Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Inbreng PvdA verslag wijziging wet vennootschapsbelasting

Datum nieuwsfeit: 05-04-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Partij van de Arbeid

Den Haag, 5 april 2000

 

INBRENG PVDA-FRACTIE T.B.V. HET VERSLAG BIJ HET WETSVOORSTEL WIJZIGING VAN DE WET OP DE VENNOOTSCHAPSBELASTING 1969 C.A. (HERZIENING FISCALE EENHEID)(26 854)

Woordvoerder: Rik Hindriks

Algemeen

De leden van de Partij van de Arbeid hebben met belangstelling kennis genomen van bovenvermeld wetsvoorstel. Zij zien een aantal wijzigingen als een verbetering voor een soepele werking van het regime van de fiscale eenheid. Zij zijn tevens verheugd over de wijzigingen met het karakter van antimisbruik bepalingen. Zij hebben echter nog de volgende vragen.

Voorgesteld wordt de zestien standaardvoorwaarden die worden gesteld aan een fiscale eenheid in de wet op te nemen en de nadere uitwerking op te nemen in een algemene maatregel van bestuur. Deze leden vragen wanneer deze algemene maatregel van bestuur verwacht kan worden. Voor een goed oordeel lijkt het nodig om zo spoedig mogelijk de beschikking te hebben over de algemene maatregel van bestuur.

Belastingheffing op basis van volledige consolidatie

Door de vervanging van de "opgaan in" benadering door "volledige consolidatie" zouden de gevoegde dochtermaatschappijen in de toekomst subjectief belastingplichtig blijven, wat een aantal voordelen met zich meebrengt. De leden van de PvdA vragen zich af of de gevoegde dochtermaatschappijen binnen de "opgaan in" benadering niet tevens subjectief belastingplichtig blijven voor de vennootschapsbelasting en dat slechts hun belastingobject tijdens het bestaan van de fiscale eenheid aan de moedermaatschappij wordt toegerekend. De aan het "opgaan in" benadering gekoppelde vermogensconsolidatie past in elk geval uitstekend bij de ook in het wetsvoorstel omarmde gedachte om de fiscale eenheid als een intern reorganisatie-instrument te laten fungeren. Zij vragen zich ook af of de vervanging van de "opgaan in" benadering door "volledige consolidatie" noodzakelijk is.

Gevolgen van de zelfstandige belastingplicht

Op blz. 7 van de memorie van toelichting wordt aandacht besteed aan de toepassing van artikel 11, de investeringsaftrek. Hoe moet deze bepaling worden geïnterpreteerd, zo vragen deze leden ingeval een gevoegde rechtspersoon in een bedrijfsmiddel investeert en dit bedrijfsmiddel vervolgens aan een andere tot dezelfde fiscale eenheid behorende maatschappij ter beschikking stelt. In het huidige fiscale eenheidsregime kan er geen twijfel over bestaan dat een dergelijke terbeschikkingstelling het verlenen van een investeringsaftrek niet in de weg staat, aangezien als gevolg van de fiscale vermogensconsolidatie voor de heffing van vennootschapsbelasting geen sprake is van een terbeschikkingstelling, laat staan van een terbeschikkingstelling aan een derde. De zelfstandige belastingplicht van gevoegde maatschappijen doet vermoeden dat de betrokken belastingplichtige in het wetsvoorstel geen investeringsaftrek kan claimen.

Heeft de vervanging van "opgaan in" door belastingheffing op basis van volledige consolidatie gevolgen voor de samenloop tussen artikel 10a en artikel 15 van de VPB, zo vragen deze leden. Zal indien een moedermaatschappij van een fiscale eenheid een lening verstrekt aan een niet gevoegde kleindochter, die op haar beurt met de verkregen geldmiddelen een dividend uitkeert aan de gevoegde dochtermaatschappij, deze lening

worden aangemerkt als een transactie in de zin van artikel 10a, lid 1 (huidige situatie), VPB of als een transactie in de zin van artikel 10a, lid 2, onderdeel a? Dit is namelijk van belang voor het al dan niet van toepassing zijn van de tegenbewijsregeling van artikel 10a, lid 3 VPB. Laatstgenoemd artikel is in de huidige situatie niet van toepassing.

Wat zijn de mogelijke gevolgen van de zelfstandige belastingplicht voor het concernfinancieringsregime? Zullen financieringen binnen de fiscale eenheid van belang zijn, zo vragen de leden van de PvdA.

Totstandkoming en beëindiging van een fiscale eenheid

Onder de huidige regeling kan een fiscale eenheid ten vroegste tot stand komen met ingang van het jaar waarin het verzoek hiertoe is ingediend, mits de moedermaatschappij sinds het begin van dat jaar alle aandelen van de dochtermaatschappij bezit. Het gevolg is dat indien een moedermaatschappij sinds het begin van het jaar alle aandelen bezit en pas aan het eind van het jaar een verzoek doet om als fiscale eenheid te worden aangemerkt, deze fiscale eenheid toch met ingang van datzelfde jaar tot stand komt. De leden van de PvdA vragen zich af of de voorgestelde regeling, waarbij op verzoek op ieder gewenst moment een fiscale eenheid kan worden aangegaan, lijkt te leiden tot een termijnverkorting. Indien namelijk een moedermaatschappij sinds het begin van het jaar in het bezit is van alle aandelen van de dochtermaatschappij en pas aan het eind van het jaar een verzoek doet, is dit niet binnen drie maanden na het beoogde voegingstijdstip en zal de fiscale eenheid niet met ingang van dat jaar gevormd kunnen worden.

De leden van de PvdA vragen zich af waarom de belastingplichtige niet de mogelijkheid wordt geboden om een fiscale eenheid op verzoek met terugwerkende kracht tot het begin van het boekjaar te verbreken. Een dergelijke verbreking kan immers zonder extra afsluiting van de boeken gebeuren. Uiteindelijk is er ook sprake van terugwerkende kracht indien een dochter in hetzelfde jaar wordt gevoegd en ontvoegd (artikel 15, zevende lid VPB).

Grensoverschrijdende aspecten

In paragraaf 5.2. worden een aantal situaties geschetst waarin het mogelijk is om een fiscale eenheid te vormen met een vaste inrichting van een buitenlandse belastingplichtige. De leden van de PvdA vragen zich af waarom de fiscale eenheid tussen twee Nederlandse dochters van een buitenlandse moeder die niet over een Nederlandse vaste inrichting beschikt waaraan de aandelen van de twee Nederlandse dochters moeten worden gerekend niet is geregeld. Dit is wel mogelijk op grond van artikel 24, vijfde lid, OESO-modelverdrag alsmede op grond van artikel 43 EG-verdrag betreffende de vestigingsvrijheid van ondernemingen. In deze situatie kan het wenselijk zijn dat de twee Nederlandse dochtermaatschappijen een fiscale eenheid kunnen vormen.

Zijn de voorgestelde bepalingen ook van toepassing op vaste vertegenwoordigers, zo vragen deze leden.

Moet het begrip vaste inrichting worden geïnterpreteerd als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onderdeel a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, of conform het toepasselijk verdrag?

Vestigingsplaatsfictie

In het wetsvoorstel wordt geregeld dat lichamen die deel uitmaken van een fiscale eenheid feitelijk in Nederland gevestigd dienen te zijn. Dit kan een belemmering vormen voor het vormen van een fiscale eenheid met een lichaam dat naar het recht is opgericht van een land dat de leer van de werkelijke zetel volgt. In een dergelijk land, zoals bijvoorbeeld Duitsland, kan de verplaatsing van de werkelijke zetel naar Nederland tot gevolg hebben dat het lichaam ophoudt te bestaan. Het feitelijk gevestigd dienen te zijn in Nederland leidt in deze situaties tot ongewenste gevolgen. Zijn deze gevolgen in de besluitvorming betrokken, zo vragen deze leden.

Dient de vestigingsplaatsfictie van artikel 2, vierde lid, VPB te vervallen voor de toepassing van artikel 15 VPB, zo vragen deze leden. Artikel 15, derde lid, onderdeel c sluit namelijk al de mogelijkheid van deelname aan een fiscale eenheid uit voor naar Nederlands recht opgerichte vennootschappen die op grond van een belastingverdrag als ingezetene van het andere verdragsland worden aangemerkt en op die grond voor de toepassing van dat verdrag niet als ingezetene van Nederland gelden. Indien de vestigingsplaatsfictie van artikel 2, vierde lid VPB zou komen te vervallen voor de toepassing van artikel 15 VPB leidt dit ertoe dat deelname aan een fiscale eenheid niet alleen wordt uitgesloten voor deze verdragsgevallen, maar ook voor situaties waarin naar Nederlands recht opgerichte maar feitelijk buiten Nederland geleide vennootschap overigens onbeperkt Nederlands belastingplichtig blijft. Is met deze uitsluiting rekening gehouden, zo vragen deze leden.

Verrekening van verliezen

In het wetsvoorstel wordt de onbeperkte termijn van verliesverrekening gehandhaafd. De leden van de PvdA vragen waarom de ingewikkelde exercitie van winsttoerekening niet kan worden beperkt tot acht jaar (oude termijn voorwaartse verliesverrekening), zonodig gecombineerd met een verrekening zonder beperkingen van de na de acht-jaarstermijn nog niet verrekende verliezen. Uiteindelijk wordt in de memorie van toelichting aangegeven dat gebleken is dat verliezen meestal binnen de "oude" achtjaarstermijn verrekend kunnen worden, zodat budgettaire redenen een dergelijke regeling niet in de weg kunnen staan.

Verrekening van verliezen na de fiscale eenheidsperiode

In tegenstelling tot de huidige 14e standaardvoorwaarde fiscale eenheid kunnen voorvoegingsverliezen onbeperkt worden verrekend met navoegingswinsten indien er geen fiscale eenheid meer is. Deze verliezen kunnen ook worden verrekend met de winsten afkomstig uit vermogensbestanddelen die door andere gevoegd geweest zijnde lichamen indertijd tijdens de fiscale eenheid naar de moedermaatschappij zijn overgeheveld. De in het voorgestelde 15ag, vierde lid VPB neergelegde beperking ziet namelijk alleen ontvoegde dochtermaatschappijen terwijl artikel 15af VBP alleen ziet op situaties waarin sprake is van een fiscale eenheid. Is dit de bedoeling van de staatssecretaris is geweest, zo vragen deze leden.

Een nieuwe mogelijkheid vormt het kunnen verrekenen van fiscale eenheidsverliezen die aan de ontvoegde dochtervennootschap zijn toe te rekenen met de eigen navoegingswinsten. Er wordt vermeld dat de commerciële jaarstukken een belangrijk hulpmiddel kunnen zijn bij het bepalen van de wijze waarop de verliezen aan een te ontvoegen dochtermaatschappij moeten worden toegerekend. Aangezien het jaarrekeningenrecht op vele punten afwijkt van het fiscale recht lijkt deze aanwijzing niet voldoende om duidelijkheid te scheppen. Kan meer duidelijkheid worden gegeven over de wijze van verliesverrekening, zo vragen deze leden.

Alhoewel een zelfstandige belastingplicht van een gevoegde dochtermaatschappij hoofdregel is in voorliggend wetsvoorstel, is het niet mogelijk om na verbreking van een fiscale eenheid verliezen van de dochter te verrekenen met de door die maatschappij tijdens de fiscale eenheid behaalde winsten.

Gegeven de voorgestelde zelfstandige winstberekening per maatschappij wordt in de nieuwe regeling ten onrechte niets geregeld ten aanzien van volgtijdige voegingen. Indien bijvoorbeeld een reeds bestaande fiscale eenheid wordt gevoegd, kan het niet zo zijn dat binnen die reeds bestaande fiscale eenheid geleden verliezen tengevolge van de latere voeging nog slechts verrekenbaar zijn met de winsten van de maatschappij waar die verliezen oorspronkelijk zijn geleden. Het ligt voor de hand dat dergelijke verliezen na die latere voeging kunnen worden verrekend met de gehele winst van die voordien reeds bestaande fiscale eenheid. Welke bezwaren ziet de staatssecretaris om dit expliciet in de voorgestelde regeling op te nemen, zo vragen deze leden.

Overdracht van vermogensbestanddelen binnen fiscale eenheid

Aangegeven wordt dat het "ten goede komen" criterium wordt geschrapt. Er wordt geredeneerd dat formeel boekhoudkundig winst wordt gerealiseerd. Er wordt niet gekeken naar wat materieel wordt gerealiseerd. Kan hier geen overkill optreden, zo vragen deze leden. De afrekening kan ook meerwaarden omvatten die toehoren aan maatschappijen die deel blijven uitmaken van de fiscale eenheid, in tegenstelling tot de huidige sanctie in de 16e standaardvoorwaarde fiscale eenheid. Indien een splitsing van een fiscale eenheid aanleiding geeft om af te rekenen over voordelen die nog niet eerder tot uitdrukking zijn gekomen, kan men zich afvragen of artikel 15ai niet overbodig is. Kan de staatssecretaris hierover een nadere toelichting geven.

Is overwogen om van het systeem van herwaardering naar de waarde in het economische verkeer over te stappen op de bij overdracht gerealiseerde boekwinst verminderd met de afschrijving, zo vragen deze leden.

Diversen

buitenlandse resultaten

Het gezamenlijk bedrag van de belastingverminderingen van de lichamen mag niet groter zijn dan het bedrag van de belasting berekend over het geconsolideerde resultaat. Het is de leden van de PvdA niet duidelijk in het geval dat de wereldwinst niet voldoende is om alle rechten van gevoegde lichamen op voorkoming van dubbele belasting volledig te kunnen honoreren hoe het voor voorkoming beschikbare bedrag dient te worden verdeeld. Kan de staatssecretaris dit toelichten?

Overig

In het wetsvoorstel wordt niets gezegd over de 13e standaardvoorwaarde fiscale eenheid, terwijl daar vanuit de literatuur kritiek op is geleverd. Op grond van de huidige 13e standaardvoorwaarde fiscale eenheid dient de schuldeiser haar concernvordering bij splitsing te waarderen op bedrijfswaarde met als bovengrens de nominale waarde. De achtergrond van deze voorwaarde is het voorkomen van een afwaardering door de schuldeiser na het splitsingstijdstip tengevolge van de verliespositie van de schuldenaar. Dergelijke verliezen worden namelijk geacht reeds te zijn opgenomen in het resultaat van de fiscale eenheid voor de splitsing. Anders dan in de 2e standaardvoorwaarde fiscale eenheid wordt echter niets geregeld omtrent de waardering op het niveau van de debiteur. De debiteur zal de schuld hoogstwaarschijnlijk op nominale waarde waarderen. Hierdoor kan dubbele heffing optreden. Indien een vordering door de crediteur op een lager bedrag dan de nominale waarde wordt gewaardeerd en de debiteur uiteindelijk in staat blijkt de schuld volledig af te lossen, staat tegenover een belaste winst bij de crediteur geen corresponderende aftrekpost bij de debiteur. In de literatuur wordt daarom voorgesteld op het splitsingstijdstip de vordering bij de schuldeiser en de schuldenaar in de fiscale balans op een zelfde bedrag te waarderen. Kan de staatssecretaris hierop een reactie geven, zo vragen deze leden.

Overgangsrecht

Lichamen waarvan de "besmette" termijn van zes boekjaren al is verstreken kunnen alsnog met een afrekening op de voet van artikel 15aiVPB worden geconfronteerd. Dit zal zich kunnen voordoen bij vermogensbestanddelen waarvoor onder het nieuwe regime een afschrijvingstermijn van meer dan tien jaren geldt, terwijl in het kader van de 16e standaardvoorwaarde fiscale eenheid een termijn van zes boekjaren in acht genomen moet worden. Er is in deze situatie sprake van terugwerkende kracht, zo vragen deze leden.

Een fiscale eenheid die niet aan de eisen voldoet voor het nieuwe regime vervalt op de datum van de inwerkingtreding van het nieuwe regime. Dit geldt bijvoorbeeld voor een fiscale eenheid met een naar Nederlands recht opgerichte maatschappij waarvan de feitelijke leiding in het buitenland wordt gevoerd. Is overwogen een overgangsrecht op te nemen voor dit soort situaties, zo vragen de leden van de PvdA.

Overig

Ten slotte vragen de leden van de fractie van de PvdA om een reactie op de commentaren van VNO-NCW van 11 januari 2000, Stibbe Simont Monahan Duhot van 13 januari 2000, Universiteit van Amsterdam van 18 januari 2000, Price WaterhouseCoopers NV van 14 januari 2000 en de NOB van 23 maart 2000, voorzover de vragen niet reeds in het voorgaande verslag zijn beantwoord.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onderdeel I (Artikel 13h van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

Waarom is artikel 13h VPB niet op dezelfde wijze aangepast als artikel 13c VPB? Waarom is in artikel 13h VPB niet een bepaling opgenomen op grond waarvan in het kader van een fiscaal gefacilieerde aandelenfusie, splitsing of juridische fusie buiten aanmerking gelaten voordeel vlak voor het aangaan van de fiscale eenheid tot de winst van de bezitter van die deelneming wordt gerekend? Of moet worden aangenomen dat artikel 15ab, eerste lid VPB wel artikel 13h VPB deelnemingen omvat maar niet 13c VPB deelnemingen.

Artikel I, onderdeel L (Artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

In artikel 15, derde lid, onderdelen d en e, VPB worden de eisen gesteld aan de rechtsvorm van een lichaam. De Raad van State vraagt waarom een stichting of vereniging niet van de faciliteit gebruik kunnen maken. In het nader rapport wordt gewezen op de beperkte belastingplicht van deze lichamen, en dat zij naar hun aard niet gericht zijn op het behalen van winst. Zij verkeert volgens het kabinet in een wezenlijk andere positie dan bijvoorbeeld een N.V. of een B.V. De benadering van de wetgever is dus kennelijk dat indien en voor zover een vereniging of een stichting een onderneming drijft, zij geacht wordt naar winst te streven. Dit geeft aanleiding om belastingplicht aan te nemen. Maar ondanks het gericht zijn op het behalen van winst wordt toch gesproken over een wezenlijk andere positie.

Is het vierde lid, tweede volzin en onderdeel a ook van toepassing indien de buitenlands belastingplichtige een gedeelte van een onderneming drijft in Nederland conform artikel 49, eerste lid onderdeel a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, of slechts indien de gehele onderneming in Nederland wordt gedreven?

Artikel I, onderdeel M (Artikelen 15aa tot en met 15aj van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

Artikel 15ac

In het derde lid wordt bepaald dat een maatschappij aannemelijk zou moeten maken dat de in dat onderdeel bedoelde voordelen niet tot zijn winst zouden behoren indien die maatschappij geen deel zou uitmaken van die fiscale eenheid. Er zal een berekening moeten worden gemaakt van het compensabele verlies dat in het jaar van kwijtschelding aanwezig zou zijn geweest bij de desbetreffende maatschappij indien deze niet gevoegd zou zijn. De vraag doet zich voor hoe dit verlies bepaald moet worden. In veel situaties zal geen nauwkeurige enkelvoudige winstberekening aanwezig zijn.

Een tweede vraag is of de bepaling in het derde lid ook in het voordeel van belastingplichtigen kan werken in een situatie waarin het verlies van de fiscale eenheid groter is dan het verlies dat aan de desbetreffende maatschappij moet worden toegerekend.

Artikel 15ag

Op grond van het zesde lid kan een verzoek worden ingediend bij de inspecteur. Wordt dit verzoek niet ontvankelijk verklaard indien het na het ontvoegingstijdstip is gedaan? Wordt in de beschikking het verlies gespecificeerd, of wordt alleen aangegeven dat een verlies aan een dochtermaatschappij wordt meegeven?

Artikel 15ae

In het voorgestelde eerste lid wordt de verbonden natuurlijke persoon expliciet naast het verbonden lichaam genoemd, terwijl vervolgens in het vijfde lid wordt aangegeven dat deze bepaling overeenkomstige toepassing vindt indien de in het eerste lid bedoelde renten verschuldigd zijn aan een verbonden natuurlijk persoon. Het verdient aanbeveling de woorden "of een natuurlijk persoon" in het eerste lid te schrappen.

Artikel 15ai

In het tweede lid zijn een aantal situaties opgenomen waarin het eerste lid geen toepassing vindt. Waarom is er niet een algemene bepaling opgenomen op grond waarvan een belastingplichtige in de gelegenheid wordt gesteld om aannemelijk te maken dat de handelingen niet zijn ingegeven door (overwegend) fiscale motieven. Dan is er geen beperking tot de in het tweede lid bedoelde situaties. Zakelijke overdrachten kunnen uit een veel breder scala aan motieven blijken.

In het tweede lid, onderdeel a, is de omschrijving van besmette transacties in negatieve zin bijgesteld. Niet langer behoeven transacties uitsluitend te passen bij de aard en omvang van de normale bedrijfsuitoefening van de te ontvoegen dochtervennootschap, maar volgens de voorgestelde wettekst zullen de aard en omvang van de normale bedrijfsuitoefening van de overnemer en de overdrager in ogenschouw moeten worden genomen. In de memorie van toelichting wordt hier geen aandacht aan besteed. Een toelichting lijkt gewenst. Evenals een toelichting op de begrippen "aard en omvang" en "normale bedrijfsuitoefening". In de praktijk zullen deze vage begrippen anders moeilijk hanteerbaar zijn.

In het tweede lid, onderdeel b, wordt de eis gesteld dat er sprake moet zijn van uitreiking van eigen aandelen. Is dit ook nodig indien er een overdracht plaats vindt van een onderneming door een dochtervennootschap aan haar moedermaatschappij, of een overdracht tussen twee zustermaatschapijen? Indien een onroerende zaak met een afschrijvingstermijn van meer dan tien kalenderjaren onderdeel uitmaakt van een over te dragen onderneming geldt dan voor deze onroerende zaak een termijn van drie jaar of tien jaar?

In het tweede lid onderdeel c wordt in plaats van een besmette termijn van zes boekjaren nu gesproken over kalenderjaren. Wordt de besmette termijn op deze wijze met maximaal één jaar verlengd? Wat wordt in dit verband onder kalenderjaren verstaan?

Artikel 15aj

In de laatste alinea wordt vermeld dat indien een buitenlands belastingplichtige daarnaast nog uit andere bronnen binnenlands inkomen zou genieten hij daarvoor afzonderlijk in de heffing wordt betrokken op de voet van artikel 17 VPB en dat daarvoor ook afzonderlijk een aanslag wordt vastgesteld. Het lijkt of de mogelijkheid tot horizontale verliesverrekening van bestanddelen van het binnenlands inkomen is komen te vervallen. Dit zou tot gevolg kunnen hebben dat zonder nadere regeling de verliezen geleden binnen een vaste inrichting, die niet binnen de fiscale eenheid zijn verrekend, niet langer kunnen worden afgezet tegen eventuele positieve inkomsten uit andere vermogensbestanddelen.

Artikel III, onderdeel A (Artikel 24, tweede lid, van de Invorderingswet 1990)

Voorgesteld wordt om de mogelijkheid tot verrekening van belasting te verruimen. Er kan ook verrekend worden met andere belastingen dan de vennootschapsbelasting. De Raad van State heeft hier een opmerking over gemaakt in punt 21. Naar aanleiding van de opmerking van de Raad van State en de reactie hierop zou gevraagd kunnen worden of de Staatssecretaris ook overwogen heeft om de fiscale eenheid uit te breiden tot andere belastingen zoals loon-, omzet-, overdrachts- en kapitaalsbelasting.

Een bestaand probleem is de vraag of door terugwerkende kracht de in dat jaar toegepaste verrekening in stand kan blijven. Door het wetsvoorstel zal dit probleem aanmerkelijk worden verkleind. Immers het voorgestelde artikel 15, zesde lid VPB neemt de terugwerkende kracht weg. Wel zal terugwerkende kracht blijven gelden bij een voeging van een dochter gevolgd door een ontvoeging in hetzelfde boekjaar. Het voorgestelde artikel 15, zevende lid, VPB, bepaald dat de fiscale eenheid met de dochter dan niet geacht wordt totstandgekomen te zijn. Het is mogelijk dat er tijdens de periode dat de dochter deel uitmaakte van de fiscale eenheid de dochter betrokken is geweest bij een verrekening. De vraag kan dan worden gesteld of de verrekening dan ongedaan zal worden gemaakt.

 

 

 

 

 

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie