Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag algemeen overleg inzake het koppelingsfonds

Datum nieuwsfeit: 04-04-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Verslag algemeen overleg inzake het koppelingsfonds
Gemaakt: 10-4-2000 tijd: 14:47


1


19637 Vluchtelingenbeleid

nr. 521 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 4 april 2000

De vaste commissie voor Justitie<1>, de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport<2>, de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid<3>, de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen<4> en de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer<5> hebben op 15 maart 2000 overleg gevoerd met minister Borst-Eilers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en staatssecretaris Cohen van Justitie over:


- de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d.
17 maart 1999 inzake het koppelingsfonds (19637, nr. 425);

- de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d.
29 maart 1999 inzake antwoorden op vragen gesteld tijdens het algemeen overleg van 20 januari 1999 over de Koppelingswet (19637, nr. 430);

- de brief van de staatssecretaris van Justitie d.d. 22 december 1999 t.g.v. de tussenrapportage van de evaluatie van de Koppelingswet (J-00-4);


- de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d.
11 februari 2000 over de medische zorg aan illegalen (19637, nr. 505).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

Mevrouw Albayrak (PvdA) merkte op dat de tussenevaluatie geen antwoord geeft op vragen over de legitimiteit en de effectiviteit en concludeerde dat op een aantal punten bijstelling nodig is. Zij onderscheef de gedachte van de Koppelingswet dat het recht op collectieve voorzieningen gekoppeld moet zijn aan legaal verblijf in Nederland, maar zonder de uitzonderingen op de terreinen onderwijs en zorg was haar fractie nooit akkoord gegaan met de invoering van deze wet. Uit de evaluatie blijkt dat er problemen zijn bij voortgezet verblijf. Vooral vrouwen met een afhankelijke verblijfstitel ondervinden onevenredig nare gevolgen van deze wet. Hoewel de vreemdelingendienst een tijdige aanvraag binnen enkele dagen administratief moet verwerken, gebeurt dit vaak niet, zodat de uitkeringsinstanties geen correcte informatie krijgen over de status van de betrokkene en mensen de toegang tot voorzieningen waarop ze recht hebben wordt ontzegd. Het WODC-rapport stelt dat het zinvol is om de eerste toelating en voortgezet verblijf in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA)-codes te scheiden.

De vreemdelingendienst moet betrokkenen erover informeren dat tijdig voortgezet verblijf in het geval dat een verblijfsvergunning afloopt, moet worden aangevraagd. Dit is echter niet het geval als iemand een relatie verbreekt en op basis daarvan voortgezet verblijf wil aanvragen. De termijn voor tijdig aanvragen is vier weken, maar bij het verbreken van een relatie is deze termijn te kort. Dit is zeker het geval als een partner in het buitenland wordt verlaten door de echtgenoot. Kan voor dit soort gevallen de termijn uitgebreid worden tot minimaal acht weken?

Bij de Huisvestingswet doet zich een probleem voor. Men is ervan uitgegaan dat men bij een aanvraag voor voortgezet verblijf al in Nederland aanwezig is en geen woonvergunning behoeft. Bij het verbreken van een relatie heeft men echter wel degelijk nieuwe woonruimte nodig. De Huisvestingswet moet zo aangepast worden dat ook bij voortgezet verblijf een woonvergunning kan worden verkregen. Willen de bewindspersonen hiertoe actie ondernemen?

Vrouwen met een afhankelijke verblijfsvergunning kunnen niet naar zelfstandige woonruimte doorstromen waardoor de capaciteit van de opvangtehuizen tekortschiet. De fractie van de PvdA heeft Kamervragen gesteld over opvangruimte voor mishandelde illegale vrouwen. Minister Borst antwoordde terecht dat mishandelde vrouwen altijd opgevangen moeten kunnen worden, maar wie is hiervoor financieel verantwoordelijk? De VNG meldt dat er geen middelen zijn. Kan de minister deze patstelling opheffen en is het mogelijk om de onderuitputting van het koppelingsfonds hiervoor te gebruiken?

Mevrouw Albayrak wilde dat slachtoffers van vrouwenhandel, die na hun bedenktijd pas beslissen om aangifte te doen, hun recht op een RVB-uitkering (regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen) behouden. In de praktijk blijkt dat vrouwen die na drie maanden bedenktijd aangifte doen van vrouwenhandel niet meteen aansluitend een verblijfsvergunning krijgen. In die periode ontvangen de vrouwen niets. De IND (Immigratie- en naturalisatiedienst) en het COA (Centraal orgaan opvang asielzoekers) verwijzen naar elkaar. Dit alles wijst op de noodzaak om de afhankelijke verblijfstitel van vrouwen aan een grondig onderzoek te onderwerpen. Mevrouw Albayrak wachtte met grote belangstelling de haar door de staatssecretaris toegezegde notitie af.

Over onderwijs bestaat nog te weinig informatie om daarover in dit stadium al conclusies te trekken. Kinderen onder de achttien jaar van illegalen hebben toegang tot onderwijs, maar in de praktijk wordt dit bemoeilijkt door financiële problemen van de ouders. Hoe toegankelijk is het onderwijs voor kinderen van illegale ouders? Hoe groot is het probleem op dit punt en hoe wordt het opgelost?

Mevrouw Albayrak dankte de minister voor haar realistische en humane brief. Er stond echter niets nieuws in. Uitgelegd wordt wat er tijdens de behandeling van de wet in 1996 is afgesproken. Dit komt erop neer dat de Koppelingswet geen betrekking heeft op de toegankelijkheid van de medische zorg, maar op de daarover gemaakte financiële afspraken. Illegalen kunnen zich niet verzekeren en kunnen op geen enkele manier verblijfsrechten ontlenen aan medische behandeling door artsen en ziekenhuizen. Dit kan ook niet anders, als men de volksgezondheid serieus neemt. De regel dat een arts medische hulp verleent, ongeacht de verblijfstatus van een persoon, is volgens mevrouw Albayrak net zo oud als de geneeskunde zelf. Artsen zijn echter geen opsporingsambtenaren en mensen moeten zonder angst om te worden opgepakt naar een arts kunnen gaan. Het risico dat mensen met een infectieziekte blijven rondlopen mag niet worden onderschat. De medische hulp geeft op geen enkele manier recht op verblijf in Nederland. Het is de verantwoordelijkheid van de regering om een illegaal uit te zetten, een medische behandeling verandert hier niets aan. Het is aan de medisch adviseur van Justitie om op het moment waarop uitzetting aan de orde is een oordeel te geven over de vraag of de medische omstandigheden uitzetting belemmeren.

De term "acute medische hulp" is terecht tijdens de behandeling van de wet verlaten en mede door het amendement van de heer Rouvoet werd het begrip "medisch noodzakelijke hulp" ingevoerd. De minister lichtte dit begrip toe als zijnde eerstelijns hulp en AWBZ-voorzieningen. Later voegde zij eraan toe dat de enige uitzonderingen gevormd worden door cosmetische operaties en genderoperaties. Alleen een arts kan beoordelen of medische hulp nodig is. Geen enkele politieke partij kan die beslissing voor de arts nemen.

Na behandeling van de wet was er sprake van monsterlijke bedragen die gemoeid zouden zijn met medische hulp aan illegalen. De praktijk wijst echter iets anders uit, zoals uit de brief van de minister te lezen valt. Het bedrag van 11 mln. uit het koppelingsfonds gaat voor ongeveer de helft op aan de basiszorg en andere voorzieningen. De hulp aan illegalen vormt slechts een onderdeel van de stroppenpot van de ziekenhuizen. De voorziene verhoging van het koppelingsfonds is dus niet aan de orde, net zo min als een bijstelling naar beneden.

Aan het declaratiesysteem moet het nodige veranderd worden, wil de toegang tot de medische zorg worden gerealiseerd. Nu kan alleen via een regionaal samenwerkingsverband worden gedeclareerd en moet bewezen worden dat men meer dan evenredig met illegalen te maken heeft. Deze belemmeringen leiden ertoe dat illegalen geen beroep doen op een arts of dat de arts zorg verleent, maar niet declareert. Mevrouw Albayrak drong aan op vereenvoudiging van het declaratiesysteem zodat het fonds optimaal benut kan worden. Ziekenhuizen komen voor dit fonds niet een aanmerking omdat zij een budget voor de stroppenpot hebben; de afschrijving van dubieuze debiteuren. Zij moeten de zorg voor onverzekerden uit deze pot bekostigen, maar uit de media komen verhalen dat sommige ziekenhuizen onevenredig vaak met illegalen te maken hebben. De minister stelde dat dit afhankelijk is van de afspraken die gemaakt moeten worden tussen de ziekenhuizen en de zorgverzekeraar. Hier bestaat een groot risico voor ziekenhuizen die een onevenredig aandeel illegalen behandelen. Kan de minister nader toelichten hoe de zorgverzekeraars op deze claims reageren?

Ingaande op een vraag over de kritiek van TNO op het functioneren van de zorg, merkte mevrouw Albayrak op dat in de uitvoering nog veel mis is waardoor de zorg nog niet goed functioneert. Voorts is de voorlichting over declaraties nog onvoldoende.

Tot slot vroeg zij wat de regering kan doen om de risico's die ziekenhuizen lopen bij afspraken met de zorgverzekeraar te minimaliseren.

De heer Kamp (VVD) stelde dat de Koppelingswet een hoeksteen van het vreemdelingenbeleid is. Deze ingrijpende wet, die illegalen helemaal uitsluit van collectieve voorzieningen, moet met respect voor de individuele medemens worden toegepast. Bezien vanuit het individu, wordt het verschil tussen legaal en illegaal vaak bepaald door een goede uitgangspositie. De wet moet krachtig en consequent worden toegepast met de intentie om alle illegalen zo snel mogelijk het land uit te krijgen. De zorgvuldigheid waarmee in Nederland iedere aanvraag voor een verblijfsvergunning, of het om een asielaanvraag gaat of een reguliere verblijfsvergunning, individueel wordt beoordeeld, de correcte toepassing door integere ambtenaren van democratisch tot stand gekomen regels en de toetsing door de onafhankelijke rechter geven de overheid het recht om op te treden tegen iedereen die geen verblijfsvergunning heeft. Effectief optreden tegen illegalen is ook nodig om het geheel van toelatingsregels, uitvoering en toetsing in stand te houden. Dit is in het belang van wie bescherming of om andere reden toelating behoeft en in het belang van wie al legaal in Nederland verblijft.

Volgens de regering is de implementatie van de Koppelingswet goed verlopen. Nog niet opgelost is echter het probleem dat de uitvoerders, zoals de sociale diensten, de woningcorporaties en de ziekenfondsen, niet snel, eenvoudig en ondubbelzinnig kunnen vaststellen of iemand legaal in Nederland verblijft. Men probeert hierover tevergeefs opheldering te krijgen bij de vreemdelingendiensten, maar die vinden dat ze daar niet voor zijn. Dit probleem staat een goede uitvoering van de wet in de weg en daarom moet dit verdwijnen. De rijksoverheid moet duidelijk bepalen wie legaal in dit land verblijven en daar moet een deugdelijke, actuele en toegankelijke registratie van worden bijgehouden. Iedere uitvoerder moet contact kunnen opnemen met die registratie waaruit een duidelijk antwoord te voorschijn moet komen en vervolgens op basis daarvan zijn werk verrichten. Wie niet in de registratie van de overheid voorkomt, wordt verwezen naar de vreemdelingendienst en aangemeld bij een centraal meldpunt. Wil de staatssecretaris met spoed de mogelijkheden om deze registratie in te voeren onderzoeken? Het gaat niet om de bestaande vreemdelingenadministratie die alleen maar problemen opsomt en doorgeeft aan de uitvoerders, maar om een registratie waarin limitatief alle legaal in Nederland verblijvende mensen staan.

Evenmin opgelost is de aarzeling bij sommige medewerkers van woningcorporaties en onderwijsinstellingen om ook nog naar een verblijfsdocument te vragen. Die aarzeling kan worden weggenomen door de controle te vergemakkelijken en met effectieve sancties het gebrek aan controle onaantrekkelijk te maken.

Met betrekking tot illegalen en medische zorg is er sprake van een onvermijdelijk spanningsveld tussen aan de ene kant de wil om mensen die zorg behoeven te helpen en het volksgezondheidsbelang en aan de andere kant de bereidheid om de kosten van die zorg te dragen en de noodzaak, illegaal verblijf in Nederland tegen te gaan. Dat spanningsveld was al aan de orde bij de totstandkoming van de Koppelingswet. Het ging toen om de vraag welke zorg wel en welke niet verleend moet worden aan illegalen. In het wetsvoorstel van de regering stond dat het zou moeten gaan om gezondheidszorg in acute noodsituaties. Die formulering werd per amendement gewijzigd, omdat de Kamer vreesde dat zorg aan illegalen werd onthouden in gevallen waarvan achteraf bleek dat van een noodsituatie sprake was. De regering, bij monde van minister Borst, was het daarmee eens en wees op "dingen die niet echt acuut en toch echt medisch noodzakelijk zijn". Uiteindelijk werd gekozen voor de formulering "medisch noodzakelijke zorg".

In juni 1999, bijna een jaar na de invoering van de Koppelingswet zei de secretaris van het koppelingsfonds: "Voor illegalen is alle zorg die onder de Ziekenfondswet of de AWBZ valt financierbaar". Daarop kwam direct een reactie van het ministerie van VWS: "De stichting houdt zich kennelijk niet aan de regels". Ze kent de wet en daar moet ze zich aan houden". Inmiddels is de minister van VWS van gedachten veranderd. In een brief van 11 februari aan de Kamer constateerde zij met instemming dat het koppelingsfonds vrijwel alle zorg die onder de Ziekenfondswet of onder de AWBZ valt als medisch noodzakelijke zorg beschouwt. Dit illustreerde volgens haar dat alle ruimte wordt gegeven aan een zeer ruime interpretatie van het begrip medisch noodzakelijke zorg. Vervolgens stelde de minister om alle misverstanden weg te nemen dat artsen en hulpverleners alle gevraagde zorg moeten verlenen, dat de geneeskundige inspectie zal optreden tegen weigerachtigen, dat de vreemdelingendiensten niet geïnformeerd mogen worden, dat de ziekenhuizen de kosten in rekening kunnen brengen bij de ziektekostenverzekeraars en dat de rest van de gezondheidszorg dat kan doen bij het koppelingsfonds. De heer Kamp achtte de opstelling van de minister zeer onverstandig.

In antwoord op een vraag of artsen aan de vreemdelingendienst moeten melden welke illegaal zij hebben geholpen, antwoordde de heer Kamp dat bij het verlenen van direct noodzakelijke medische zorg in acute situaties de hulpverlener moet volstaan met erop te wijzen dat een illegaal zich moet melden bij de vreemdelingendienst, dat deze het land moet verlaten en dat uit het verlenen van deze zorg niet geconcludeerd mag worden dat verblijf in Nederland de schijn van legaliteit krijgt. Indien echter gedurende een langere periode medische zorg aan een illegaal wordt verleend, wordt de schijn van legaliteit gewekt. Volgens de heer Kamp is het dan noodzakelijk om melding te maken van deze zorgverlening aan de vreemdelingendienst. Daartoe uitgenodigd wees hij erop dat hij niet gezegd heeft dat over het medisch beroepsgeheim, de vertrouwelijke informatie van de patiënt aan de arts, informatie moet worden verstrekt. Hij herhaalde zijn opmerking dat een langere periode medische zorg aan een illegaal de schijn van legaliteit kan wekken. Tegenover het verlenen van langdurige medische zorg, moet een melding van deze verleende zorg staan.

Bij de Koppelingswet gaat het om twee doelstellingen die in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel zijn verwoord: illegaal verblijf in Nederland moet ontmoedigd worden en voorkomen moet worden dat illegalen een schijn van legaliteit kunnen verwerven. Waar dit laatste toe leidt, bleek bij illegalen met een sofi-nummer. Achteraf bleek dat het een vergissing was om mensen die illegaal in Nederland verblijven een sofi-nummer te geven, omdat men op grond van dat feit een verblijfsvergunning voor Nederland claimde.

De tweede doelstelling wordt in de brief van de minister van VWS verzwegen. Dat is begrijpelijk, omdat mede als gevolg van haar opstelling de situatie van illegalen anno 2000 in Nederland als volgt is: veel leden van grote migrantengemeenschappen zijn volgens een onderzoek van de Erasmusuniversiteit bereid, illegale landgenoten met raad en daad terzijde te staan. Er is recht op gratis rechtsbijstand. De arbeidsmarkt is gespannen en er is zwart werk te krijgen. De kinderen mogen naar school. Huur en onderhuur van sociale woningen zijn in de praktijk vaak mogelijk. De medische zorg is zonder financiële drempel en risico toegankelijk. Zorgverleners en medewerkers van sociale diensten mogen de vreemdelingendiensten niet informeren. De regering laat illegalen niet actief opsporen en geeft aan uitzetting geen prioriteit.

Desgevraagd merkte hij op dat het begrip schijnlegaliteit niet uit zijn koker komt, maar dat het in de toelichting op de Koppelingswet staat. Door de hiervoor opgesomde elementen ontstaat het risico van de schijn van legaliteit waardoor men de 50.000 à 200.000 illegalen niet meer het land uit krijgt. Het resultaat hiervan kan zijn dat hierdoor vele anderen tot Nederland worden aangetrokken. Volgens de Koppelingswet zijn collectieve voorzieningen niet toegankelijk voor illegalen. De heer Kamp stelde het op prijs dat deze wet op een groot aantal onderdelen werkt en dat wat de sociale zekerheid en uitvoeringsinstanties betreft het beoogde effect is bereikt. Op het onderdeel illegaliteit en medische zorg werkt de Koppelingswet echter niet goed. Dit onderdeel, samen met de door hem genoemde elementen, brengt volgens hem grote risico's voor het vreemdelingenbeleid met zich.

De brief van de minister van VWS is nog niet tot de dagelijkse praktijk doorgedrongen. Illegalen zijn nog terughoudend bij het vragen om zorg en artsen en hulpverleners zijn terughoudend met het verlenen daarvan. Dit zal echter niet lang meer duren. Kan de minister uitleggen waarom illegalen een kleiner beroep op zorg doen dan legalen? Volgens een bijlage bij de brief van 11 februari jl. van de minister is een aantal van 100.000 illegalen een redelijke schatting. Per jaar kost het beroep op de gezondheidszorg f.4.800 per persoon, een totaal van 0,5 mld. per jaar.

Volgens de minister is alles toegankelijk: eerstelijns gezondheidszorg, specialistische en ziekenhuiszorg, geestelijke gezondheidszorg, nazorg, revalidatie na opname en chronische zorg. Wil de minister dat een illegaal die vanuit een ziekenhuis wordt doorverwezen in een verpleeghuis wordt opgenomen? Wil ze dat een illegaal die vanuit een verpleeghuis wordt doorverwezen in een verzorgingshuis wordt opgenomen? Maakt het in de zorg niets meer uit of iemand zijn echte naam opgeeft, verzekerd is of überhaupt wel wil betalen? Waarom wordt met het onbeperkt verlenen van alle ziekenfonds- en AWBZ-zorg minder de schijn van legaliteit gewekt dan met het verstrekken van een sofi-nummer?

Ingaande op een vraag van de heer Rouvoet over het amendement dat hij destijds heeft ingediend, verwees de heer Kamp naar wat daarover destijds door de Kamer en de minister is gezegd. In eerste instantie bestond bij het koppelingsfonds verwarring over de uitleg. De heer Kamp benadrukte dat hij bij deze evaluatie de zienswijze van zijn fractie naar voren brengt in de hoop dat het duidelijk wordt dat illegalen bij directe zorg, hulp kunnen krijgen, maar dat dit op geen enkele wijze vertrek uit Nederland in weg mag staan. Tevens dient voorkomen te worden dat andere illegalen hier naartoe komen. Als de uitkomst is dat alle zorg die onder de Ziekenfondswet en de AWBZ valt, zonder drempel of risico toegankelijk is voor illegalen, is het risico groot dat de schijn van legaliteit wordt gewekt bij illegalen die het land moeten verlaten. De Koppelingswet gaat bij de uitleg van het begrip medisch noodzakelijke zorg volgens hem te ver.

Om te voorkomen dat de illegalenproblematiek in Nederland onbeheersbaar wordt, deed de heer Kamp de volgende voorstellen. Het begrip medisch noodzakelijke zorg dient op terughoudende wijze nader te worden uitgewerkt en toegepast. De minister van VWS moet aangeven welke zorg onder welke omstandigheden verleend moet worden. Het resultaat dient echter terughoudend te zijn en de uitkomst mag niet zijn dat alles noodzakelijk is en alles verstrekt kan worden. Het uitgangspunt van de overheid moet zijn dat mensen, legaal of illegaal, die in een acute situatie zorg nodig hebben, die ook krijgen. Desgevraagd legde de heer Kamp uit dat vele illegalen geen beroep doen op het koppelingsfonds uit angst Nederland te moeten verlaten en dat vele artsen zich niet gehouden voelen, illegalen alle zorg te geven. De brief van de minister stelt onder andere dat de eerder door de heer Kamp opgesomde elementen zonder risico en financiële drempel voor een veel grotere groep dan nu bekend is, beschikbaar zijn. Bovendien zijn alle artsen en hulpverleners gehouden alle gevraagde hulp te verlenen. Als dit duidelijk wordt voor de betrokkenen, zal het beroep op het koppelingsfonds groter worden. De heer Kamp wees er in reactie op een vraag van de heer Dittrich op dat de Kamer zelf om de brief van de minister, die thans bij deze evaluatie betrokken is, gevraagd heeft. Ook memoreerde hij dat uit een discussie in 1999 bleek dat er geen duidelijkheid was over de vraag waaraan de zorgverleners zich precies moesten houden.

Het moet voor alle uitvoerders in alle sectoren gemakkelijk zijn om snel en ondubbelzinnig vast te stellen of iemand legaal in Nederland verblijft. Een registratiesysteem kan een digitale uitkomst geven. Als men daarin niet voorkomt, wordt men naar de vreemdelingendienst verwezen. Indien de privacywetgeving een registratiesysteem verhindert dat de uitvoerders van de wetten snel duidelijkheid biedt of iemand legaal in Nederland verblijft, diende volgens de heer Kamp deze privacywetgeving aangepast te worden.

Hij drong tot slot aan op een actief uitzettingsbeleid en een snelle uitvoering van zijn door de Kamer aanvaarde motie voor het instellen van een centraal meldpunt van illegalen in Nederland.

De heer Wijn (CDA) memoreerde dat toelating van personen uit andere landen geschiedt op basis van het asiel- en vreemdelingenrecht, waarbij het mensen betreft die bescherming nodig hebben en niet kunnen terugkeren naar het land van herkomst. Dit is vastgelegd in de asielprocedure die democratisch is vastgesteld en een rechterlijke toetsing kent. Wie niet mag blijven, moet Nederland verlaten. Hieruit moet de consequentie worden getrokken dat aan mensen die niet zijn toegelaten, geen voorzieningen van overheidswege worden aangeboden. Volgens de heer Wijn is dit een principiële zaak. De schijn van legaliteit mag niet worden gewekt. Daarom is de Koppelingswet essentieel voor de geloofwaardigheid van het asiel- en vreemdelingenbeleid. In individuele gevallen kan dit een hard gelag zijn, maar om het asielbeleid op langere termijn houdbaar te houden, is er geen andere keuze.

De Koppelingswet dient te worden vergezeld van een actief terugkeer- en uitzettingsbeleid. De heer Wijn benadrukte in dit verband dat het huidige beleid veel te slap is. Als de overheid niet het lef heeft, actief -- in de regel begeleid -- te gaan uitzetten, voorziet de heer Wijn de komende jaren een toename van het probleem. Elk antwoord op de vraag of aan iemand een voorziening mag worden verstrekt, moet worden voorafgegaan door de opmerking dat een illegaal hier niet mag zijn.

In de stukken staat dat de Koppelingswet zorgvuldig wordt uitgevoerd waar het gaat om controle van vreemdelingen als, dus indien, hun verblijfstatus wordt gecontroleerd. Kan de staatssecretaris aangeven wanneer in ieder geval moet worden gecontroleerd? In hoeverre gebeurt dit daadwerkelijk? Op dit moment kunnen diverse uitvoeringsinstanties niet direct zien op welke voorzieningen een vreemdeling recht heeft. Uitvoeringsinstanties moeten momenteel allerlei gegevens over de status van vreemdelingen eerst interpreteren, voordat die kunnen worden toegepast. Code 18 levert de uitvoeringsorganisaties problemen op. Bestaan er oplossingen om een en ander gebruiksvriendelijker te maken?

De vreemdelingendiensten en Justitie zijn positief over de strekking van de Koppelingswet. De andere departementen en uitvoeringsorganisaties zijn minder positief, hoewel zij de wet loyaal lijken uit te voeren. Bij medewerkers bestaat aarzeling om mensen ook nog naar hun verblijfstitel te vragen. Kan de staatssecretaris deze aarzeling nader analyseren en beoordelen en ervoor zorgdragen dat deze bij betrokkenen verdwijnt? In het verlengde hiervan zijn in diverse gemeentes voorzieningen gecreëerd om de effecten van de Koppelingswet teniet te doen. De bijstandsuitkering wordt bijvoorbeeld uit de gemeentekas betaald. Welke bypasses zijn er momenteel in de gemeentes Leiden, Apeldoorn, Eindhoven en Amsterdam? Klopt het bericht in het Parool van 13 januari jl. dat Amsterdam bijstand verleent aan uitgeprocedeerden die meewerken? Hier zou het meewerkingscriterium weer worden geïntroduceerd dat de staatssecretaris niet meer van toepassing heeft verklaard. Hebben andere gemeentes ook bypasses aangelegd? De rechter heeft uitzonderingen gemaakt voor de bijstand en de kinderbijslag. Welke juridische procedures lopen nog en wat is de status daarvan?

De heer Wijn toonde zich gevoelig voor het dilemma op het gebied van de gezondheidszorg. Enerzijds moet men oog hebben voor de humane aspecten en mag een regeling er niet toe leiden dat de toegang tot de gezondheidszorg volledig wordt afgesloten. Anderzijds kan een regeling niet het pakket voorzieningen voor een verzekerde bieden. Immers, wie zou er dan nog premie betalen? Bovendien kan een aanzuigende werking optreden op mensen die illegaal naar Nederland komen om een medische behandeling te ondergaan. Het antwoord op de vraag of een illegaal medische zorg krijgt, hangt af van de arts. De arts heeft de plicht om zorg te verlenen als deze niet kan worden uitgesteld of onthouden, zonder het leven of de gezondheidstoestand van de betrokkene, dan wel de Nederlandse volksgezondheid, ernstig in gevaar te brengen. Een arts hoeft echter geen politiek in de spreekkamer te bedrijven. Wel is het belangrijk dat artsen goed op de hoogte zijn van de intentie van de Koppelingswet en het koppelingsfonds. Zij dienen te weten dat in beginsel een illegaal voor zorg naar zijn eigen land moet reizen. Om de Koppelingswet goed te kunnen uitvoeren, dient dit soort overwegingen en intenties goed onder de aandacht te worden gebracht.

Desgevraagd maakte de heer Wijn een onderscheid tussen de autonomie en de positie van de arts en de vraag wie de kosten van de verrichtingen door de arts betaalt. Kan de minister ingaan op de klachten van de Johannes Wierstichting over de toegankelijkheid tot artsen en de conclusie van het TNO-rapport over de tweedelijns zorg? Worden onnodige risico's gelopen met het oog op TBC en infectieziektes? Worden de nodige vaccinaties gegeven?

In principe moet de illegaal zelf de zorg betalen. Wordt in de praktijk onderzocht of men daartoe in staat is? Kan de illegaal niet betalen, dan is het de vraag in hoeverre zorg moet worden vergoed door de gemeenschap. In het oorspronkelijke wetsvoorstel was aanvankelijk sprake van vergoeding in acute medische noodsituaties. Dit is veranderd in: medische noodzakelijke zorg. Uit het eerder gehouden debat kan de indruk ontstaan dat deze definitie er niet veel toe doet. De minister gaf aan dat zij het amendement van de heer Rouvoet als ondersteuning van haar beleid ziet, maar nu blijkt uit haar brief dat vrijwel alle zorg wordt vergoed. Is "vrijwel alle zorg" hetzelfde als een "acute medische noodsituatie"? Wat is het verschil tussen "alle zorg" en "vrijwel alle zorg"? Wat bedoelt de minister met "alle ruimte voor een zeer ruime interpretatie van het begrip medisch noodzakelijk"?

Er kan een relatie zijn tussen het feitelijke gedrag van een arts en de financiële declaratiemogelijkheid, maar de minister lijkt dit als volstrekt onlosmakelijk met elkaar verbonden te zien. Alles wat artsen voor illegalen doen, wordt vergoed, maar de bedoeling van de Koppelingswet is niet dat alle medische zorg wordt vergoed. Welke criteria hanteert het fonds en zijn er voorbeelden van aanvragen die zijn afgewezen? De tussenrapportage geeft aan dat over het koppelingsfonds de nodige verwarring en onduidelijkheid bestaan. De regeling wordt als ingewikkeld ervaren, maar ondanks de problemen heeft het fonds goed gefunctioneerd. Een actief voorlichtingsbeleid is van belang. Wat wordt hiertoe ondernomen?

De minister hanteert geen rigide onderscheid tussen de huisartsenhulp en de ziekenhuiszorg. Hoe verhoudt zich dat tot beide financieringsbronnen? Hoe groot is het risico van kruissubsidie? Welke problemen zijn er op dit moment bij met name ziekenhuizen in de grote steden op het gebied van de tweedelijns zorg? Zijn de berichten in de media juist dat deze ziekenhuizen geconfronteerd worden met een toenemende post oninbare vorderingen en ontstaan er regionale verschillen in de premie voor verzekerden? Heeft de minister hierover met de sector overlegd?

De heer Dittrich (D66) wees erop dat vreemdelingen die illegaal in Nederland verblijven, het land moeten verlaten. Voor de Koppelingswet bleek dat mensen toch een uitkering of andere voorzieningen van de overheid kregen, waardoor het moeilijker werd, het land verlaten. Na enige tijd ontstond namelijk een soort aanspraak op legaal verblijf, waardoor de kwestie van de witte illegalen is ontstaan. De Koppelingswet maakt een onderscheid tussen vreemdelingen die wel en niet van de overheid hier mogen blijven, omdat de verblijfstatus aan de aanspraak op overheidsvoorzieningen wordt gekoppeld en dat betekent dat de wet mensen uitsluit. Dit is een hard gegeven dat echter rechtvaardig kan zijn.

In eerdere debatten over de Koppelingswet bracht de heer Dittrich al naar voren dat er nooit een sluitend systeem ontworpen kan worden en dat ook na invoering van de wet zal blijken dat er altijd mensen illegaal in Nederland zullen verblijven. Op het papier op de tekentafels van de wetgever in Den Haag, kunnen nooit de wetten van de straat worden geregistreerd, zodat er altijd spanningen zullen zijn tussen de praktijk en de wet. De heer Dittrich wees erop dat het bij illegale vreemdelingen altijd gaat over mensen die niet in Nederland mogen verblijven, maar niets strafbaars hebben gedaan. Om die reden dienen de aan de Koppelingswet verbonden consequenties op een menselijke manier te worden benaderd.

In verband met deze tussentijdse evaluatie ontving de heer Dittrich vele brieven van maatschappelijke instellingen die de legaliteit van de wet aan de orde stellen. Dit punt komt echter pas aan de orde bij de echte evaluatie. In de rapportage van TNO staat op blz. 8 dat niet alle departementen even serieus hun huiswerk hebben gedaan. Welke departementen zijn dit? Kunnen zij voor de echte evaluatie wel alle betrouwbare gegevens overleggen?

In het debat in 1996 sprak de minister over "noodzakelijke medische zorg". In de brief van 11 februari is sprake van "medisch noodzakelijke zorg". Wordt hiermee exact hetzelfde bedoeld? De heer Dittrich was van mening dat medisch noodzakelijke zorg altijd verleend moet worden. Aan dokters mag niet gevraagd worden, een verblijfsvergunning te controleren. Daar zijn artsen niet voor, wel mogen zij vragen of mensen verzekerd zijn. De heer Dittrich zag niets in het voorstel van de heer Wijn om artsen in te prenten hoe belangrijk het is dat illegalen voor zorg naar het eigen land moeten gaan. Artsen moeten goede informatie geven over de wijze waarop medische zorg kan worden verleend.

Door de introductie van de Koppelingswet is bij het verlenen van medische zorg aan illegale vreemdelingen niet veel veranderd. Hooguit is de groep illegalen meer zichtbaar geworden. In de brief van de minister staat dat het koppelingsfonds een ruime interpretatie van medisch noodzakelijke zorg hanteert. Toch is er sprake van een onderuitputting. Het bedrag van 11 mln. per jaar wordt niet opgemaakt. De oorzaak daarvan is dat illegale vreemdelingen lang wachten, voordat zij naar een arts gaan. Hierdoor kan een ziekte verergeren en in het geval van TBC besmettingsgevaar opleveren, zodat de algehele volksgezondheid daarvan nadelen kan ondervinden. Het begrip medisch noodzakelijke zorg dient derhalve ruimhartig te worden ingevuld. De heer Dittrich stelde daarom geen veranderingen voor op dit punt. Wel was hij benieuwd naar de periodieke gesprekken die de minister van VWS met de mensen van het koppelingsfonds voert. Hoe kan de administratieve rompslomp voor de huisarts bij een aanvraag bij dit fonds vereenvoudigd worden? Is de post dubieuze debiteuren bij de ziekenhuizen groot genoeg om medisch noodzakelijke zorg aan illegale vreemdelingen op te vangen? De minister zal de Nederlandse verenigingen van ziekenhuizen om een toelichting vragen en de heer Dittrich is zeer benieuwd naar de uitslag daarvan. Bij de discussie in
1996 over de COTG-richtlijn werd al gesteld dat door goede onderhandelingen met verzekeraars die post op een reële manier ingeschat kan worden.

De heer Dittrich had er moeite mee dat uit de stukken blijkt dat ziekenhuizen en specialisten medisch noodzakelijke zorg zouden weigeren op financiële gronden. Daardoor schuiven zij de verantwoordelijkheid en de kosten op het bordje van ziekenhuizen die de zorg wel verlenen. Dit geldt blijkens de rapportage ook voor sommige huisartsen, de kraamzorg en spoedopnameafdelingen. Hoe is een eerlijke en evenredige spreiding mogelijk? Over welke instrumenten beschikt de overheid op dit punt?

Sommige grote gemeentes hebben lokale maatregelen, bypasses, ontworpen. Amsterdam heeft een fonds waaruit bedragen aan illegalen en anderen worden verstrekt. Hoe lang gaat Amsterdam hiermee door? Opvallend is dat Rotterdam meent dat er helemaal geen lokale maatregelen getroffen hoeven te worden. Kan de staatssecretaris, wellicht schriftelijk, een inventarisatie geven van alle lokale bypasses die ontwikkeld zijn? Aan welke voorwaarden moeten vreemdelingen voldoen, willen zij voor financiële ondersteuning door de gemeentes in aanmerking komen? Onder verwijzing naar een schrijven van de gemeente Nijmegen, verzocht de heer Dittrich de staatssecretaris met de VNG in conclaaf te gaan om in kaart te brengen waar de zorgplicht van een gemeente ophoudt. Omdat de Algemene bijstandswet niet meer geldt, willen sommige gemeentes toch geld uittrekken voor bepaalde voorzieningen voor deze mensen. Omdat de ene gemeente een bypass met verstrekkende voorzieningen heeft en de andere helemaal niets is het risico groot dat er een trek ontstaat naar gemeentes die wel iets doen, waardoor die in de problemen komen. Kan de staatssecretaris een toezegging op dit punt doen? Eventuele afspraken die uit het gesprek met de VNG voortkomen, kunnen aan de Kamer ter beoordeling worden voorgelegd. Desgevraagd benadrukte de heer Dittrich dat hij op dit punt geen quotumregeling voor gemeentes wil voorstellen.

Soms lijkt de verblijfstatus volgens de onderwijsinstellingen afhankelijk te zijn van de toelating tot het onderwijs en vice versa. In het TNO-rapport staat dat de onderwijswereld de Koppelingswet niet goed leest, omdat het om een aanvraag voor toelating tot het onderwijs gaat. Zijn er plannen voor voorlichting aan de onderwijswereld hierover?

In de tussentijdse rapportage staat dat Justitie tevreden is over de gang van zaken. Door de koppeling kan alle aandacht van vreemdelingendiensten uitgaan naar ingewikkelder zaken. De grote bulk wordt vrijwel automatisch verwerkt, hetgeen een kwaliteitsverbetering is. Hoe komt het dat vreemdelingendiensten niet altijd goed op de hoogte zijn van voorschriften van het ministerie? Hoe vaak maken illegale vreemdelingen gebruik van gefinancierde rechtsbijstand?

Mevrouw Halsema (GroenLinks) memoreerde dat bij de behandeling van de Koppelingswet afgesproken is na een jaar te evalueren. De regering koos er tot haar verwondering voor deze evaluatie te beperken tot een efficiencytoets en de vraag naar de legitimiteit en effectiviteit op te schorten naar de volgende evaluatie. De zorg van velen concentreerde zich meer op de vraag naar de rechtvaardigheid en proportionaliteit van de Koppelingswet dan op de logistieke aspecten. Deze evaluatie stelt teleur, gezien de maatschappelijke discussie over het ontstaan van humanitaire nood op het gebied van de gezondheidszorg, huisvesting en onderwijs.

Het WODC-rapport concludeert dat de uitvoeringsinstanties de Koppelingswet een rechtvaardig en verantwoord antwoord vinden. Volgens mevrouw Halsema heeft dit iets weg van een self-fulfilling prophecy, omdat ambtenaren en anderen die de Koppelingswet loyaal behoren uit te voeren desgevraagd een loyaal antwoord geven. Uit het onderzoek van Engberse, waarover het kabinet helaas nog geen standpunt heeft ingenomen, blijkt dat de implementatie van de Koppelingswet stuit op professionele en humanitaire overwegingen van uitvoerders, waardoor wel degelijk een gedoogbeleid ontstaat. Ook de beoordeling van een geslaagde implementatie mag niet worden overgelaten aan alleen de verantwoordelijke uitvoeringsorganisaties. Hierbij had men ook hulpverleningsinstellingen, gemeentes, rechtshulp en belangenorganisaties aan het woord moeten laten. Omdat dit niet is gebeurd, is ook geen antwoord gegeven op de vele brandbrieven die door deze organen de afgelopen maanden zijn verstuurd.

Op het terrein van de gezondheidszorg zorgt de implementatie van de Koppelingswet voor grote problemen. Mevrouw Halsema was blij met de brief van de minister waarin zij het staand beleid duidelijk bevestigt. Uit het onderzoek van Engberse blijkt echter dat de Koppelingswet een afschrikwekkend effect heeft , zodat mensen vaak niet om hulp vragen waar zij wel degelijk recht op hebben. Dat illegalen vaak te lang wachten met een vraag om hulp blijkt vooral bij patiënten met een besmettelijke ziekte, zoals AIDS of TBC. Mevrouw Halsema pleitte voor initiatieven van de minister waardoor informatie aan illegalen over hun gezondheidsrechten wordt verbeterd. Organisaties van buitenlanders en vrijwilligers, die vaak een intermediaire rol spelen, dienen actief -- financieel -- te worden ondersteund. Wat is de reactie van de minister hierop? De toegang tot het koppelingsfonds is niet goed geregeld. Zoals onlangs door TNO werd vastgesteld zijn de voorwaarden te streng en bestaat groot onbegrip over het gedeeltelijk vergoeden van de kosten. Dit verklaart waarschijnlijk waarom de onderuitputting van het koppelingsfonds. Is de minister bereid, de toegang tot het fonds te vergroten door de voorwaarden te vereenvoudigen? Wil zij overwegen of ziekenhuizen opgenomen kunnen worden in het koppelingsfonds? Deze zijn nu afhankelijk van welwillende ziektekostenverzekeraars.

Gemeentes en hulpverleningsinstellingen lopen tegen humanitaire noodsituaties op die om een oplossing vragen. De rijksoverheid heeft de gemeentes de mogelijkheid ontnomen hun zorgplicht op zich te nemen door de bijstandswet te wijzigen. Ook mevrouw Halsema wees op de problemen die de gemeente Nijmegen heeft met de opvang van uitgeprocedeerden. Verder hebben diverse instellingen voorbeelden van humanitaire noodsituaties gegeven. Een specifiek probleem vormen de vrouwen met een afhankelijke verblijfsstatus die in de problemen komen als zij binnen drie jaar hun man verlaten. Sociale en vreemdelingendiensten behandelen deze vrouwen, ondanks de vele toezeggingen van de staatssecretaris, vaak nog niet als verzoekers tot voortgezette toelating, zodat zij tussen wal en schip dreigen te belanden. Op welke manier denkt de staatssecretaris op korte termijn de voorlichting aan de sociale en vreemdelingendiensten te kunnen verbeteren? Het verzoek om voortgezette toelating wordt bovendien alleen gehonoreerd als het binnen vier weken na het verbreken van de gezinsband plaatsvindt. Dit geeft veel problemen voor de betrokken vrouwen, omdat ze vaak in de eerste weken in psychische nood verkeren. Mevrouw Halsema verzocht, in aansluiting op het verzoek van mevrouw Albayrak, om een termijn van zes maanden. Als deze vrouwen met een afhankelijke verblijfstatus in een opvanghuis terechtkomen, behoren de sociale voorzieningen door te lopen, maar vaak blijkt er iets mis te gaan. Onduidelijk is of deze ook doorlopen als opvang door familie of vrienden plaatsvindt. Zo ja, welke voorwaarden worden dan gehanteerd? Betekent het begrip "tijdig een verzoek tot een voortgezette toelating" hier ook binnen vier weken na de beëindiging van de relatie of vier weken ervoor? Kan de staatssecretaris hierover duidelijkheid geven en kan hij een toezegging doen over uniforme en ruimere regels?

Bij het ontbreken van de mogelijkheid van financiële compensatie bij maatschappelijke en humanitaire noodsituaties draaien veel hulpverleningsinstellingen en gemeentes op voor de kosten van noodzakelijke hulp. Mevrouw Halsema deed een dringend beroep op de regering om, naast het koppelingsfonds voor medisch noodzakelijke hulp, ook een fonds in het leven te roepen voor maatschappelijke nood. Wat is de reactie van de regering op dit verzoek? Als de regering niet bereid is dit te overwegen, op welke wijze kan dan in schrijnende gevallen hulp worden geboden, zonder dat men geheel op de caritas moet terugvallen?

Bij huisvesting doet zich ook een probleem voor bij vooral de vrouwen met een afhankelijke verblijfsvergunning. Zij komen namelijk niet in aanmerking voor een huisvestingsvergunning zolang niet is beslist op hun aanvraag. Hierdoor raken de opvanghuizen verder verstopt. Willen de bewindslieden dit probleem nadrukkelijk onder de aandacht van de collega van VROM brengen?

Ook op het onderwijsterrein dreigen illegalen uit angst en onbekendheid met de regelgeving en vanwege financiële nood geen gebruik meer te maken van hun internationaal vastgestelde rechten. Uit een onderzoek van Equality blijkt dat de kosten voor onderwijs, het lesgeld voor kinderen boven de zestien en aanschaf van studiemateriaal, voor illegalen een dermate belasting vormen dat deelname van leerlingen wordt belemmerd. Deze ouders dienen beter te worden voorgelicht. Ook op dit punt dient contact te worden gezocht met intermediaire vrijwilligers en zelforganisaties. Tevens dienen deze organisaties actief te worden ondersteund. Mevrouw Halsema stelde ook op dit punt voor, een onderwijsfonds in te stellen. In antwoord op een vraag naar aard en omvang van het probleem, wees zij op het onderzoek van Engberse waaruit blijkt dat het zeer waarschijnlijk is dat een toenemend aantal kinderen door hun ouders wordt thuisgehouden uit angst dat registratie wordt doorgespeeld naar de vreemdelingendiensten en omdat de financiën ontbreken om die kinderen onderwijs te kunnen geven.

Uit het eerder genoemde onderzoek van Engberse blijkt tevens dat de effecten van de Koppelingswet op de grote populatie van illegalen niet mag worden overschat, omdat de meesten al geen gebruik maken van de sociale voorzieningen. In het WODC-rapport staat dat het gebruik van voorzieningen met enkele procenten is teruggelopen. Verder vroeg mevrouw Halsema aandacht voor de controleberekeningen die gedaan zijn door het Haags advocatencollectief Centrum waaruit blijkt dat het niet om enkele procenten gaat, maar om een terugloop in gebruik van sociale voorzieningen van 0,25. Dit bestrijdt het dominante beeld dat illegalen grootschalig gebruik zouden maken van sociale voorzieningen voordat de Koppelingswet in werking trad.

Desgevraagd merkte zij op dat illegalen in principe het land moeten verlaten en dat de overheid zich daarvoor moet inzetten. De prioriteit dient echter te liggen bij illegalen die strafbare feiten hebben gepleegd. Het terugkeer- en uitzettingsbeleid faalt vaak, mede omdat overheden hun onderdanen niet meer wensen op te nemen. Dit betekent dat in Nederland een groeiende populatie van illegalen ontstaat. Mevrouw Halsema stelde een harde grens, namelijk die van een beschaafde verzorgingsstaat waarin illegalen, ondanks het feit dat ze hier niet mogen zijn, recht hebben op de meest elementaire voorzieningen. Zij achtte het onbeschaafd als mensen in een soort etnische onderklasse definitief uitgesloten zijn van de voorzieningen en betreurde het dat de VVD-fractie zich daar niet gevoelig voor toont. Zij lichtte haar pleidooi toe om, daar waar de Koppelingswet strijdig is met mensenrechtenverdragen, fondsen in het leven te roepen. Hiermee wordt de Koppelingswet niet bestreden, maar wordt een poging gedaan om de grootste negatieve neveneffecten daarvan te verzachten.

Tot slot wees zij wederom op het onderzoek van Engberse. Volgens hem gaat het bij de Koppelingswet in hoge mate om symbolisch beleid. Toch draagt deze wet op de lange termijn het gevaar in zich dat op langere termijn een illegale onderklasse in Nederland ontstaat. Bovendien worden velen, waarvoor de Koppelingswet niet was bedoeld omdat ze niet tot de klassieke groep illegalen behoren, nu gedupeerd. Na anderhalf jaar concludeerde mevrouw Halsema dat de wet niet of nauwelijks het gewenste effect heeft gehad, behalve onvoorziene en ongewenste negatieve neveneffecten.

De heer De Wit (SP) memoreerde dat de Koppelingswet bedoeld is om het verblijf van illegalen in Nederland onmogelijk te maken. De wet heeft effect -- een paar duizend uitkeringen zijn beëindigd -- maar het is de vraag hoe groot dat effect is. Tevens doen zich nadelige neveneffecten voor, waarvoor een oplossing gezocht moet worden. De van Turkse origine ontvangers van bijstand, werden eerst geconfronteerd met een stopzetting van de uitkering. Daarna mochten ze, na een uitspraak van de rechter, bijstand ontvangen, maar na een uitspraak in hoger beroep werden ze weer van deze uitkering beroofd. Is een dergelijk jojobeleid op zijn plaats? Is het niet verstandiger om, in afwachting van het verdere verloop van de procedure over het Europese Verdrag, te uitkering voort te zetten? Deze vraag geldt overigens ook voor de groep die geconfronteerd is met het stopzetten van de kinderbijslag. Wat is het oordeel van de bewindslieden hierover?

De Koppelingswet is nooit bedoeld om enige beperking aan te brengen in de toegankelijkheid van de zorg. Het gaat hierbij alleen over de financiering daarvan. Hoewel het kabinet aanvankelijk sprak over toegankelijkheid van de zorg in acute noodsituaties, is daarvoor snel een andere terminologie in de plaats gekomen, gebaseerd op het amendement-Rouvoet. Artsen en hulpverleners moeten, zo staat in de brief van de minister, op grond van ethische en verdragsrechtelijke gronden altijd medisch noodzakelijke zorg verlenen. De discussie in het kader van de Koppelingswet dient volgens de heer De Wit niet te gaan over de vraag of medisch noodzakelijke zorg toegankelijk dient te zijn, maar of die in de praktijk toegankelijk is. Uit het TNO-rapport blijkt dat dit niet het geval is. De Koppelingswet heeft een averechts effect op het verantwoordelijkheidsgevoel van hulpverleners. Deze stellen zich steeds harder op en eisen bijvoorbeeld betaling vooraf. De wet heeft ook een averechts effect op de illegalen zelf. Vanwege vervolgingsangst zoeken ze minder snel hulp. Ook de toegankelijkheid tot de tweede lijn is absoluut onvoldoende. Meer dan 50% van de verwijzingen wordt niet gerealiseerd. Uit een enquête van de Johannes Wierstichting blijkt dat illegalen minder goed worden behandeld, eerder ontslagen worden en ook minder nazorg krijgen.

Ziekenhuizen moeten zorg aan illegalen afschrijven onder de post dubieuze debiteuren. De minister heeft in antwoord op vragen van de fractie van de heer De Wit gezegd dat de precieze omvang haar niet bekend was. Heeft de minister er nu wel zicht op en kan zij mededelen of men met deze financieringsmethode moet doorgaan? De gehele zorg lijkt afhankelijk te zijn van de goodwill van een aantal hulpverleners uit met name de eerste lijn die overbelast dreigen te raken. Tegelijk is het de verwachting dat de problemen zullen toenemen, omdat de groep verder zal marginaliseren, de omvang zal toenemen en de gezondheidsproblemen zullen verergeren, met name door het gebrek aan preventie en door veroudering.

De heer De Wit stelde dat het koppelingsfonds dient te worden uitgebreid tot ziekenhuiszorg hetgeen betekent dat daaraan noodzakelijke middelen moeten worden toegevoegd. Tevens moeten de procedures rondom het koppelingsfonds toegankelijker worden gemaakt. Aan alle artsen en hulpverleners dient uitgebreidere voorlichting te worden verstrekt over de wet zelf en over de werking van het fonds. Verder zal de zorg uitgebreid moeten worden tot preventie. Hierbij kan gedacht worden aan kinderen, consultatiebureaus, vaccinaties en het gevaar voor bijvoorbeeld TBC. Ook dient een zo goed mogelijk inzicht in de leefsituatie en de gezondheid van illegalen te worden verkregen. De heer De Wit is er niet tegen dat oudere illegalen bij medische noodzaak, in een verzorgingshuis worden opgenomen. Dit staat echter ter beoordeling van de arts, de politiek heeft in dezen geen stem.

Over de vrouwen met een afhankelijke verblijfsvergunning wier relatie verbroken is, zijn Kamervragen gesteld. Volgens de minister dienen alle mishandelde vrouwen in aanmerking te komen voor opvang. Waar komt die financiering vandaan? De VNG stelt dat de gemeentes daar geen middelen voor hebben en het rijk wijst de verantwoordelijkheid terug naar de gemeentes. Van deze onduidelijke situatie dreigen deze vrouwen het slachtoffer te worden. Ook de opvanginstellingen weten niet hoe dit moet worden gefinancierd. Wil de minister het koppelingsfonds uitbreiden tot deze categorie mishandelde vrouwen met een afhankelijke verblijfsvergunning? Deze vrouwen kunnen niet de straat op worden gestuurd en uitzetting is onverantwoord. Nederland heeft de morele plicht om voor een oplossing te zorgen in de vorm van huisvesting.

Ook de heer De Wit verwees naar de klachten van de gemeente Nijmegen en Den Bosch die geconfronteerd worden met grotere groepen mensen zonder opvang. Hij sloot zich aan bij de vraag of de bewindslieden vinden dat gemeentes op dat punt een tegemoetkoming moeten krijgen.

De heer Rouvoet (RPF/GPV) had er geen behoefte aan de discussie uit
1996 over de Koppelingswet over te doen. Zijn fractie concludeerde toen dat het een onsympathiek maar noodzakelijk element van het vreemdelingenbeleid was om illegalen uit te sluiten van collectieve voorzieningen. Hij had er ook geen behoefte aan om de toen moeizame maar integere afweging van zijn fractie open te breken door de toen vastgestelde uitzonderingen met nieuwe toevoegingen uit te breiden of in te perken. Bij de medische zorg ging het niet om verlening of toegankelijkheid, maar om de financiering en daarom stond in het wetsvoorstel de term acute noodsituatie. Een bezoek aan een Haagse wijk bracht hem tot een andere formulering die hij bij amendement indertijd heeft ingebracht. Het zwaartepunt van de argumentatie was dat de arts vanuit zijn professionele autonomie moet beoordelen of zorg medisch noodzakelijk is en dat dit een betere term is dan acute noodsituatie. De minister was het met de heer Rouvoet eens en de Kamer stemde vrijwel unaniem voor zijn amendement. Hij was er overigens verbaasd over dat de minister dit amendement naar zich toetrok tijdens een uitzending van Den Haag Vandaag met de opmerking dat zij altijd voor het begrip medisch noodzakelijke zorg heeft gepleit, waarna zij dat in het wetsvoorstel heeft ingebracht.

Op de motivatie van het amendement is toentertijd geen kritiek geleverd. Voor beide formuleringen, of het een acute noodsituatie betreft of medisch noodzakelijke zorg, geldt dat er geen reikwijdte is aangebracht aan het type zorg dat verleend wordt. Als er sprake is van medisch noodzakelijke zorg, maakt het niet veel uit of die door een huisarts, een ziekenhuis of een andere zorgverlener verleend wordt. Er moet zorg verleend worden en daar hoort een financiering bij.

Naar aanleiding van de vraag van mevrouw Halsema of ziekenhuizen in relatie gebracht moeten worden met het koppelingsfonds, vroeg de heer Rouvoet zich na lezing van de brief van de minister af of het hier nu om urgente problemen gaat die niet al gedekt worden door afspraken met de verzekeraars.

Wat is problematisch aan het toen afgesproken stelsel en is er gerede aanleiding op de besluitvorming van toen terug te komen? De minister stelt in haar brief dat er geen sprake is van een aanzuigende werking. Er is geen financieel probleem, er is sprake van onderuitputting van het koppelingsfonds. De heer Rouvoet onderstreepte de opmerking van de minister dat de Koppelingswet het probleem niet veroorzaakt heeft, maar het hooguit zichtbaar heeft gemaakt. Het gaat hierbij om medische zorg aan illegalen en om financiële compensatie.

De heer Kamp sprak over uitholling en het onderuit halen van de Koppelingswet. Medische noodzakelijke zorg moet verder worden uitgewerkt en het ontstaan van noodsituaties moet worden voorkomen. Is het de bedoeling van de heer Kamp, vroeg de heer Rouvoet, dat ook de preventie uit het koppelingsfonds betaald wordt? Het uitwerken van medisch noodzakelijke zorg is regelrecht in strijd met de motieven van de wetgever bij de keuze voor de professionele autonomie van de arts. Desgevraagd wees de heer Rouvoet naar het debat waarbij nadrukkelijk werd aangegeven dat de Koppelingswet geen verandering brengt in de toegankelijkheid van medische zorg.

De ongerustheid kan zijn veroorzaakt doordat men de woorden van de minister dat alle zorg medisch noodzakelijk is letterlijk vertaalt. Tijdens het debat is echter al gesteld dat bij alle typen zorg, zorgverlening medisch noodzakelijk kan zijn waarna deze voor financiering in aanmerking komt. Volgens de heer Kamp is de strekking van de Koppelingswet nog niet doorgedrongen tot de illegalen en de hulpverleners waardoor de onderuitputting van het koppelingsfonds wordt veroorzaakt. Als dit wel het geval is, zou er een toevloed van illegalen richting zorg ontstaan. De heer Rouvoet vond dit een bedenkelijke redenering. Als men in de gaten heeft wat willens en wetens in de wet is opgenomen, zou het hek van de dam zijn. De heer Kamp kan dit zo zeggen omdat hij ervan uitgaat dat met een onjuiste interpretatie van de Koppelingswet wordt gewerkt. Hij stelt namelijk dat door de uitleg van de minister en het koppelingsfonds van het begrip medisch noodzakelijke zorg, de Koppelingswet wordt uitgehold. Wat is de reactie van de heer Kamp als de heer Rouvoet hier tegenover stelt dat de interpretatie van de minister dezelfde is als die tijdens het debat van 1996 over de bepaling omtrent de financiering van verleende medisch noodzakelijke zorg? Desgevraagd verwees de heer Rouvoet naar de toelichting op zijn amendement. De professionele autonomie, zo bleek uit het debat, staat centraal. Het is mogelijk dat de VVD het toen verkeerd begrepen heeft, maar dat is onvoldoende reden om terug te komen op de toen gemaakte afspraken. De heer Rouvoet wees erop dat uit de Handelingen blijkt dat de minister en de Kamer het erover eens waren dat het uiteindelijk om de professionele autonomie van de arts gaat. Dat was de intentie van de wetgever bij aanvaarding van dit amendement.

Volgens de heer Rouvoet is er onvoldoende reden om met terugwerkende kracht dit amendement te ontkrachten door een nadere uitwerking, lees inperking van het begrip medisch noodzakelijke zorg, op te stellen via een richtlijn, laat staan om de wet te wijzigen. Wie meent dat het probleem is opgelost als men teruggaat naar de formulering omtrent acute noodsituaties, komt bedrogen uit. Ook dan zullen situaties waarin zorg voor financiering in aanmerking komt, zich zowel op het terrein van de eerste lijn als van de AWBZ kunnen bevinden. Wie dat niet wil, zal in de wet moeten opnemen dat bepaalde delen van verleende zorg voor rekening komen van de arts die gehandeld heeft volgens de morele code van zijn beroepsgroep en geweigerd heeft om iemand die is aangewezen op zorg in de kou te laten staan. Wie dat wil, moet de moed hebben, dat hardop te zeggen.

Antwoord van de regering

De staatssecretaris van Justitie wees erop dat vandaag de allereerste evaluatie van de Koppelingswet besproken wordt en dat het uitsluitend om de implementatie daarvan gaat. Daarom zijn de uitvoeringsorganisaties zijn hierbij betrokken. Bij de echte evaluatie kunnen hierbij andere hulpverleners worden betrokken. De beantwoording van vragen die deze implementatie te boven gaan, zullen moeten wachten op de werkelijke evaluatie.

Vragen die betrekking hebben op de diverse departementen, maar nu niet beantwoord kunnen worden, zal de staatssecretaris doorgeleiden naar deze departementen. Over het probleem met het voortgezet verblijf had de bewindsman al een notitie toegezegd. Na interdepartementaal overleg hierover, wordt de notitie naar de Kamer gezonden. Naar aanleiding van vragen over code 18 bij de GBA lichtte de staatsecretaris toe dat deze code aangeeft dat de vreemdeling in procedure is met betrekking tot zijn verblijfsrecht. Voor de uitvoerende diensten geeft dat een te weinig onderscheidend vermogen. Het probleem wordt aangepakt bij de nieuwe codes die gemaakt moeten worden door de nieuwe Vreemdelingenwet. De termijn van vier weken, na een verbroken relatie, zou te kort zijn. Volgens de staatssecretaris is dit in een beperkt aantal gevallen aan de orde. In de meeste gevallen loopt het verblijfsrecht echter niet af op het moment waarop de relatie verbroken wordt. Wel kan een probleem ontstaan bij de categorie mensen wier status van rechtswege vervalt bij het verbreken van de relatie. Omdat dit onder de oude wet valt, is dit een aflopend probleem, maar de bewindsman zegde toe het te bezien. Hij zal hierop in de notitie terugkomen.

De problematiek van de huisvesting zal hij naar zijn collega Remkes doorgeleiden. Slachtoffers van vrouwenhandel krijgen voor maximaal drie maanden een RVB-verstrekking. Dit is tegelijkertijd de maximale bedenktermijn. Hierbij is ervan uitgegaan dat in geval van aangifte onverwijld een verblijfsvergunning wordt verstrekt, waardoor betrokkene aansluitend aanspraak kan maken op bijstand. Toen bleek dat het verlenen van een verblijfsvergunning enige tijd in beslag kan nemen, is het COA schriftelijk door Justitie geïnstrueerd om de RVB-uitkering bij aangifte ook na de termijn van drie maanden voort te zetten totdat de aanspraak op de bijstandsuitkering is ontstaan.

Er zijn enige aanloopproblemen bij de uitvoeringsorganisaties, maar over het algemeen verloopt de implementatie goed. Het doel van de Koppelingswet is het ontmoedigen van verblijf door illegalen uit te sluiten van voorzieningen van de overheid. Controle is noodzakelijk op gevallen waarbij een beroep op collectieve voorzieningen wordt gedaan. Hierbij geldt wel de bekende uitzondering van onderwijs, rechtsbijstand en gezondheidszorg. De eerste stap is het document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt. De tweede stap betreft controle bij de GBA. De derde stap is dat bij de vreemdelingendiensten gecontroleerd wordt op vaststelling van het verblijfsrecht. Voor de uitvoeringsinstanties is het niet moeilijk om de verblijfstatus te achterhalen omdat dit bij de GBA kan worden gecontroleerd. Wanneer de gegevens van het document van de vreemdeling en van de GBA niet overeenkomen, komt men bij de vreemdelingendienst terecht.

Ingaande op een vraag naar eventuele sancties bij het ontbreken van een goede controle, wees de staatssecretaris op de organisatie van de sociale diensten. Deze moeten altijd verificatie plegen die van belang is voor het recht op bijstand. Dit gebeurt dus ook bij legaal verblijf. Blijft deze verificatie achterwege, dan kan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid besluiten om de rijksvergoeding voor de uitkering achterwege te laten. De bewindsman zal na overleg met de betrokken departementen nader reageren op de indertijd ingediende motie-Kamp over een registratiemeldpunt van illegalen. Volgens hem behoefde een actief uitzettingsbeleid niet te worden besproken in het kader van implementatie van de Koppelingswet.

Reagerend op de vragen over de bypasses beaamde de staatssecretaris dat het ontmoedigingsbeleid van de Koppelingswet tot schrijnende situaties kan leiden, hetgeen mede de bedoeling van de wet is geweest. Hierdoor ontstaat een spanningsveld tussen de doelstelling van de wet en de zorgplicht van de lagere overheden. In de wet wordt benadrukt dat de verantwoordelijkheid van de centrale overheid op een aantal punten ophoudt. De bewindsman voelde er niet voor om via de VNG voor de gemeentes een oplossing te zoeken, waarbij hij wees op de uitgangspunten van de Koppelingswet en de bevoegdheden van de gemeentes. Als gemeentes menen dat bepaalde zaken binnen hun zorgplicht passen, valt dat onder hun bevoegdheid. Het rijk zal bezien of die zorgplicht in strijd is met rijksregelingen. Gesprekken uit het verleden met gemeentes, hebben niet uitgewezen dat ze in strijd handelden met de Koppelingswet. Ook voert het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid controle uit op de reguliere bijstand. Er loopt nog een juridische procedure bij de Centrale raad voor beroep tegen de Koppelingswet over de kinderbijslag en over de bijstand. De Staat heeft daarbij het hoger beroep gewonnen en het vonnis ligt ter cassatie bij de Hoge Raad. Gevraagd is of in afwachting van cassatie gewacht kan worden met het toepassen van de wet, maar de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de uitvoeringsorganen moeten eenvoudigweg de wet uitvoeren. Daarom is het onmogelijk om contrair aan de wet, uitkeringen te verstrekken aan degenen die conform de Koppelingswet daarop geen recht hebben. Omdat de uitspraak vernietigd is, wordt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gedwongen, de wet uit te voeren. De vraag van de heer Dittrich over de voorlichting ten behoeve van knelpunten bij het onderwijs zal de bewindsman doorgeleiden. De vraag over het gebruik door illegalen van rechtsbijstand kan hij nu niet beantwoorden, mede omdat het niet bekend is of dit door de rechtshulpverleners wordt bijgehouden.

Tot slot zei de bewindsman dat hij geen voorstander is van het voorstel van mevrouw Halsema omtrent op te richten fondsen. Zijn uiteindelijke oordeel wilde hij opschorten tot de evaluatie van de wet.

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport was het eens met de opmerking dat de Koppelingswet geen verandering heeft veroorzaakt in de toegang tot medische zorg. Het ging erom, de toegang tot de collectieve financiering te blokkeren. De medisch noodzakelijke zorg stond in de bijdragen centraal. Zij betreurde het dat de brief van februari een misverstand heeft gewekt. De minister haalt daarin aan dat het koppelingsfonds medisch noodzakelijke zorg als financierbaar beoordeelt binnen het bredere kader van de zorg van de Ziekenfondswet en de AWBZ. Daarmee heeft zij echter niet gezegd dat, ongeacht de medische noodzakelijkheid, alle zorg binnen ziekenfonds- en AWBZ-verzekering ook voor verlening aan een illegaal zonder meer in aanmerking komt. Kennelijk was het verhaal rondom de medisch noodzakelijke zorg een ingewikkelde boodschap. De bewindsvrouw benadrukte dat het gaat om het onderscheid tussen het in financiële zin recht hebben op verstrekkingen van ziekenfonds en AWBZ en toegang tot medische zorg.

Wat is die medisch noodzakelijke zorg? De kern van het verhaal is en blijft dat dit aan de arts ter beoordeling is. Dit geldt dus voor alle typen zorg die in Nederland bekend en verzekerd zijn. Het koppelingsfonds hanteert verschillende criteria. In een van de jaarverslagen staat: de stichting koppelingsfonds gaat ervan uit dat er sprake is van medisch noodzakelijke zorg in de volgende omstandigheden: 1. Zorg verleend in geval of ter voorkoming van levensbedreiging. 2. Zorg verleend in geval of ter voorkoming van blijvend verlies van essentiële functies. 3. Zorg verleend in situaties waarbij zich gevaar voor derden voordoet (besmetting met tuberculose, psychische stoornissen gepaard gaan met agressief gedrag). 4. Zorg bij zwangerschap en rond de geboorte.

Dit zijn criteria waarop het koppelingsfonds de aanvragen toetst. De aanvragen worden niet zonder nadere specificatie zonder meer gehonoreerd. Van de aanvragen van de regionale netwerken via een regionale instelling, meestal de GGenGD, bij het koppelingsfonds wordt een kwart niet gehonoreerd. Dit kan te maken hebben met het type zorg dat men verwacht te gaan verlenen, maar het kan ook te maken hebben met de voorwaarde dat het voor de zorgverlener een onevenredig grote financiële belasting wordt. Voor instellingen worden criteria gehanteerd van 0,05% van het budget.

Wat medisch noodzakelijk is bepaalt de arts, maar bij het aanvragen van vergoedingen uit het koppelingsfonds worden dus bepaalde criteria gehanteerd. Preventie en GGZ-zorg vallen wel degelijk binnen de termen. Het vaccineren van kinderen en andere preventieve activiteiten, ook in het kader van voorkoming van overdracht van besmettelijke ziekten, worden door het koppelingsfonds gehonoreerd. Van het bedrag van 5 mln. dat voor 1999 was aangevraagd, was 2 mln. voor geestelijke gezondheidszorg bedoeld. Op voorhand is dit als zodanig door het koppelingsfonds aangegeven. Dit heeft er vooral mee te maken dat illegalen het psychisch zwaar kunnen hebben.

Er is een tussenevaluatie geweest, maar lang niet alles is nog bekend. Volgend jaar komt er een eindevaluatie en het Nederlands instituut voor eerstelijns zorg onderzoekt de stand van zaken bij de eerstelijns gezondheidszorg. Duidelijk is wel dat illegalen pas naar een arts gaan als daartoe dringend aanleiding is. De vrees om als illegaal een beroep op de gezondheidszorg te doen, is altijd aanwezig. De vraag om voorlichting voor illegalen is volgens de minister niet een taak van de overheid. De Johannes Wierstichting is typisch een organisatie die illegalen, die voorgelicht moeten worden, kan vinden. De bewindsvrouw zal hierover contact opnemen met het koppelingsfonds en deze stichting.

Men komt voor eenmalige contacten vaak bij de huisarts en soms bij de afdeling spoedeisende hulp bij ziekenhuizen. Het gaat dan vaak om ziekenhuizen in de binnenstad van de grote steden. Zwangeren met complicaties worden vaak doorgestuurd naar een academisch ziekenhuis. De zorg voor illegale patiënten komt bij de normale werklast. Over het algemeen zal die zorg sober zijn. Met name bij ziekenhuishulp, die vaak heel duur kan zijn, wordt zorgvuldig bekeken of het om medisch noodzakelijke zorg gaat. Op dat punt bestaat wel degelijk een drempel. Dit valt ook te lezen uit de bestede bedragen. De vrees dat er snel een situatie ontstaat waarbij een 0,5 mld. per jaar wordt uitgegeven aan gezondheidszorg voor illegalen achtte de minister volstrekt niet realistisch. De tendensen zijn eerder de andere kant op. Het fonds van
11 mln. wordt voor de helft besteed. De ziektekosten van de gemiddelde illegale bewoner bedragen ongeveer 20% ten opzichte van die van de gemiddelde legale bewoner. De bewindsvrouw meende dat dit percentage voorlopig hetzelfde blijft. Zij was het ermee eens dat preventie belangrijk is om te voorkomen dat men dringend noodzakelijke hulp moet zoeken. Er is dus geen sprake van een aanzuigende werking.
Uit de evaluatie blijkt dat de eerstelijnszorg bij de huisarts door illegalen vaak contant wordt betaald. Ook kleine ingrepen worden contant betaald. Inderdaad kunnen illegalen zich niet verzekeren bij sociale ziektekostenverzekeringen, maar ze kunnen zich wel particulier verzekeren.

Het koppelingsfonds functioneert nog niet helemaal volgens wens. Met name bij het veld is er onduidelijkheid. Het fonds brengt in april een nieuwe brochure met uitleg uit, speciaal voor de hulpverleners. Wellicht verdwijnt daarna de onderbesteding. De werkwijze van het fonds is nog niet bij alle hulpverleners voldoende bekend. Het fonds verstrekt financiële bijdragen aan regionale organisaties die aannemelijk moeten maken dat er financiële knelpunten zullen ontstaan bij de hulpverleners, gezien het aanbod van illegale patiënten. Het moet daarbij gaan om het verlenen van medisch noodzakelijke hulp aan onverzekerde illegalen.

Aan de vraag of het begrip medisch noodzakelijke zorg door de overheid kan worden omschreven, kan niet worden voldaan. De minister benadrukte dat moet worden vastgehouden aan de lijn die door het amendement van de heer Rouvoet in de wet is gekomen. Het gaat om medisch noodzakelijke zorg en er is maar een persoon aan wie het oordeel daarover kan worden overgelaten en dat is de hulpverlener.

De minister bood de heer Rouvoet haar verontschuldigingen aan voor haar tekst bij de uitzending van Den Haag Vandaag die toch de waarheid bevatte. Onbedoeld heeft ze met haar woorden dat ze het begrip medische zorg in de wet wilde brengen een tipje van de sluier van het kabinetsberaad opgelicht. De Kamer heeft echter via het amendement-Rouvoet dit begrip in de wet ondergebracht.

Ondanks krantenberichten over problemen bij ziekenhuizen, is alleen van het Medisch Centrum Haaglanden een dergelijk signaal ontvangen. De NVZ, de Nederlandse vereniging van ziekenhuizen, zal op verzoek een rapportage opstellen. Volgens de minister gaat het om relatief kleine bedragen. Als het ziekenhuis met bewijzen van pogingen tot inning met de zorgverzekeraar naar het CTG stapt zal het probleem erkend worden en dan weet men op voorhand dat de post dubieuze debiteuren vergoed zal worden. De zorgverzekeraar moet er dan wel van overtuigd zijn dat een bepaald ziekenhuis meer dan 0,05% van het budget het komende jaar kwijt zal raken aan zorg waar geen vergoeding tegenover staat. Het gaat hierbij dus niet alleen om illegalen, maar ook om zorg voor onverzekerde Nederlanders. Terzijde merkte de minister op dat vaak in het voorjaar de schrijvende pers en uitzendingen op TV veel aandacht besteden aan groepen in de gezondheidszorg die mededelen dat er geld te kort is, omdat iedereen weet dat het kabinet de komende weken de uitgavenruimte gaat verdelen. Daarbij wees zij ook op berichten over de forse reserves van ziekenhuizen. Zij wachtte vooreerst de feiten met spanning af.

De bewindsvrouw meende dat de ziekenhuizen geen toegang tot het koppelingsfonds dienen te krijgen, omdat er een regeling voor ziekenhuizen bestaat. Pas als de omvang van de kosten enorm toeneemt, moet naar een andere financieringswijze gezocht worden. De post dubieuze debiteuren volstaat vooralsnog. Het is de taak van de Inspectie zorgverleners of ziekenhuizen die zich systematisch onttrekken aan het verlenen van zorg aan illegalen erop te wijzen dat medisch noodzakelijke hulp verleend dient te worden.

Verschillende sprekers gaven wat de maatschappelijke opvang van mishandelde vrouwen betreft steun aan de opvatting dat dergelijke vrouwen opgevangen moeten worden. Illegalen hebben nauwelijks vooruitzicht op een vervolg na de opvang, hetgeen het ongewenst maakt om de opvang onvoorwaardelijk voor illegalen open te stellen. Het dient dus om noodsituaties bij mishandelde vrouwen en hun kinderen te gaan. De minister was er van overtuigd dat de gemeentes voldoende geld hebben voor specifieke uitkeringen voor maatschappelijke opvang en vrouwenopvang. Zij zegde echter toe dat zij dit punt binnenkort zal bespreken met de VNG en de Federatie opvang. Het resultaat hiervan zal zij aan de Kamer mededelen. Op voorhand voelde zij niet voor een aparte financieringsstroom. Als gemeentes kunnen aantonen dat zij met de reguliere financieringsstroom op dit punt problemen krijgen, wil de minister hiernaar kijken, maar de afgelopen jaren hebben ze veel extra geld gekregen.

De minister steunde de opvatting dat artsen geen opsporingsambtenaren zijn. Artsen mag niet gevraagd worden illegalen aan te brengen. Dit zou op illegalen een afschrikwekkend effect kunnen hebben en de bewindsvrouw is niet van zins daaraan mee te werken. Zij kon de opmerking dat chronische medische hulp de schijn wekt van legaliteit niet onderschrijven. Dit is echter een kwestie van opvatting; voor beide opvattingen bestaat geen bewijs.

Nadere gedachtewisseling

Mevrouw Albayrak (PvdA) benadrukte dat de overheid verantwoordelijk voor haar handelen is. Bij de witte illegalen werd een objectieve schijn van legaliteit gecreëerd. Subjectieve schijn van legaliteit is geheel iets anders. Aan chronische medische zorg kan de overheid zich niet gebonden voelen. Hierdoor ontstaat geen recht op verblijf in Nederland en kan ook geen schijnlegaliteit ontstaan. Het onthouden van dit soort hulp komt volgens haar neer op een reële bedreiging voor de gehele samenleving.

De heer Kamp (VVD) was blij met de opmerking dat niet alle zorg die onder de Ziekenfondswet en de AWBZ valt financierbaar is, hoewel dit niet overeenstemt met de brief aan de Kamer. Daarin staat dat het koppelingsfonds bij het beoordelen van aanvragen vrijwel alle zorg als medisch noodzakelijk beschouwt. Dit illustreert de zeer ruime interpretatie van het begrip medische noodzakelijke zorg. Er wordt opgetreden, indien het vermoeden bestaat dat een ziekenhuis zich afsluit voor zorgvragen van illegalen. Het is uiteraard ondenkbaar dat de Inspectie een arts zal corrigeren voor het verlenen van medische zorg aan een illegaal.

De heer Kamp wees erop dat wel degelijk de indruk wordt gewekt dat vrijwel alle zorg voor illegalen toegankelijk is. Om de verschillen van inzicht hierover op te heffen, vroeg hij om een nieuwe brief van de minister waarin duidelijk wordt gemaakt welke zorg wel en niet onder de regeling valt. Hij kondigde tot slot aan dat hij om een vervolgoverleg zal vragen waarin hij zijn nadere conclusies naar voren kan brengen.

De heer Wijn (CDA) had van de staatssecretaris begrepen dat er geen bypasses meer bestaan die in strijd zijn met de Koppelingswet. Hij sloot zich aan bij de heer Kamp die opmerkte dat de brief van minister Borst sommigen op andere gedachten heeft gebracht. Een kwart van de aanvragen bij het koppelingsfonds is volgens de minister afgewezen maar in haar brief wordt staat hierover niets. De zinsnede "het feit dat vrijwel alle zorg als medisch noodzakelijke zorg wordt beschouwd" suggereerde volgens hem dat vrijwel alle zorg door het koppelingsfonds wordt betaald. Hij concludeerde dat de brief te weinig informatie verschafte. Artsen dienen in verband met financiële risico's goed te worden ingelicht over de criteria en de intenties van de Koppelingswet. Hij verzocht de minister bij de volgende evaluatie een systematische inventarisatie te verstrekken van het soort zorg dat wordt vergoed.

De heer Dittrich (D66) merkte op het vervelend te vinden dat de staatssecretaris het door hem gevraagde gesprek met de gemeentes niet wil voeren en benadrukte dat deze gemeentes geconfronteerd worden met gevolgen van het rijksbeleid. Zijn fractie wil dit punt op een ander moment verder bespreken.

Mevrouw Halsema (GroenLinks) was blij met de toezegging van de staatssecretaris dat hij ook andere organisaties bij de echte evaluatie zal betrekken. Wanneer komt deze evaluatie en om welke organisaties gaat het? De opmerking van de staatssecretaris dat de wet mede de bedoeling heeft gehad, schrijnende gevallen te veroorzaken en over de verantwoordelijkheid van de gemeentes die een eigen zorgplicht hebben, had haar geschokt. Een kenmerk van collegiaal bestuur is volgens haar dat de zorgplicht van gemeentes gefacilieerd wordt door het rijk. Wil de staatssecretaris dit punt nadrukkelijk bij de echte evaluatie betrekken? Is, in verband met de opmerking over het ziektekostenpercentage van 20 voor illegalen, de indruk juist dat een illegaal minder vaak ziek is of dat 80% van de ziektekosten medisch niet noodzakelijk is?

De heer De Wit (SP) sloot zich aan bij de opmerking over de onduidelijke positie van de gemeentes. Wanneer het terugkeerbeleid wordt geëffectueerd, zal het probleem voor de gemeentes groter worden. Ook hij vernam graag van de minister wat voor zorg er voor illegalen in de AWBZ en het Ziekenfonds zit. Het TNO-rapport spreekt in verband met de financiering via de dubieuze debiteuren over een groot probleem. Van de verwijzingen wordt 50% niet gerealiseerd en de eerstelijns hulpverlener moet het pad effenen voor de tweede lijn. Wil de minister dit punt nogmaals bekijken?

De heer Rouvoet (RPF/GPV) constateerde dat er geen onduidelijkheid is over de vraag wat medisch noodzakelijke zorg betekent in het kader van de Koppelingswet. Kan inzage worden verschaft in de jaarverslagen van het koppelingsfonds? Hoe staat het bedrag van 2 mln. voor de GGZ in relatie tot de genoemde criteria?

De staatssecretaris weersprak dat hij gezegd zou hebben dat er geen bypasses meer zijn. Hij kan natuurlijk niet garanderen dat er geen bypasses meer zijn, maar als hij ze op het spoor komt, bespreekt hij die situatie met de gemeente. De wet stelt criteria en grenzen ten behoeve van zorgverlening aan illegalen. Het ligt op het terrein van de gemeentes, als zij vanuit hun zorgplicht menen op dat punt activiteiten te moeten ontplooien, dat dan ook te doen. De bewindsman voelde zich niet geroepen om op het punt van die gemeentelijke zorgplicht een initiatief te nemen. Hij wilde de indruk wegnemen dat het de bedoeling van de Koppelingswet zou zijn schrijnende gevallen te creëren. Wel beaamde hij dat uitvoering van deze wet schrijnende gevallen met zich kan brengen, omdat illegaliteit ontmoedigd wordt doordat bepaalde voorzieningen niet verstrekt worden.

De minister betreurde het dat er een misverstand over de brief is ontstaan. De brief is vooral geschreven naar aanleiding van het TNO-onderzoek naar de vraag of zorg voor illegalen voldoende toegankelijk is. Zij zegde graag een brief toe waarin zij een en ander duidelijk uiteen zet. Hierbij kunnen de beschikbare jaarverslagen worden gevoegd. Tevens zal in de brief de vraag wat voor zorg er voor illegalen in de AWBZ en het Ziekenfonds zit worden beantwoord. Bij het genoemde percentage van 20, dient in ogenschouw te worden genomen dat de grootste groep, naast vrouwen en kinderen, uit jonge mannen bestaat. Uit de kostencurve van ingezetenen blijkt dat men in het begin van zijn leven en op volwassen leeftijd weinig kost. Bij het ouder worden loopt de curve stijl op. Het gemiddelde bedrag van f
4.800 zal veel hoger uitvallen op het moment waarop Nederland met hoog bejaarde illegalen te maken krijgt. De vertaling van het percentage van 20 mag dus niet luiden dat men 80% te kort komt. Wel is het duidelijk dat illegalen terughoudend zijn bij het vragen om zorg. De minister wachtte nog op de rapportage van de NVZ over de tweedelijns problematiek. In reactie op de vraag over de GGZ verwees de minister naar het door haar genoemde criterium van het koppelingsfonds over het gevaar voor derden dat zich kan voordoen bij psychische stoornissen. Verder is sprake van zorg ter voorkoming van levensbedreiging, hetgeen slaat op zwaar depressieve mensen die suïcidaal zijn. De besteding van de voor 1999 aangevraagde bedragen is nog niet bekend.
De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

Van Heemst

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Essers

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Terpstra

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

Van der Hoeven

De voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Reitsma

De griffier van de vaste commissie voor Justitie,

Pe


1 Samenstelling:

Leden: Swildens-Rozendaal (PvdA), Van de Camp (CDA), Biesheuvel (CDA), Scheltema-de Nie (D66), Zijlstra (PvdA), Kalsbeek (PvdA), Apostolou (PvdA), Middel (PvdA), Van Heemst (PvdA), voorzitter, Rouvoet (RPF/GPV), Rabbae (GroenLinks), Van Oven (PvdA), Dittrich (D66), ondervoorzitter, O.P.G. Vos (VVD), Van Wijmen (CDA), De Wit (SP), Weekers (VVD), Wijn (CDA), Van der Staaij (SGP), Ross-van Dorp (CDA), Patijn (VVD), Niederer (VVD), Nicolaï (VVD), Halsema (GroenLinks), Brood (VVD)

Plv. leden: Wagenaar (PvdA), Balkenende (CDA), Verhagen (CDA), Van Vliet (D66), Duijkers (PvdA), Arib (PvdA), Kuijper (PvdA), Albayrak (PvdA), Barth (PvdA), Schutte (RPF/GPV), Karimi (GroenLinks), Santi (PvdA), Hoekema (D66), Van den Doel (VVD), Rietkerk (CDA), Marijnissen (SP), De Vries (VVD), Eurlings (CDA), Van Walsem (D66), Buijs (CDA), Rijpstra (VVD), Van Baalen (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Kamp (VVD)


2 Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Swildens-Rozendaal (PvdA), ondervoorzitter, Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Rouvoet (RPF/GPV), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Oudkerk (PvdA), Rijpstra (VVD), Lambrechts (D66), Essers (VVD), voorzitter, Dankers (CDA), Van Vliet (D66), Van Blerck-Woerdman (VVD), Passtoors (VVD), Eisses-Timmerman (CDA), Spoelman (PvdA), Hermann (GroenLinks), Kant (SP), Gortzak (PvdA) Buijs (CDA), E. Meijer (VVD), Van der Hoek (PvdA), Blok (VVD), Arib (PvdA), Atsma (CDA)

Plv. leden: Van 't Riet (D66), Rehwinkel (PvdA), Eurlings (CDA), Apostolou (PvdA), Schutte (RPF/GPV), Van Gent (GroenLinks), Noorman-den Uyl (PvdA), Weekers (VVD), Ravestein (D66), Örgü (VVD), Van de Camp (CDA), Schimmel (D66), Terpstra (VVD), Udo (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Smits (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Marijnissen (SP), Belinfante (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), O.P.G. Vos (VVD), Hamer (PvdA), Cherribi (VVD), Duijkers (PvdA), Th.A.M. Meijer (CDA)


3 Samenstelling:

Leden: Terpstra (VVD), voorzitter, Biesheuvel (CDA), Schimmel (D66), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Kalsbeek (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter, Kamp (VVD), Essers (VVD), Van Dijke (RPF/GPV), Bakker (D66), Visser-van Doorn (CDA), De Wit (SP), Verburg (CDA), Smits (PvdA), Spoelman (PvdA), Van der Staaij (SGP), Örgü (VVD), Harrewijn (GroenLinks), Van Gent (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Balkenende (CDA), Wilders (VVD), Santi (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD)

Plv. leden: E. Meijer (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Giskes (D66), Van der Hoek (PvdA), Dankers (CDA), Hamer (PvdA), Kortram (PvdA), Blok (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Van Middelkoop (RPF/GPV), Van Vliet (D66), Stroeken (CDA), Marijnissen (SP), Eisses-Timmerman (CDA), Schoenmakers (PvdA), Middel (PvdA), Van Walsem (D66), Weekers (VVD), Vendrik (GroenLinks), Rosenmöller (GroenLinks), Wagenaar (PvdA), Mosterd (CDA), De Vries (VVD), Oudkerk (PvdA), Klein Molekamp (VVD)


4 Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Schutte (RPF/GPV), Van de Camp (CDA), Van der Hoeven (CDA), voorzitter, De Vries (VVD), Van Zuijlen (PvdA), Rabbae (GroenLinks), Lambrechts (D66), Dittrich (D66), Cornielje (VVD), Dijksma (PvdA), Cherribi (VVD), Rehwinkel (PvdA), ondervoorzitter, Passtoors (VVD), Wijn (CDA), Ross-van Dorp (CDA), Örgü (VVD), Nicolaï (VVD), Kortram (PvdA), Halsema (GroenLinks), Eurlings (CDA), Belinfante (PvdA), Van Bommel (SP), Barth (PvdA), Hamer (PvdA)

Plv. leden: Schimmel (D66), Stellingwerf (RPF/GPV), Mosterd (CDA), Atsma (CDA), Van Baalen (VVD), De Cloe (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Bakker (D66), Ravestein (D66), E. Meijer (VVD), Valk (PvdA), Udo (VVD), Van der Hoek (PvdA), Blok (VVD), Verhagen (CDA), Schreijer-Pierik (CDA), Rijpstra (VVD), Brood (VVD), Middel (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Visser-van Doorn (CDA), Gortzak (PvdA), Poppe (SP), Arib (PvdA), Spoelman (PvdA)

Samenstelling:

Leden: Reitsma (CDA), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Van Middelkoop (RPF/GPV), Feenstra (PvdA), Verbugt (VVD), Poppe (SP), Duivesteijn (PvdA), Crone (PvdA), Augusteijn-Esser (D66), Klein Molekamp (VVD), Hofstra (VVD), ondervoorzitter, Eisses-Timmerman (CDA), Th.A.M. Meijer (CDA), Luchtenveld (VVD), Van Wijmen (CDA), Van der Steenhoven (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), Ravestein (D66), Oplaat (VVD), Kortram (PvdA), Van der Knaap (CDA), Van Gent (GroenLinks), Udo (VVD), Waalkens (PvdA), Schoenmakers (PvdA)

Plv. leden: Leers (CDA), Dijksma (PvdA), Stellingwerf (RPF/GPV), Valk (PvdA), Essers (VVD), De Wit (SP), Van Heemst (PvdA), De Boer (PvdA), Scheltema-de Nie (D66), Van Beek (VVD), Geluk (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Schreijer-Pierik (CDA), Blok (VVD), Biesheuvel (CDA), M.B. Vos (GroenLinks), Van 't Riet (D66), Giskes (D66), Niederer (VVD), Van den Akker (CDA), Halsema (GroenLinks), Snijder-Hazelhoff (VVD), Hindriks (PvdA), Spoelman (PvdA)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie