Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief VenW inzake evaluatie gebruik secundaire grondstoffen

Datum nieuwsfeit: 06-04-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief VenW evaluatie gebruik secundaire grondsto ffen

Gemaakt: 10-4-2000 tijd: 14:32


2

Aan de Voorzitter van de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat

's-Gravenhage, 6 april 2000

Onderwerp:

Evaluatie gebruik secundaire grondstoffen

Hierbij doe ik u toekomen de antwoorden op de door u gestelde vragen naar aanleiding van mijn brief HKW/AKO 1999/12402 van 15 december
1999. Met die brief zond ik u toe de evaluatie over het jaar 1998 van het gebruik van secundaire grondstoffen in de eigen werken van Rijk en Provincies.

Hoogachtend,

DE STAATSSECETARIS VAN VERKEER EN WATERSTAAT,

drs J.M. de Vries1. Op welke wijze stimuleert het ministerie het gebruik van secundaire grondstoffen, zowel bij provincies als bij de rijksdiensten?

Antw.: In het kader van de totstandkoming van het eerste Structuurschema Oppervlaktedelfstoffen heeft de toenmalige Minister van Verkeer en Waterstaat in 1994 met de provincies de bestuurlijke afspraak gemaakt dat de provincies en de Rijkswaterstaat een jaarlijks toenemend percentage secundaire grondstoffen bij de eigen werken zullen toepassen. Ook voor andere rijksdiensten ging deze afspraak gelden. Tevens werd afgesproken gegevens te verzamelen om deze afspraak te monitoren.
Hiermee is destijds een belangrijke stap gezet met betrekking tot het daadwerkelijk stimuleren van het gebruik van secundaire grondstoffen door de provincies en de rijksdiensten. Daarnaast is en wordt door V&W/RWS, vaak samen met andere betrokkenen en veelal in CUR en CROW kader, doorlopend onderzoek verricht. De onderzoeksresultaten zijn ter beschikking van een ieder.
Uiteraard zijn bij het bevorderen van het hergebruik in de bouw ook van groot belang instrumenten zoals het stortverbod voor herbruikbare afvalstoffen en de belasting op het storten van afvalstoffen waarvoor primair andere ministeries verantwoordelijk zijn.

2. Wat was de omvang van het werkenpakket waarmee het gebruik van secundaire grondstoffen samenhangt, in 1998 en waar bestond het uit? Welke werkenpakketten worden door het ministerie onderscheiden, en is er voor de verschillende pakketten inzicht in de ontwikkeling van het gebruik van secundaire grondstoffen? Hoe verhoudt zich dit tot eerdere jaren? Kan de staatssecretaris een overzicht geven van de percentages gebruikte secundaire grondstoffen, in verhouding tot het werkenpakket?
De in mijn brief HKW/AKO 1999/12402 genoemde term werkenpakket is niet bedoeld als een classificeerbaar en kwantificeerbaar systeem, maar als algemene aanduiding voor de mix van grond, weg- en waterbouwkundige werken (wegen, waterkeringen, oevervoorzieningen, sluizen etc.) die jaarlijks wordt uitgevoerd. Deze mix varieert nogal en daardoor varieert ook de mogelijkheid voor de inzet van secundaire grondstoffen. Ter illustratie: het in de besteksadministratie van de Rijkswaterstaat geregistreerde gebruik van ophoogzand bij de Rijkswaterstaat varieerde in de periode 1989-1996 tussen 3 en 7 mln m3 per jaar. Een kwantificering van het daadwerkelijke en potentiële gebruik van secundaire grondstoffen in relatie tot het werkenpakket van de rijksdiensten en provincies zou een diepgaande analyse vergen, die is niet gemaakt.


3. Hoe stond het in 1998 met de beschikbaarheid van secundaire grondstoffen, en hoe verhoudt zich dit tot eerdere jaren? Was het teruglopend gebruik van secundaire grondstoffen in 1998 hoofdzakelijk het gevolg van een kleiner werkenpakket, van een krappere beschikbaarheid van secundaire grondstoffen, of van andere factoren? Wat zijn de verwachtingen voor 1999 en 2000?

De productie en daarmee de beschikbaarheid van secundaire grondstoffen in ons land is over de afgelopen jaren langzaam toegenomen. De totale productie groeide bijvoorbeeld van 28 mln ton in 1997 naar 29 mln ton in 1998. Op dit punt zijn de gegevens redelijk betrouwbaar. Datgene wat wordt geproduceerd aan

secundaire grondstoffen wordt ook afgezet in de bouw. Er is alleen soms sprake van tijdelijke opslag, omdat niet altijd productie en toepassing in de tijd op elkaar aan sluiten.

Of er sprake is geweest van een teruglopend gebruik van secundaire grondstoffen bij rijksdiensten en provincies gezamenlijk in 1998 t.o.v. 1997 volgt niet zonder meer uit de verstrekte gegevens, omdat, zoals daarin ook is gemeld, die gegevens niet geheel volledig zijn. Met name over 1998 hebben vrij veel provincies geen gegevens verstrekt. Ook is gemeld dat de gegevens van de Rijkswaterstaat niet compleet zijn.
In algemene zin mag worden verwacht dat, gezien de verwachte geleidelijke toename van de productie van secundaire grondstoffen in ons land als gevolg van een voorziene geleidelijke stijging van de productie van afvalstoffen (met name bouw- en sloopafval) , de omvang van de bij rijksdiensten en provincies gezamenlijk toegepaste hoeveelheden secundaire grondstoffen ook geleidelijk zal stijgen.

4 en 5. Wat bedoelt de minister met de term «beschikbaarheid» in verband met secundaire grondstoffen? Houdt dit beschikbaarheid tegen dezelfde prijs in? (blz. 1).
Hoe is het mogelijk dat de beschikbaarheid van secundaire grondstoffen een probleem zou vormen bij het vergroten van het aandeel dat gebruikt wordt in werken? Betekent dit dat er geen probleem bestaat met betrekking tot een overschot aan materialen die in aanmerking zouden komen voor hergebruik? (blz. 1).

De meeste van de technisch en milieuhygiënisch voor hergebruik in de bouw geschikte of geschikt te maken afvalstoffen worden inmiddels voor circa 100% gebruikt als secundaire grondstoffen. Uitzonderingen zijn baggerspecie en grond uit geboorde tunnels. Zie onderstaande tabel.

Productie voor hergebruik in de bouw geschikte c.q. (mogelijk) geschikt te maken afval- en reststoffen en daadwerkelijk hergebruik daarvan (afzet a1s secundaire grondstof). Gegevens 1997.

Afval- c.q. reststof

Productie (mln ton/jaar)

Hergebruik

Opgebroken wegen asfalt


3,0


100%

AVI-bodemas


0,8


100%

Fosforslakken


0,6


100%

Gereinigde en licht-verontreinigde grond


7,7


96%

Grond uit boortunnels


0,1


0%

Bietentarra (klei aan gerooide bieten)


1,0


80%

Hoogovenslakken


1,2 (+ import 1,5)


100%

Mijnsteen

p.m. (er is enige import)


100%

Poederkoolvliegas


0,8


100%

Baggerspecie


30 mln m3/jaar

< 1%

Bouw- en sloopafval


16

>90%

Rookgas ontzwavelingsgips


0,4


100%

Staalslakken


0,5


100%

Als onderkend wordt dat, afgezien van baggerspecie, de omvang van de beschikbare geschikte of te geschikt te maken afvalstoffen circa 15% van de totale bouwgrondstoffenbehoefte bedraagt, dan moge duidelijk zijn dat bij veel bouwwerken meestal niet voldoende secundaire grondstoffen beschikbaar zijn.
Om dus nog veel meer primaire bouwstoffen zoals zand, grind en klei te vervangen door secundaire grondstoffen is niet de prijs het probleem, maar de onvoldoende beschikbaarheid van geschikte c.q. geschikt te maken afvalstoffen.

Bij baggerspecie is zijn de kosten om daar bruikbare bouwstof van te maken wel een groot probleem. Ik verwijs hierbij naar hetgeen recent met de Vaste Commissie voor V&W is besproken omtrent het hergebruik van baggerspecie. Tevens speelt bij baggerspecie, naast de milieuhygiënische kwaliteit, een rol dat alleen de klei en zandfractie in principe bruikbaar (te maken) zijn als bouwstof en niet de zwarte grond/humus fractie die soms een behoorlijke omvang heeft. Bij hergebruik van grond uit geboorde tunnels is het grootste probleem dat dit veelal niet, althans tot nu toe, als bouwstof herbruikbare (te maken) specie betreft: vaak betreft het veenachtige en humusrijke slappe grond.
Het voorgaande betekent niet dat er, afgezien van baggerspecie, niets meer te doen is op het punt van bevorderen van hergebruik in de bouw. Ten eerste zal, zeker vooralsnog, inspanning nodig zijn om bedreigingen van het bestaande hergebruik af te wenden. Een voorbeeld is de problematiek van het voorkomen van asbest in sloopafval. Een ander punt is dat het streven er op is gericht de geproduceerde secundaire grondstoffen hoogwaardiger toe te passen. Bijvoorbeeld de fijne fractie die beschikbaar komt bij de productie van puingranulaat uit bouw- en sloopafval toepassen als betonzand vervanger in plaats van als ophoogmateriaal.


6. Het merendeel van het gebruik van secundaire grondstoffen in 1998 komt op naam van Rijkswaterstaat. Zijn er tussen provincies en Rijkswaterstaat verschillen in opvatting over de wenselijkheid van het gebruik van secundaire grondstoffen, bijvoorbeeld wegens eventuele milieurisico's en aansprakelijkheid daarvoor? Speelt de vrees voor aansprakelijkheid voor mogelijke milieuschade überhaupt een rol? Zo ja, in welke mate? Zijn er mogelijkheden om deze vrees te verminderen? Zijn er nog andere mogelijke belemmerende factoren, zoals hogere transportkosten? Kan de staatssecretaris voor de belangrijkste secundaire grondstoffen de verschillen in transportkosten ten opzichte van primaire grondstoffen weergeven? Zijn er mogelijkheden om dit knelpunt aan te pakken?

Dat het merendeel van het gebruik van secundaire grondstoffen op naam komt van de Rijkswaterstaat heeft te maken met de wet van de grote getallen. Tussen de Rijkswaterstaat en de separate provincies is het verschil in aantal, soort en omvang van de werken in het werkenpakket over het algemeen vrij groot. Er is geen verschil van opvatting over de wenselijkheid van het gebruik van secundaire grondstoffen tussen Rijk en provincies. De bij het antwoord op vraag 1 gememoreerde bestuurlijke afspraak is indertijd mede geïnitieerd door de gezamenlijke provincies.

Met de inwerkingtreding van het Bouwstoffenbesluit is duidelijkheid gecreëerd over de milieuhygiënische randvoorwaarden voor toepassing van secundaire grondstoffen. Gebruik van secundaire grondstoffen die voldoen aan de eisen die in het Bouwstoffenbesluit worden gesteld levert, dat impliceert dit besluit, naar het oordeel van de wetgever dan ook geen onaanvaardbaar milieurisico op. Vrees voor aansprakelijkheid als gevolg van milieurisico is daarmee naar mijn mening ook weggenomen.

Transportkosten spelen geen belemmerende rol. Deze zijn in het algemeen gelijk voor secundaire en primaire grondstoffen. Er zitten uiteraard wel variaties in de transportkosten, afhankelijk van het (wisselende) traject van plaats van productie naar plaats van toepassing, maar dit geldt voor zowel de primaire als voor de secundaire grondstoffen. Gemiddeld gesproken worden secundaire grondstoffen dichter bij de plaats van productie toegepast dan primaire grondstoffen.


7. Waarom is het niet mogelijk om de hoeveelheid gebruikte primaire grondstoffen door Rijkswaterstaat vast te stellen, daar waar provincies en andere diensten dit wel kunnen? Wanneer kan de Kamer deze gegevens tegemoet zien?

Het vaststellen van de omvang van het gebruik van primaire grondstoffen per grondstof in Rijkswaterstaats-werken is geprobeerd via de geautomatiseerde bestekadministratie. Hierbij bleek niet een redelijk compleet beeld te realiseren, met name omdat in verband met nieuwe aanbestedingsvormen niet alle hoeveelheden meer in deze administratie worden opgenomen. Een separate administratie opzetten voor het redelijk betrouwbaar registreren van de hoeveelheden toegepaste primaire grondstoffen zou een relatief grote inspanning vergen en is daarom achterwege gelaten. Mede gelet op het inmiddels hoge percentage hergebruik van in de bouw (zie antwoord op vragen 4 en
5) wordt dit ook niet (meer) overwogen.

Ik merk hierbij nog op, mede naar aanleiding van het algemene punt met betrekking tot de onvolledigheid van de gegevens (zie antwoord op vraag 3), dat in het kader van het voorbereiden van deel 1 van het tweede structuurschema Oppervlaktedelfstoffen wordt heroverwogen of, en zo ja op welke wijze doorgegaan zal worden met het jaarlijks verzamelen van gegevens bij de provincies en rijksdiensten omtrent de mate waarin secundaire grondstoffen in de eigen werken worden toegepast en hoe hoog het percentage van secundaire grondstoffen is, uitgedrukt in procenten van het totale (primair + secundair) bouwgrondstoffen gebruik in die eigen werken.


8. Op welke wijze wordt onderzocht of materialen geschikt zijn voor secundaire grondstoffen? Is er bij provincie en rijksdiensten voldoende oog voor hergebruik van materialen als secundaire grondstof ? Wordt hierbij voldoende gekeken naar prijsverschillen, ook in relatie tot levenscycli van de grondstoffen? Hoe verhouden zich de levenscycluskosten van secundaire grondstoffen tot de levenscycluskosten van primaire grondstoffen?

Onderzoek naar de geschiktheid van afvalstoffen als secundaire grondstoffen is een meerjarig traject, bestaande uit laboratoriumonderzoek, praktijkproeven en het opstellen van technische regelgeving. Dit is erop gericht om te toetsen of de grondstoffen voldoen aan de functionele eisen ten aanzien van sterkte, levensduur, uitloging, herbruikbaarheid etc. die aan bouwgrondstoffen moeten worden gesteld. Op dit moment wordt dergelijk onderzoek gedaan voor de reststoffen die nog niet worden hergebruikt, en wordt pro-actief gezocht naar potentiële alternatieve afzetkanalen voor secundaire grondstoffen waarvoor in de toekomst afzetproblemen zouden kunnen ontstaan bijvoorbeeld omdat de huidige deelmarkt waarin deze secundaire grondstoffen momenteel worden toegepast een beperkte omvang heeft. Ook wordt onderzoek gedaan naar hoogwaardiger toepassingen van bestaand hergebruik.

Er is bij provincies en rijksdiensten, met name in de wegenbouw, veel aandacht voor secundaire grondstoffen. Bepaalde toepassingen, zoals puingranulaat in wegfunderingen en hergebruik van opgebroken wegenasfalt, zijn inmiddels volledig ingeburgerd. Ook bestaat er draagvlak voor proeven met nieuwe secundaire grondstoffen. Overigens zijn er in bepaalde gevallen wel weerstanden te overwinnen, bijvoorbeeld vanwege veelal vermeende technische risico's of het nogal eens reëel bestaande risico dat toepassing van secundaire grondstoffen tot vertragingen leidt bij de uitvoering van werken.

Bij het beoordelen van de prijs/prestatieverhouding van secundaire grondstoffen ten opzichte van primaire wordt ook aandacht gegeven aan de beheer- en onderhoudsfase.

De prijs/prestatieverhouding van secundaire grondstoffen is in het algemeen iets lager dan of gelijk aan die van primaire grondstoffen. Doordat voor veel afvalstoffen, door degene die er een secundaire grondstof van produceert, geld toe kan worden geëist van de ontdoener is de producent van een secundaire grondstof in staat zijn prijs op een concurrerend niveau te brengen. Daardoor hebben secundaire grondstoffen over het algemeen een goede marktpositie.


9. Op welke wijze wordt het gebruik van secundaire grondstoffen gestimuleerd bij aanbestedingen van werken?

Is daarbij een verschil tussen provincies en rijksdiensten?

In algemene zin is het niet nodig om de inzet van secundaire grondstoffen te stimuleren bij de aanbesteding van werken. De bulk aan secundaire grondstoffen (puingranulaat in wegfunderingen, hergebruik van opgebroken wegenasfalt) is zo ingeburgerd dat men dit in de praktijk niet meer als bijzonder beschouwt. De
prijs/prestatie-verhouding en marktacceptatie/-appreciatie is hierbij zodanig dat geen stimulans (meer) nodig is onder de huidige marktcondities. Voor enkele andere secundaire grondstoffen, met name die welke vallen in categorie 2 of de bijzondere categorie van het Bouwstoffenbesluit (dat wil zeggen de toepassing hiervan mag alleen geschieden onder meer(buitencategorie) of minder zware(categorie 2) z.g. IBC voorwaarden, dat zijn voorwaarden voor wat betreft Isoleren, Beheren en Controleren) is een stimulans soms wel noodzakelijk. De belangrijkste stimulans, bij aanbestedingen/uitgifte van werken, voor het gebruik van deze secundaire grondstoffen bestaat uit het in bepaalde gevallen voorschrijven van gebruik van secundaire grondstoffen. Verder bevorderd het systeem van aanbesteden van werken dat alternatief wordt ingeschreven t.o.v. het in het bestek voorgeschrevene. Hier wordt ook gebruik van gemaakt door met levering van secundaire grondstoffen in te schrijven in plaats van met de in het bestek vermelde primaire bouwgrondstoffen.

Voor gevallen als hiervoor bedoeld wordt door de Rijkswaterstaat op tijdelijke basis geaccepteerd dat hier een meerprijs mee gemoeid is. Voorzover mij bekend is dit laatste geen algemene regel bij de provincies.


10. Wat is het effect van geharmoniseerde CEN-normen en Europese richtlijnen op de inzet van secundaire grondstoffen? Wat is het effect van de normen van het bouwbesluit op de inzet van secundaire grondstoffen?

Het opstellen van geharmoniseerde Europese normen binnen het mandaat van de Europese Commissie voor wat betreft de z.g. Construction Products Directive zal naar mijn mening geen negatieve invloed hebben op de inzet van secundaire grondstoffen. Door Nederlandse vertegenwoordigers worden in het CEN-kader actief de Nederlandse belangen ingebracht en wordt meegewerkt aan het opstellen van eisen, ook aan secundaire grondstoffen, in de Europese normen.

Het Bouwbesluit is niet van toepassing op meeste GWW-werken, werken waarin het overgrote deel van de secundaire grondstoffen wordt toegepast.


11. Is het juist dat het gebruik van alternatieve en secundaire grondstoffen wordt belemmerd door strikte specificaties en voorschriften die bij aanbesteding aan aannemers worden opgelegd? Kunnen langduriger contractvormen en grotere specificatievrijheid bijdragen aan het uitlokken van creativiteit van aannemers? Hoe verhoudt de toepassing van innovatieve technieken in Nederland zich tot die in andere Europese landen, zoals Frankrijk, België en Spanje? Is de eis dat hergebruik mogelijk moet zijn een belemmering voor toepassing van nieuwe materialen?

In algemene zin kan niet gesteld worden dat strikte specificaties en voorschriften bij de aanbesteding onnodige belemmeringen opleggen. Secundaire grondstoffen dienen echter, gelijk primaire, aan technische specificaties te voldoen in verband met de gewenste kwaliteit (levensduur, betrouwbaarheid) van de werken. Indien er sprake is van een belemmering dan wordt veelal onderzoek opgestart gericht op het opheffen hiervan.

Bij andere contractvormen waarbij een verschuiving in aansprakelijkheid tussen partners optreedt zou innovatie kunnen optreden. Dit geldt zowel voor proces- als productinnovatie. Met name voor productinnovatie blijft het vaststellen van de prestaties van belang. Binnen mijn departement wordt veel aandacht besteed aan de voor- en nadelen en randvoorwaarden van deze contractvormen (zie ook de brief van de minister van Verkeer en Waterstaat aan de Tweede Kamer van 26 november 1999, HKW/UM/1999/11168, IBO innovatief aanbesteden Rijkswaterstaat). Het kan niet op voorhand worden gesteld dat nieuwe contractvormen zouden leiden tot meer of minder inzet van secundaire grondstoffen. Met name het afbreukrisico voor beide partijen noopt tot voorzichtigheid.

Nederland loopt, samen met Denemarken, in Europa vooraan bij het gebruik van secundaire grondstoffen in de bouw. Het komt voor dat bepaalde toepassingen van secundaire grondstoffen worden ontraden. De Rijkswaterstaat heeft bijvoorbeeld een kritische houding met betrekking tot rubberafval in wegenasfalt en heeft het beleid om geen fosforslak in beton toe te passen. Dit wordt ingegeven door mogelijke problemen bij 2e/3e-fase hergebruik. Het vermijden van toekomstige problemen (bijna alle (bouw)werken worden eens afgebroken en dan komt aan de orde: kan men het sloopafval hergebruiken) wordt in deze gevallen het belangrijkst geacht in het kader van duurzame ontwikkeling. Rubberafval en fosforslak kunnen worden afgezet in andere markten waar dergelijke potentiële toekomstige problemen niet spelen.


12. Kan de minister inzicht geven in de omvang die een vereveningsheffing op maagdelijke grondstoffen zou moeten hebben, om het gebruik van secundaire grondstoffen op grond van prijsconcurrentie te verdubbelen, zodat op die manier bijgedragen zou kunnen worden aan de verbetering van het gebruik van secundaire grondstoffen en het toepassen van innovatieve techniek?

Een verdubbeling van het gebruik van secundaire grondstoffen is vanwege de huidige verhouding productie secundaire grondstof / beschikbaarheid van in de bouw herbruikbaar afval niet meer aan de orde. Zie het antwoord op vraag 4 en 5.

Overigens vindt momenteel in het kader van de vergroening van het belastingstelsel onder verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën een onderzoek plaats naar de milieu- en economische effecten (dus inclusief het effect op de bevordering van het toepassen van secundaire grondstoffen in de bouw) van de aangekondigde belasting op oppervlaktedelfstoffen (zie ook bijlage 13, memorie van Toelichting begroting 2000 van het Ministerie van Financiën). De resultaten van dit onderzoek worden dit voorjaar verwacht.

Verder wordt nog onderzoek gedaan naar een eventuele zogenaamde verwijderingsbijdrage, te heffen op bijvoorbeeld steenachtige bouwmaterialen (beton, kalkzandsteen, baksteen etc.). Met dit geld zou met name het beleidsmatig gewenste hoogwaardiger hergebruik van dat materiaal na sloop (bijvoorbeeld uit sloopafval geproduceerde secundaire grondstof toepassen in beton in plaats van als ophoogmateriaal) mogelijk gestimuleerd kunnen worden.


13. Kan de minister inzicht geven in de mate waarin nieuwe materialen en nieuwe technieken worden ingezet, en in de samenhang tussen deze inzet en de gehanteerde aanbestedingsmethoden? Wat is de samenhang tussen het werkenpakket en de inzet van nieuwe materialen en nieuwe technieken? Zijn er normen die een belemmering vormen voor de inzet van nieuwe en secundaire grondstoffen? Zo ja, welke, en op welke wijze kunnen deze belemmeringen worden beperkt?

De afgelopen decennia zijn veel vernieuwingen op het gebied van secundaire grondstoffen doorgevoerd en dit gaat nog door. Zo wordt er op dit moment gewerkt aan de voorbereiding van proefprojecten met klei uit enigszins verontreinigde baggerspecie als ophoog- en bekledingsmateriaal voor wegen en dijken, aan onderzoek naar hergebruik van grond uit boortunnels en wordt onderzoek gedaan naar het gebruik van secundaire grondstoffen in beton. Omtrent de mate waarin secundaire grondstoffen worden toegepast, de samenhang met de gehanteerde aanbestedingsmethoden vormen en de eventuele belemmeringen als gevolg normen wordt verwezen naar de antwoorden op de vragen 4 en 5, 9, 10 en 11.

Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 11 zijn er technische normen die de toepassingen begrenzen. De afgelopen decennia zijn een groot deel van de Nederlandse technische eisen, die veelal opgesteld waren met primaire grondstoffen voor ogen, na onderzoek zodanig aangepast dat onnodige belemmeringen voor het gebruik van secundaire grondstoffen zijn geschrapt. Dit proces wordt nog verder afgerond.


14. Is het juist dat opdrachtgevers het technisch risico van toepassing van secundaire grondstoffen dragen? Is het mogelijk dat het technisch risico voor toepassing bij de aannemers onder te brengen, en welk effect wordt daarvan verwacht?

Binnen de momenteel gangbare verantwoordelijkheidsverdeling bij de opdrachtverlening voor de uitvoering van werken neemt de opdrachtgever de technische risico's op zich, vanaf het moment dat de opdrachtgever de geleverde secundaire grondstoffen accepteert als zijnde geleverd conform de in het bestek gestelde technische eisen. In het antwoord op vraag 11 ben ik ingegaan op andere contractvormen en de daaraan verbonden con-sequenties. Afhankelijk van de contractvorm zouden in de toekomst risico's in meer of mindere mate over-gedragen kunnen worden aan de aannemers.

Het is overigens goed voorstelbaar dat individuele aannemersbedrijven bovengenoemde risico's op de lange termijn niet voor hun rekening willen nemen. Dit zou dan betekenen dat de aannemers zich gaan verzekeren en de kosten daarvan in rekening zouden brengen.

De risico's rond bouwmaterialen zijn niet specifiek voor secundaire grondstoffen. Risico's van bouwmaterialen treden soms pas op lange termijn aan het licht, na enkele tientallen jaren. De risico's omvatten niet alleen de direct herstelkosten van het falen, maar ook de externe consequenties van falen, bijvoorbeeld vermin-derde veiligheid (wegen, waterkeringen) en economische schade (verkeershinder/oponthoud). Daarom ge-beurt de introductie van nieuwe bouwmaterialen zeer zorgvuldig.


15. Kan de minister middels een tabel aangeven in hoeverre de groei van de absolute hoeveelheid gebruikte secundaire grondstoffen ook een groei van de relatieve hoeveelheid (in relatie tot de primaire grondstoffen) betreft?

In onderstaande tabel is de landelijke afzet van secundaire bouwgrondstoffen afgezet tegen de landelijke productie van primaire bouwgrondstoffen (zand, grind, klei, kalksteen), in miljoenen tonnen. De opgaande trend is duidelijk waarneembaar. Voor 1998 en 1999 zijn de cijfers nog niet beschikbaar.

Jaar


1989

1990

1991

1992

1993

1994

1995

1996

1997
primaire grondstoffen


120

124

127

131

115

119

127

121

128
secundaire grondstoffen*


15

17

16

17

17

19

21

24

25
percentage secundair


11%

12%

11%

11%

13%

14%

14%

16%

16%

*exclusief licht verontreinigde grond, inclusief kleinere stromen
Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie