Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief Korthals over capaciteitsproblemen gevangeniswezen

Datum nieuwsfeit: 07-04-2000
Vindplaats van dit bericht
Vindplaats 2
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

MINISTERIE JUS

www.justitie.nl

minjus:korthals gevangeniswezen

Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG

Onderdeel Directie Preventie, Jeugd en Sanctiebeleid Contactpersoon B. van der Linden/J.J.L.M. Verhagen Doorkiesnummer(s) (070) 3707467
Datum 7 april 2000
Ons kenmerk 5022060/00/PJS
Bijlage(n) 2
Onderwerp capaciteitsproblematiek gevangeniswezen

Dinsdag jl. heb ik met u gesproken over de actuele verhouding tussen de beschikbare en de benodigde gevangeniscapaciteit. In het gevoerde debat kwam verontrusting naar voren over de huidige situatie met betrekking tot de capaciteit van het gevangeniswezen. Binnen de capaciteit zijn vraag en aanbod thans gemiddeld genomen beter met elkaar in overeenstemming dan de afgelopen twee decennia. Dit schept nieuwe dilemma.s waarop ik in deze brief nader zal ingaan. In het bijzonder zal ik daarbij aandacht schenken aan de operationele problematiek bij het in de dagelijkse praktijk op elkaar afstemmen van vraag naar en aanbod van detentiecapaciteit.

De planning van de benodigde celcapaciteit
De binnen het gevangeniswezen benodigde capaciteit om rechterlijke straffen en maatregelen ten uitvoer te leggen is afhankelijk van factoren waarop Justitie zowel op de langere als op de kortere termijn maar zeer beperkt invloed heeft, zoals de ontwikkeling van de criminaliteit en van het rechterlijk straftoemetingsbeleid. Nu er gemiddeld genomen een betere balans is bereikt tussen benodigde en beschikbare capaciteit dan in de afgelopen decennia het geval is geweest, komen fluctuaties in het gedetineerdenaanbod tot uitdrukking in nu eens enig tekort aan celruimte en dan weer een tijdelijk overschot daaraan. Deze wisselingen kunnen elkaar snel opvolgen. Zij zijn geen gevolg van een inconsistent beleid, maar van het feit dat de exogene factoren die het gedetineerdenaanbod bepalen, slechts beperkt beleidsmatig zijn te beïnvloeden. Daarbij moet worden bedacht dat ook de beschikbaarheid van penitentiaire capaciteit niet van het ene op het andere moment is bij te stellen. Met name capaciteitsuitbreidingen vergen een meerjarige voorbereiding.
Hoe onvermijdelijk ook, zowel tijdelijke tekorten als overschotten aan capaciteit zijn beide onwenselijk. Een overschot aan capaciteit impliceert dat dure overheidsvoorzieningen tijdelijk onbenut blijven. Ik breng hierbij ook de vragen in herinnering die in het najaar van
1998 vanuit uw Kamer zijn gesteld naar aanleiding van de toenmalige leegstand binnen het gevangeniswezen. Verder wil ik in dit verband wijzen op de substantiële ombuigingstaakstelling op de begroting van de Dienst Justitiële Inrichtingen die bij het aantreden van dit kabinet is overeengekomen. Het onbenut laten van dure gevangeniscapaciteit acht ik tegen die achtergrond niet verantwoord.
Daar staat echter tegenover dat een tekort aan celcapaciteit het risico met zich meebrengt dat justitiabelen moeten worden heengezonden. Dat verdachten van ernstige misdrijven niet direct kunnen worden ingesloten of dat veroordeelden hun vrijheidsstraf niet volledig kunnen uitzitten is evenmin acceptabel. Er is met andere woorden sprake van een dilemma waarvoor een verstandige oplossing moet worden gevonden. Ik kom daar later op terug, maar eerst wil ik de actuele stand van zaken geven met betrekking tot de capaciteit van het gevangeniswezen.

De huidige situatie in het gevangeniswezen
In mijn brief van 30 september 1999 heb ik aangegeven dat in de loop van 2000 zonder verdere beleidsmaatregelen een aanzienlijk overschot aan penitentiaire inrichtingscapaciteit zou ontstaan. Inmiddels is er sprake van een redelijk evenwicht tussen vraag naar en aanbod van cellencapaciteit. De bijlage bij deze brief, waarin de situatie in week 13 van dit jaar is gespecificeerd, spreekt in dit verband voor zichzelf. Dat de vorig jaar nog geprognosticeerde leegstand binnen zo korte tijd kon verdwijnen is het gevolg van een aantal maatregelen die ik eveneens in de brief van 30 september 1999 heb aangegeven. Deze maatregelen waren deels ingegeven door de noodzaak om gevangeniscapaciteit te transformeren tot jeugdinrichtingsplaatsen, waaraan nog een grote behoefte bestaat. Verder werden voorbereidingen getroffen om minder bruikbare capaciteit af te stoten als uitvloeisel van de ombuigingstaakstelling van 115 miljoen die bij regeerakkoord ten laste van de begroting van de Dienst Justitiële Inrichtingen is overeengekomen. In de bijlage heb ik meer en detail aangegeven hoe de huidige evenwichtssituatie binnen het gevangeniswezen werd bereikt. Hoewel de afgelopen periode gemiddeld genomen voldoende capaciteit beschikbaar was, kon niet worden voorkomen dat veroordeelden in een aantal gevallen versneld in vrijheid moesten worden gesteld, zoals ik u op 4 april jl., toen ik nog niet over de exacte informatie beschikte, tijdens het debat met uw Kamer heb gemeld. Nadere inventarisatie heeft uitgewezen dat dit in 2000 tot nu toe 213 maal heeft plaatsgevonden; gemiddeld vijf dagen voor het eigenlijke ontslag. De reden hiervan is gelegen in een zeer extreme piek in het aanbod van gedetineerden in de afgelopen periode. Daarbij wordt overigens de op dit soort extreme situaties betrekking hebbende richtlijn van het Openbaar Ministerie gevolgd .
Pieken in het gedetineerdenaanbod
De capaciteit van de penitentiaire inrichtingen wordt afgestemd op het gemiddelde aanbod van de in de afzonderlijke inrichtingen te plaatsen gedetineerden. Zoals eerder gememoreerd kan dat aanbod echter sterk variëren.
Becijferd is dat ca. 3% reserve-capaciteit moet worden aangehouden om de meeste pieken in het gedetineerdenaanbod te kunnen opvangen. Het continu beschikbaar houden van extra cellen die slechts in beperkte mate kunnen worden ingezet, leidt echter tot een structurele exploitatielast van ruim 40 miljoen op jaarbasis. Zoals gezegd acht ik het aanhouden van deze reserve-capaciteit, die in de loop van een jaar grotendeels onbenut blijft, onverantwoord . Het niet aanhouden van een structurele capaciteitsreserve impliceert dat bij pieken in het gedetineerdenaanbod justitiabelen zouden moeten worden heengezonden. Heenzendingen van hetzij verdachten van ernstige misdrijven, hetzij veroordeelden tot een vrijheidsstraf zijn echter evenmin aanvaardbaar. In de brief die ik uw Kamer 27 mei 1999 heb gezonden over de door mij voorgenomen maatregelen om de ombuigingstaakstelling t.l.v. de DJI-begroting te realiseren heb ik daarom een alternatief aangekondigd. Dit alternatief behelst het opvangen van pieken in het gedetineerdenaanbod door middel van elektronische detentie .bij de achterdeur.. Daarbij worden gedetineerden in de allerlaatste detentiefase vervroegd uit de inrichting ontslagen en onder elektronisch toezicht geplaatst. De door de rechter opgelegde vrijheidsstraf wordt dan volledig, zij het niet in een penitentiaire inrichting ten uitvoer gelegd. Elektronische detentie kan flexibel worden ingezet, dat wil zeggen uitsluitend als daartoe vanwege tijdelijke pieken in de druk op de gevangeniscapaciteit, noodzaak bestaat. Deze maatregel zal echter zeker niet in alle gevallen uitvoerbaar zijn, bijvoorbeeld omdat het strafrestant te kort is om de noodzakelijke voorbereidingen te kunnen treffen. Ook is niet uitgesloten dat op enig moment onvoldoende gedetineerden aanwezig zijn die hiervoor geschikt zijn. De praktijk zal de komende periode moeten uitwijzen hoeveel gedetineerden in aanmerking komen voor deze optie.
Is het effect van deze maatregel onvoldoende, dan zal waar mogelijk gebruik worden gemaakt van politiecellen om verdachten kortdurend onder te brengen in afwachting van hun opname in een huis van bewaring.
Desondanks kan niet worden uitgesloten dat het gedetineerdenaanbod incidenteel zo omvangrijk is dat slechts de keuze rest tussen versneld ontslag van veroordeelden en heenzending van verdachten .bij de voordeur.. In die noodsituatie geef ik de voorkeur aan het eerste. Ik sluit daarmee aan bij het standpunt van het vorige kabinet in de beleidsnota In Juiste Verhouding
(TK 1995-1996, 24802, nr.2).. Ik zal alles in het werk stellen om te voorkomen dat van deze optie gebruik moet worden gemaakt. Daarom heb ik de Dienst Justitiële Inrichtingen opdracht gegeven om aanvullende maatregelen te treffen die dat moeten bewerkstelligen. Daarbij zal de beschikbare capaciteit zo flexibel mogelijk worden benut. Geheel uitsluiten dat ondanks deze maatregelen in de toekomst op enig moment gedetineerden zeer korte tijd voor het einde van hun detentie versneld moeten worden ontslagen, kan ik echter niet. Zoals gezegd heb ik slechts beperkte invloed op de factoren die fluctuaties in het gedetineerdenaanbod bepalen.

Conclusie
Het is van het grootste belang dat wij - nu het gevangeniswezen gelukkig gemiddeld genomen nog redelijk ruim in het jasje zit - de vraag onder ogen zien of uw Kamer en ik eenzelfde opvatting hebben over het in dit opzicht te voeren beleid. Bij het daarover te voeren debat zouden ook de uitkomsten kunnen worden betrokken van het Masterplan, waarin de Dienst Justitiële Inrichtingen de herschikkingsmaatregelen heeft uitgewerkt die ik in mijn brief van 30 september 1999 aan uw Kamer heb aangekondigd. Deze uitkomsten zal ik u binnenkort doen toekomen. Totdat het ook door mij wenselijk geachte debat met uw Kamer heeft plaatsgevonden, zal ik door het treffen van tijdelijke noodvoorzieningen al het mogelijke doen om te voorkomen dat veroordeelden versneld uit de detentie worden ontslagen. Met inzet van ale beschikbare (personele) middelen zal waar mogelijk buiten gebruik gestelde capaciteit tijdelijk opnieuw in gebruik worden genomen. Extreme pieken in de behoefte, die normaliter slechts enkele dagen duren, zullen zoveel mogelijk worden opgevangen door de bezettingsgraad van sommige huizen van bewaring tot boven de 100% te verhogen.

De Minister van Justitie

(A.H. Korthals)

BIJLAGE

De situatie rond de penitentiaire capaciteit in 2000
Algemeen

Er is in het gevangeniswezen op dit moment geen sprake is van een capaciteitstekort, en er is ook geen capaciteitsoverschot. In de brief die op 30 september 1999 aan de voorzitter van de Tweede kamer is gezonden. werd aangegeven dat voor het gevangeniswezen een leegstand van 1095 werd verwacht voor het jaar 2000 en een leegstand van 1005 plaatsen in 2001. Voegt men daarbij de eveneens in die brief opgenomen volume-beperkende maatregelen van resp. 370 en 630 plaatsen dan kan worden gesteld dat voor genoemde jaren een leegstand werd verwacht van resp. 1465 en 1635 plaatsen.

In het vooruitzicht van een geprognosticeerde leegstand van 1465 plaatsen in het gevangeniswezen in het jaar 2000 en 1635 plaatsen in het jaar 2001 achtte de Minister van Justitie het in het najaar van
1999 niet verantwoord om de inrichtingscapaciteit van het gevangeniswezen nog verder uit te breiden. Waar mogelijk werden de nog te realiseren uitbreidingen opgeschort. Daarmee waren ca. 300 plaatsen gemoeid.
Vervolgens werd besloten het gebruik van politiecellen om de structurele capaciteitsbehoefte af te dekken te verminderen. In de begrotingssterkte was voorzien dat van 300 politiecellen gebruik gemaakt wordt. Dit aantal werd teruggebracht naar voorshands 50, mede om daarmee incidentele pieken in het gedetineerdenaanbod te kunnen opvangen. Gelet op het cellenoverschot en de te realiseren ombuigingstaakstelling van DJI was het niet verantwoord om uitgaven te doen voor het structureel gebruik van politiecellen waar het gevangeniswezen zelf in voldoende mate kon voorzien in de plaatsing van in bewaring gestelde verdachten.
In de derde plaats werd - teneinde personele problematiek zoveel mogelijk te voorkomen - landelijk een selectieve vacaturestop afgekondigd. De effecten daarvan hebben gedrukt op de inrichtingen die cf. het Masterplan worden afgestoten dan wel worden herbestemd. Daarmee waren ca. 240 plaatsen gemoeid.
Tenslotte is gevangeniscapaciteit buiten gebruik gesteld teneinde deze bouwkundig geschikt te kunnen maken voor een herbestemming als jeugdinrichting. Het ging hierbij om 130 plaatsen. Deze bouwkundige voorbereidingen als voorschot op de uitkomsten van het Masterplan waren noodzakelijk om de wachtlijsten bij de justitiële jeugdinrichtingen te kunnen verminderen.
Dat er in de sector justitiële jeugdinrichtingen (nog steeds) een behoorlijk tekort aan capaciteit is, kan onder andere worden afgeleid uit de heenzendingen van preventief gehechte jeugdigen en de omvang van de wachtlijsten van de inrichtingen. Zo zijn vorig jaar in totaal 40 preventief gehechte minderjarige heengezonden wegens plaatsgebrek. Behalve heenzendingen was er ook sprake van een groot aantal ingetrokken plaatsingsverzoeken van in bewaring gestelde jeugdigen. Zo zijn in de tweede helft van 1999 1482 minderjarigen bij DJI aangemeld voor plaatsing in een opvanginrichting. Van dit aantal werden er 954 geplaatst in een JJI. Als reden voor het intrekken van het verzoek tot plaatsing in het kader van de inbewaringstelling van de overige 492 jongeren werd in de meeste gevallen schorsing van een voorlopige hechtenis aangevoerd. De stellige indruk bestaat dat (verondersteld) plaatsgebrek in de opvanginrichtingen voor het parket aanleiding is geweest de preventieve hechtenis te schorsen. Vergelijken we het actuele aanbod . van de afgelopen 14 dagen .met de beschikbare capaciteit, dan blijkt dat van het gemiddeld dagelijks aanbod van 50 preventief gehechte jongeren ongeveer 20% kan worden geplaatst. Het aantal jeugdigen met een civielrechtelijke maatregel dat wacht op een plaats in een behandelinrichting is in de eerste drie maanden van dit jaar opgelopen van 66 tot 83, terwijl het aantal wachtende jeugdigen met een strafrechtelijke maatregel . de zogenaamde PIJ-passanten- 64 bedraagt. Daarnaast is er onvoldoende capaciteit beschikbaar voor crisisopvang: van de circa 60 plaatsingsverzoeken voor crisisopvang per maand kon in de afgelopen twee maanden slechts een kwart tot een derde worden gehonoreerd.

Met de bovengenoemde stappen is de voor 2000 en 2001 voorziene .harde leegstand. teruggebracht tot resp. 545 en 745 cellen.

De berekeningen van de benodigde capaciteit waren, zoals gezegd, mede gebaseerd op de effecten van beleidsmaatregelen. Vastgesteld moet worden dat de meeste effecten van de voor 2000 ingeboekte beleidsmaatregelen zich nog niet hebben voorgedaan: het wetsvoorstel taakstraffen en het wetsvoorstel SOV kunnen nog geen effect hebben. Het bij de penitentiaire programma.s veronderstelde effect is vooralsnog minder groot dan geraamd. Een en ander leidt ertoe dat de feitelijke behoefte aan cellen per saldo met 305 plaatsen moet worden verhoogd. Hiermee rekening houdend wordt de voor 2000 geprognosticeerde leegstand opnieuw kleiner en bestaat deze uit 240 plaatsen.

In het gevangeniswezen verblijven thans ca. 150 TBS-passanten. Met hun aanwezigheid wordt in de prognoses voor het gevangeniswezen uiteraard geen rekening gehouden, want in de prognoses dienen zij te drukken op de gewenste TBS-capaciteit. In de praktijk verblijven zij evenwel in een huis van bewaring. Houdt men ook met hun aanwezigheid in het gevangeniswezen rekening dan is er thans een redelijk evenwicht tussen de vraag naar cellen en de beschikbare capaciteit. Onderstaande tabel vat dat nog eens samen:

Jaar 2000
Geprognosticeerde .harde. leegstand 1465
Opschorting uitbreidingen -300
Vermindering politiecellen -250
Selectieve vacaturestop -240
Herbestemming t.b.v. jeugdinrichtingen -130
Achterblijven effecten beleidsmaatregelen -305 Aanwezigheid TBS-gestelden in huizen van bewaring -150 Resteert 90

Capaciteitsmarges

In de bepaling van de capaciteitsbehoefte wordt tot dusverre rekening gehouden met een marge van 6,8%, te weten voor: 2% onderhoud

1,8% differentiatie
3,0% piekopvang

De ervaring leert dat normaliter 2% van de capaciteit buiten gebruik is gesteld op grond van bouwkundige overwegingen. Het kan daarbij gaan om (groot) onderhoud, renovatie of gebouwelijke aanpassingen die nodig zijn in verband met een bestemmingswijziging. In bijzondere omstandigheden kan een hoger percentage van de capaciteit buiten gebruik worden gesteld. Van zulk een situatie was sprake in 1999, toen het achterblijven van de prognoses kon worden benut ten behoeve van het versneld uitvoeren van renovaties. Ook in 2000 is meer dan 2% van de capaciteit om bouwkundige redenen buiten gebruik, in het kader van de opgelegde bezuigingstaakstelling en ook als gevolg van het streven om de tekorten in de sector justitiële jeugdinrichtingen deels op te heffen door de inzet van penitentiaire inrichtingen die daartoe gebouwelijk geschikt gemaakt moeten worden

Personen die in het kader van een opgelegde vrijheidsstraf of maatregel in een penitentiaire inrichting moeten verblijven kunnen niet worden ondergebracht op elke willekeurige plaats die op dat moment vrij is. Er zijn wettelijke onderscheidingen aangebracht: naar geslacht, naar beveiligingsniveau, naar het al dan niet veroordeeld zijn van de betrokken gedetineerde of naar het al dan niet behoeven van een bijzondere opvang. Continu wordt bezien of de feitelijke verdeling van de verschillende soorten capaciteit spoort met de behoefte aan de desbetreffende differentiatie, en periodiek worden de bestemmingen aangepast. Door de periodieke aanpassingen van het zogenaamde .bestemmingenplan. wordt gestreefd naar een zo goed mogelijke match tussen vraag naar en aanbod van plaatsen ten behoeve van de verschillende subcategorieën gedetineerden. Bij de toedeling van bestemmingen aan inrichtingen is ervoor gekozen om in ruimere mate te kunnen beschikken over inrichtingen met de status van huis van bewaring dan over inrichtingen met de status van gevangenis. De capaciteit van huizen van bewaring kan immers veel flexibeler worden ingezet dan de capaciteit van gevangenissen: veroordeelden behoren in een gevangenis te worden geplaatst, maar kunnen ook in een huis van bewaring worden opgenomen; preventief gedetineerden behoren in een huis van bewaring te worden opgenomen, maar kunnen niet in een gevangenis worden geplaatst. Een zo flexibel mogelijke inzet van inrichtingscapaciteit is van groot belang voor een optimale capaciteitsbenutting, met name vanwege de schommelingen die zich in het aanbod voordoen.
Het gegeven van de differentiaties in het gevangeniswezen leidt echter per definitie tot enige mate van inflexibiliteit. De ervaring leert dat daarvoor 1,8% extra capaciteit benodigd is.
De capaciteit van de penitentiaire inrichtingen wordt afgestemd op het gemiddelde aanbod van de in de afzonderlijke inrichtingen te plaatsen gedetineerden. Zoals eerder gememoreerd kan dat aanbod echter sterk variëren. Onderstaande figuur 2 illustreert de grote verschillen in het dagelijks aantal in te sluiten gedetineerden.

De feitelijke situatie in week 13

Dat er thans een redelijk evenwicht bestaat tussen vraag naar en aanbod van gevangeniscapaciteit, illustreert de situatie in week 13 van dit jaar. Toen beschikte het gevangeniswezen over een totale capaciteit van ca. 13000 plaatsen. Daarvan waren er ruim 600 tijdelijk buiten gebruik gesteld. Dat is meer dan normaliter het geval is, maar gelet op de ombuigingstaakstelling en het voornemen een bijdrage te leveren aan de leniging van tekorten in de jeugdsector noodzakelijk.
Op de (bruikbare) plaatsen in de inrichtingen van het gevangeniswezen verbleven in totaal gemiddeld ca. 12.000 gedetineerden. Er stonden gemiddeld ca. 400 plaatsen leeg .
Uitgaande van de daarvoor gehanteerde normen beschikte het gevangeniswezen daarmee over (ruim) voldoende frictiecapaciteit, die nodig is in verband met het gegeven van de differentiatie. Conclusie is dan ook dat het gevangeniswezen in week 13 beschikte over voldoende frictiecapaciteit om een gedifferentieerd stelsel te kunnen beheersen en sturen in een voor wat betreft het aanbod stabiele situatie, maar onvoldoende om pieken te kunnen opvangen.

07 apr 00 17:30

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie