudsman.

Gelet op deze overwegingen heeft Arbetsdomstolen besloten, de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof prejudiciële vragen te stellen.

Met deze vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de toeslag voor ongunstige werkuren in aanmerking moet worden genomen bij de berekening van de grondslag voor de vergelijking van de beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag en van richtlijn 75/117.

Vooraf moet eraan worden herinnerd, dat in artikel 119 van het Verdrag het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid wordt geformuleerd. Bijgevolg moet dezelfde of gelijkwaardige arbeid gelijk worden beloond, ongeacht of de arbeid door een man of een vrouw wordt verricht. Zoals het Hof reeds verklaarde, is dit beginsel een der grondslagen van de Gemeenschap.

Het Hof besliste ook, dat artikel 1 van richtlijn 75/117, dat in de eerste plaats bedoeld is om de concrete toepassing van het in artikel 119 van het Verdrag opgenomen beginsel van gelijke beloning te vergemakkelijken, op generlei wijze afdoet aan de strekking en de inhoud van dit beginsel zoals het in laatstgenoemde bepaling is omschreven.

Het begrip beloning in de zin van artikel 119, tweede alinea, van het Verdrag omvat alle huidige of toekomstige voordelen in geld of in natura, mits deze, zij het ook indirect, door de werkgever aan de werknemer uit hoofde van diens dienstbetrekking worden betaald.

De in het hoofdgeding aan de orde zijnde toeslag is een vorm van beloning waarop de werknemer op grond van zijn dienstbetrekking recht heeft. De toeslag wordt de werknemer uitbetaald, omdat hij op ongunstige uren arbeid verricht en om de daaruit voortvloeiende storingen en ongemakken te compenseren.

Wat betreft de wijze waarop in het landsting over de lonen wordt onderhandeld, staat vast, dat artikel 119 van het Verdrag wegens zijn dwingend karakter niet alleen op wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van toepassing is, maar ook op collectieve en individuele arbeidsovereenkomsten.

Daar de toeslag voor ongunstige werkuren dus onder het begrip beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag valt, moet worden nagegaan, of deze bij de vergelijking van de beloningen van vroedvrouwen en van ziekenhuistechnici in aanmerking moet worden genomen.

Aangaande de methode om de naleving van het beginsel van gelijke beloning te controleren, heeft het Hof reeds vastgesteld, dat wanneer de nationale rechterlijke instanties alle voordelen van verschillende aard die naargelang van de omstandigheden aan mannelijke en vrouwelijke werknemers worden toegekend, zouden moeten beoordelen en vergelijken, de rechterlijke controle moeilijk zou zijn en de doeltreffendheid van artikel 119 dientengevolge sterk zou worden verzwakt. Hieruit volgt, dat werkelijke doorzichtigheid, waardoor een doeltreffende controle mogelijk is, slechts is verzekerd wanneer het beginsel van gelijke beloning op elk onderdeel van de aan mannelijke en vrouwelijke werknemers toegekende beloning van toepassing is.

Met het oog op een grotere doorzichtigheid en ter waarborging van de aan richtlijn 75/117 ten grondslag liggende eis van doeltreffendheid moet derhalve in casu het basisloon per maand van de vroedvrouwen met dat van de ziekenhuistechnici worden vergeleken.

De omstandigheid dat de toeslag voor ongunstige werkuren van maand tot maand verschilt naar gelang het deel van het etmaal waarop is gewerkt, leidt ertoe, dat het moeilijk is een zinvolle vergelijking te maken tussen het totaalbedrag van het loon en de toeslag van een vroedvrouw enerzijds en het basisloon van de referentiegroep anderzijds.

Er zij aan herinnerd, dat het Hof zich in het kader van deze procedure niet behoeft uit te spreken over vragen die verband houden met het begrip gelijkwaardige arbeid.

De nationale rechter, die als enige bevoegd is over de feiten te oordelen, dient bijgevolg te bepalen of aan de betrokken arbeid, gelet op de werkelijke aard ervan en op de arbeidsomstandigheden, gelijke waarde kan worden toegekend.

Is dat het geval, dan moet worden vastgesteld, dat uit een vergelijking van het basisloon per maand van de vroedvrouwen met dat van de ziekenhuistechnici blijkt, dat de vroedvrouwen een lagere beloning ontvangen.

Hieruit volgt dat de nationale rechter, om uit te maken of de betaling van een lager loon aan vroedvrouwen in strijd is met artikel 119 van het Verdrag, moet onderzoeken, of de beschikbare statistische gegevens erop wijzen, dat een aanzienlijk groter percentage vrouwelijke dan mannelijke werknemers als vroedvrouw werkzaam is. Zo dat het geval is, is er sprake van indirecte discriminatie op grond van geslacht, tenzij de omstreden maatregel gerechtvaardigd is door objectieve factoren die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht.

Het ligt op de weg van de nationale rechter om uit te maken, of een nationale bepaling, een collectieve overeenkomst inzake in loondienst verrichte arbeid of ook de eenzijdige handeling van een werkgever

jegens zijn personeel, die weliswaar ongeacht het geslacht van de werknemer van toepassing is, doch die feitelijk een aanzienlijk groter percentage vrouwen dan mannen treft, haar rechtvaardiging vindt in objectieve factoren die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht.

De nationale rechter dient eveneens te bepalen, of deze factoren kunnen worden beschouwd als objectieve factoren die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht en die eventuele verschillen in beloning kunnen rechtvaardigen.

Ten slotte moet worden gepreciseerd, dat bij een situatie van schijnbare discriminatie de werkgever dient aan te tonen, dat er objectieve redenen zijn voor het geconstateerde verschil in beloning. De werknemers zouden immers geen mogelijkheid hebben om de eerbiediging van het beginsel van gelijke beloning voor de nationale rechter af te dwingen, indien het stellen van feiten die op het bestaan van discriminatie kunnen wijzen, voor de werkgever niet de verplichting meebracht te bewijzen, dat het verschil in beloning in werkelijkheid niet discriminerend is.

Met de vierde en de vijfde vraag, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de arbeidstijdverkorting die bij arbeid in drieploegendienst wordt verleend in vergelijking met de normale arbeidsduur bij arbeid overdag, of de tegenwaarde van die arbeidstijdverkorting, in aanmerking dient te worden genomen bij de berekening van de grondslag voor de vergelijking van de beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag en van richtlijn 75/117.

Zoals blijkt uit punt 38 van dit arrest, moet voor een nuttig antwoord aan de verwijzende rechter worden nagegaan, of de arbeidstijdverkorting krachtens de cao 95 onder artikel 119 van het Verdrag en dus onder richtlijn 75/117 valt.

Het Hof heeft reeds beslist, dat de omstandigheid dat bepaalde arbeidsvoorwaarden financiële gevolgen kunnen hebben, onvoldoende reden vormt om dergelijke voorwaarden onder het toepassingsgebied van artikel 119 te brengen, dat uitgaat van de nauwe band tussen de aard van de verrichte arbeid en het bedrag van het loon.

De arbeidstijdverkorting betreft derhalve de arbeidsvoorwaarden, zodat zij onder richtlijn 76/207 valt.

Eventuele verschillen in de werktijden van de twee voor de loonvergelijking in aanmerking genomen groepen kunnen echter objectieve redenen opleveren, die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht en die een verschil in beloning kunnen rechtvaardigen.

De werkgever moet aantonen, dat dergelijke objectieve redenen daadwerkelijk bestaan.

Het Hof verklaart voor recht:

"1) Een toeslag wegens ongunstige werkuren dient niet in aanmerking te worden genomen bij de berekening van de grondslag voor de vergelijking van de beloning in de zin van artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG - 143 EG) en van richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der lidstaten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers. Indien een verschil in beloning tussen beide groepen wordt geconstateerd en de beschikbare statistische gegevens erop wijzen, dat zich een aanzienlijk groter percentage vrouwen dan mannen in de benadeelde groep bevindt, moet de werkgever ingevolge artikel 119 van het Verdrag dit verschil rechtvaardigen aan de hand van objectieve factoren die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht.

2) De arbeidstijdverkorting die bij arbeid in drieploegendienst wordt verleend in vergelijking met de normale arbeidsduur bij arbeid overdag, of de tegenwaarde van die arbeidstijdverkorting, dient niet in aanmerking te worden genomen bij de berekening van de grondslag voor de vergelijking van de beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag en van richtlijn 75/117. Die arbeidstijdverkorting kan evenwel een objectieve reden vormen, die niets van doen heeft met discriminatie op grond van geslacht en die een verschil in beloning kan rechtvaardigen. De werkgever moet aantonen, dat zulks daadwerkelijk het geval is."

Advocaat-generaal F. G. Jacobs heeft ter terechtzitting van de Zesde kamer van 16 december 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"1) Wanneer de beloning bestaat uit verschillende elementen, bijvoorbeeld een basisloon en een toeslag wegens onregelmatige werktijden, moet elk element in beginsel voor een vergelijking van de gelijke beloning apart worden behandeld. Wanneer uit die vergelijking op het eerste gezicht blijkt, dat het beginsel van gelijke beloning is geschonden, kan de werkgever dit vermoeden omkeren door te bewijzen dat het verschil in beloning gebaseerd is op objectief gerechtvaardigde factoren die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht.

2) Wanneer het moeilijk of onmogelijk is verschillende elementen van de beloning te onderscheiden, moet voor een vergelijking van de gelijke beloning een globale schatting worden gemaakt. In dat geval betekent het enkele feit dat de structuur niet transparant is, dat de werkgever moet bewijzen dat de aangevoerde discriminatie niet bestaat.

3) Wanneer de werknemer die discriminatie stelt, minder uren per week werkt dan de werknemer die als vergelijkingsgrondslag dient, maar dat deze uren door de werkgever gelijk aan een werkweek worden geacht, bestaat de juiste aanpak ten behoeve van het beginsel van gelijke beloning erin, het basissalaris van beide werknemers te vergelijken zonder het salaris van de eerste werknemer aan te passen zodat de arbeidstijdverkorting daarin wordt gereflecteerd. Wanneer die vergelijking op het eerste gezicht aantoont, dat het beginsel van gelijke beloning is geschonden, kan de werkgever dit vermoeden omkeren, door te bewijzen dat het verschil in beloning gebaseerd is op objectief gerechtvaardigde factoren die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht."



Bij het Gerecht van eerste aanleg aanhangige zaken

Zaak T-251/97

T. Port GmbH & Co./Commissie van de Europese Gemeenschappen

Landbouw

28 maart 2000

"Landbouw · Gemeenschappelijke ordening der markten · Bananen · Aanvraag om afgifte van aanvullende invoercertificaten · Artikel 30 van verordening (EEG) nr. 404/93 · Beroep tot nietigverklaring"

(Vijfde kamer)

Bij verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen, is een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bananen ingevoerd ter vervanging van de diverse nationale regelingen.

Verzoekster is een in Duitsland gevestigde fruitimporteur, die zich sedert het begin van deze eeuw bezighoudt met de handel in bananen uit derde landen.

In 1990 sloot zij met de Colombiaanse vennootschap Proban (hierna:"Proban") een voorovereenkomst met betrekking tot de wekelijkse levering van bananen bestemd voor verkoop in Duitsland. Proban zou zich niet aan deze voorovereenkomst hebben gehouden en bananen aan een andere onderneming hebben geleverd, waardoor verzoekster werd gedwongen naar een andere leverancier om te zien.

In 1991 sloot verzoekster dan ook een overeenkomst met de vennootschap McKenza Organisation de Paris (hierna:"McKenza"). In november 1991 ging de voornaamste leverancier van McKenza, de Ecuadoraanse vennootschap Sembriosa (hierna:"Sembriosa"), failliet en werd haar directeur vermoord.

Op 7 november 1991 tekende verzoekster een voorovereenkomst met de Ecuadoraanse vennootschap Carrión Internacional, welke vervolgens opging in de Ecuadoraanse groep Bananor. Op 11 maart 1993 sloot verzoekster met Carrión een distributieovereenkomst, welke op 1 juni 1993 door een gelijkluidende overeenkomst met Bananor werd vervangen.

Na de inwerkingtreding van de gemeenschappelijke marktordening voor bananen, op 1 juli 1993, trachtte verzoekster voldoende referentiehoeveelheden toegewezen te krijgen om als importeur van bananen economisch te kunnen voortbestaan.

Bij beschikking in kort geding van het Hessische Verwaltungsgerichtshof (Duitsland) van 9 februari 1995 verkreeg verzoekster aanvullende invoercertificaten voor 2 500 ton. Bij dezelfde beschikking stelde deze rechterlijke instantie prejudiciële vragen aan het Hof over onder meer de uitlegging van artikel 30 van verordening nr. 404/93.

In zijn arrest van 26 november 1996, T. Port, verklaarde het Hof onder meer, "dat volgens artikel 30 van de verordening (...) de Commissie (...) gemachtigd, en naar gelang van de omstandigheden verplicht is, te voorzien in een regeling voor de onbillijkheden die optreden doordat importeurs van bananen uit derde landen of niet-traditionele ACS-bananen in hun voortbestaan worden bedreigd omdat hun op basis van de volgens artikel 19, lid 2, van de verordening in aanmerking te nemen referentiejaren een ongewoon laag contingent is toegewezen, wanneer die moeilijkheden inherent zijn aan de overgang van de vóór de inwerkingtreding van de verordening bestaande nationale regelingen naar de gemeenschappelijke ordening der markten en niet te wijten zijn aan gebrek aan zorgvuldigheid van de betrokken marktdeelnemers".

Bij brief, binnengekomen bij de Commissie op 23 december 1996, verzocht verzoekster de Commissie om op korte termijn een regeling voor onbillijkheden vast te stellen en, in het bijzonder, om haar in het kader van het tariefcontingent aanvullende certificaten toe te kennen voor de invoer van bananen uit derde landen.

Toen de Commissie niet binnen de twee daaropvolgende maanden haar standpunt ten aanzien van dat verzoek had bepaald, stelde verzoekster een beroep wegens nalaten in.

Bij afzonderlijke akte diende verzoekster tevens een verzoek om voorlopige maatregelen in. De zaak werd daarop bij beschikking van de president van het Gerecht van 13 juni 1997 in het register van het Gerecht doorgehaald.

Bij beschikking van 9 juli 1997 wees de Commissie de door verzoekster in haar brief van 16 december 1996 geformuleerde verzoeken af (hierna:"bestreden beschikking").

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 12 september 1997, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

Bij beschikking van 26 november 1997 heeft het Gerecht beslist, dat op het beroep wegens nalaten niet meer hoefde te worden beslist.

In de bestreden beschikking heeft de Commissie met betrekking tot de voorovereenkomst met Proban geoordeeld, dat er geen enkele definitieve afspraak met deze onderneming bestond en dat hier slechts sprake was van een niet bindende intentieverklaring.

Wat betreft de overeenkomst met McKenza, heeft de Commissie geoordeeld, dat het faillissement van Sembriosa van 4 november 1991 niet kon worden aangemerkt als een onbillijkheid.

Met betrekking tot de overeenkomsten die verzoekster op 11 maart en 1 juni 1993 met Carrión, respectievelijk Bananor is aangegaan, heeft de Commissie geoordeeld, dat deze niet in aanmerking konden worden genomen, omdat zij na de bekendmaking van verordening nr. 404/93 in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen waren gesloten.

Aangaande de intentieverklaring die verzoekster en Carrión op 7 november 1991 hebben opgesteld, heeft de Commissie geoordeeld, dat deze geen bindende afspraken bevatte en niets bepaalde ten aanzien van een eventuele schadevergoedingsplicht ingeval er geen overeenkomst tot stand zou komen.

Op grond van deze overwegingen heeft de Commissie geweigerd, de situatie van verzoekster als een onbillijkheid aan te merken en heeft zij haar verzoek om afgifte van aanvullende invoercertificaten om die reden afgewezen.

In rechte

Verzoekster voert tot staving van haar beroep twee middelen aan, ontleend aan respectievelijk schending van artikel 30 van verordening nr. 404/93 en overschrijding door de Commissie van de grenzen van haar bevoegdheden.

Het eerste middel, ontleend aan schending van artikel 30 van verordening nr. 404/93

Uit het arrest T. Port volgt, dat de Commissie ingevolge artikel 30 van verordening nr. 404/93 gerechtigd en, naar gelang van de omstandigheden, gehouden is, te voorzien in een regeling voor onbillijkheden, wanneer aan bepaalde cumulatieve voorwaarden is voldaan.

Uit het uitzonderlijke karakter van de maatregelen die de Commissie krachtens artikel 30 van verordening nr. 404/93, in afwijking van het bij deze verordening ingevoerde algemene stelsel van toekenning van invoercertificaten, mag treffen, volgt, dat de Commissie enkel gehouden kan zijn dergelijke maatregelen te treffen, wanneer genoegzaam is aangetoond, dat aan alle hierboven genoemde voorwaarden is voldaan. De bewijslast dienaangaande rust op de onderneming die om vaststelling van die maatregelen verzoekt.

In de bestreden beschikking is de Commissie tot de conclusie gekomen, dat de door verzoekster ingeroepen omstandigheden betreffende het op niets uitlopen van de met Proban, McKenza en Carrión/Bananor gesloten overeenkomsten, geen onbillijkheid opleverden in de zin van het arrest T. Port.

Met betrekking tot de voorovereenkomst met Proban moet worden vastgesteld, dat de Commissie terecht heeft geoordeeld, dat verzoekster niet had aangetoond, dat hieruit afdwingbare verbintenissen voortvloeiden.

Voorts heeft de Commissie terecht getwijfeld aan het bindend karakter van de voorovereenkomst met McKenza, gelet op de onduidelijkheden rond het tijdstip van sluiting ervan en het ontbreken van een bepaling betreffende de geldigheidsduur.

Wat betreft de op 11 maart 1993 met Carrión en op 1 juni 1993 met Bananor gesloten overeenkomsten, heeft de Commissie eveneens terecht geoordeeld, dat deze niet in aanmerking konden worden genomen, omdat zij na de bekendmaking van verordening nr. 404/93 in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen waren gesloten.

Bovendien moet inderdaad worden vastgesteld, dat de krachtens deze overeenkomsten op verzoekster rustende invoerverplichtingen door haar zijn aangegaan terwijl zij volledig op de hoogte was van de regels van de nieuwe gemeenschappelijke marktordening, zoals ook blijkt uit de formulering van deze overeenkomsten.

Tot slot zij nog opgemerkt, dat verzoekster voor de Commissie noch voor het Gerecht heeft aangetoond, dat de gevolgen van de omstandigheid, dat de drie vorenvermelde overeenkomsten niet konden uitgevoerd vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regeling in juli 1993, dermate ernstig waren, dat zij hierdoor in haar voortbestaan werd bedreigd, waardoor er sprake was van een onbillijkheid.

Uit de voorgaande elementen vloeit voort, dat het eerste middel ongegrond moet worden verklaard.

Het tweede middel, ontleend aan overschrijding door de Commissie van de grenzen van haar bevoegdheden

Artikel 44 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt, dat het verzoekschrift onder meer een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten. Volgens de rechtspraak betekent dit, dat het verzoekschrift duidelijk dient te laten uitkomen, wat het aan het beroep ten grondslag liggende middel inhoudt, zodat de loutere abstracte vermelding ervan niet aan de eisen van dit Reglement voldoet.

Bovendien moet deze uiteenzetting voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn om de verweerder in staat te stellen zijn verweer voor te bereiden en het Gerecht, in voorkomend geval zonder nadere gegevens, uitspraak te doen op het beroep. Om de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is voor de ontvankelijkheid van een beroep vereist, dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk zijn weergegeven in het verzoekschrift.

Aangezien in casu niet aan deze voorwaarden is voldaan, moet het tweede middel niet-ontvankelijk worden verklaard.

Mitsdien moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.

Het Gerecht, rechtdoende:

"1) Verwerpt het beroep.

2) Verstaat dat verzoekster haar eigen kosten, alsmede die van de Commissie, zal dragen.

3) Verstaat dat het Koninkrijk Spanje en de Franse Republiek hun eigen kosten zullen dragen."



Zaak T-51/96

Miwon Co. Ltd/Raad van de Europese Unie

Handelspolitiek

30 maart 2000

"Antidumping · Schending van prijsverbintenis · Schade voor Gemeenschap"

(Derde kamer · uitgebreid)

Verzoekster, een Koreaanse vennootschap, produceert een ruim assortiment levensmiddelen en chemische producten, waaronder mononatriumglutamaat (hierna: "MNG").

Op 2 maart 1990 stelde de Commissie verordening (EEG) nr. 547/90 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van een bepaalde soort glutaminezuur en zouten daarvan, van oorsprong uit Indonesië, de Republiek Korea, Taiwan en Thailand, en houdende aanvaarding van verbintenissen in verband met de invoer van een bepaalde soort glutaminezuur en zouten daarvan, van oorsprong uit deze landen vast, waarbij onder meer de door verzoekster voorgestelde verbintenis werd aanvaard.

Op 27 juni 1990 stelde de Raad verordening (EEG) nr. 1798/90 houdende instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van mononatriumglutamaat van oorsprong uit Indonesië, de Republiek Korea, Taiwan en Thailand en definitieve inning van het voorlopige recht vast. MNG, dat wordt geproduceerd en uitgevoerd door ondernemingen waarvan de verbintenissen door de Commissie zijn aanvaard bij verordening nr. 547/90, besluit 92/493/EEG en besluit 93/479/EEG, is vrijgesteld van definitieve rechten. Verzoekster was één van die ondernemingen.

Orsan, de enige MNG-producent in de Gemeenschap, diende bij de Commissie een verzoek om een nieuwe onderzoek in, onder meer op grond dat MNG in de Gemeenschap was ingevoerd tegen prijzen die onder de ingevolge de van kracht zijnde prijsverbintenissen vereiste prijzen lagen. De Commissie opende een nieuw onderzoek van de betrokken teksten.

De Commissie zond verzoekster een kennisgevingsbrief waarin zij het voornemen aankondigde haar prijsverbintenis op te zeggen en deze te vervangen door een voorlopig antidumpingrecht op basis van de vóór de aanvaarding van de prijsverbintenis vastgestelde feiten.

Op 18 juli 1995 stelde de Commissie krachtens artikel 10, lid 6, van de basisverordening verordening (EG) nr. 1754/95 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van MNG van oorsprong uit Indonesië, de Republiek Korea, Taiwan en Thailand vast. Daarbij werd het door verzoekster geproduceerde en uitgevoerde MNG aan een voorlopig recht onderworpen van 0,163 ecu per kilo.

Op 19 januari 1996 stelde de Raad verordening (EG) nr. 81/96 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2455/93 met betrekking tot het definitieve antidumpingrecht op MNG van oorsprong uit Indonesië, de

Republiek Korea en Taiwan en tot definitieve inning van het voorlopige recht en beëindiging van de procedure ten aanzien van Thailand vast (hierna: "bestreden verordening"). Daarbij werd het door verzoekster geproduceerde en uitgevoerde MNG aan een definitief recht onderworpen van 0,286 ecu per kilo.

Op 12 april 1996 heeft verzoekster dit beroep ingesteld.

In rechte

Tot staving van haar beroep voert verzoekster twee middelen aan. Het eerste betreft schending van artikel 2, lid 8, van de basisverordening en het tweede onjuiste vaststelling van de schade voor de Gemeenschap.


1. Het eerste middel: schending van artikel 2, lid 8, van de basisverordening

De door verzoekster aangevoerde argumenten geven geen andere verklaring voor het prijsbeleid van de importeurs en doen niet af aan de bewijskracht van de documenten betreffende de transacties nr. 92785 en nr. 93088, die de conclusies van de instellingen bevestigen. In de bestreden verordening is bijgevolg terecht vastgesteld, dat omstandigheden van deze zaak zeer sterk op het bestaan van compensatieregelingen wezen, zodat, gelet op de onbetrouwbaarheid van de opgegeven exportprijzen, de exportprijzen overeenkomstig artikel 2, lid 8, sub b, van de basisverordening dienden te worden geconstrueerd.

Dit houdt in, dat de laatste drie argumenten van verzoekster moeten worden verworpen.

Uit het voorgaande volgt, dat het eerste middel moet worden verworpen.


2. Het tweede middel: onjuiste vaststelling van de schade
Om te beginnen zij herinnerd aan de vaste rechtspraak, dat voor de vraag of de industrie van de Gemeenschap schade heeft geleden en of deze schade aan de invoer met dumping is te wijten, alsmede voor de vraag of importen uit andere landen tot de schade voor de industrie van de Gemeenschap hebben bijgedragen, ingewikkelde economische vraagstukken moeten worden onderzocht, ten aanzien waarvan de instellingen over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken. Bij de toetsing van die beoordeling dient de rechter zich derhalve te beperken tot de vraag, of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid.

In de eerste plaats moet worden vastgesteld, dat verzoekster, afgezien van de beweerde prijsonderbieding, waarop hierna zal ingegaan, geen van de feitelijke vaststellingen of cijfermatige gegevens in de bestreden verordening heeft betwist. Ten aanzien van de prijsonderbieding kan worden volstaan met de vaststelling, dat verzoekster niet betwist dat, gelet op de door de Raad vastgestelde exportprijs, sprake was van ernstige prijsonderbieding harerzijds. Aangezien in het kader van het eerste middel is geconstateerd, dat de exportprijs juist is vastgesteld, moet verzoekster worden geacht lagere prijzen te hebben toegepast dan de communautaire industrie.

In de tweede plaats zijn de factoren die volgens verzoekster op een enigszins positieve ontwikkeling duiden, in de bestreden beschikking wel degelijk in aanmerking genomen. Verzoekster leest de verordening evenwel selectief, zoals de Raad beklemtoont, aangezien de verordening een aantal andere factoren noemt waaruit juist een negatieve tendens blijkt.

Voorts betwist verzoekster dat de vermelde negatieve factoren · de prijzen en de ontoereikende rentabiliteit · aan de betrokken invoer te wijten waren, aangezien deze sterk was gedaald, en wel van een marktaandeel van 21,8 % in 1991 tot 14,07 % in het onderzoekstijdvak.

Deze grief moet eveneens worden verworpen. Het is vaste rechtspraak, dat het feit dat het marktaandeel van de met dumping ingevoerde producten is verminderd, niet in de weg aan de vaststelling dat die invoer ernstige schade heeft veroorzaakt, wanneer die vaststelling is gebaseerd op verscheidene van de volgens artikel 4, lid 2, van de basisverordening in aanmerking te nemen factoren.

Verzoekster stelt, dat de Raad is voorbijgegaan aan de vraag, of de massale goedkope importen van de communautaire importeur vanuit Brazilië wellicht niet tot zijn schade hebben bijgedragen.

In de eerste plaats moet worden opgemerkt, dat verzoeksters grief enkel betrekking heeft op de importen vanuit Brazilië van de communautaire producent, en niet op de invoer vanuit Brazilië in het algemeen.

In de tweede plaats blijkt uit de bestreden verordening dat de Raad, anders dan verzoekster stelt, wel rekening heeft gehouden met de importen van de communautaire producent; de Raad heeft zich evenwel op het standpunt gesteld, dat aangezien deze importen slechts een klein deel van de productie van die producent uitmaakten, zij slechts tot doel hadden zijn concurrentiepositie te verdedigen en zijn marktaandeel te behouden. Tevens heeft hij vastgesteld, dat deze producten tegen normale marktprijzen werden verkocht.

De Raad heeft verklaard, dat het MNG dat de communautaire producent gedurende het onderzoekstijdvak vanuit Brazilië heeft ingevoerd, 1,5 tot 7 % van zijn totale MNG-productie uitmaakte. Voorts heeft de communautaire producent, aldus de Raad, 90 % van het uit Brazilië ingevoerde MNG tegen dezelfde prijs als zijn eigen productie verkocht, en de overige 10 % met een korting van minder dan 2,5 %.

Onder deze omstandigheden kan de Raad niet worden geacht een kennelijke beoordelingsfout te hebben gemaakt door zich op het standpunt te stellen, dat deze importen van de communautaire producent niet de oorzaak waren van de schade die de communautaire industrie heeft geleden.

Hieruit volgt, dat het tweede middel moet worden afgewezen en dat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen.

Het Gerecht, rechtdoende:

"1) Verwerpt het beroep

2) Verwijst verzoekster in haar eigen kosten, alsmede in de kosten van de Raad.

3) Verstaat dat de Commissie haar eigen kosten zal dragen."



Zaak T-65/96

Kish Glass & Co. Ltd/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Mededinging

30 maart 2000

"Mededinging · Floatglas · Recht van verdediging en procedurele rechten van klager · Productmarkt en geografische markt · Artikel 86 EG-Verdrag (thans artikel 82 EG)"

(Vierde kamer)

De feiten

Op 17 januari 1992 diende Kish Glass & Co Ltd, een vennootschap naar Iers recht en glasproducent, bij de Commissie een klacht in op grond van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962 (hierna: "verordening nr. 17"), stellende dat Pilkington United Kingdom Ltd (hierna: "Pilkington") en haar Duitse dochteronderneming Flabeg GmbH, misbruik maakten van hun machtspositie op de Ierse markt voor floatglas van 4 mm, doordat zij jegens haar voor gelijkwaardige prestaties andere voorwaarden hanteerden dan jegens andere kopers en haar geen glas van deze soort wilden leveren boven een bepaalde maximumhoeveelheid, waardoor zij in een nadelige concurrentiepositie werd gebracht.

Op 14 februari 1992 richtte de Commissie een verzoek om inlichtingen aan verzoekster, waarop deze op 10 maart 1992 antwoordde.

Pilkington deed weten dat zij geen machtspositie op de markt voor floatglas bezat, en dat zij een stelsel van kortingen toepaste op basis van de grootte van de afnemer, de betalingstermijnen en de gekochte hoeveelheid.

Verzoekster deelde haar commentaar op de opmerkingen van Pilkington aan de Commissie mee. Zij hield staande dat de door Pilkington gehanteerde indeling in klassen van afnemers discriminerend was, en dat deze onderneming met een marktaandeel van meer dan 80 % de belangrijkste leverancier was van floatglas van 4 mm in Ierland, de relevante geografische markt voor de beoordeling van de door haar ingenomen machtspositie.

De Commissie antwoordde verzoekster, dat een kortingenstelsel op basis van een indeling in klassen van afnemers en van afgenomen hoeveelheden niet discriminerend was.

Op 18 november 1992 schreef de Commissie verzoekster, dat de klacht haar niet voldoende grond tot optreden verschafte; zij nodigde verzoekster uit haar eventuele aanvullende opmerkingen te doen toekomen met het oog op haar definitieve standpuntbepaling. Kish Glass heeft aan deze uitnodiging gevolg gegeven.

De Commissie deelde verzoekster bij schrijven van 24 juni 1993 mede, dat haar opmerkingen geen elementen feitelijk of rechtens bevatten die konden afdoen aan de conclusie in haar brief van 18 november 1992. Toch zou zij Pilkington om inlichtingen verzoeken, en verzoekster van het verdere procesverloop op de hoogte houden.

Op 3 december 1993 gaf de Commissie verzoekster een niet-vertrouwelijke versie door van het antwoord van Pilkington op bedoeld verzoek om inlichtingen.

Pilkington maakte de Commissie haar standpunt bekend over de afbakening van de betrokken geografische markt en de bewering dat zij daarop een machtspositie zou innemen.

In twee brieven van 8 maart 1994 aan de Commissie, hield Kish Glass vast aan haar standpunt over de afbakening van de relevante geografische markt, die volgens haar samenviel met de Ierse markt, en over het door haar gestelde misbruik van machtspositie door Pilkington op de specifieke markt van floatglas van 4 mm.

Verzoekster verstrekte de Commissie nog andere gegevens, waaruit zou blijken, dat de vervoerskosten vanaf het Europese vasteland naar Ierland veel hoger zijn dan vanaf het Verenigd Koninkrijk naar Ierland, hetgeen erop zou wijzen dat sprake is van een lokale geografische markt.

Pilkington deed de Commissie weten het niet eens te zijn met de door verzoekster verstrekte opgaven van de vervoerskosten.

De Commissie schreef verzoekster op 19 juli 1995 nogmaals een brief, waarin zij bevestigde dat de betrokken productmarkt de markt was voor de verkoop van floatglas van alle dikten aan de groothandel, dat de relevante geografische markt de gehele Gemeenschap bestreek en dat Pilkington daarop geen machtspositie innam.

Verzoekster maakte nogmaals bezwaar tegen de beoordeling van de Commissie, zowel op het punt van de omschrijving van de geografische markt en de productmarkt als op dat van de machtspositie van Pilkington.

Bij besluit van 21 februari 1996 heeft de Commissie de door Kish Glass ingediende klacht definitief afgewezen. De Commissie handhaaft daarin haar eerdere standpunt, dat de betrokken productmarkt bestaat in de verkoop van floatglas van alle dikten aan de distributeurs, dat de relevante geografische markt de Gemeenschap in haar geheel bestrijkt, of althans het noordelijk gedeelte van de Gemeenschap, en dat Pilkington daarop geen machtspositie inneemt.

Bij op 11 mei 1996 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft Kish Glass het onderhavige beroep ingesteld.

In rechte

Tot staving van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan. Het eerste middel, bestaande uit twee onderdelen, houdt in dat de Commissie inbreuk heeft gemaakt op haar recht van verdediging en op het rechtszekerheidsbeginsel, en misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid. Met haar tweede middel stelt zij, dat verweerster de procedurele voorschriften heeft geschonden. Het derde middel is ontleend aan schending van wezenlijke vormvoorschriften en van het rechtszekerheidsbeginsel. Met haar vierde en haar vijfde middel stelt zij, dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt bij de bepaling van de relevante productmarkt en de geografische markt.

Het Gerecht, rechtdoende:

"1) Verwerpt het beroep.

2) Verwijst verzoekster in de kosten."



Zaak T-91/99

Ford Motor Company/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

Intellectuele eigendom

30 maart 2000

"Gemeenschapsmerk · Woord OPTIONS · Absolute weigeringsgrond · Geen onderscheidend vermogen · Artikel 7, lid 3, van verordening (EG) nr. 40/94 · Verwerving van onderscheidend vermogen door gebruik in deel van Gemeenschap"

(Vierde kamer)

Op 29 maart 1996 heeft verzoekster een aanvraag om een gemeenschapsmerk ingediend bij het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (hierna: "Bureau").

De inschrijvingsaanvraag betreft het woord OPTIONS.

Bij beslissing van 9 juli 1998 heeft de onderzoeker de aanvraag afgewezen. Zijns inziens miste het woord OPTIONS in de Engelse en de Franse taal onderscheidend vermogen.

Verzoekster heeft krachtens artikel 59 van verordening nr. 40/94 bij het Bureau beroep ingesteld tegen de beslissing van de onderzoeker. In deze toelichting heeft zij bewijs aangevoerd van het gebruik van het merk OPTIONS voor de betrokken diensten in België, Denemarken, Nederland, Portugal, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. Zij heeft evenwel niet gesteld, dat het merk in Frankrijk werd gebruikt.

Het beroep is verworpen bij beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau van 11 februari 1999 (hierna: "bestreden beslissing"). De kamer heeft geoordeeld, dat indien het merk OPTIONS door het gebruik ervan al onderscheidend vermogen heeft verkregen in het Verenigd Koninkrijk, zoals verzoekster heeft aangevoerd, het op zichzelf nog geen onderscheidend vermogen bezit in Frankrijk. De kamer heeft het beroep derhalve verworpen op grond van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 40/94, er daarbij op wijzend, dat niets was aangevoerd over het gebruik van het merk in dit land.

In rechte

Beoordeling door het Gerecht

Verzoekster stelt, dat wanneer een merk door het gebruik onderscheidend vermogen heeft verkregen overeenkomstig artikel 7, lid 3, van verordening (EG) nr. 40/94, al is het maar in een wezenlijk deel van de Gemeenschap, het Bureau verplicht is dit merk in te schrijven, zonder zich hiertegen te kunnen verzetten op basis van het bepaalde in de leden 1, sub b, c en d, en 2 van ditzelfde artikel.

Deze stelling kan niet worden aanvaard.

Luidens verordening nr. 40/94 stelt het communautaire merkensysteem de ondernemingen in staat, volgens één enkele procedure gemeenschapsmerken te verkrijgen die een eenvormige bescherming genieten en rechtsgevolgen hebben op het gehele grondgebied van de Gemeenschap; dit beginsel, namelijk dat het gemeenschapsmerk een eenheid vormt, is van toepassing tenzij deze verordening anders bepaalt.

Om te kunnen worden ingeschreven moet een teken bijgevolg in de gehele Gemeenschap onderscheidend vermogen bezitten. Dit vereiste, dat de consument in staat stelt de waren of diensten van een onderneming te onderscheiden van die van andere ondernemingen, is essentieel, wil het teken de functie van gemeenschapsmerk in het economische leven kunnen vervullen.

De inschrijving van een merk op grond van artikel 7, lid 3, van verordening nr. 40/94 kan enkel worden verkregen, indien wordt aangetoond, dat het merk door het gebruik onderscheidend vermogen heeft

verkregen in het wezenlijke deel van de Gemeenschap waar het onderscheidend vermogen miste in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, c en d, van deze verordening.

Verzoekster heeft niet betwist, dat het woord OPTIONS in de Franse taal onderscheidend vermogen mist. Zij heeft evenmin gesteld, dat het merk OPTIONS door het gebruik dat ervan is gemaakt, onderscheidend vermogen heeft verkregen in een wezenlijk deel van de Gemeenschap, in casu Frankrijk.

In die omstandigheden kan het Bureau niet worden verweten, de inschrijving van het woord OPTIONS als gemeenschapsmerk te hebben geweigerd.

Bijgevolg moet het beroep worden verworpen.

Het Gerecht, rechtdoende:

"1) Verwerpt het beroep.

2) Verwijst verzoekster in de kosten."



Zaak T-513/93

Consiglio Nazionale degli Spedizionieri Doganali/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Mededinging

30 maart 2000

"Mededinging · Douane-expediteurs · Begrip onderneming en ondernemersvereniging · Besluit van ondernemersvereniging · Vaststelling van tarieven · Staatsregeling · Toepasselijkheid van artikel 85, lid 1, EG-Verdrag (thans artikel 81 EG)"

(Vijfde kamer · uitgebreid)

In Italië is de uitoefening van het beroep van zelfstandig douane-expediteur geregeld bij wet.

Hun werkzaamheden, die bestaan in het verrichten van diensten ten behoeve van de douaneafhandeling van goederen, mogen alleen worden verricht door personen die in het bezit zijn van een bewijs van erkenning en die zijn ingeschreven in het nationale register van douane-expediteurs.

De Consiglio Nazionale degli Spedizionieri Doganali (hierna: "CNSD"), een publiekrechtelijke organisatie, moet volgens de wet de tarieftabel van de beroepswerkzaamheden opstellen.

De tariefregeling is bindend en de douane-expediteurs die zich niet daaraan houden, stellen zich bloot aan disciplinaire sancties die uiteenlopen van berisping tot tijdelijke schorsing uit het register in geval van recidive, en zelfs tot doorhaling in het register na twee schorsingen door de regionale raad binnen vijf jaar.

In 1988 heeft de CNSD de nieuwe tariefregeling vastgesteld, die de minimum- en maximumbedragen betreft die moeten worden berekend aan de hand van elke douanetransactie of individuele dienst.

Deze tariefregeling is te allen tijde bindend.

Alleen de is bevoegd specifieke en/of tijdelijke afwijkingen van de vermelde minimumbedragen toe te staan.

De bestreden tariefregeling is goedgekeurd bij decreet van de Italiaanse minister van Financiën.

De CNSD heeft een bepaald aantal afwijkingen van bestreden tariefregeling toegestaan, met name ten gunste van de Associazione Italiana dei Corrieri Aerei Internazionali (hierna: "AICAI"), een vereniging naar Italiaans recht die is opgericht door internationale bodediensten en tot doel heeft haar leden te vertegenwoordigen en te adviseren met betrekking tot alle problemen die aan de levering van internationale bodediensten zijn verbonden.

In 1989 diende AICAI een klacht in bij de Commissie tegen de bestreden tariefregeling. Zij betoogde, dat de in die regeling in de eerste plaats voor de goedkoopste goederen de voordien bestaande progressie in de schaal werd opgeheven en de prijzen abnormaal werden verhoogd, en in de tweede plaats dat die regeling tot gevolg had dat elke douanetransactie apart werd gefactureerd teneinde de daadwerkelijke toepassing ervan te kunnen controleren, wat onverenigbaar was met het op wereldschaal toegepaste stelsel en in de derde plaats elke afwijking verbood.

In 1993 gaf de Commissie beschikking 93/438/EEG inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag die het voorwerp van het onderhavige beroep is. In de Beschikking is geconcludeerd dat "douane-expediteurs ondernemingen zijn die economische activiteiten verrichten"; dat de CNSD "een ondernemersvereniging is" en "de besluiten van de CNSD (...) besluiten zijn van een ondernemersvereniging" waaruit concurrentiebeperkingen voortvloeien. De door de CNSD vastgestelde tarieftabel kan de handel tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden daar deze tabel de prijs van alle douaneverrichtingen met betrekking tot de invoer in en uitvoer uit Italië regelt. Zij vormt een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het EEG-Verdrag. De Commissie nodigde CNSD dan ook uit om alle maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om onverwijld een einde te maken aan die inbreuk.

Op 18 juni 1998 wees het Hof het arrest Commissie/Italië (C-35/96), waarin het verklaarde: "door een wet aan te nemen en te handhaven die de via de toekenning van de desbetreffende beslissingsbevoegdheid verplicht, als ondernemersvereniging een besluit te nemen dat in strijd is met artikel 85 EG-Verdrag, omdat daarbij een voor alle douane-expediteurs bindende tariefregeling wordt vastgesteld, is de Italiaanse Republiek de ingevolge de artikelen 5 en 85 EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen".

Betreffende de kwalificatie van besluiten van de CNSD als besluiten van ondernemersverenigingen en betreffende de mededingingsbeperkende aard van de betwiste tariefregeling in de zin van artikel 85 van het Verdrag

Verzoeker stelt, dat in casu de haar verweten mededingingsverstorende gedraging haar bij de nationale wettelijke regeling is voorgeschreven.

De door verzoeker opgeworpen argumenten betreffende het vermeende publiekrechtelijke karakter van de CNSD en zijn besluiten kunnen niet worden aanvaard. Immers, het Hof heeft in het arrest van 18 juni 1998 geoordeeld, dat de publiekrechtelijke aard van een nationale organisatie als de CNSD niet in de weg staat aan toepassing van artikel 85, lid 1, van het Verdrag.

De leden van de CNSD zijn vertegenwoordigers van professionele expediteurs, wie de betrokken nationale regeling geenszins belet uitsluitend in het belang van hun beroep te handelen. De CNSD stelt tarieven voor de door de douane-expediteurs verrichte diensten vast, en geen enkele bepaling in de betrokken nationale wetgeving verplicht de leden van de CNSD en de regionale raden, of zet hen er zelfs maar toe aan, om daarbij rekening te houden met criteria van algemeen belang.

Hieruit volgt, dat de leden van de CNSD niet als onafhankelijke deskundigen kunnen worden aangemerkt.

Bijgevolg zijn de besluiten van de CNSD geen beslissingen van de staat door middel waarvan die organisatie overheidsfuncties vervult.

Uit de rechtspraak volgt, dat de artikelen 85 van het Verdrag et 86 van het Verdrag (thans artikel 82 EG) enkel betrekking hebben op mededingingsverstorende gedragingen waartoe de ondernemingen op eigen initiatief hebben besloten. Indien een mededingingsverstorende gedraging bij een nationale wettelijke regeling aan de ondernemingen wordt voorgeschreven, of indien deze wettelijke regeling een rechtskader creëert dat zelf iedere mogelijkheid van concurrerend gedrag door deze ondernemingen uitsluit, zijn de artikelen 85 EG-Verdrag en 86 EG-Verdrag (thans artikel 82 EG) niet van toepassing.

Daarentegen kunnen de artikelen 85 en 86 van het Verdrag van toepassing zijn, indien blijkt dat de nationale wettelijke regeling de mogelijkheid van een mededinging openlaat die door autonome gedragingen van de ondernemingen kan worden verhinderd, beperkt of vervalst.

Het Gerecht onderzoekt dus of het in casu toepasselijke rechtskader elke mogelijkheid van concurrerend gedrag door de CNSD uitsluit.

Vaststaat, dat artikel 14 van wet nr. 1612/1960 de CNSD verplicht een tariefregeling vast te stellen. Noch de wet noch de uitvoeringsbepalingen voorzien echter in bepaalde prijsniveaus of
-plafonds waarmee de CNSD bij de opstelling van de tarieven noodzakelijkerwijs rekening moet houden. In de nationale wettelijke regeling staan evenmin criteria op basis waarvan de CNSD de tarieven moet vaststellen.

Toen verzoeker de betwiste regeling vaststelde, heeft hij de minimumprijzen aanzienlijk verhoogd. Daaruit volgt, dat de CNSD met betrekking tot de vaststelling van de minimumprijzen over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikte. Bovendien had die prijsverhoging tot gevolg, dat de douane-expediteurs de minimumprijzen vanaf de inwerkingtreding van de regeling zijn gaan toepassen, terwijl zij tot 1988 maximumprijzen berekenden. Daaruit volgt, dat de CNSD bij de vaststelling van de vorige tariefregeling de mogelijkheid had opengelaten van een zekere mededinging, die eventueel door autonome gedragingen van de douane-expediteurs kan worden belemmerd, beperkt of vervalst. Hoewel onder de vorige regeling dus nog een zekere mate van mededinging bestond, heeft de CNSD door de minimumprijzen dermate te verhogen, ook nog de resterende mededinging op een met artikel 85 van het Verdrag strijdige wijze beperkt.

Eveneens staat vast, dat de wet noch de uitvoeringsbepalingen de douane-expediteurs een bijzondere factureringswijze voor hun diensten aan hun cliënten trachten voor te schrijven, en evenmin de CNSD opdragen hun een dergelijke verplichting op te leggen. In het bijzonder voorziet de wet niet in verplichte facturering van elke beroepsprestatie of individuele douanehandeling afzonderlijk.

Wel heeft de CNSD besloten een verplichte factureringsmethode vast te stellen teneinde de nuttige werking van de betwiste tariefregeling te behouden. Een dergelijke verplichting beperkt de vrijheid van de douane-expediteurs met betrekking tot hun interne organisatie. Die bepaling vormt dus een mededingingsbeperking in de zin van artikel 85 van het Verdrag.

Ten slotte moet erop worden gewezen, dat de CNSD, ook al voorziet de nationale wettelijke regeling niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid om van de tarieven af te wijken, zich bij de vaststelling van de betwiste regeling de mogelijkheid heeft gegeven om afwijkingen van de door hem vastgestelde tarieven toe te staan

en om aldus in de betrokken sectoren prijsconcurrentie in het leven te roepen. Die mogelijkheid is meermaals in de praktijk gebracht.

Vastgesteld moet worden, dat de CNSD door die minimumprijzen in te trekken en door voor onbeperkte tijd algemene of bijzondere ontheffingen of vrijstellingen van de tarieven te verlenen de wezenlijke kern van de regeling heeft ingetrokken. Uit die omstandigheden blijkt, dat de CNSD bij de uitvoering van de nationale wettelijke regeling over een beoordelingsruimte beschikte, zodat de aard en de strekking van de mededinging in deze activiteitensector in de praktijk van haar eigen besluiten afhing.

Hieruit volgt, dat de Italiaanse wettelijke regeling belangrijke mededingingsbeperkingen bevatte en echte prijsconcurrentie door de douane-expediteurs in de praktijk moeilijk maakte, doch als zodanig het voortbestaan van een zekere mededinging die kan worden belemmerd, beperkt of vervalst door autonome gedragingen van de douane-expediteurs niet belette, en, dat de CNSD over een beoordelingsruimte beschikte op grond waarvan hij had kunnen en moeten handelen op een wijze die de bestaande mededinging niet beperkte.

Aan die vaststelling wordt niet afgedaan door het feit dat het Hof in het arrest van 18 juni 1998 van oordeel was, dat de Italiaanse Republiek de CNSD heeft verplicht een met artikel 85 van het Verdrag strijdig besluit van een ondernemersvereniging te nemen. De strekking van die verklaring is duidelijk beperkt door de woorden "via de toekenning van de desbetreffende beslissingsbevoegdheid", die bevestigen, dat de CNSD over een zelfstandige beslissingsbevoegdheid beschikte waarvan, zoals hiervoor vastgesteld, hij gebruik had moeten maken om de Italiaanse wettelijke regeling toe te passen met handhaving van de mate van mededinging die de tenuitvoerlegging ervan nog toestond.

De vraag of de handel tussen de lidstaten ongunstig kan worden beïnvloed

Wat de periode vanaf 31 december 1992 betreft, stelt de CNSD, dat er geen douaneverrichtingen in het kader van het handelsverkeer tussen de lidstaten meer bestaan.

Wat de periode vanaf 31 december 1992 betreft, moeten bij verschillende soorten in- of uitvoertransacties met goederen binnen de Gemeenschap en bij transacties tussen communautaire marktdeelnemers douaneformaliteiten worden vervuld, zodat het nodig kan zijn, daarvoor een geregistreerde zelfstandige douane-expediteur in te schakelen.

Een marktdeelnemer die in Italië invoert of uit Italië uitvoert, moet voor de vervulling van de aan uitklaringsverrichtingen en douanecontrole verbonden formaliteiten, in alle gevallen waarin hij besluit zich door een douane-expediteur te laten vertegenwoordigen en niet over een douane-expediteur in loondienst beschikt of wanneer zijn douane-expediteur in loondienst niet in de regio waar de uitklaring moet plaatsvinden mag werken, een beroep doen op de diensten van beroepsdouane-expediteurs, voor wie de betwiste tariefregeling bindend is.

Het Gerecht, rechtdoende:

"1) Verwerpt het beroep.

2) Verwijst verzoeker in zijn eigen kosten alsmede in die van de Commissie en van interveniënte Associazione Italiana dei Corrieri Aerei Internazionali."




2. CONCLUSIES

Zaak C-389/98 P

H. Gevaert/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Hogere voorziening tegen de beschikking van het Gerecht (Eerste kamer) van 19 augustus 1998 in zaak T-160/97 tussen Gevaert en de Commissie, waarbij het Gerecht een beroep ertoe strekkende de herziening van verzoekers indeling te gelasten, niet-ontvankelijk heeft verklaard · Wijziging met terugwerkende kracht van de indelingscriteria naar aanleiding van arrest T-17/95, Alexopoulou · Gevolgen voor definitief geworden indelingsbesluiten (nieuw feit?) · Gelijkheid van behandeling
· Zorgplicht

Advocaat-generaal P. Léger heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 28 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven de hogere voorziening af te wijzen en rekwirant in de kosten van deze procedure te veroordelen.



Zaak C-459/98 P

I. Martínez del Peral Cagigal/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Hogere voorziening tegen beschikking van Gerecht (Eerste kamer) van 14 oktober 1998 in zaak T-224/97 tussen I. Martínez del Peral Cagigal en Commissie · Niet-ontvankelijkheid van beroep tot nietigverklaring van, enerzijds, besluit van Commissie van 24 oktober 1996 houdende afwijzing van verzoeksters verzoek om herindeling, en, anderzijds, van besluit van Commissie houdende afwijzing van klacht tegen besluit van 24 oktober 1996

Advocaat-generaal P. Léger heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 28 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven de hogere voorziening af te wijzen en rekwirante in de kosten van deze procedure te veroordelen.



Zaak C-457/98

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Helleense Republiek

Niet-nakoming · Geen uitvoering binnen de gestelde termijn van richtlijn 96/97/EG van de Raad van 20 december 1996 tot wijziging van richtlijn 86/378/EEG betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid

Advocaat-generaal D. Ruiz-Jarabo Colomer heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 29 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven, het beroep toe te wijzen en:

"1) vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen, die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 96/97/EG van de Raad van 20 december 1996 tot wijziging van richtlijn 86/378/EEG betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid, of ze niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

2) de Helleense Republiek in de kosten te verwijzen."



Zaak C-19/99

Modelo, SGPS, SA/Fazenda Pública

Prejudiciële verwijzing van het Supremo Tribunal Administrativo · Uitlegging van de art. 4, 3, 10 en 12 van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal · Hoogte van notariële honoraria niet in verhouding tot de door de notaris verleende dienst in kader van statutenwijziging van vennootschap en overdracht van bedrijf

Advocaat-generaal G. Cosmas heeft ter terechtzitting van de Vierde kamer van 30 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"1) Richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, zoals gewijzigd bij richtlijn 85/303/EEG van de Raad van 10 juni 1985, moet aldus worden uitgelegd, dat de honoraria voor het opmaken van een notariële akte waarbij een onder de richtlijn vallende verrichting wordt vastgelegd, in het kader van een systeem dat wordt gekenmerkt door het feit dat de notarissen overheidsambtenaren zijn en de honoraria gedeeltelijk aan de staat worden betaald ter financiering van zijn taken, een belasting in de zin van deze richtlijn vormen.

2) De honoraria wegens het opmaken van een notariële akte waarbij de verhoging van het maatschappelijk kapitaal, alsmede de wijziging van de handelsnaam en de zetel van een kapitaalvennootschap worden vastgesteld, zijn wanneer zij een belasting vormen in de zin van richtlijn 69/335, zoals gewijzigd bij richtlijn 85/303, in beginsel verboden krachtens artikel 10, sub c, van deze richtlijn.

3) Een recht dat wordt geheven wegens het opmaken van een notariële akte waarbij de verhoging van het maatschappelijk kapitaal, alsmede de wijziging van de handelsnaam en de zetel van een kapitaalvennootschap worden vastgelegd, zoals de betrokken honoraria van het hoofdgeding, waarvan het bedrag rechtstreeks en onbeperkt naar evenredigheid van het maatschappelijk kapitaal stijgt, is geen beloning in de zin van artikel 12, lid 1, sub e, van richtlijn 69/335, zoals gewijzigd bij richtlijn 85/303.

4) Artikel 10 van richtlijn 69/335, zoals gewijzigd bij richtlijn 85/303, doet rechten ontstaan waarop particulieren zich voor de nationale rechterlijke instanties kunnen beroepen.

5) Artikel 12, lid 1, sub e, van de richtlijn moet aldus worden uitgelegd, dat willen de bedragen van de notariële honoraria naar aanleiding van kapitaalverhogingen of statutenwijzigingen van kapitaalvennootschappen een beloning zijn, dan moeten zij enkel worden berekend op basis van de kosten van de betrokken formaliteiten, met dien verstande dat deze bedragen ook de kosten van

kleinere verrichtingen kunnen dekken, die eventueel kosteloos worden verricht Voor de berekening van deze bedragen mag een lidstaat rekening houden met alle kosten in verband met de inschrijvingshandelingen, het gedeelte van de algemene daaraan toe te schrijven kosten daaronder begrepen. Een lidstaat is bevoegd, te voorzien in vaste notariële honoraria en de hoogte daarvan voor onbepaalde tijd vast te stellen, wanneer hij er zich met regelmatige tussenpozen van vergewist, dat deze bedragen nog steeds de gemiddelde kosten van de betrokken verrichtingen niet te boven gaan."



Zaak C-357/98

The Queen/Secretary of State for the Home Department, ex parte: Nana Yaa Konadu Yiadom

Prejudiciële verwijzing van de Court of Appeal · Uitlegging van de art. 8 en 9 van richtlijn 64/221/EEG van de Raad van 25 februari 1964 voor de coördinatie van de voor vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid · Toepassing op besluiten tot weigering van toelating op het grondgebied van een lidstaat · Weigering van toelating in het Verenigd Koninkrijk van iemand die de Nederlandse nationateit verwierf · Weigering uit hoofde van openbare orde · Recht van beroep dat alleen kan worden uitgeoefend wanneer betrokkene niet meer aanwezig is op het grondgebied van de betrokken staat

Advocaat-generaal P. Léger heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 30 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"Artikel 8 van richtlijn 64/221/EEG van de Raad van 25 februari 1964 voor de coördinatie van de voor vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid, moet aldus worden uitgelegd, dat in de zin van dit artikel het besluit waarbij een lidstaat een onderdaan van een andere lidstaat zonder verblijfstitel het recht weigert om zijn grondgebied te betreden, een .besluit tot verwijdering van het grondgebied' is en niet een .besluit betreffende de toelating', in een geval als dat van het hoofdgeding, waarin een gemeenschapsonderdaan tijdelijk op het grondgebied van de lidstaat van bestemming is toegelaten volgens de regels van nationaal recht, waardoor hij dit grondgebied heeft kunnen binnenkomen en aldaar gedurende een periode van zeven maanden heeft kunnen verblijven zonder dat hij in afwachting van dit besluit aan een rechtstreekse permanente controle van de bevoegde nationale autoriteiten is onderworpen.

De tijd die tussen het besluit en de uitvoering daarvan is verstreken, het feit dat deze vertraging is toe te schrijven aan de instelling van een beroep in rechte en de omstandigheid dat na de vaststelling van dit besluit de betrokkene toestemming heeft gekregen om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen, zijn geen factoren die van invloed kunnen zijn op de aan het betrokken besluit gegeven kwalificatie."



Zaak C-160/99

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Franse Republiek

Niet-nakoming · Verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad van 7 december 1992 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het

zeevervoer) · Cabotage in het zeevervoer voorbehouden aan schepen die onder Franse vlag varen (art. 257 van het Franse douanewetboek)

Advocaat-generaal F. G. Jacobs heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 30 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven:

"1) vast te stellen dat de Franse Republiek de krachtens verordening nr. 3577/92 van de Raad houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het zeevervoer), op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door met betrekking tot de onder artikel 1, lid 1, van die verordening vallende reders uit de Gemeenschap artikel 257, lid 1, van de code des douanes van 11 mei 1977 ongewijzigd te handhaven;

2) de Franse Republiek in de kosten van de procedure te verwijzen."



Zaak C-210/98 P

Salzgitter/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Hogere voorziening tegen arrest van het Gerecht (Derde kamer · uitgebreid) van 31 maart 1998 in zaak T-129/96 tussen Preussag Stahl en Commissie, waarbij het een beroep tot nietigverklaring van beschikking 96/544/EGKS van de Commissie van 29 mei 1996 betreffende staatssteun aan Walzwerk Ilsenburg GmbH heeft verworpen · Bevoegdheid van de Commissie om over steun te beslissen na afloop van de periode waarin die steun kon worden verleend

Advocaat-generaal F. G. Jacobs heeft ter terechtzitting van de Zesde kamer van 30 maart 2000 conclusie genomen.

Hij betoogde ten principale, dat het Hof zich erop moet baseren, dat de Commissie zich niet heeft gehouden aan de dwingende kennisgevingstermijn als bedoeld in artikel 6, lid 1, van de Vijfde steuncode. De uitkomst van het geding volgens het ten principale betoog schijnt enkel wat betreft de beslissing ten aanzien van de kosten te verschillen van hetgeen als uitkomst van het subsidiair betoog wordt voorgesteld. Zoals hij uiteenzette, zullen de door de Commissie krachtens artikel 34 van het Verdrag te nemen maatregelen en dus de definitieve uitkomst van de zaak uiteindelijk van de gevolgde redenering afhangen.

Hij heeft het Hof derhalve in overweging gegeven:

"· het arrest van 31 maart 1998 in zaak T-129/96, Preussag Stahl/Commissie, te vernietigen;


· beschikking 96/544/EGKS van de Commissie van 29 mei 1996 nietig te verklaren;


· rekwirante en de Commissie in hun eigen kosten te verwijzen; en

· de Duitse regering in haar eigen kosten te verwijzen."



Zaak C-403/98

Azienda Agricola Monte Arcosu Srl/Regione Autonoma della Sardegna, Organismo Comprensoriale n. 24 della Sardegna, Ente Regionale per l'Assistenza Tecnica in Agricoltura (Ersat)

Prejudiciële verwijzing van het Tribunale di Cagliari · Uitlegging van art. 5 van verordening (EEG) nr. 797/85 van de Raad van 12 maart 1985 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur en van art. 5 van verordening (EEG) nr. 2328/91 van de Raad van 15 juli 1991 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur · Nationale wettelijke regeling die bepaalde categorieën rechtspersonen, wegens hun rechtsvorm, de hoedanigheid van bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw ontzegt · Mogelijkheid en wijze van rechtstreekse toepassing van voornoemde bepalingen

Advocaat-generaal J. Mischo heeft ter terechtzitting van de Zesde kamer van 30 maart 2000 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"Noch uit artikel 2, lid 5, van verordening (EEG) nr. 797/85 van de Raad van 12 maart 1985 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur, noch uit artikel 5, lid 5, van verordening (EEG) nr. 2328/91 van de Raad van 15 juli 1991 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur, vloeit voort dat de nationale rechter verplicht is op de kapitaalvennootschappen het begrip bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw bedoeld voor natuurlijke personen en andere dan natuurlijke personen toe te passen, wanneer een lidstaat dat begrip niet met verwijzing naar die vennootschappen heeft omschreven.

De noodzaak om het nationale recht conform het gemeenschapsrecht uit te leggen verplicht de nationale rechter er echter toe, de nationale regels toe te passen die nodig zijn voor de omschrijving van het begrip bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw in het kader van kapitaalvennootschappen, ook al zijn deze regels laat tot stand gekomen, teneinde de kapitaalvennootschappen in staat te stellen, indien zij aan de bij die regels en bij de terzake vastgestelde handelingen van de instellingen gestelde voorwaarden voldoen, de status van bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw te verkrijgen."




3. NIEUWE ZAKEN

Nieuwe zaken bij het Gerecht

Zaak T-317/99

F. Lemaitre/Commissie

Ambtenarenrecht



Zaak T-318/99

Avia Nederland Coöperatie UA/Commissie

Nietigverklaring van de beschikking van de Commissie C(1999) 2539 def. van 20 juli 1999 betreffende staatssteun van Nederland ten behoeve van 633 Nederlandse tankstations in de grensstreek met Duitsland



Zaak T-319/99

Federación Nacional de Empresas, Instrumentación Científica, Médica, Técnica y Dental (FENIN)/Commissie

Nietigverklaring van de beschikking van de Commissie (SG(99) D/7.040) van 26 augustus 1999 houdende afwijzing van verzoeksters klacht tegen de Spaanse "Entes Gestores del Sistema Nacional de Salud" op grond van artikel 82 EG, betreffende de door de Spaanse "Entes Gestores del sistema Nacional de Salud" (beheersorganen van de openbare gezondheidszorg) aan hun leveranciers van medische hulpmiddelen opgelegde betalingsvoorwaarden alsmede van andere beweerdelijk mededingingsbeperkende praktijken van die organen



Zaak T-320/99

W. F. Milder/Commissie

Zie zaak T-318/99



Zaak T-321/99

Garage en Tankstation Milder/Commissie

Zie zaak T-318/99



Zaak T-322/99

K. L. Meyer/Commissie

Beroep wegens nalaten, strekkende tot de vaststelling dat de Commissie ten onrechte heeft nagelaten te antwoorden op verzoekers verzoek om inzage in bepaalde documenten



Zaak T-323/99

Industrie Navali Meccaniche Affini SpA Società in Liquidazione (INMA) en Italia Investimenti SpA (Itainvest)/Commissie

Nietigverklaring van beschikking C(1999) 2532 def. van de Commissie van 20 juli 1999 waarbij de steun die Italië via de overheidsholding Itainvest (ex GEPI) aan de scheepswerf Industrie Navali Meccaniche Affini (INMA) heeft verleend, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard



Zaak T-324/99

Association des Fonctionnaires Indépendants pour la Défense de la Fonction Publique Européenne (TAO/AFI) en R. De Simone/Commissie

Ambtenarenrecht



Zaak T-325/99

Generale Conserve SpA/Commissie

Nietigverklaring van beschikking C(1999)1596 def van de Commissie van 17 juni 1999 houdende vaststelling dat invoerrechten die van verzoekster niet zijn gevorderd voor haar importen van tonijn van oorsprong uit Turkije, moeten worden nagevorderd



Zaak T-326/99

N. F. Olivieri/Commissie Agence européenne pour l'évaluation des médicaments (AEEM)

Nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 25 augustus 1999 waarbij een vergunning is verleend voor het in de handel brengen van het geneesmiddel voor menselijk gebruik Ferriprox-Deferiprone, en nietigverklaring van het herwerkte advies van het Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling van 23 juni 1999, waarbij was geadviseerd de vergunning te verlenen



Zaak T-327/99

Front National/Parlement

Nietigverklaring van het besluit van het Parlement van 14 september 1999 tot goedkeuring van een uitlegging van artikel 29, lid 1, van het Reglement van orde, inhoudende dat deze bepaling niet de oprichting toelaat van een fractie die ieder politiek karakter en iedere politieke affiniteit tussen de leden ervan openlijk ontkent · Ontbinding van de Technische fractie van onafhankelijke afgevaardigden



Zaak T-328/99

A. Goldstein/Commissie

Vordering tot vergoeding van schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de weigering van de Commissie de door hem gevraagde voorlopige maatregelen te nemen in het kader van de administratieve procedure inzake een klacht die ertoe strekt te doen vaststellen dat de "Bar Council" de artikelen 81 en 82 EG-Verdrag heeft geschonden



Zaak T-329/99

E. Bonino e.a./Parlement

Nietigverklaring van het besluit van het Parlement van 14 september 1999 tot goedkeuring van een uitlegging van artikel 29, lid 1, van het Reglement van orde, inhoudende dat deze bepaling niet de oprichting toelaat van een fractie die ieder politiek karakter en iedere politieke affiniteit tussen de leden ervan openlijk ontkent



Zaak T-330/99

Spedition Wilhelm Rotermund GmbH/Commissie

Nietigverklaring van beschikking (REM 22/98) van de Commissie van 22 juli 1999 waarbij aan de Duitse autoriteiten is meegedeeld dat er geen redenen zijn om verzoekster bepaalde invoerrechten kwijt te schelden



Zaak T-331/99

Mitsubishi HiTec Paper Bielefeld GmbH, voorheen Stora Carbonless Paper GmbH/Harmonisatiebureau voor de interne markt

Gemeenschapsmerk · Vernietiging van beslissing nr. R175/1999-3 van de Derde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) van 4 september 1999, waarbij het beroep tegen de afwijzende beslissing van de onderzoeker op de aanvraag om inschrijving van het woordmerk "Giroform" voor bepaalde waren van klasse 16 is verworpen



Zaak T-332/99

P. Jestädt/Raad en Commissie

Beroep tot schadevergoeding · Niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap ter zake van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten en van verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing · Quotaregeling voor melk · Uitsluiting van de oude begunstigden van een niet-leveringspremie · Verjaring



Zaak T-333/99

K. L. Nielsen/Banque centrale européenne

Ambtenarenrecht



Zaak T-334/99

Organización Impulsora de Discapacitados (OID)/Commissie

Nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 19 oktober 1999 houdende weigering een niet-nakomingsprocedure tegen Spanje in te leiden betreffende de nationale wetgeving op het gebied van kansspelen, voor zover deze het plaatsvinden van loterijen op Spaans grondgebied verbiedt, met uitzondering van die welke voor bepaalde publiekrechtelijke lichamen worden georganiseerd



Zaak T-335/99

Henkel KGaA/Harmonisatiebureau voor de interne markt

Gemeenschapsmerk · Vernietiging van beslissing nr. R70/1999-3 van de Derde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) van 21 september 1999, waarbij het beroep

tegen de afwijzende beslissing van de onderzoeker op inschrijvingsaanvraag nr. 716 381, betreffende een driedimensionaal merk voor was- en afwasmiddelen in de vorm van rood en wit gekleurde rechthoekige tabletten, is verworpen



Zaak T-336/99

Henkel KGaA/Harmonisatiebureau voor de interne markt

Gemeenschapsmerk · Vernietiging van beslissing nr. R71/1999-3 van de Derde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) van 21 september 1999, waarbij het beroep tegen de afwijzende beslissing van de onderzoeker op inschrijvingsaanvraag nr. 703 231, betreffende een driedimensionaal merk voor was- en afwasmiddelen in de vorm van groen en wit gekleurde rechthoekige tabletten, is verworpen



Zaak T-337/99

Henkel KGaA/Harmonisatiebureau voor de interne markt

Gemeenschapsmerk · Vernietiging van beslissing nr. R73/1999-3 van de Derde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) van 21 september 1999, waarbij het beroep tegen de afwijzende beslissing van de onderzoeker op inschrijvingsaanvraag nr. 703 215, betreffende een driedimensionaal merk voor was- en afwasmiddelen in de vorm van rood en wit gekleurde ronde tabletten, is verworpen



Zaak T-338/99

L. K. Schuerer/Raad

Ambtenarenrecht



Zaak T-339/99

Achten vof/Commissie

Zie zaak T-318/99



Zaak T-340/99

Arne Mathisen AS/Raad

Nietigverklaring van verordening (EG) nr. 1895/1999 van de Raad van 27 augustus 1999 tot wijziging van verordening (EG) nr. 772/1999 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht en een voorlopig compenserend recht op de invoer van gekweekte Atlantische zalm van oorsprong uit Noorwegen en vergoeding van de commerciële schade die verzoekster ten gevolge van de vaststelling van deze verordening stelt te hebben geleden



Zaak T-341/99

F. Javier Remon Galar/Commissie

Ambtenarenrecht



Zaak T-342/99

Airtours plc/Commissie

Nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 22 september 1999 betreffende een procedure tot toepassing van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad (zaak nr. IV/M.1524 · Airtours/First Choice) waarbij de concentratie die is gericht op verwerving door Airtours PLC van de volledige zeggenschap over First Choice PLC, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en de werking van de EER-Overeenkomst wordt verklaard



Zaak T-343/99

H.-W. Schmidt/Commissie

Ambtenarenrecht



Zaak T-344/99

L. Recalde Langarica/Commissie

Ambtenarenrecht



Zaak T-345/99

Harbinger Corporation/Harmonisatiebureau voor de interne markt

Gemeenschapsmerk · Vernietiging van beslissing nr. R163/1998-3 van de Derde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) van 17 september 1999, waarbij het beroep tegen de afwijzende beslissing van de onderzoeker op de aanvraag om inschrijving van het woordmerk "Trustedlink" voor bepaalde waren en diensten van de klassen 9,35,38,41 en 42 (diensten en technologieën op het gebied van de elektronische handel) is verworpen



Zaak T-346/99

Diputación Foral de Alava/Commissie

Nietigverklaring van de beschikking van de Commissie (SG(99)D/7814) van 29 september 1999 om de procedure van artikel 88, lid 2, EG in te leiden ten aanzien van door de "Diputación Foral de Alava" toegekende fiscale investeringssteun in de vorm van een verlaging van de belastbare grondslag voor de vennootschapsbelasting ten gunste van nieuw opgerichte ondernemingen



Zaak T-347/99

Diputación Foral de Gipuzkoa/Commissie

Nietigverklaring van de beschikking van de Commissie (SG (99) D/7814), van 29 september 1999 om de procedure van artikel 88, lid 2, EG in te leiden met betrekking tot door de "Diputación Foral de Gipuzkoa" vastgestelde belastingmaatregelen die neerkomen op investeringssteun in de vorm van een verlaging ten behoeve van nieuw opgerichte ondernemingen van de maatstaf van heffing van de vennootschapsbelasting



Zaak T-348/99

Diputación Foral de Bizkaia/Commissie

Nietigverklaring van de beschikking van de Commissie (SG (99) D/7814), van 29 september 1999 om de procedure van artikel 88, lid 2, EG in te leiden met betrekking tot door de "Diputación Foral de Bizkaia" vastgestelde belastingmaatregelen die neerkomen op investeringssteun in de vorm van een verlaging ten behoeve van nieuw opgerichte ondernemingen van de maatstaf van heffing van de vennootschapsbelasting



Zaak T-349/99

M. Miskovic/Raad

Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid · Nietigverklaring van besluit 1999/612/GBVB van de Raad van 13 september 1999 tot wijziging van besluit 1999/424/GBVB tot uitvoering van Gemeenschappelijk Standpunt 1999/318/GBVB inzake bijkomende beperkende maatregelen tegen de Federale Republiek Joegoslavië, waarin verzoeker staat vermeld als persoon voor wie in de lidstaten een inreisverbod geldt



Zaak T-350/99

B. Karic e.a./Raad

Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid · Nietigverklaring van besluit 1999/612/GBVB van de Raad van 13 september 1999 tot wijziging van besluit 1999/424/GBVB tot uitvoering van Gemeenschappelijk Standpunt 1999/318/GBVB inzake bijkomende beperkende maatregelen tegen de Federale Republiek Joegoslavië, alsmede besluit van de Raad van 6 december 1999 tot wijziging van besluit 1999/31/9GBVB inzake bijkomende beperkende maatregelen tegen de Federale Republiek Joegoslavië, waarin verzoekers staan vermeld als personen voor wie in de lidstaten een inreisverbod geldt



Zaak T-351/99

C. Brumter/Commissie

Ambtenarenrecht



Zaak T-352/99

M/Commissie

Ambtenarenrecht



Zaak T-353/99

Calberson Belgium NV/Commissie

Nietigverklaring van de beschikkingen van de Commissie C(1999)2140 def en C(1999)2143 def van 19 juli 1999, houdende vaststelling dat moet worden overgegaan tot naheffing van de niet van verzoekster opgeëiste invoerrechten voor televisietoestellen uit Turkije



Zaak T-354/99

Kuwait Petroleum (Nederland) BV/Commissie

Zie zaak T-318/99



Zaak T-355/99

Vatinel NV/Commissie

Nietigverklaring van de beschikking van de Commissie C(1999)2286 def. van 22 juli 1999, tot vaststelling dat dient te worden overgegaan tot navordering van de invoerrechten die van verzoekster niet zijn gevorderd voor televisietoestellen van oorsprong uit Turkije



Zaak T-356/99

S. M. Elder en R. D. Elder/Commissie

Nietigverklaring van het besluit van de Commissie houdende stilzwijgende afwijzing van verzoekers verzoek om inzage in bepaalde documenten van het Raadgevend Comité voor de belasting over de toegevoegde waarde (BTW)



Zaak T-357/99

Telefon & Buch VerlagsgmbH/Harmonisatiebureau voor de interne markt

Gemeenschapsmerk · Vernietiging van beslissing R352/1999-3 van de derde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) van 21 oktober 1999, waarbij het beroep tegen de afwijzende beslissing van de onderzoeker op de inschrijvingsaanvraag voor het woordmerk "UNIVERSALTELEFONBUCH" voor waren en diensten van de klassen 9, 16, 41 en 42 is verworpen



Zaak T-358/99

Telefon & Buch VerlagsgmbH/Harmonisatiebureau voor de interne markt

Gemeenschapsmerk · Vernietiging van beslissing R351/1999-3 van de derde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) van 21 oktober 1999, waarbij het beroep tegen de afwijzende beslissing van de onderzoeker op de inschrijvingsaanvraag voor het woordmerk "UNIVERSALKOMMUNIKATIONSVERZEICHNIS" voor waren en diensten van de klassen 9, 16, 41 en 42 is verworpen



Zaak T-359/99

Deutsche Krankenversicherung AG (DKV)/Harmonisatiebureau voor de interne markt

Gemeenschapsmerk · Vernietiging van beslissing R19/1999-1 van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) van 15 oktober 1999, waarbij het beroep tegen de afwijzende beslissing van de onderzoeker op de inschrijvingsaanvraag voor het woordmerk "Eurohealth" voor waren en diensten van klasse 36 is verworpen



Zaak T-360/99

Community Concepts AG, voorheen Touchdown Gesellschaft für erfolgsorientiertes Marketing mbH/Harmonisatiebureau voor de interne markt

Gemenschapsmerk · Vernietiging van beslissing R204/1999-3 van de derde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) van 15 oktober 1999, waarbij het beroep tegen de afwijzende beslissing van de onderzoeker op de inschrijvingsaanvraag voor het woordmerk "investorworld" voor waren en diensten van klasse 36 is verworpen



Zaak T-361/99

K. L. Meyer/Commissie en BEI

Vergoeding van de schade die verzoeker stelt te lijden doordat de Commissie en de Europese Investeringsbank hebben nagelaten van de lokale autoriteiten in Frans-Polynesië en de bank SOCREDO te verlangen, dat deze het gemeenschapsrecht naleven en de besluiten van de Raad 86/283/EEG van 30 juni 1986 en 91/482/EEG van 25 juli 1991 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Economische Gemeenschap, toepassen



Zaak T-1/00

G. Hölzl e.a./Commissie

Nietigverklaring van verordening (EG) nr. 2799/1999 van de Commissie van 17 december 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1255/1999 ten aanzien van de toekenning van steun voor ondermelk en mageremelkpoeder voor voederdoeleinden en de verkoop van voornoemd mageremelkpoeder



Zaak T-2/00

N/Commissie

Ambtenarenrecht



Zaak T-3/00 AJ

A. Pitsiorlas/Raad en Europese Centrale Bank

Verzoek om rechtsbijstand ingediend vóór beroep strekkende tot vaststelling dat de Raad en de Europese Centrale Bank verzoeker de toegang hebben geweigerd tot bepaalde documenten die hij nodig had voor zijn dissertatie



Zaak T-3/00

A. Pitsiorlas/Raad en Europese Centrale Bank

Nietigverklaring van de beschikkingen van de Raad van 30 juli 1999 en de ECB van 8 november en 6 juli 1999, waarbij verzoeker de toegang is ontzegd tot bepaalde documenten betreffende de overeenkomst van Basel/Nyborg, die hij nodig had voor zijn dissertatie



Zaak T-4/00

British American Tobacco International (Holdings) BV (BAT)/Commissie

Nietigverklaring van het stilzwijgend genomen besluit van de Commissie houdende afwijzing van verzoeksters verzoek om toegang tot bepaalde documenten van het Accijnscomité, betreffende de voorbereidende discussies over een aantal bepalingen van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop



Zaak T-5/00

Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie

Nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 26 oktober 1999 inzake een procedure op grond van artikel 81 EG-Verdrag (zaak nr. IV/33.884 - Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied en Technische Unie) betreffende de elektrotechnische markt in Nederland



Zaak T-6/00

Technische Unie BV/Commissie

Zie zaak T-5/00



Zaak T-7/00

Hyper Srl/Commissie

Nietigverklaring van beschikking REM 4/98 van de Commissie van 30 september 1999 houdende vaststelling dat van verzoekster invoerrechten over televisietoestellen uit Turkije moeten worden nagevorderd



Zaak T-8/00

K. Gluiber/Commissie

Enerzijds, nietigverklaring van een aantal arresten en beschikkingen van Duitse rechters, alsmede, anderzijds, vaststelling van verplichting van gemeenschapsinstellingen zich te verzekeren van juiste implementatie in Duits recht van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de

toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden



Zaak T-9/00

K. Gluiber/Commissie

Enerzijds, nietigverklaring van een aantal arresten en beschikkingen van Duitse rechters, alsmede, anderzijds, vaststelling van verplichting van gemeenschapsinstellingen zich te verzekeren van juiste implementatie in Duits recht van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden



Zaak T-10/00

K. Gluiber/Commissie

Enerzijds, nietigverklaring van een aantal arresten en beschikkingen van Duitse rechters, alsmede, anderzijds, vaststelling van verplichting van gemeenschapsinstellingen zich te verzekeren van juiste implementatie in Duits recht van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden



Zaak T-11/00

M. Hautem/BEI

Ambtenarenrecht



Zaak T-12/00

E. Crestaz/Commissie

Ambtenarenrecht



Zaak T-13/00

S.W.M. Baltussen e.a./Commissie

Zie zaak T-318/99



Zaak T-14/00

CAV Ulestraten-Schimmert-Hulsberg e.a./Commissie

Zie zaak T-318/99



Zaak T-15/00

Auto- en Carosserie bedrijf Ambting BV e.a./Commissie

Zie zaak T-318/99



Zaak T-16/00

K. Gluiber/Commissie

Enerzijds, nietigverklaring van een aantal arresten en beschikkingen van Duitse rechters, alsmede, anderzijds, vaststelling van verplichting van gemeenschapsinstellingen zich te verzekeren van juiste implementatie in Duits recht van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden



Zaak T-17/00

W. Rothley e.a./Parlement

Nietigverklaring van het besluit van het Europees Parlement van 18 november 1999 betreffende de wijziging van het reglement van orde ten vervolge op het interinstitutioneel akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF)



Zaak T-18/00

S. Angioli e.a./Commissie

Ambtenarenrecht



Zaak T-19/00

J. Demaeght e.a./Hof van Justitie

Ambtenarenrecht



Zaak T-20/00

I. Camacho-Fernandes/Commissie

Ambtenarenrecht



Zaak T-21/00

D. Crabbe/CEDEFOP

Ambtenarenrecht



Zaak T-22/00

E. Sabbioni/Commissie

Ambtenarenrecht



Zaak T-23/00

A/Commissie

Ambtenarenrecht



Zaak T-24/00

Sunrider Corporatio (The)/Harmonisatiebureau voor de interne markt

Gemeenschapsmerk · Vernietiging van beslissing R137/1999-2 van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) van 6 december 1999, waarbij het beroep tegen de afwijzende beslissing van de onderzoeker op de inschrijvingsaanvraag voor het woordmerk "Vitalite" voor waren van de klassen 5, 29 en 32, is verworpen



Zaak T-25/00

P. Jakobsson/Commissie

Ambtenarenrecht



Zaak T-26/00

Lecureur SA/Commissie

Nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 13 december 1999, houdende weigering van de aftrek voor de niet geleverde hoeveelheden en de desbetreffende boeten, die door de Commissie worden toegepast op het aan verzoekster betaalde bedrag voor de levering van maïs aan Niger in het kader van de levering van voedselhulp overeenkomstig verordening (EG) nr. 990/98, alsmede veroordeling van de Commissie tot betaling van het ingehouden bedrag en van moratoire interesten



Zaak T-27/00

Comité du personnel de la Banque centrale européenne e.a./Banque centrale européenne

Nietigverklaring van administratieve circulaire 11/98 van de Europese Centrale Bank van 12 november 1998 inzake het Internetgebruik in het kader van de instelling



Zaak T-28/00

L. Borrego Alias/Comité van de regio's

Ambtenarenrecht



Zaak T-29/00

Deutsche Post AG/Commissie

Nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 14 december 1999 waarbij verzoekster overeenkomstig artikel 14, lid 1, sub b en c, van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen, een geldboete ter hoogte van 100 000 euro is opgelegd wegens het verstrekken van onjuiste of verdraaide gegevens in het kader van een aanmelding krachtens artikel 4 van voormelde verordening en wegens het verstrekken van onjuiste informatie in antwoord op een op basis van artikel 11 gedaan verzoek om inlichtingen (zaak IV/1610 · Deutsche Post/trans-o-flex)



Zaak T-30/00

Henkel KGaA/Harmonisatiebureau voor de interne markt

Gemeenschapsmerk · Vernietiging van beslissing nr. R75/1999-3 van de derde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) van 25 november 1999, waarbij het beroep tegen de afwijzende beslissing van de onderzoeker op inschrijvingsaanvraag nr. 840132 betreffende een beeldmerk voor wasmiddelen, bestaande uit rechthoekige, rood en wit gekleurde tabletten, is verworpen



Zaak T-31/00

BSB-Fleischimport/Commissie

Nietigverklaring van beschikking van de Commissie van 8 november 1999 (REM 2/99) waarbij Duitse autoriteiten wordt medegedeeld dat er geen aanleiding is om verzoekster invoerheffingen op "Hilton-Beef" van oorsprong uit Argentinië kwijt te schelden



Zaak T-32/00

Messe München GmbH/Harmonisatiebureau voor de interne markt

Gemeenschapsmerk · Vernietiging van beslissing nr. R177/1998-2 van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt BHIM) van 17 december 1999, waarbij het beroep tegen de afwijzende beslissing van de onderzoeker op de aanvraag tot inschrijving van het merk "Electronica" voor waren en diensten van de klassen 16, 35 en 41, is verworpen



Zaak T-33/00

N. Martinez Paramo e.a./Commissie

Ambtenarenrecht



Zaak T-34/00

Eurocool Logistik GmbH/Harmonisatiebureau voor de interne markt

Gemeenschapsmerk · Vernietiging van beslissing nr. R233/1999-1 van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) van 9 december 1999, waarbij het beroep tegen de afwijzende beslissing van de onderzoeker op de inschrijvingsaanvraag voor het woordmerk "Eurocool" voor waren van de klassen 39 en 42, is verworpen




4. MEDEDELING

Nieuwe citeerwijze van de verdragsartikelen

Wij herhalen nogmaals ons bericht, dat in de weekoverzichten nrs. 21/99 en 22/99 een mededeling is opgenomen over de nieuwe citeerwijze van de verdragsartikelen in teksten van het Hof en van het Gerecht.



(1)


1: Dit overzicht, opgesteld door de Afdeling Pers en Voorlichting van het Hof van Justitie (L-2925 Luxemburg), heeft tot doel snelle informatie te verschaffen over de werkzaamheden van het Hof en het Gerecht. Alleen de tekst van de arresten en conclusies, die later wordt gepubliceerd in de "Jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg", is echter officieel. De inhoud van dit weekoverzicht kan zonder toestemming, doch met vermelding van de bron, worden overgenomen.

Vertaald uit het Frans.

Kopij afgesloten op 3 april 2000

Catalogusnummer: QD-AC-00-011-NL-C

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie