Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Tweede Nationale Studie in de huisartspraktijk gestart

Datum nieuwsfeit: 04-04-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
NIVEL persbericht 4 april 2000

TWEEDE NATIONALE STUDIE IN DE HUISARTSPRAKTIJK GESTART

Deze week is de "Tweede Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk" van het NIVEL van start gegaan. In deze studie worden actuele gegevens verzameld om het toekomstig beleid ten aanzien van de huisartsenzorg in Nederland voor te bereiden en te onderbouwen. In 100 huisartspraktijken vindt, gedurende één jaar, een uitgebreide gegevensverzameling plaats waarin de gezondheid en behoeften van de patiënten en het dagelijkse werk van de huisarts uitvoerig aan bod komen. De hoofdfinancier van de studie is het Ministerie van VWS (ZorgOnderzoek Nederland).

Relevantie van de studie
Huisartsen staan momenteel in het middelpunt van de belangstelling. Hun werkdruk neemt toe door een groeiende vraag naar huisartsenzorg en de invoering van verschillende beleidsmaatregelen die het dagelijkse werk aanzienlijk hebben veranderd. Dit kan consequenties hebben voor de kwaliteit van zorg die wordt geleverd. Er zijn dan ook een aantal concrete maatregelen genomen om de problemen op te lossen zoals het beschikbaar stellen van praktijkondersteuning en het uitbreiden van de opleidingsplaatsen voor huisartsen.

Om de centrale positie en rol van de huisarts in het Nederlandse gezondheidszorgsysteem te behouden is een lange-termijn visie op de huisartsenzorg nodig, gevolgd door beleid van de overheid en de beroepsgroep. Dit moet worden onderbouwd door feitelijke en betrouwbare informatie over de huisartsenzorg. De Tweede Nationale Studie zal in deze behoefte voorzien.

Omvang van de tweede Nationale Studie
In 100 huisartspraktijken, verdeeld over heel Nederland, nemen ruim 200 huisartsen aan de studie deel. Zij zullen gedurende 1 jaar met behulp van hun computer gegevens registreren over ca. 2 miljoen contacten met hun patiënten. Daarnaast worden gegevens verzameld bij alle plm. 400.000 personen die in de deelnemende praktijken staan ingeschreven. Voor de bescherming van de privacy is een privacy-reglement van kracht dat is gedeponeerd bij de Registratiekamer.

De tweede Nationale Studie kost 18 miljoen gulden. De financiering is in handen van het ministerie van VWS (o.a. via ZorgOnderzoek Nederland, RIVM en de Inspectie voor de Gezondheidszorg), ziektekostenverzekeraars en de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV).

Onderzoeksthema's en gegevensverzameling
De studie richt zich op vijf centrale onderzoeksthema's:
* gezondheid en ziekte in de bevolking: welke gezondheidsproblemen ervaren mensen en welke daarvan worden aan de huisarts gepresenteerd?

* verschillen in gezondheid en toegankelijkheid van de zorg: krijgt iedereen de zorg die hij/zij nodig heeft?

* gebruik van gezondheidszorgvoorzieningen en afstemming van zorg: welke behandelingen voert de huisarts uit, welke patiënten worden naar de specialist verwezen?

* kwaliteit van de huisartsenzorg: hoe is de kwaliteit van de huisartsenzorg in vergelijking met de richtlijnen voor optimale zorg van het Nederlands Huisartsen Genootschap, hoe tevreden zijn de patiënten?

* organisatie van de huisartsenzorg en de werkbelasting van huisartsen: hoe is de praktijkvoering georganiseerd, welke taken worden door huisartsen gedelegeerd aan de praktijkassistente of praktijkondersteuners?

Tevens worden de gegevens gebruikt voor een groot aantal deelonderzoeken en publicaties zoals de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2002 van het RIVM.

Eerste Nationale Studie in 1987/1988
In 1987-1988 vond de eerste Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk plaats. Deze studie leverde een schat aan informatie op die gebruikt is bij het beleid t.a.v. de huisartsgeneeskunde (de honorering van huisartsen in zogenaamde achterstandsgebieden, de werkbelasting van huisartsen), bij de beleidsvoorbereiding (Volkgezondheid Toekomst Verkenningen 1993 en 1997 van het RIVM, rapport van de commissie Biesheuvel) en in wetenschappelijke publicaties en proefschriften. De gegevens worden tot heden gebruikt als nationale referentie-informatie over de huisartsgeneeskunde. Een tweede studie is van groot belang om de informatie uit 1987-1988 actueel te maken. Door de vergelijkbare opzet van de tweede Nationale Studie zal het mogelijk zijn om op veel punten vergelijkingen te maken tussen de periode 2000/2001 en 1987/1988, toen bijvoorbeeld de automatisering van de huisartspraktijk en het kwaliteitsbeleid van de beroepsgroep nog in de kinderschoenen stond.
Nationale samenwerking
De studie wordt uitgevoerd door het NIVEL, het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg. Daarbij wordt samengewerkt met de beroepsorganisaties NHG en LHV en een groot aantal onderzoeksgroepen, waaronder LINH (Landelijk Netwerk Informatie Huisartsenzorg), de Werkgroep Onderzoek Kwaliteit en de universitaire vakgroepen Huisartsgeneeskunde.

Meer informatie
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met dr. F.G. Schellevis of dr. G.P. Westert, projectleiders van de tweede Nationale Studie, NIVEL, tel. 030 - 2729 724 of 2729 670 of op de Internet-website: www.nivel.nl/nationalestudie


-balk.gif (1076 bytes)



25 januari 2000

Steeds meer Apotheek Service Punten in Nederlandse ziekenhuizen

In 1995 was in acht Nederlandse ziekenhuizen een Apotheek Service Punt gevestigd. In 1999 is dat aantal verviervoudigd. Van de ziekenhuizen zonder zo'n voorziening heeft één op de drie concrete plannen om een servicepunt op te zetten. Apotheek Service Punten verbeteren de overdracht van informatie omtrent geneesmiddelen bij opname in en ontslag uit het ziekenhuis. De aanwezigheid van een servicepunt beperkt de kans op problemen met de farmaceutische zorg. Dit blijkt uit een onderzoek dat het NIVEL, het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg, heeft uitgevoerd in opdracht van de Stichting Bedrijfsfonds Apotheken (SBA).

Bij opname in en ontslag uit het ziekenhuis kunnen knelpunten ontstaan bij de farmaceutische zorg. Het ziekenhuis beschikt vaak niet over voldoende informatie over het geneesmiddelengebruik van de patiënt. Tijdens het verblijf in het ziekenhuis kan dat gebruik worden aangepast en de huisarts krijgt deze veranderingen vaak niet of niet op tijd te horen. Daarnaast wordt de openbare apotheek zelden betrokken bij de nazorg en weet vaak niet eens dat er een opname is geweest. Dit kan ertoe leiden dat geneesmiddelen niet op tijd beschikbaar zijn na ontslag uit het ziekenhuis.

De huidige 33 Apotheek Service Punten vormen de verbinding tussen het ziekenhuis en de openbare apotheek. Ze bevorderen de communicatie tussen medisch specialisten en openbare apotheken en verbeteren de service aan de patiënten. Er zijn minder problemen en onduidelijkheden omtrent de geneesmiddelen die een patiënt na een ziekenhuisopname moet blijven gebruiken.

In sommige gevallen wordt voor opname van een patiënt de medicatiehistorie opgevraagd bij de openbare apotheek. In de meeste gevallen maakt de medewerker van het Apotheek Service Punt, één of twee dagen voor het ontslag, een computeruitdraai met daarop de geneesmiddelen die de patiënt gebruikt. De medisch specialist beoordeelt hierna welke medicatie ook na het ontslag voortgezet moet worden. De apothekersassistent van het Apotheek Service Punt controleert het recept en informeert hoe de patiënt de medicijnen geleverd wil hebben. Vervolgens stuurt de apothekersassistent het recept door naar de openbare apotheek, die verantwoordelijk is voor de juiste aflevering. Een aantal servicepunten verstuurt een afschrift van het recept naar de huisarts van de desbetreffende patiënt.

De informatie-overdracht vindt meestal plaats via faxen en soms via email.

Hoewel de meeste Apotheek Service Punten in ziekenhuizen gevestigd zijn, spelen de openbare apothekers een belangrijke rol bij de financiering van de loonkosten. De ziekenhuizen dragen in de meeste gevallen de materiële kosten.

Meer informatie bij: dr. J.Hutten, onderzoeker, tel. 030 - 27 29 653, email: (j.hutten@nivel.nl)


-balk.gif (1076 bytes)



17 januari 2000

NIVEL ontvangt IS0-9001 certificaat

Deze week is aan het NIVEL (Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg) een ISO-9001 certificaat uitgereikt. Dit certificaat heeft betrekking op de kerntaak van het NIVEL: het verrichten van wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de gezondheidszorg. De feestelijke uitreiking vormt de bekroning van een intensief proces waarin alle procedures rond de kwaliteitswaarborging van het onderzoek voor de buitenwereld inzichtelijk en toetsbaar zijn gemaakt.

De motivering om een ISO-certificaat te verwerven komt rechtstreeks voort uit de werkzaamheden die het NIVEL in de gezondheidszorg uitvoert. Al jarenlang is onderzoek naar de kwaliteit van de gezondheidszorg een van de speerpunten van het NIVEL-werkprogramma. Zo wordt bijvoorbeeld ten behoeve van de komende Leidschendamconferentie (24 en 25 mei 2000) per sector van de gezondheidszorg een overzicht gemaakt van de huidige stand van zaken in de kwaliteitswaarborging. Op een gegeven moment realiseerde het NIVEL zich dat het eigenlijk merkwaardig is als een onderzoeksinstituut uitspraken doet over de mate waarin gezondheidszorginstellingen zich onderwerpen aan externe kwaliteitstoetsing, wanneer het zelf niet kan laten zien dat de eigen kwaliteitsborging goed in orde is. Natuurlijk neemt het NIVEL al deel aan de gebruikelijke kwaliteitstoetsing in de wetenschappelijke wereld, bijvoorbeeld door deel te nemen in visitaties die door de KNAW worden uitgevoerd, maar dat is een beperkte toetsing. In aanvulling hierop maakt het ISO-certificaat nu duidelijk dat ook de waarborging van de kwaliteit van het onderzoeksproces zelf goed is geregeld. Hierdoor hebben de vele opdrachtgevers van het NIVEL, maar ook degenen die door het NIVEL worden onderzocht de garantie dat het onderzoek bij het NIVEL in goede handen is.

De toekenning van het certificaat ISO 9001 maakt ook zichtbaar dat het NIVEL niet alleen zijn standaardprocedures goed op orde heeft (dat wordt geregeld via het ISO 9002 certificaat), maar daarboven ook systematisch werkt aan innovatie in het onderzoeksproces. In dat opzicht was het moment van uitreiking van het certificaat door Certiked (het certificatie-instituut voor de kennisintensieve dienstverlening) goed gekozen. Deze week trok het gehele instituut zich terug om gezamenlijk te werken aan de uitdagingen van de nieuwe eeuw. Voor het NIVEL betekent dat de verdere ontwikkeling naar een kenniscentrum voor de gehele gezondheidszorg, gebruik makend van nieuwe media als internet.

Informatie: Mw Prof. dr. J. Bensing, tel. 030 - 27 29 700, email: (j.bensing@nivel.nl)


-balk.gif (1076 bytes)



20 december 1999

Cijfers uit de huisartspraktijk
VOORSCHRIJVEN VAN OESTROGENEN DOOR DE HUISARTS BLIJFT BEPERKT
Nederlandse huisartsen zijn terughoudend met het voorschrijven van oestrogenen aan vrouwen rond de overgang. Ondanks de toegenomen druk, onder andere door de aandacht in de massamedia, om deze middelen vaker voor te schrijven is er de afgelopen jaren echter een dalende tendens waarneembaar. In 1998 werd bij 28 van de 10.000 vrouwen tussen 40 en 60 jaar voor de eerste maal oestrogeen door de huisarts voorgeschreven. In 1996 was dit nog 88. Er zijn echter sterke regionale verschillen. Huisartsen in de oostelijke provincies (Overijssel, Gelderland, Flevoland) schreven drie keer zo vaak oestrogeen voor dan hun collega's in de drie noordelijke provincies (Friesland, Groningen, Drenthe).

Verder blijkt dat de therapie vooral wordt gestart in verband met klachten die zich tijdens en kort na de overgang voordoen. Het meest wordt deze behandeling begonnen bij vrouwen tussen 45 en 55 jaar. Het aantal neemt snel af vanaf 55 jaar. Dit wijst erop dat de vaak hevige pleidooien voor het voorschrijven van hormoon suppletie ter preventie van osteoporose geen ingang hebben gevonden in de Nederlandse huisartspraktijk. Dit blijkt uit het jaarverslag 1998 van de Peilstations Nederland.

De Continue Morbiditeitsregistratie Peilstations Nederland is een landelijk netwerk van huisartspraktijken. De registratie wordt beheerd door het NIVEL, het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg. Iedere week melden de deelnemende huisartsen het voorkomen van bepaalde ziektebeelden en gebeurtenissen in hun praktijk. Samen bestrijken ze een representatieve selectie van één procent van de Nederlandse bevolking.

Kinkhoest steekt in 1998 de kop weer op
Hoewel meer dan 90% van de Nederlandse bevolking wordt ingeënt tegen kinkhoest, is de ziekte in de loop van de jaren negentig enkele periodes opnieuw opgedoken. De cijfers uit de Peilstations laten zien dat daar in het laatste kwartaal van 1998 ook sprake van is geweest. Toen werden er 4 gevallen per 10.000 inwoners gemeld. Verder blijkt dat er grote regionale verschillen in Nederland zijn. In de zuidelijke provincies (Zeeland, Noord-Brabant en Limburg) zijn in 1998 12 kinkhoest-gevallen per 10.000 geregistreerd. In de andere provincies lag dit aantal 3 tot 6 keer lager.

Griep houdt langer aan
Vorige seizoen hebben meer dan 370.000 mensen vanwege griep contact gehad met de huisarts. Daarmee is 1998 een gemiddeld "griep-jaar" te noemen. In 1996 waren dat er slechts 180.000 (dus de helft), terwijl in het topjaar 1993 meer dan 700.000 (dus ruim twee keer zoveel) ziektegevallen door de huisarts zijn geregistreerd.
Opvallend is wel dat er vorig jaar sprake was van twee elkaar opvolgende griepgolven, waardoor de griep-periode veel langer aanhield dan gebruikelijk is.

Aantal mensen met "maag- en darmklachten" stijgt licht Gastro-enteritis is een aandoening die in Nederland zeer regelmatig voorkomt en bijdraagt tot een aanzienlijke zorgbelasting van de huisartsenzorg. 'Buikgriep' kan in epidemieën voorkomen, vooral als virussen de oorzaak zijn. Het aantal meldingen in 1998 is licht gestegen in vergelijking met eerder jaren: 65 nieuwe ziektegevallen per 10.000 inwoners. Vooral in de grote steden is er een duidelijke stijging waarneembaar: van 59 in 1996 tot 98 in 1998. Opmerkelijk is dat er in de zuidelijke provincies vanaf 1992 een duidelijke daling is te zien, terwijl dit in andere regio=s niet optreedt.

Lichte daling suïcide(poging)
In tegenstelling tot wat door sommigen wordt vermoed, heeft zich in 1998 een lichte daling voorgedaan van het aantal geregistreerde (pogingen tot) zelfmoord: van 6 naar 5 meldingen per 10.000 inwoners. De meeste suïcidepogingen vinden nog steeds plaats in de grote steden.
Stijging geweld slachtoffers bij de huisarts zet niet door In 1997 was er een sterke stijging te constateren van het aantal slachtoffers van zogenaamd eenzijdig fysiek geweld dat door de deelnemende huisartsen werd geregistreerd. Het betreft hier handelingen waarbij tegen de wil van de ander inbreuk wordt gemaakt op zijn/haar fysieke integriteit en/of pijn of letsel wordt toegebracht. Vechtpartijen waarbij meerdere mensen betrokken zijn worden niet meegenomen. In 1998 heeft deze trend zich echter niet doorgezet. Het aantal slachtoffers dat de huisarts bezocht daalde zelfs licht ten opzichte van 1997: van 9 naar 8 per 10.000 inwoners.

Vrouwen zijn vaker slachtoffer van fysiek geweld dan mannen. In 85% van de gemelde gevallen was de dader een man. Verder is opmerkelijk dat vrouwen in 65% van de gevallen de dader kende, terwijl mannen in meerderheid (ook 65%) het slachtoffer waren van onbekenden.

Verzoeken om euthanasie gelijk gebleven
In 1998 zijn de Peilstationartsen 49 keer geconfronteerd met een verzoek om euthanasie toe te passen. Dit is gelijk aan het aantal in het jaar daarvoor.

De meeste patiënten werden thuis verzorgd. In een meerderheid van de gevallen (82%) hadden de mensen kanker. Het verzoek kwam bijna uitsluitend van de patiënt zelf. Meestal was er een schriftelijke euthanasie verklaring beschikbaar. De verzoeken werden het meest geregistreerd in de westelijke provincies en in de grote steden.

Behalve over deze onderwerpen zijn in het jaarverslag cijfers opgenomen over: het maken van een uitstrijkje, mammografie, sterilisaties, hondenbeten, Herpes Zoster (gordelroos), Seksueel-Overdraagbare Aandoeningen (SOA), angst voor AIDS, prostaatlijden en eetstoornissen.

Continue Morbiditeitsregistratie Peilstations Nederland. Jaarverslag 1998. Utrecht, NIVEL, 1999.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met dr. A. Bartelds (tel. 030 - 2729634), email: (a.bartelds@nivel.nl)


-balk.gif (1076 bytes)



20 december 1999

VERLOSKUNDIGEN IN DE KNEL

De verloskundigen in ons land worden in toenemende mate geconfronteerd met knelpunten in hun dagelijkse beroepsuitoefening, zoals een onevenwichtige balans tussen werk en privé, het tekort aan waarnemers, te lage praktijkinkomsten en onvoldoende ondersteuning door de kraamzorg.

Dit blijkt uit een onderzoek van het NIVEL, het Nederlands Instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg, dat werd uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS. Hiertoe werden telefonische interviews afgenomen bij bijna 200 werkzame verloskundigen.

In Nederland werken circa 1500 verloskundigen. Uit deze groep werden ten behoeve van het onderzoek telefonische interviews gehouden onder een steekproef van 200 verloskundigen verdeeld over drie groepen: vrijgevestigde verloskundigen, waarnemers en pas-afgestudeerde verloskundigen. In deze interviews werd gevraagd naar mogelijke knelpunten in de beroepsuitoefening. Een knelpunt dat veelvuldig werd genoemd is de onevenwichtige balans tussen werk en privé. Dat geldt met name voor de wat oudere verloskundigen. Men moet veel meer uren werken dan men eigenlijk zou willen. Verder worden met name de vrijgevestigde verloskundigen geconfronteerd met problemen op het personele vlak. Men kan geen waarnemers krijgen, terwijl het vinden van een opvolger of een extra maatschapslid vaak niet gerealiseerd kan worden. Ook op het financiële vlak worden knelpunten ervaren. Dit geldt met name voor de verloskundigen die net een praktijk zijn gestart. De hoeveelheid werk staat niet in relatie tot de honorering, waarbij sprake is van een toename in het extra werk als gevolg van automatisering, administratie en overleg met andere beroepsgroepen en instanties, waar meestal geen vergoeding tegenover staat. Tot slot worden verloskundigen steeds vaker met het probleem opgezadeld dat er grote tekorten zijn in de kraamzorg. Dit betekent dat men extra zorgtaken krijgt die niet tot hun eigenlijke takenpakket behoren.

Uit het onderzoek blijkt dat de verloskundigen een grote kans hebben verzeild te raken in een vicieuze cirkel van knelpunten. Naast een toenemend aantal cliënten is er sprake van een toename in de hoeveelheid extra werk, waardoor er meer uren gemaakt moeten worden die niet gehonoreerd worden. Extra handen in de vorm van een waarnemer of een extra "maat" is een luxe die men zich veelal om financiële redenen niet kan permitteren. Verloskundigen die zich dat wel kunnen veroorloven, hebben moeite om ze te vinden.

Het gevolg van dit alles is dat veel verloskundigen moeite hebben voor hun individuele problemen een oplossing te vinden: ze moeten meer werken dan ze van plan waren, soms blijft er werk liggen, er wordt eerder naar de gynaecoloog verwezen of er moeten zelfs cliënten worden geweigerd.

Bron: Wiegers T, Calsbeek H, Hingstman L.. Knelpunten in de verloskundige zorgverlening. Een `quick scan' onder verloskundigen in de eerste lijn. NIVEL december 1999.
Informatie:

Mw. T. Wiegers (NIVEL) 030-2729769, e-mail: (t.wiegers@nivel.nl)


-balk.gif (1076 bytes)



8 december 1999

UITNODIGING HUISARTS LEIDT TOT HOGE OPKOMST BIJ BEVOLKINGONDERZOEK BAARMOEDERHALSKANKER

In 1998 heeft ruim 66% van de opgeroepen vrouwen gevolg gegeven aan de uitnodiging om een uitstrijkje te laten maken in het kader van het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker. Als de GGD vrouwen uitnodigt, ligt het opkomstpercentage op 56 procent. Als de uitnodiging van de huisartsenpraktijk komt, geven nog meer vrouwen hieraan gehoor: 71 procent. Dit blijkt uit een onderzoek in huisartsenpraktijken die aangesloten zijn bij het Landelijk Informatie Netwerk Huisartsenzorg (LINH). Dat is een samenwerkingsverband dat tot doel heeft het leveren van representatieve informatie over de door huisartsen gegeven zorg.

Alle vrouwen in de leeftijd van dertig tot zestig jaar krijgen eens in de vijf jaar een uitnodiging om deel te nemen aan het bevolkingsonderzoek. Jaarlijks wordt in 4 procent van de uitstrijkjes die gemaakt zijn in het kader van het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker een mogelijke onregelmatigheid aangetroffen. Daarom is het belangrijk om zo veel mogelijk vrouwen te bereiken.

Er zijn drie verschillende uitnodigingssystemen. De GGD verzoekt vrouwen om een uitstrijkje te laten maken, de eigen huisarts doet dat, of de eerste uitnodiging gaat vanuit de GGD en de herinnering vanuit de huisartspraktijk. In dit laatste geval is het opkomstpercentage nog 10% hoger dan wanneer alleen de GGD uitnodigt.

Het onderzoek in 47 huisartspraktijken, die een goede afspiegeling geven van de Nederlandse bevolking, toont aan dat de opkomst per uitnodigingssysteem verschilt. Uitnodiging uitsluitend via de huisarts leidt tot de hoogste opkomst. De huisarts is, in tegenstelling tot de GGD, in staat om vooraf een selectie te maken van vrouwen die in aanmerking komen. Na een baarmoederverwijdering hoeven vrouwen bijvoorbeeld geen uitstrijkje meer te laten maken. Er kunnen ook ander redenen zijn (zwangerschap) om vrouwen tijdelijk buiten het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker te laten.

Het betrekken van meer huisartspraktijken bij het uitnodigen voor het bevolkingsonderzoek lijkt de aangewezen weg om de opkomst te verhogen.

Voor meer informatie kunt u kontakt opnemen met dr. J. Braspennig (024-3616338).


-balk.gif (1076 bytes)



22 november 1999

COMMUNICATIE TUSSEN ZORGVERLENERS EN OUDEREN LIJDT ONDER TIJDSDRUK

Verpleegkundigen en verzorgenden vinden een persoonlijk gesprek een belangrijk onderdeel van de zorgverlening aan ouderen. Wanneer ze echter onder tijdsdruk staan, komen ze minder toe aan gesprekken over onderwerpen die belangrijk zijn voor oudere cliënten. Als de tijd dringt, blijkt het sociale babbeltje over ditjes en datjes het te winnen van de professionele communicatie. Professionele communicatie omvat onder andere het bieden van voorlichting en het geven van psychosociale begeleiding . Het is denkbaar dat het praten over ditjes en datjes, vooral als men het druk heeft, wordt gebruikt om gesprekken over wezenlijke problemen te vermijden, omdat die meer tijd en aandacht vragen.Onder tijdsdruk tonen zorgverleners ook minder genegenheid, bemoediging, begrip en bezorgdheid voor de oudere cliënt. Dit blijkt uit het proefschrift van mevrouw W. Caris-Verhallen van het NIVEL, het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg. Zij verrichtte onderzoek in de thuiszorg en in een verzorgingshuis.

Het onderzoek vond plaats in een organisatie voor thuiszorg en in een verzorgingshuis. Daar werden 300 zorgcontacten op video opgenomen. Deze videobanden werden geobserveerd en geanalyseerd. Op deze wijze kon de communicatie tussen verplegenden en hun oudere cliënten in kaart worden gebracht.

Bijna de helft van de onderzochte communicatie tussen zorgverleners en cliënten bestond uit sociale conversatie: een grapje om het ijs te breken, een praatje over het weer en wat er op de televisie te zien was, enzovoort. Ook was bij de zorgverleners vaak gedrag te zien dat aangeeft dat je de ander begrijpt en aanvoelt (affectieve communicatie): aankijken, knikken, glimlachen en aanraken. Deze bevindingen weerspreken het beeld van de zorgverlener die oppervlakkig en louter functioneel omgaat met cliënten.

Doordat zorgverleners onder tijdsdruk meer neigen tot informele sociale conversatie dan tot professionele communicatie, kan de kwaliteit van de zorg in het gedrang komen. Juist omdat veel ouderen het moeilijk vinden om uit zichzelf over hun gevoelsleven of over problemen te praten, is het belangrijk dat de zorgverlener hen hiertoe uitnodigt. Daar is tijd voor nodig en die tijd moet dan ook beschikbaar zijn. Door het groeiend aantal ouderen, de toenemende wachtlijsten en de grotere vraag naar zorg komt dit steeds vaker in het gedrang.

Uit het proefschrift komt naar voren dat ouderen zeker behoefte hebben aan vriendelijkheid, gezelligheid, het delen van ervaringen en persoonlijke belangstelling. Door echter ook aandacht te schenken aan onderwerpen die aansluiten bij de belangstellingswereld van de oudere cliënt, kunnen zorgverleners meer bijdragen aan de kwaliteit van leven.

De verschillende vormen van communicatie moeten blijvend aandacht krijgen in opleiding, bijscholing en werkbegeleiding van zorgverleners, luidt een van de aanbevelingen van het proefschrift. Daarbij zouden zorgverleners kunnen leren hoe zij kunnen aansluiten op de persoonlijke behoeften van cliënten op het gebied van communicatie.

Sociale conversatie vervult dan wel een belangrijke rol in de omgang tussen zorgverlener en cliënt, omdat deze kan zorgen voor verstrooiing, afleiding, tijdverdrijf, 'nieuwsgaring' en het ontdekken van wederzijdse interesses. De vraag is echter wanneer dit type conversatie gewenst is, hoe deze wordt gebruikt en wat de cliënt eraan heeft. Deskundige communicatie is immers een voorwaarde voor het bieden van kwaliteitszorg aan ouderen. Temeer daar verpleegkundigen en verzorgenden een belangrijke rol spelen in de zorg aan ouderen met gezondheidsproblemen.

Meer informatie bij: mevr. dr. W. Caris-Verhallen, NIVEL Utrecht, tel 030-2729725/700, fax 030-2729729, e-mail: (w.caris@nivel.nl)


-balk.gif (1076 bytes)



18 november 1999

ALLOCHTONE OUDEREN EVEN GOED GEVACCINEERD TEGEN GRIEP ALS NEDERLANDSE OUDEREN

In het algemeen krijgen Turkse, Marokkaanse en Surinaamse ouderen vrijwel net zo vaak een griepprik als Nederlandse ouderen. Van de 55-plussers die tot een risicogroep behoren, wordt gemiddeld 79 procent gevaccineerd tegen griep. Dat geldt zowel voor Nederlandse als voor allochtone ouderen. Dat blijkt uit een onderzoek van het NIVEL, het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg, dat plaatsvond in 16 huisartsenpraktijken met relatief veel allochtone patiënten. Dat is verrassend, want allochtonen maken verhoudingsgewijs weinig gebruik van preventie-programma's. Een oproep in de eigen taal zorgt voor een nog hogere vaccinatiegraad.

Verschillen tussen etnische groepen
Tot de risicogroepen voor griep behoren mensen met chronische aandoeningen als diabetes, hart- en longproblemen en nierziekten. In 1996 zijn alle personen van 65 jaar en ouder hieraan toegevoegd. Al ligt de vaccinatiegraad tegen griep gemiddeld hoog onder allochtone ouderen, tussen de etnische groepen zijn er wel verschillen. Gezonde Turkse 65-plussers, dus mensen zonder medische indicatie, zijn wat minder vaak gevaccineerd. Daarentegen zijn Marokkaanse en Surinaamse 65-plussers zonder medische indicatie vaker gevaccineerd dan hun Nederlandse leeftijdgenoten. Marokkaanse 65-plussers mét een medische indicatie zijn weer minder vaak ingeënt met een vaccin tegen griep.
De NIVEL-onderzoekers hebben ook gekeken naar de reden waarom men zich niet laat vaccineren. Allochtonen voeren vooral redenen van praktische aard aan: men verbleef elders, ontving geen uitnodiging of begreep die niet. Nederlanders zijn vaak bang voor bijwerkingen, zeggen dat ze nooit griep krijgen of menen dat een griepprik niet helpt.

De aanpak van de jaarlijkse griepcampagne is verschillend. Iets meer dan de helft van de huisartsenpraktijken stuurt een persoonlijke brief of oproepkaart. Iets minder dan de helft van de huisartsenpraktijken wees de patiënten nog eens extra op de griepprik door een poster of aankondiging in de wachtkamer. Een derde van de huisartsen herinnert patiënten tijdens het spreekuur aan de vaccinatie. De verschillende manieren van oproepen leiden echter niet tot verschillen in opkomst.

Maar weinig huisartsen nemen specifieke maatregelen om allochtone patiënten te bereiken. Toch zou hiermee nog winst te behalen zijn. Het onderzoek toont aan dat een oproep in de eigen taal de vaccinatiegraad verhoogt. Van de Turkse en Marokkaanse ouderen die een oproep, dan wel informatie in de eigen taal kregen, is 85 procent gevaccineerd. Voor degenen die verstoken bleven van een oproep of informatie in de eigen taal, geldt een percentage van 70. Een oproep in de eigen taal blijkt vooral voor 65-plussers effectief.

Voor meer informatie: Marga Weide, NIVEL Utrecht tel:. 030 2729709/700 fax: 030 2729729 e-mail: (m.weide@nivel.nl)


-balk.gif (1076 bytes)



25 oktober 1999

INVOERING KWALITEITSSYSTEEM IN ZORGINSTELLINGEN GUNSTIG VOOR ZORGVERLENING

Een goed functionerend kwaliteitssysteem kan bepaalde aspecten van de zorg die verleend wordt aan bewoners in verpleeghuizen verbeteren. Dat blijkt uit het proefschrift "Implementation and effectiveness of quality systems in Dutch health care organizations" waarop Mw. C. Wagner van het NIVEL woensdag 27 oktober aan de Vrije Universiteit promoveert.

Het onderzoek is door het NIVEL (Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg) uitgevoerd in ruim elfhonderd zorginstellingen en onder ruim vijfhonderd verpleegkundigen uit verschillende sectoren van de gezondheidszorg. Ook de gegevens van twaalfduizend bewoners van 65 verpleeghuizen zijn in het onderzoek betrokken. Op basis hiervan is nagegaan of kwaliteitssystemen van invloed zijn op de dagelijkse zorg van patiënten. Het blijkt dat er enig verband bestaat tussen de invoering van een kwaliteitssysteem en het aantal door patiënten ervaren ongemakken, zoals decubitus en incontinentie.

In de gezondheidszorg zijn kwaliteitssystemen, gericht op het verbeteren van patiëntenzorg de laatste jaren sterk in ontwikkeling. Een groot aantal instellingen is op dit moment bezig met de implementatie van kwaliteitssystemen in de dagelijkse zorgverlening. Tot dusver heeft ongeveer één op de tien instellingen alle onderdelen van systematische kwaliteitsbewaking geïntroduceerd. Activiteiten die hieronder vallen zijn onder andere het systematisch omgaan met klachten, training van het personeel en het ontwikkelen van standaarden en richtlijnen die door bijvoorbeeld verpleegkundigen in de praktijk kunnen worden gebruikt.

Uit het proefschrift blijkt het voor zorginstellingen moeilijk te zijn om een kwaliteitssysteem in te voeren. De introductie van een kwaliteitssysteem verloopt makkelijker als men al gewend is aan werken volgensrichtlijnen en protocollen. Ook een informele, veranderingsgerichte sfeer en een decentrale besluitvorming in de instelling bevorderen de invoering van systematische kwaliteitsbewaking. Als leidinggevenden meer ondersteuning bieden en inzichten van verpleegkundigen serieuzer nemen, wordt een belangrijke impuls gegeven aan de invoering van kwaliteitssystemen. De hoge werkdruk, onduidelijke afspraken en weinig draagvlak op de afdelingen kunnen een consequente kwaliteitsbewaking in de weg staan.

Voor meer informatie: Mw. D.Temmink (NIVEL), tel: 030-2729700/2729766
- fax: 030-2729729
Titel proefschrift: "Implementation and effectiveness of quality systems in Dutch health care organizations".


-balk.gif (1076 bytes)



14 september 1999

HUISARTSENPOST VERLICHT WERKDRUK VAN HUISARTS

De centrale huisartsenpost lijkt een goede oplossing voor het probleem van de hoge werkbelasting onder huisartsen, zeker in stedelijke gebieden. Dit blijkt uit een onderzoek van het NIVEL, het Nederlands Instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg. Het NIVEL deed onderzoek in Rotterdam, waar men op 1 januari 1998 overging op huisartsenposten. Tot die tijd werd de huisartsenzorg buiten kantooruren verleend via waarneemgroepen, bestaande uit zeven tot elf huisartsen. De drie centrale huisartsenposten die Rotterdam nu heeft, bestrijken elk een gebied met ongeveer vijftig huisartsen.

De drie centrale posten regelen zeven nachten per week de waarneming van 23.00 uur tot 8.00 uur. Een huisarts, een praktijkassistent(e) en een taxichauffeur bemannen de post. In Rotterdam-Noord functioneert de centrale huisartsenpost alleen 's nachts; in Rotterdam-Zuid ook 's avonds en in het weekend.
Door de nieuwe, grootschalige aanpak van de zorgverlening buiten kantooruren is het aantal nachtdiensten per huisarts gedaald van gemiddeld 46 naar 7 per jaar. Als de huisartsenpost ook de avond- en weekenddienst regelt, daalt het totaal aantal diensten van ongeveer 108 naar 33. De Rotterdamse huisartsen hebben dus minder diensten, maar de diensten zijn wel veel drukker.

In de oude situatie vond 80 procent van de huisartsen de diensten buiten kantooruren zeer belastend. Na de invoering van het systeem van centrale huisartsenposten denkt nog slechts 20 procent er zo over. Ruim driekwart van de huisartsen ervoer vroeger vooral de weekendnachtdienst als zwaar. Nu is dat nog maar een kwart. Sinds de nieuwe organisatie valt het huisartsen ook gemakkelijker om met andere facetten van de diensten om te gaan, bijvoorbeeld met drukte, oneigenlijke hulpvragen, eisend of agressief gedrag van patiënten en met het beslag dat het werk legt op het gezinsleven.

Alleen het regelen van een ziekenhuisopname gedurende een nachtdienst blijft moeilijk: 42 procent van de huisartsen ervaart dat ook in de nieuwe situatie als een belasting.

Patiënten zijn over de zorg die verleend wordt vanuit een huisartsenpost net zo tevreden als over de zorg vanuit de vroegere waarneemgroep. Het oordeel over de bereikbaarheid van de huisarts, de bereidheid om te komen en de snelheid waarmee dat gebeurt, is hetzelfde gebleven. Patiënten vinden ook de behandeling en bejegening niet veranderd. Een ruime meerderheid vindt de centrale huisartsenpost een verbetering ten opzichte van de waarneemgroep van vroeger. Slechts 11 procent is niet te spreken over de verandering.

Steeds meer huisartsen, ook buiten de grote steden, tonen belangstelling voor de nieuwe aanpak.

S.J.Grielen, S.Beekhoven en D.H.de Bakker. Een grootschaliger dienstenstructuur van huisartsenzorg in Rotterdam: de invoering van centrale huisartsenposten voor de nachtelijke waarneming. Utrecht: NIVEL, 1999

Nadere informatie wordt gaarne verstrekt door: J. Hutten - NIVEL tel. 030 - 27 29 653 en A.J.W. Beek - contactpersoon DHV Rotterdam tel. 010
- 455 8030


-balk.gif (1076 bytes)



15 juni 1999

FINANCIELE COMPENSATIE CHRONISCH ZIEKEN WEINIG GEBRUIKT

Financiele vergoedingsregelingen, zoals de WVG en fiscale regelingen worden door chronisch zieken weinig gebruikt om hun extra ziektekosten te compenseren.

Dit blijkt uit een onderzoek dat het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (NIVEL) in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid onder de circa 2500 leden van het Patientenpanel Chronisch Zieken heeft uitgevoerd. Dit panel is representatief voor de thuiswonende somatisch chronisch zieken in Nederland.

Het besteedbaar inkomen van chronisch zieken is aanzienlijk lager dan dat van de algemene bevolking. Naar schatting zo'n 100.000 van de in totaal anderhalf miljoen chronisch zieken moet zelfs rondkomen van een inkomen beneden het sociaal minimum.

Maandelijks hebben chronisch zieken ongeveer fl.350,- minder te besteden dan de gemiddelde Nederlander. Achter dit bedrag gaan grote verschillen schuil: 7% van de onderzochte groep had in 1998 per maand een inkomen dat gemiddeld ruim fl.200,- beneden het het sociaal minimum lag. Het gaat hierbij vrijwel uitsluitend om chronisch zieken die deel uitmaken van een meerpersoonshuishouden. Van de groep chronisch zieken jonger dan 65 jaar behoren degenen die kostwinner zijn, afhankelijk zijn van een arbeidsongeschiktheidsuitkering en lichamelijke beperkingen hebben vaak tot deze kwetsbare groep.

Ten dele wordt de slechte inkomenssituatie van chronisch zieken veroorzaakt door uitgaven in verband met hun ziekte die niet vergoed worden. Ruim 70% meldt dergelijke kosten. Over de totale groep gaat het gemiddeld om fl.78,- per maand. Vooral mensen met veel lichamelijke beperkingen rapporteren soms zeer hoge kosten. Bestaande vergoedingsregelingen bieden in de praktijk blijkbaar onvoldoende soelaas. De WVG, fiscale compensatie en de bijzondere bijstand worden onvoldoende benut of bieden onvoldoende mogelijkheden: 11% heeft ooit een beroep gedaan op de WVG, 20% heeft ooit fiscale compensatie in verband met ziektekosten aangevraagd. Behalve beperkte mogelijkheden van de regelingen speelt waarschijnlijk ook onbekendheid een rol: slechts ruim de helft van de panelleden is op de hoogte van het bestaan van dit soort regelingen. Op zich is dat niet verwonderlijk. Zo kan van mensen die nooit een belastingformulier hebben ingevuld moeilijk verwacht worden dat ze op de hoogte zijn van het bestaan van zoiets als een arbeidsongeschiktheidsforfait. Daarmee lopen we wellicht fiscale compensatie mis. Op basis van deze onderzoeksresultaten wordt dan ook aanbevolen de vergoedingsregelingen gericht onder de aandacht van chronisch zieken te brengen en de toegankelijkheid te verbeteren.

Behalve de directe gevolgen van het chronisch ziek zijn voor het besteedbaar inkomen gaven de leden van het patientenpanel ook aan problemen te hebben ondervonden bij het afsluiten van verzekeringen. Ruim 10% (omgerekend naar de totale groep chronisch zieken gaat het om zo'n 150.000 mensen) meldde nadeel ondervonden te hebben door het betalen van een hogere premie of het geweigerd worden voor bijvoorbeeld een levensverzekering. Hiermee kunnen substantiele bedragen gemoeid zijn die niet in het onderzoek zijn betrokken.

M.G. Weide, P.M. Rijken en L. Peters. Financiële positie van chronisch zieken. Utrecht: NIVEL, 1999

Nadere informatie wordt gaarne verstrekt door mw dr M.G. Weide (tel 030 - 27 29 704) of door drs. L. Peters (tel 030 - 27 29 649) NIVEL, Postbus 1568, 3500 BN Utrecht, fax 030 - 2729729

Zie ook: Patiëntenpanel Chronisch Zieken


-balk.gif (1076 bytes)



16 december 1998

Consumenten over geestelijke zorg: ondoorzichtig en weinig effectief

Nederlanders hebben weinig vertrouwen in hun geestelijke gezondheidszorg. Dat zit 'm vooral in de grote mate van onduidelijkheid over het wat en hoe in deze sector, en in het feit dat velen denken dat deze zorg niet echt geneest.

Dit blijkt uit onderzoek onder de leden van het Consumentenpanel Gezondheidszorg. Dit panel bestaat uit een groep van 1500 huishoudens en vorm een goede afspiegeling van de Nederlandse bevolking. De eerste resultaten van dit onderzoek zijn gepubliceerd in het eerste nummer van de Nieuwsbrief Gezondheidszorg die wordt uitgebracht door de Consumentenbond.

In het algemeen is het vertrouwen in de gezondheidszorg in ons land groot. Zo heeft minstens 80% van de Nederlandse bevolking veel of zelfs heel veel vertrouwen in zijn of haar apotheker, tandarts, huisarts, specialist en verpleegkundige. Minder goed, maar toch nog heel behoorlijk scoren fysiotherapeut, ziekenhuis en zwakzinnigenzorg, en voor thuiszorg, verzorgingshuis en alternatieve genezer geldt dat minder dan de helft van de Nederlanders hun diensten met (heel) veel vertrouwen tegemoet ziet. Onderaan deze lijst prijkt de geestelijke gezondheidszorg, waarin driekwart maar weinig of zelfs heel weinig vertrouwen heeft. Bijna één op de drie beoordeelt dit met een onvoldoende.
Hoe komt dat? Een nieuwe studie van de Consumentenbond en het Nivel, het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg, wijst uit dat dit vooral zit in het gebrek aan doorzichtigheid: wat gebeurt er in die geestelijke zorg, waar kun je terecht, hoe staat het met je rechten als patiënt, waar kun je heen met een klacht?
Klein zesje
Het rapportcijfer voor het vertrouwen in de geestelijke gezondheidszorg komt gemiddeld niet hoger dan een klein zesje (5,95), duidelijk minder dan gemiddeld in de zorg (6,73). De verschillen tussen de diverse geestelijke hulpverleners zijn daarbij groot: de eigen huisarts, het Centrum voor Alcohol en Drugs, en het psychiatrisch ziekenhuis genieten nog het meeste vertrouwen; het algemeen maatschappelijk werk, de psychiatrische afdeling van het verpleeghuis, en vooral de RIAGG echter het minst. Twee van de drie Nederlanders hebben weinig of heel weinig vertrouwen in de RIAGG! Wat is er precies mis? Consumenten menen vooral dat de hulpverleners in de geestelijke gezondheidszorg niet goed samenwerken, niet goed luisteren, en niet goed duidelijk maken waar je met je probleem terechtkunt. Verder is vaak duister wat die hulpverleners doen, hoe zij hun patiënten behandelen, en waar je kunt klagen. Het is de vraag of de huidige fusiegolf bij instellingen in de geestelijke gezondheidszorg die zo gewenste duidelijkheid voor de klant zal bevorderen. Ook wachtlijsten vormen voor de consument een probleem, maar niet méér dan elders in de gezondheidszorg.
Zelf oplossen
Bovendien denken veel consumenten er weinig baat bij te hebben. Waar men van een medisch specialist bijvoorbeeld vaak verwacht dat zijn behandeling zal leiden tot een volledig herstel, geldt dit voor de geestelijke zorg veel minder. Psychische problemen kun je beter met je vrienden of familie bespreken, of ze zelf oplossen, vinden opvallend veel mensen. Van de geestelijke zorg verwacht men vooral dat mensen hun problemen meer leren accepteren, er beter mee leren leven, en zichzelf beter kunnen redden in lastige situaties. Tenslotte komt het gebrekkige vertrouwen deels door het feit dat mensen met psychische problemen te vaak niet serieus worden genomen en niet meetellen. Eén lichtpuntje biedt het onderzoek nog wel: jongeren en mensen die het afgelopen jaar zelf gebruik hebben gemaakt van de geestelijke zorg geven een iets positiever oordeel. De wil tot verbetering lijkt overigens te bestaan, want de genoemde kritiekpunten komen aardig overeen met de verbeterplannen die de sector vorig jaar zelf in een manifest heeft gepresenteerd.

Zie ook: Consumentenpanel Gezondheidszorg

Meer informatie over dit onderzoek kunt u krijgen door te bellen met dr. Roland Friele, 030- 2729679


-balk.gif (1076 bytes)



26 november 1998

PATIËNT IN ACHTERSTANDSGEBIED VRAAGT MEER TIJD VAN ZIJN HUISARTS

Patiënten in achterstandsgebieden vragen meer tijd van hun huisarts dan andere patiënten. Hierdoor besteden huisartsen die werkzaam zijn in achterstands- gebieden meer tijd aan een ingeschreven patiënt dan huisartsen die niet in achterstandsgebieden werkzaam zijn. Dit blijkt uit een onderzoek van het NIVEL, het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg, en TNO Preventie en Gezondheid naar de werklast van huisartsen die werkzaam zijn in achterstandsgebieden dat werd uitgevoerd in opdracht van de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV).

In dit onderzoek is nagegaan wat de beste manier is om de beschikbare 20 miljoen gulden aan achterstandsgelden bij de juiste huisartsen en in de juiste gebieden terecht te laten komen. Om een antwoord te kunnen geven op deze vraag is onderzocht wat de werklast is van huisartsen in achterstandsgebieden en hoe het staat met de gezondheid, sterfte en zorggebruik van de bevolking in deze gebieden. Een schriftelijke vragenlijst werd beantwoord door een representatieve steekproef van 1100 huisartsen; en er is in het onderzoek gebruik gemaakt van gezondheidsenquêtes van het CBS, de GGD Rotterdam en GG&GD Amsterdam.

Huisartsen voelen zich vooral belast door oneigenlijke hulpvragen in de nacht, meervoudige hulpvragen, vragen van alleenstaande ouderen, mensen met chronische psychiatrische problemen, alcoholverslaafden en mensen met ernstige chronische problemen. Deze problemen komen relatief vaak voor in achterstandsgebieden.

Het onderzoek laat ook zien dat de gezondheid van de bevolking van achterstandsgebieden slechter is, de sterfte hoger, en dat de inwoners vaker naar de dokter gaan. Voor sommige huisartsen betekent dit dat zij lange dagen maken, om het aantal patiënten dat zich aandient te kunnen helpen. Andere huisartsen in achterstandsgebieden zorgen ervoor dat het aantal ingeschreven patiënten klein is. Hierdoor kunnen zij voldoende tijd besteden aan een individuele patiënt, zonder al te lange dagen te hoeven maken. Vergeleken met huisartsen die niet in achterstandsgebieden werken maken huisartsen in achterstandsgebieden dus langere dagen voor eenzelfde inkomen of zij verdienen minder geld doordat zijn minder ingeschreven patiënten hebben.

Sinds 1996 ontvangen huisartsen die werkzaam zijn in een achterstandsgebied een achterstandsvergoeding. Jaarlijks kost deze regeling 20 miljoen gulden. Op deze manier kunnen zij een redelijk inkomen verwerven uit hun artsenpraktijk zonder heel lange dagen te hoeven maken terwijl zij toch voldoende tijd aan een individuele patiënt kunnen besteden. De manier waarop de hoogte van de achterstandsvergoeding wordt uitgerekend is tot op heden gebaseerd op het gemiddeld inkomen, het werkloosheidscijfer, en de dichtheid van de bebouwing van de mensen in het gebied waar de huisarts werkt. Het NIVEL/TNO-PG onderzoek laat zien dat het beter is om daarbij ook rekening te houden met het aantal allochtonen in een wijk. Hierdoor komt de vergoeding nog preciezer terecht bij de huisartsen die veel tijd moeten besteden aan hun patiënten in achterstandsgebieden.

Meer informatie over dit onderzoek kunt u krijgen door te bellen met drs. Robert Verheij, 030- 2729682


-balk.gif (1076 bytes)



12 november 1998

Cijfers uit de huisartspraktijk

Meer slachtoffers van geweld bij de huisarts

In 1997 gingen meer slachtoffers van geweld naar de huisarts.

Het aantal meldingen door huisartsen lag vorig jaar bijna tweemaal zo hoog als in 1996. Het gaat om mensen die het slachtoffer werden van eenzijdig lichamelijk geweld; niet om vechtpartijen waarbij twee of meer personen betrokken waren. Opvallend is de groei van het aantal vrouwelijke slachtoffers in de grote steden. Dit blijkt uit het jaarverslag 1997 van de Peilstations Nederland.

De Continue Morbiditeitsregistratie Peilstations Nederland is een landelijk netwerk van huisartsenpraktijken. De registratie staat onder beheer van het NIVEL, het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg. Iedere week melden de deelnemende huisartsen het vóórkomen van bepaalde ziektebeelden en gebeurtenissen in hun praktijk. Samen bestrijken deze huisartsen een representatieve selectie van één procent van de Nederlandse bevolking.

Vrouwen vaker slachtoffer
Eenzijdig lichamelijk geweld tegen personen wordt sinds 1996 gemeld door de deelnemende huisartsen. In dat jaar werden jongens en mannen vaker het slachtoffer. In 1997 is een verschuiving zichtbaar: meisjes zijn even vaak het mikpunt van geweld en vrouwen zelfs vaker dan mannen. Wat de daders betreft is het in 1997 niet anders dan in 1996: op een enkele uitzondering na zijn dat mannen. Mannen zijn hoofdzakelijk het slachtoffer van incidenteel geweld door onbekenden; vrouwen daarentegen vallen in 40% van de meldingen ten prooi aan herhaald geweld door bekende daders, de partner of ex-partner.
Agressie tegen huisarts en assistente
Ook huisartsen en praktijkassistenten ontkomen niet aan bedreiging of intimidatie. In 1997 zijn drie van de vier peilstationartsen of hun assistentes geconfronteerd met uitingen van agressie. Uit de noordelijke provincies komen minder meldingen dan uit andere delen van het land; in de zuidelijke provincies worden 9 van de 10 praktijken geconfronteerd met agressie. Meestal blijft het bij bedreiging of intimidatie. Eén arts moest politieassistentie inroepen om zijn praktijkpand te kunnen verlaten. Tijdens de normale openingstijden moeten vooral de praktijkassistentes het ontgelden. Huisartsen worden tijdens de avond-, nacht- en weekenddiensten hoofdzakelijk mondeling geïntimideerd. Vooral patinten die bij andere huisartsen ingeschreven staan, maken zich schuldig aan bedreiging met fysiek geweld of een wapen .

Suïcide(poging)
De gegevens uit het jaarverslag 1997 van de peilstations onderschrijven de door sommigen vermoede stijging van (pogingen tot) zelfdoding niet. In 1995 kwamen 7 meldingen binnen per 10.000 inwoners. In 1996 en 1997 waren dat er 6. De meeste suïcidepogingen vinden plaats in grote steden. Vaak brengen mensen kort voor de poging een bezoek aan een hulpverlener. Niet altijd onderkent deze de ernst van de situatie.

Minder sterilisaties
Nederland is een van de weinige landen waar meer mannen dan vrouwen gesteriliseerd zijn. De verhouding ligt momenteel op 61% mannen tegen 39% vrouwen. De populariteit van sterilisatie neemt af, zowel bij mannen als vrouwen. In 1997 werden 35 sterilisaties per 10.000 mannen verricht, een lichte daling ten opzichte van de voorafgaande jaren, toen het aantal rond de 40 schommelde. Bij vrouwen is de daling nog duidelijker zichtbaar: in 1995 werden er 42 sterilisaties per 10.000 vrouwen uitgevoerd. In 1996 waren dat er 21 en in 1997 nog 18.
De reden voor de afnemende populariteit van sterilisatie als methode van geboorteregeling hangt samen met de latere leeftijd waarop vrouwen kinderen willen krijgen. Bovendien zijn door de introductie van lichtere anticonceptiepillen de bezwaren tegen pilgebruik op latere leeftijd verminderd.

Aantal SOA's blijft constant
Seksueel-Overdraagbare Aandoeningen (SOA) zijn op griep na de meest voorkomende infectieziekten in Nederland. Uit de meldingen van peilstationartsen kan opgemaakt worden dat het aantal SOA's constant blijft. Zo nemen de door de huisartsen gemelde gevallen van PID (pelvic inflammatory disease, eileiderontsteking) niet toe. In 1997 zijn dat er 8 per 10.000 vrouwen. Het komt vooral voor bij vrouwen tussen de 20 en 50 jaar. Het aantal meldingen van urethritis (ontsteking van het urinekanaal) bij mannen daalt: in 1995 waren dat er 26 per 10.000 mannen; in 1997 nog maar 17. Zowel PID als urethritis komt vaker voor op het platteland en in de grote steden dan in forenzengemeenten en kleine plaatsen.

Het aantal consulten over aids stijgt licht: van 20 in 1996 naar 24 per 10.000 inwoners in 1997. Die groei treedt alleen op in de Randstad en de grote steden. Het jaarverslag 1997 van de Peilstations Nederland ziet op basis van 8 jaar registreren een toenemende 'veralledaagsing' van Aids. De rol van de huisarts is in de loop van de jaren belangrijker geworden.

Geen stijging aantal eetstoornissen
In de periode 1985-1989 werden anorexia nervosa (dwangmatig hongeren) en bulimia nervosa (extreme eetbuien) door de peilstationartsen geregistreerd. Vanaf 1995 gebeurt dat opnieuw.
De cijfers spreken een stijging van het aantal eetstoornissen tegen. In de tweede helft van de jaren tachtig zijn er gemiddeld 61 meldingen per jaar. Na 1995, waarin er 64 meldingen waren, daalt het aantal van 45 in 1996 naar 42 in 1997.
Meisjes en vrouwen in middelgrote en grote steden lopen het meeste risico op een eetstoornis. Opvallend in 1997 zijn de melding van een peuter en een schoolkind. Er waren slechts 3 meldingen van mannelijke patiënten met eetstoornissen.

Behalve over deze onderwerpen zijn in het jaarverslag cijfers opgenomen over: griep, het maken van een uitstrijkje, mammografie, het voorschrijven van oestrogenen, herpes zoster (gordelroos), lever-, pancreas- en galblaasaandoeningen, maag- en darmklachten, prostaatlijden, en verzoeken om euthanasie.

Continue Morbiditeitsregistratie Peilstations Nederland. Jaarverslag 1997. Utrecht, NIVEL, 1998.
Voor meer informatie kunt u kontakt opnemen met dr. A. Bartelds (tel. 030-2729634)


-balk.gif (1076 bytes)



9 juli 1998

Zorgen om wachttijden bij chronisch zieken

De helft van de chronisch zieken die in de periode 1997-1998 een beroep deden op het ziekenhuis, de thuiszorg of hulpmiddelen heeft te maken gehad met wachttijden die zij onredelijk lang vinden. Vooral bij eerste bezoeken aan een polikliniek en ziekenhuisopnames meldden zij daadwerkelijk nadeel hiervan te ondervonden hebben. Desondanks is een van de mogelijke oplossingen - regionale samenwerking - voor chronisch zieken niet aantrekkelijk: de meerderheid van hen geeft de voorkeur aan een bepaalde specialist of ziekenhuis boven het eerder behandeld worden in een ander ziekenhuis.

Dit blijkt uit een onderzoek onder 753 leden van het Patiëntenpanel Chronisch Zieken (PPCZ) in de maand juni 1998. Het PPCZ bestaat uit circa 2500 mensen die representatief zijn voor de somatisch chronisch zieken in Nederland. In het PPCZ werken het Fonds voor Chronisch Zieken en het NIVEL (Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg) samen met als doel de zorg voor chronisch zieken en hun maatschappelijke positie te verbeteren.

De helft van de mensen met een chronische aandoening moest langer dan 14 dagen wachten voor een bezoek aan een polikliniek. Voor ziekenhuisopname en huishoudelijke hulp in de thuiszorg werd de helft van de mensen geconfronteerd met een wachttijd van tenminste 3 weken. De langste wachttijd gold voor hulpmiddelen: hier wachtte de helft van de mensen meer dan 6 weken.

Wachten is niet altijd een probleem. Echter, ongeveer de helft van de chronisch zieken bestempelt hun wachttijden als onredelijk, terwijl een kwart van de mensen met wachttijden voor de polikliniek en het ziekenhuis zegt hier nadelen van de hebben ondervonden. Ze hebben bijvoorbeeld voortdurend ongemak ervaren van hun klachten, of hebben zich te lang onzeker of bezorgd gevoeld over hun gezondheid.

Wachttijden blijken per geval sterk te variëren. Een afspraak gemaakt door een arts, bijvoorbeeld een huisarts, levert een aanzienlijk kortere wachttijd op dan een afspraak gemaakt door de patiënt zelf. Een klein deel van de chronisch zieken heeft geprobeerd de wachttijd te bekorten, bijvoorbeeld door de huisarts in te schakelen. Vaak hadden ze daarmee succes.

Regionale samenwerking tussen ziekenhuizen wordt de laatste tijd als een van de structurele oplossingen van het wachttijdprobleem gezien. Voor de meeste chronisch zieken is deze aanpak niet erg aantrekkelijk. Driekwart van de onderzochte chronisch zieken zegt namelijk niet naar een ander ziekenhuis toe te willen of een andere specialist te willen bezoeken, om zo wachttijden te voorkomen. Kennelijk vinden zij het vaste contact met een specialist of één bepaald ziekenhuis belangrijker dan het nadeel van lange, op zich onredelijke, wachttijden.

Zie ook: Patiëntenpanel Chronisch Zieken, factsheet Wachttijden

Nadere informatie wordt gaarne verstrekt door mevrouw dr. M. Foets van het NIVEL op telefoonnummer 030 - 2 729 721.


-balk.gif (1076 bytes)



28 mei 1998

Vertrouwen in goede gezondheidszorg in gevaar

Consumenten hebben weinig hoop op een efficiënte aanpak van wachtlijsten. Het vertrouwen in de gezondheidszorg wordt vooral door de wachtlijsten ondermijnd; meer nog dan door medische missers of door onvoldoende informatie. Dit concludeert de Consumentenbond uit onderzoek onder het Consumentenpanel Gezondheidszorg van de Consumentenbond en het Nivel. Het onderzoek staat gepubliceerd in de Consumentengids van juni.

Uit de enquête onder ruim 1000 leden van het Consumentenpanel naar het vertrouwen in de gezondheidszorg blijkt dat de Nederlandse bevolking hier over het algemeen voldoende vertrouwen in heeft. Slechts 8% geeft een onvoldoende. Er is vooral veel vertrouwen (bij 75%) in de mensen die in de zorg werken en in de deskundigheid en de inzet van artsen en verpleegkundigen. Veel minder vertrouwen is er in instellingen. De zwakzinnigenzorg, thuiszorg, verzorgingstehuizen en met name de Geestelijke gezondheidszorg zoals de RIAGG scoren slecht. Slechts 27 % van de ondervraagden heeft hier vertrouwen in. Dit lage percentage is zorgwekkend. Weliswaar is de GGZ maar een klein onderdeel in de gezondheidssector, doch uit onderzoek blijkt dat per jaar bij één op de vijf Nederlanders een psychische stoornis toeslaat. Zij moeten terug kunnen vallen op de GGZ. Dat het vertrouwen in juist deze tak zo schrikbarend laag is zorgt voor de nodige vragen. In een volgend onderzoek zal dit verder worden uitgewerkt.

Een relatief grote groep mensen (bijna 20% ) heeft weinig vertrouwen in de toe komst van de gezondheidszorg. Bij verder doorvragen vinden veel mensen (80%) dat patiënten het slachtoffer zullen worden van de stijgende kosten en wachtlijsten in de gezondheidszorg. Weinigen (30%) vertrouwen erop dat de politiek er voor zal zorgen dat een kwalitatief goede zorg wordt gehandhaafd.

De geënqueteerden hebben nogal eens hun vraagtekens over het foutloos werken van artsen en in het bijzonder over het toegeven van die fouten. Nog geen 15% denkt hier positief over. Eénderde van de ondervraagden gaat er niet vanuit dat de hulpverleners alle informatie over de behandeling ook geven, bijna de helft verwacht niet dat er open wordt voorgelicht over de verwachte gevolgen van een behandeling. Dit zijn juist twee rechten die expliciet in de wet zijn benoemd (WGBO). Kennelijk zijn veel ondervraagden er niet van overtuigd dat de rechten die zij aan de WGBO kunnen ontlenen in de praktijk ook worden waargemaakt. Dit is verontrustend.

De enquête onder het Consumentenpanel Gezondheidszorg zal voortaan ieder half jaar worden herhaald. De Consumentenbond en het Nivel willen zo de nodige trends in de gezondheidszorg in kaart gaan brengen.

Voor meer informatie kunt u bellen met de Consumentenbond, persvoorlichting (070-4454393; Noortje van Zanten), of het NIVEL (030-2729679; Roland Friele)

Zie ook: Consumentenpanel, factsheet consumentenvertrouwen.


-balk.gif (1076 bytes)



26 maart 1998

Migranten consulteren de huisarts vaker dan Nederlanders, maar hun consulten duren gemiddeld korter.

Dit blijkt uit een onderzoek van het NIVEL, waarin gegevens van 1.165 Turken, 853 Marokkanen, 1.355 Surinamers en 1.471 Nederlanders zijn vergeleken. Deze gegevens zijn in 1987/1988 verzameld bij 161 huisartsen in het kader van de Nationale studie van ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk. Om de Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Nederlandse groep goed te kunnen vergelijken, is rekening gehouden met verschillen tussen de groepen in geslacht, leeftijd, sociaal milieu en woonomgeving.

De resultaten laten zien dat Turken en Surinamers vaker contact hadden met de huisarts. Zij bezochten de arts vaker dan Nederlanders tijdens het spreekuur; Marokkanen hadden meer contacten tussendoor. Het tijdstip van het contact (binnen/buiten reguliere tijden) verschilde niet. Turken en Marokkanen hadden gemiddeld kortere consulten. Surinamers presenteerden vaker meer problemen in één consult. Zij kwamen ook vaker met een nieuw probleem, terwijl Turken juist vaker voor hetzelfde probleem terugkwamen. Alle drie groepen gingen vaker dan Nederlanders op eigen initiatief naar de huisarts.

Dat migranten vaker naar de huisarts gaan kan te maken hebben met verschillen in gezondheid en gezondheidsproblemen. Uit ander onderzoek is gebleken dat migranten zich ongezonder voelen dan Nederlanders en meer klachten hebben. Ook culturele verschillen in het gebruik van de huisartsenzorg lijken van belang. Er zijn aanwijzingen dat migranten met bepaalde klachten wat eerder dan Nederlanders naar de huisarts stappen, omdat ze deze als ernstiger beschouwen. De kortere consultduur van migranten zou te maken kunnen hebben met communicatieproblemen tussen arts en patiënt.

Bron: Weide, M.G., Foets.M. Contacten van migranten in de Nederlandse huisartspraktijk. Huisarts en Wetenschap 1998;41(4):179-183


-balk.gif (1076 bytes)



24 maart 1998

DREIGEND TEKORT AAN GYNAECOLOGEN

Het aantal gynaecologen moet flink omhoog. Om aan de toekomstige vraag naar gynaecologen te kunnen voldoen, zouden ieder jaar 35 tot 40 arts-assistenten met de opleiding moeten beginnen. Momenteel voltooien jaarlijks ongeveer 25 tot 30 gynaecologen hun opleiding. De toegenomen vraag is het gevolg van de wens tot normalisering van de werktijden, een toename van het aantal vrouwelijke gynaecologen en de toegenomen technische mogelijkheden.

Dit blijkt uit een onderzoek naar ontwikkelingen in vraag en aanbod in de gynaecologie over de periode 1997-2010, dat in opdracht van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) door het NIVEL, Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg, is uitgevoerd. Ten behoeve van deze studie zijn alle werkzame gynaecologen en alle gynaecologen in opleiding (AGIO's) in 1997 schriftelijk geënquêteerd.

Terug naar een "normale werkweek"
De gynaecologen in opleiding (AGIO's) werken in het kader van het door de overheid vastgestelde "Werktijdenbesluit" circa 48 uur per week. Als aan AGIO's wordt gevraagd hoeveel uur men als gynaecoloog wil werken, dan kiest men in grote getale voor een werkweek van 45 uur bij een volledige baan. Dit steekt schril af tegen de werktijd van de huidige gynaecologen, die bij een volledige baan 60 uur per week werken. Gezien de hoge werkdruk, vooral in verband met het grote aantal avond/nacht- en weekenddiensten, willen de huidige gynaecologen terug naar een werkweek van 48 uur. Om deze arbeidstijdnormalisering te kunnen opvangen zal het aantal gynaecologen met 15% moeten toenemen.

Meer vrouwelijke gynaecologen
Momenteel is 19% van alle 613 werkzame gynaecologen vrouw. Dit aantal zal snel toenemen aangezien momenteel 63% van alle gynaecologen in opleiding vrouw is. De verwachting is dat in het jaar 2005 het aantal vrouwelijke gynaecologen groter zal zijn dan het aantal mannelijke gynaecologen. Omdat vrouwelijke gynaecologen vaak in deeltijd willen gaan werken moet het aantal gynaecologen met 9% toenemen om toch alle patiënten te kunnen behandelen.

Technologische ontwikkelingen
Ook andere factoren spelen een rol bij het benodigde aantal gynaecologen in 2010. De gemiddelde leeftijd waarop de vrouw in de huidige maatschappij haar eerste kind krijgt is momenteel 30 jaar. Late gezinsplanning vergt meer gynaecologische zorg door toename van geavanceerde vruchtbaarheidsbehandelingen. Ook het groeiend aantal nieuwe operatietechnieken is verantwoordelijk voor arbeidsintensieve gynaecologische zorg. Daar staat tegenover dat er in de komende 10 jaar minder kinderen worden geboren.

Reactie van de NVOG
Inmiddels heeft de NVOG voorgesteld om in 1998 38 assistenten tot de opleiding toe te laten. Om er van verzekerd te zijn dat men in de toekomst niet geconfronteerd wordt met een tekort of overschot zal de NVOG jaarlijks dit soort ramingsstudies laten uitvoeren. Dit biedt de mogelijkheid om de opleidingscapaciteit tijdig bij te stellen.
Voor nadere informatie over het onderzoek kunt u terecht bij: Dr L.F.J van der Velden NIVEL, tel 030-2729767/fax 030-2729729 Mw. P.J. Roodenburg NVOG, tel 030-2823812/ fax 030-2803956


-balk.gif (1076 bytes)



12 februari 1998

Hoge werkbelasting huisarts verhoogt kosten gezondheidszorg

Wanneer de werkbelasting van huisartsen hoog is, besteden zij minder tijd aan hun patiënten, schrijven zij vaker een medicijn voor, voeren zij medisch-technische handelingen minder vaak zelf uit en verwijzen zij sneller naar een fysiotherapeut. Hierdoor kan de zogenaamde poortwachtersfunctie van de huisarts in gevaar komen. In medisch opzicht komt hierdoor de kwaliteit van de zorg echter niet in het gedrang. Dit blijkt uit het onderzoek Workload and provision of care in general practice. An empirical study of the relation between workload of Dutch general practitioners and the content and quality of their care, waarop Jack Hutten op 13 februari a.s. promoveert aan de Universiteit Utrecht.

Het onderzoek
In het onderzoek Workload and provision of care in general practice, uitgevoerd door het NIVEL in samenwerking met het ICS, is de relatie bestudeerd tussen de werkbelasting en respectievelijk de verdeling van de beschikbare tijd in de huisartspraktijk, de activiteiten in een consult en de kwaliteit van de zorg. Het begrip 'werkbelasting' is gedefinieerd als het aantal patiënten dat een huisarts in de onderzoeksperiode bezocht.

Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van gegevens van 159 huisartsen. Deze gegevens zijn afkomstig van de Nationale studie van ziekte en verrichtingen in de huisartspraktijk, die het NIVEL heeft uitgevoerd in 1987 en 1988.

De huisarts als poortwachter
De huisarts vervult in de Nederlandse gezondheidszorg een 'poortwachtersfunctie'. Het grootste deel van de gezondheidszorg is slechts via de huisarts bereikbaar. Deze poortwachtersrol moet ervoor te zorgen dat de patiënten de juiste zorg krijgen. Daarnaast draagt zij bij aan de beheersing van de kosten van de gezondheidszorg. In deze benadering is het van wezenlijk belang dat de huisartsen hun patiënten zoveel mogelijk zelf behandelen, en alleen als het echt nodig is medicijnen voorschrijven of verwijzen naar andere hulpverleners.

Kortere consulten en meer voorschrijven

Voor de behandeling van patiënten zijn vooral de aard en de ernst van de klachten bepalend. De werkbelasting van de huisarts is echter zeker van invloed op de behandeling.

Een huisarts kan met een hoge werkbelasting omgaan door meer uren te gaan werken of door minder tijd te besteden als zaken als patiëntenadministratie, overleg en na- en bijscholing. Huisartsen met een hoge werkdruk blijken meer uren te werken in directe patiëntenzorg, en minder tijd te besteden aan na- en bijscholing.

In het algemeen kan men constateren dat een hoge werkbelasting ertoe leidt dat de arts minder tijd aan de individuele patiënt besteedt, vaker medicijnen voorschrijft, minder vaak zelf medisch-technische handelingen (zoals bv. injecties en kleine chirurgie) uitvoert en vaker verwijst naar andere hulpverleners, vooral de fysiotherapeut. De invloed van de werkbelasting is er vooral in situaties waarin de gepresenteerde problematiek als minder ernstig wordt ingeschat en wanneer er verschillende behandelingsmogelijkheden zijn, zoals bij psychosociale problematiek. De zwaarder belaste huisarts zal dan eerder geneigd zijn de weg te kiezen die de minste tijd vergt. Hij zal minder tijd besteden aan lichamelijk onderzoek en counseling, vaker adviseren af te wachten en meer vervolgafspraken maken.

Praktijkorganisatie: kleinere praktijken wenselijk De structuur van de praktijk is ook van invloed op de werkbelasting zelf. Een kleinere praktijk leidt tot minder werkbelasting. De ontwikkeling naar kleinere praktijken is daarom gunstig zowel voor de kwaliteit van de huisartsgeneeskunde als met het oog op de beheersing van de kosten in de gezondheidszorg.

Het vergroten van het aantal assistenten in de praktijk leidt eveneens tot vermindering van de werkdruk. Ten slotte bleken huisartsen die uitsluitend op afspraak werken, beter in staat te zijn hun werkbelasting te reguleren.

Conclusies
De poortwachtersfunctie van de huisarts kan versterkt worden door onder meer verbetering van de praktijkorganisatie. Op het ogenblik is deelname aan na- en bijscholing verplicht en wordt het standaardenbeleid verder ontwikkeld. Verder geeft deze studie argumenten om verder te gaan met praktijkverkleining. De invoering van afspraakspreekuren in plaats van inloopspreekuren lijkt van belang om de dagelijkse werkbelasting te reguleren.

Voornaamste conclusie van de studie is evenwel dat de werkdruk van een arts slechts een beperkte invloed heeft op het handelen van de huisarts. Dit betekent dat beleid dat vooral op de structurele aspecten is gericht, waarschijnlijk minder effectief zal zijn.

Jack B.F. Hutten
Workload and provision of care in general practice. An empirical study of the relation between workload of Dutch general practitioners and the content and quality of their care
Amsterdam, Thesis Publishers, 1998.


-balk.gif (1076 bytes)



reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie