Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief OCW inzake leerlinggebonden financiering

Datum nieuwsfeit: 11-04-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief OCW inzake leerlinggebonden financiering
Gemaakt: 14-4-2000 tijd: 10:55


4


26629 Leerlinggebonden financiering

nr. 8 Brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Zoetermeer, 11 april 2000

Op dinsdag 18 april a.s. is een Algemeen overleg van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen met mij geagendeerd inzake de leerlinggebonden financiering. Met mijn brief van 17 maart heb ik u geïnformeerd over de eerste evaluatieresultaten van de praktijktoetsing. Van het merendeel van de leerlingen blijkt de toelaatbaarheid redelijk goed vastgesteld te kunnen worden. Dat is een goede basis voor een systeem van indicatiestelling. Voor de kleinere, maar toch nog omvangrijke groep kinderen blijkt dat minder eenduidig mogelijk. Ik heb aangegeven dat ik voor deze groep ruimte zou willen bieden om aanvullende criteria te ontwikkelen. In de brief is aangekondigd dat in het Uitwerkingsoverleg LGF een systematiek van indicatiestelling uitgewerkt zal worden die ruimte biedt voor verdere ontwikkeling van criteria. Als nadrukkelijke voorwaarde mijnerzijds geldt dat deze aanpak moet blijven leiden tot een beheersbare systematiek van indicatiestelling.

Ik hecht eraan dat de leden van de vaste commissie in het Algemeen overleg op de hoogte zijn van de meest actuele ontwikkelingen op zo'n belangrijk onderdeel van het LGF-traject als de indicatiestelling. Daarom informeer ik u hierna over de ideëen die ter voorbereiding van het uitwerkingsoverleg van 27 april zijn ontwikkeld in het zogenaamde agenda-overleg. Mijns inziens bieden deze ideeen een goede basis voor de verdere vormgeving van het LGF-traject.

Indicatiestelling eerste fase LGF

In de notitie Voortgang LGF die vorig jaar aan de Kamer is gestuurd is een model opgenomen voor de organisatie van de indicatiestelling. Centrale element in dit model zijn:


1. De onafhankelijke landelijke indicatiecommissie beslist over de toelaatbaarheid van een leerling tot de leerlinggebonden financiering.

2. De commissie beslist op basis van een ingevuld aanmeldingsprotocol en objectieve toelaatbaarheidscriteria.


3. Ouders kunnen zich des gewenst tot het onderzoeks- en adviescentrum van het REC wenden voor de invulling van het protocol.
Dit model is gebaseerd op het uitgangspunt dat er een sluitend stelsel van indicatiecriteria is. Leerlingen die niet binnen de criteria vallen kunnen begeleid worden binnen de aparte taak- en functiegebonden financiering.

In het agenda-overleg is geconstateerd dat dit model geen ruimte biedt voor de gewenste verdere ontwikkeling van indicatiecriteria. Vanuit de onderwijsorganisaties is nadrukkelijk gewezen op de mogelijkheden die een model van toetsing achteraf biedt voor ontwikkeling van criteria. Ouderorganisaties hebben nog eens het belang benadrukt van onafhankelijk georganiseerde indicatiestelling ook in een ontwikkelingssituatie. Van de zijde van het ministerie is het belang van beheersbaarheid benadrukt. In het overleg is vervolgens een model voor de indicatiestelling in de eerste fase wetgeving LGF ontwikkeld, dat beoogt op een evenwichtige wijze recht te doen aan de genoemde invalshoeken. Bij deze brief is een schematisch overzicht gevoegd van dit model.

In dit model vindt de indicatiestelling plaats binnen landelijk vastgestelde indicatiecriteria en een (beredeneerde) afwijkingsmogelijkheid van deze criteria. Op basis van de ervaringen met de toepassing van de criteria en de afwijkingsmogelijkheid die gedurende een te bepalen periode (1 à 2 jaar) worden opgedaan, worden de criteria en afwijkingsmogelijkheid opnieuw vastgesteld voor een nieuwe periode. Daarna vindt de eindevaluatie plaats die leidt tot besluitvorming over het structurele systeem dat geldt in de tweede fase wetgeving.


* Uitgangspunt in de regeling is dat alle (v)so-scholen deelnemen in een REC. De REC's hebben een eigen bestuur. Het REC houdt een Onderzoeksadviescentrum (OAC) in stand. Landelijk bestaat er een Landelijke Indicatiecommissie (LIC). Ouders kunnen kiezen voor plaatsing in het (v)so of in het reguliere onderwijs.

* De procedure bij uitvoering van de indicatiestelling is verschillend voor plaatsing in een (v)so-school en voor plaatsing in een reguliere school. De procedure bij plaatsing in het (v)so is als volgt:

- Ouders melden hun kind aan bij het OAC. Daar vindt onderzoek plaats op basis van een vastgesteld protocol. Het OAC stelt een dossier op en geeft een advies over de toelaatbaarheid. Dossier en advies worden gestuurd naar het REC-bestuur.


- Het REC-bestuur beslist over de toelaatbaarheid tot de (v)so-scholen van het REC. Is de beslissing positief dan kunnen de ouders hun kind aanmelden bij een van de scholen van het REC, waarvoor de toelaatbaarheid is vastgesteld. (NB. Bij cluster 4 geldt toelaatbaarheidsbepaling op clusterniveau. Het REC- bestuur geeft hier een advies aan de ouders over de school binnen het REC waar de leerling het beste geplaatst kan worden).


- Beslist het REC-bestuur negatief dan is er voor de ouders een beroepsmogelijkheid bij de LIC. Beslist de LIC positief dan kan de leerling alsnog aangemeld worden bij de (v)so-scholen van het REC. Beslist de LIC negatief dan rest nog de gang naar de rechter.

- De beslissingen van het REC-bestuur en de onderliggende dossiers worden voor toetsing achteraf doorgestuurd naar de LIC. De LIC evalueert de beslissingen van de REC op basis van de geldende criteria. De evaluatie leidt tot een advies van de LIC over bijstelling van de criteria gericht op verdere objectivering van de toelaatbaarheidsbepaling (uitwerking criteria en nadere bepaling afwijkingsmogelijkheid). Op basis van het LIC-advies worden de landelijk geldende criteria bijgesteld.


* De procedure bij plaatsing in het reguliere onderwijs is als volgt:

- Ouders melden hun kind aan bij het OAC voor het onderzoek. Het OAC stelt het dossier op met een advies over de toelaatbaarheid. Ouders zijn niet verplicht om via het OAC te gaan. Zij kunnen ook door zelf deskundigen in te schakelen het dossier opstellen.

- Ouders sturen het dossier naar de LIC. Deze beslist over de toekenning van een leerlinggebonden budget. Bij een positieve beslissing melden de ouders aan bij de basisschool. Bij een negatieve beslissing is er een bezwaarprocedure bij de LIC mogelijk. Gelet op de omvang van de werkzaamheden zal de LIC naar verwachting bestaan uit meerdere kamers, ingedeeld naar de afzonderlijke clusters. Tevens wordt gedacht aan de inrichting van een centrale kamer, waar dan bezwaar aangetekend kan worden. Wordt het bezwaar ook afgewezen dan kunnen ouders naar de rechter.

? Het is denkbaar dat ouders nog niet zeker weten of zij hun kind willen plaatsen in een speciale of reguliere school. In de verdere ontwikkeling van het model zal aandacht gegeven worden aan de mogelijkheid van een soepele overstap tussen de beide procedures.

? Het model start met de criteria die ontwikkeld worden op basis van de praktijktoetsing. De afwijkingsmogelijkheid wordt vanuit de opgestelde criteria beredeneerd. Het is niet de bedoeling dat naar willekeur afgeweken kan worden van de opgestelde criteria. De ernst van de problematiek van kinderen die niet aan de criteria voldoen, zal vergelijkbaar moeten zijn met die van kinderen die wel aan de criteria voldoen. Het streven is om op basis van de evaluatie van de LIC na de eerste periode de criteria en de afwijkingsmogelijkheid nader in te vullen. Daarmee wordt de objectiviteit van de indicatiestelling vergroot. In de praktijk zal moeten blijken of dit streven haalbaar is.

? Voor de goede orde wijs ik erop dat de LIC niet tot taak heeft de individuele indicatiebeslissingen van de REC-besturen achteraf goed of af te keuren. Als de LIC twijfels heeft over de juistheid van beslissingen van REC-besturen, dan kan zij de inspectie daarover informeren. De inspectie kan dan nagaan of de indicatiestelling zorgvuldig met inachtneming van de wettelijke voorschriften plaatsvindt.

De inspectie zal er ook op toezien dat alleen leerlingen worden toegelaten door de (V)SO-scholen, die aan de vereisten inzake indicatiestelling voldoen.

? Wat betreft de bekostiging van geïndiceerde leerlingen het volgende. In het uitwerkingsoverleg is al eerder geconcludeerd dat het de voorkeur verdient om de bekostigingsregels voor de (V)SO-scholen in de eerste fase van de LGF-wetgeving zoveel mogelijk te handhaven, om het ontstaan van herverdeeleffecten en de noodzaak van complexe overgangsregelingen te voorkomen. Op enkele onderdelen zullen aanpassingen nodig zijn. Zo zal als gevolg van de indicatiestelling op clusterniveau binnen cluster 4, de bekostiging daarop aangepast moeten worden. Een andere aanpassing vloeit voort uit de inrichting van de OAC's bij de REC's. Vanuit een oogpunt van doelmatige financiering verdient het voorkeur het REC-bestuur rechtstreeks te financieren ten behoeve van de instandhouding van de OAC. Zo'n directe financiering vermindert ook de afhankelijkheid van het OAC van de scholen binnen de REC, hetgeen de objectiviteit van de indicatiestelling kan bevorderen. Financiering van de OAC's zal kunnen plaatsvinden vanuit de middelen die nu met de commissies van onderzoek gemoeid zijn.

? Voor geïndiceerde leerlingen in het reguliere onderwijs komt een leerlinggebonden budget beschikbaar. De hoogte van dit budget zal nog nader bepaald worden. Voor het basisonderwijs zullen in dit budget in elk geval de middelen opgenomen worden die nu gemoeid zijn met ambulante begeleiding en aanvullende formatie voor gehandicapte leerlingen op basisscholen. Er zal aanvankelijk een herbestedingsverplichting gelden voor het ambulante begeleidingsdeel bij het REC. Het REC organiseert de inzet van ambulante begeleiders vanuit de in het REC deelnemende (V)SO-scholen.

Invoering.

De komende tijd zal in het Uitwerkingsoverleg getracht worden langs de hiervoor beschreven hoofdlijnen tot een gedetailleerde uitwerking te komen, die vervolgens kan worden neergeslagen in een wettelijke regeling. Voor de goede orde wijs ik erop dat de organisaties in het uitwerkingsoverleg nog niet in de gelegenheid zijn geweest hun oordeel over de hoofdlijnen te geven.

In de wettelijke regeling zullen ook de resultaten van het taken- en functieonderzoek, die in juni beschikbaar komen, worden meegenomen. Het wetgevingstraject kan dan na de zomer hervat worden.

Zoals ik in mijn brief van 17 maart jl. heb geschreven, streef ik ernaar om die uitgangspunten van het LGF-beleid zoveel mogelijk per 1 augustus 2001 in te voeren.

Voor de REC-vorming biedt het Experimentenkader daartoe de mogelijkheid. Met het hiervoor geschetste model van indicatiestelling kan het Experimenteerkader in mei afgerond worden.

Voor experimentele REC's zal de eis gelden dat de indicatiestelling verloopt langs de geschetste lijnen. Dat betekent concreet dat bij de experimenteerbeschikking de indicatiecriteria worden gevoegd en de afwijkingsmogelijkheid wordt omschreven binnen de beschikking.

Toetsing achteraf zal plaatsvinden door een in te stellen Landelijke Indicatiecommissie. Voorzien zal worden in een bijstellingsmogelijkheid van de criteria op basis van de evaluatie van de LIC.

Op dit moment wordt nog onderzocht of het praktisch goed uitvoerbaar is om voor de toekenning van aanvullende formatie voor gehandicapte leerlingen in het basisonderwijs voor het schooljaar 2001/2002 een systematiek van indicatiestelling te hanteren zoals geschetst.

Concreet zou dit betekenen dat de huidige beleidsregel Aanvullende Formatie Basisonderwijs zal worden herzien. De toekenning van aanvullende formatie wordt dan afhankelijk gesteld van een indicatiestelling door de in te stellen Landelijke Indicatiecommissie. Nu is de toekenning van aanvullende formatie gekoppeld aan een verklaring van ambulante begeleiding. Zoals in de brief van 17 maart gemeld, zal de verkenning voor de zomer worden afgerond.

In deze verkenning wordt ook de mogelijkheid tot herziening van de bij AMvB geregelde ambulante begeleiding met ingang van 01 augustus 2001 meegenomen. Over de uitkomsten van de verkenningen zal ik de Kamer vanzelfsprekend informeren.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur

en Wetenschappen,

K.Y.I.J. Adelmund

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie