Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Lijst van vragen handleiding opsporingspraktijk

Datum nieuwsfeit: 04-04-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

lijst van vragen handleiding opsporingspraktijk
Gemaakt: 4-4-2000 tijd: 16:56

Nr. LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld

De vaste commissie voor Justitie heeft over de brief van de minister van Justitie d.d. 31 januari 2000 inzake de handleiding ten behoeve van de opsporingspraktijk (J 00 - 84), alsmede de handleiding de navolgende vragen ter ............. aan de regering voorgelegd. Deze vragen, alsmede de daarop op ... gegeven .......... zijn hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Van Heemst

De griffier voor deze lijst,

Kroes

Op welke wijze zal het handboek actueel worden gehouden? Laat het handboek ruimte voor ontwikkeling van de opsporingspraktijk, bijvoorbeeld voor ontwikkelingen ten gevolge van het verdrag met betrekking tot computercriminaliteit?

Is de definitieve versie van het handboek, hoewel nog niet verspreid, al gedrukt? Zo ja, wordt dan niet op de politieke besluitvorming vooruit gelopen?

Wanneer wordt, verdere, invulling aan hoofdstuk drie en vier gegeven?

§ 1.3.3

Geeft de toelichting inzake «voldoende mate van zekerheid» niet te ruime mogelijkheden om aan dit begrip een vrije invulling te geven? Is het, met het oog op jurisprudentie, mogelijk dit vereiste nader in te vullen?

§ 1.3.4

Van uitstel is sprake vanaf het moment dat daadwerkelijk tot ingrijpen kan worden overgegaan. Hoever kan dit gaan, gezien de mogelijkheid dat als gevolg van het noodzakelijke tijdsverloop de mogelijkheid van inbeslagneming is komen te vervallen?

§ 1.4.3

In hoeverre dient er ter terechtzitting over het verkennend onderzoek verantwoording te worden afgelegd, nu ten aanzien van dit onderzoek niet de verbaliseringsplicht van art. 152 WvSv geldt? Hoe verhoudt zich dit tot het «fair trial» beginsel? Wordt hiermee niet tekort gedaan aan de stelling dat voor de start en richting van het onderzoek essentiële informatie bij proces-verbaal dient te worden gerelateerd?

Hoe verhoudt zich het ontbreken van de verplichting tot opmaken van een proces-verbaal, indien de onderzoeksverrichting of onderzoeksbevinding iedere relevantie mist, dan wel redelijkerwijs niet van belang kan zijn voor enige door de rechter in het eindonderzoek te nemen beslissing, tot de verplichting alle in het onderzoek verrichte opsporingsactiviteiten waarbij sprake is geweest van enige inbreuk op rechtens erkende belangen bij proces-verbaal te verantwoorden?

§ 1.5

Hoe dient het Openbaar Ministerie (OM) te reageren indien een geheimhouder, bijvoorbeeld een arts, meldt dat hij een bolletjesslikker heeft behandeld en hij meldt wie dat was? Hoe dient het OM te reageren indien een arts meldt dat iemand met schotwonden een ziekenhuis wordt binnengebracht? Hoe dient het OM te reageren indien een geheimhouder, bijvoorbeeld een notaris, meldt dat er een miljoeneninvestering van criminele winsten zal worden gedaan in de bovenwereld?

§ 1.6

Hoe heeft de minister zijn belofte gestand gedaan om aanbeveling 16 van de Tijdelijke Commissie Evaluatie Opsporingsmethoden (Kamerstukken II, 1999 - 2000, nr. 26269, nr. ) in het implementatietraject rond de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (BOB) mee te nemen?

§ 1.6.5

De genoemde voorbeelden uit de jurisprudentie laten geen gevallen zien waarin de rechter heeft bepaald dat de identiteit van een informant onthuld moest worden en dat de informant zelf moest worden gehoord. Heeft een dergelijk geval zich nog nooit voorgedaan? Indien de rechter al wel eens heeft geoordeeld dat de identiteit van een informant moest worden onthuld, hoe verhoudt deze beslissing zich tot hoofdstuk 1.6 over afscherming?

§ 1.7.3

Wat is de wettelijke basis voor het uitstel van de schriftelijke mededeling aan betrokkene, wanneer het belang van het onderzoek is gelegen in een ander opsporingsonderzoek?

§ 1.6

Internationale rechtshulpverzoeken worden behandeld door de Officier van Justitie. Is deze gehouden aan inschakeling van bijvoorbeeld de Hoofdofficier van Justitie indien het zou gaan om een verzoek tot afzien van inbeslagname? Moet telkens de bij het verzochte middel betrokken hogere instantie worden ingeschakeld?

§ 1.6.3

In de toelichting wordt niet telkens ingegaan op de gevolgen van het niet voldoen aan de gegeven voorschriften. In deze paragraaf wordt bijvoorbeeld wel gesteld dat bij onevenredige schade aan de verdediging van de verdachte de rechter kan besluiten tot uitsluiting van bewijs of tot niet-ontvankelijkheid van de Officier van Justitie. Waarom is er geen algemene paragraaf opgenomen met de gevolgen van niet-conformiteit?

§ 1.7.3

Is een vaste redactie gehanteerd bij het onderscheid tussen limitatieve en enuntiatieve opsommingen? Bijvoorbeeld: een reden om aan de mededelingsplicht geen uitvoering te gegeven, kan zijn gelegen in de veiligheid van betrokkene. In tegenstelling tot ... is gelegen in de veiligheid van betrokkene.

§ 2

Procedures waaraan geen specifieke invulling is gegeven door wetgeving en die lokaal door de Officier van Justitie kunnen worden ingevuld, hebben slechts een toelichtend karakter. Is uniformiteit hier geen doel? Welke mate van afwijking van de toelichting is toegestaan?

§ 2.8.3

Indien de Officier van Justitie achteraf concludeert tot aanvaardbaarheid van het verrichten van pseudo-koop of pseudo-dienstverlening, waarin niet was voorzien in het bevel, dan kan deze besluiten niet tot vervolging over te gaan. Indien de officier van justitie deze conclusie niet trekt, is deze dan verplicht tot vervolging over te gaan?

Wat kan wel en wat kan niet worden aangemerkt als «participatie binnen de groep»?

§ 2.8.4

Welke maatregelen zijn genomen om ervoor te zorgen dat men tijdig kan onderkennen of de pseudo-koop of pseudo-dienstverlening in de richting van infiltratie gaat?

§ 2.9.3

De desbetreffende artikelen over pseudo-koop kennen een verwijzing naar Wetboek van Strafvordering art. 126w, zevende en achtste lid, maar niet naar het zesde lid, waarin de toestemming voor strafbare handelingen wordt geregeld. Staat de Wet BOB toe dat de officier middels een schriftelijke opdracht een burger in het kader van pseudo-koop of pseudo-dienstverlening toestemming verleent voor het plegen van strafbare feiten? Is hier sprake van een omissie in de wet?

Gaat het bij de subsidiariteitseis bij burgerpseudo-koop om een absolute onmogelijkheid om een opsporingsambtenaar in te schakelen of betreft het een relatief criterium? Wanneer is sprake van een bevel dat niet aan een opsporingsambtenaar kan worden gegeven?

§ 2.10.3

Het bevel tot politiële infiltratie kan mede de bevoegdheid tot politiële pseudo-koop of pseudo-dienstverlening omvatten. Is hiervoor een expliciete opname in het bevel noodzakelijk of kan het uit de bewoording van het infiltratiebevel worden afgeleid?

§ 2.11.7

Waarom wordt in het tweede voorbeeld gesteld dat wanneer de groep niet meer actief zou zijn, geen overeenkomst burgerinfiltratie zou kunnen worden gesloten, maar stelselmatige informatie-inwinning nog wel aan de orde zou kunnen zijn? Burgerinfiltratie die nog wel zou kunnen blijkens de eerste alinea kan toch niet plaatsvinden met behulp van een lid van de bedoelde criminele groepering?

§ 3.0

Wanneer zullen paragraaf 3.1 tot en met 3.5 worden ingevuld?

§ 6.0

Wanneer zullen de ontbrekende modellen zijn opgesteld?

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie