Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Besluit autoriteit over Mededingingswet

Datum nieuwsfeit: 12-04-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

BESLUIT

Besluit van de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Mededingingswet.

Zaaknummer 1781/UPC - Eneco K&T-Groep

I. MELDING


1. Op 15 februari 2000 heeft de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit een melding ontvangen van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 34 van de Mededingingswet. Hierin is medegedeeld dat United Pan-Europe Communications N.V. voornemens is zeggenschap te verkrijgen, in de zin van artikel 27, onder b, van de Mededingingswet, over de activiteiten van Eneco K&T Netwerkdiensten B.V. en Eneco Kabel TV & Telecom B.V. (samen de Eneco K&T-Groep). Van de melding is mededeling gedaan in Staatscourant 35 van 18 februari 2000. Naar aanleiding van de mededeling in de Staatscourant zijn zienswijzen van derden naar voren gebracht. Ambtshalve zijn vragen gesteld aan verschillende marktpartijen. De ontvangen reacties worden, voor zover er overwegingen aan zijn ontleend die dragend zijn voor dit besluit, in het navolgende nader uiteengezet.

II. PARTIJEN


2. United Pan-Europe Communications N.V. (hierna: UPC) is een naamloze vennootschap naar Nederlands recht. Zij heeft als belangrijkste aandeelhouders het Amerikaanse United GlobalCom Inc. (hierna: UGC) (50,8%) en Microsoft Corporation (7%); 42,2% van de aandelen in UPC is uitgegeven via de beurs. UGC heeft uitsluitende zeggenschap over UPC. UGC is via diverse dochterondernemingen wereldwijd actief in de communicatiesector. Zij is alleen met haar dochteronderneming UPC actief in Nederland. UPC is actief op het gebied van de exploitatie van vaste communicatienetten door het aanbieden van distributie van radio- en televisieprogrammas, betaaltelevisie, telefonie, datacommunicatie en internettoegang. Behalve in Nederland is UPC actief in België, Frankrijk, Malta, Noorwegen, Zweden, Oostenrijk, Polen, Hongarije, Roemenië, Slowakije, Tsjechië en Israël.

3. Eneco K&T Netwerkdiensten B.V. en Eneco Kabel TV & Telecom B.V. zijn besloten vennootschappen naar Nederlands recht en vormen samen de Eneco K&T-Groep (hierna: K&T). N.V. Eneco (hierna: Enec0) houdt via haar dochtermaatschappij Eneco WED-Activiteiten B.V. alle aandelen in K&T. K&T is actief op het gebied van de exploitatie van vaste communicatienetten door het aanbieden van distributie van radio- en televisieprogrammas, telefonie en internettoegang.
III. DE GEMELDE OPERATIE


4. De gemelde operatie is de verkoop van alle geplaatste aandelen in K&T door Eneco WED-Activiteiten B.V. aan Belmarken Holding B.V., een dochteronderneming van UPC. De overeenkomst is vastgelegd in de door partijen bij de melding overgelegde Share Purchase Agreement d.d. 2 februari 2000.

IV. TOEPASSELIJKHEID VAN HET CONCENTRATIETOEZICHT


5. De gemelde operatie is een concentratie in de zin van artikel 27, onder b, van de Mededingingswet. De hierboven, onder punt 4, omschreven transactie leidt er toe dat UGC, via UPC en Belmarken Holding B.V., uitsluitende zeggenschap verkrijgt over K&T.

6. Betrokken ondernemingen, in de zin van het Besluit vaststelling formulieren Mededingingswet (Staatscourant 1 van 2 januari 1998), zijn UGC en K&T.


7. Uit de bij de melding ter beschikking gestelde omzetgegevens blijkt dat de gemelde concentratie binnen de werkingssfeer van het in hoofdstuk 5 van de Mededingingswet geregelde concentratietoezicht valt.

V. BEOORDELING

Voorgenomen overname van SBS door UPC


8. UPC heeft recent bekend gemaakt dat zij voornemens is zeggenschap over SBS Broadcasting SA (hierna: SBS) te verkrijgen. UPC heeft met het bestuur van SBS overeenstemming bereikt over het uitbrengen van een bod. Het bod kan eerst worden uitgebracht na toestemming van de U.S. Securities and Exchange Commission. Het is vooralsnog onzeker of voldoende aandeelhouders van SBS op het bod zullen ingaan.

9. Bij de beoordeling van concentraties moet rekening worden gehouden met ontwikkelingen op de markt in de nabije toekomst. Dat met toekomstige concentraties die nog niet juridisch bindend zijn rekening moet worden gehouden lijkt niet aannemelijk. In de beschikkingspraktijk van de Europese Commissie of de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit (hierna: d-g NMa) bestaat geen precedent waarin bij de beoordeling van een concentratie expliciet rekening is gehouden met een mogelijke toekomstige concentratie waarbij een betrokken onderneming is betrokken.

10. UPC en SBS hebben aangegeven dat zij de concentratie UPC SBS bij de NMa zullen melden. Op het moment dat die concentratie aan het toezicht van de d-g NMa is onderworpen, zal de d-g NMa de gevolgen ervan beoordelen. Bij de beoordeling van de onderhavige concentratie wordt de toekomstige overname van SBS door UPC derhalve niet meegenomen.

A. Relevante markten

Relevante productmarkten

11. Partijen zijn beide actief op het gebied van de exploitatie van vaste communicatienetten door het aanbieden van distributie van radio- en televisiesignalen (hierna: RTV-signalen), telefonie en internettoegang. UPC biedt daarnaast tevens betaaltelevisie en datacommunicatie/huurlijnen aan.

Opvatting partijen

12. Partijen stellen dat door digitalisering van informatie in toenemende mate convergentie plaatsvindt van
communicatie-infrastructuren tot parallelle distributienetwerken voor de verspreiding van informatie in brede zin. Convergentie van infrastructuren gaat gepaard met convergentie van het informatieaanbod: de traditionele grenzen tussen verschillende mediadiensten en -uitingen vervagen. Door de convergentie van infrastructuren en informatieaanbod zijn er steeds meer aanwijzingen dat de markt zich aan het ontwikkelen is in de richting van een markt voor de distributie van informatie, maar er zijn nog (te) weinig concrete gegevens aan de hand waarvan deze markt kan worden afgebakend en de positie van de verschillende spelers op deze markt in kaart kan worden gebracht, aldus partijen. Daarom hebben
mededingingsautoriteiten zich tot dusverre beperkt tot een analyse aan de hand van marktindelingen die uitgaan van het traditionele informatie- en verkeersaanbod: RTV-programmas, internet en telefonie. Bij een analyse van de markt op basis van een dergelijke (traditionele) indeling mag echter niet uit het oog worden verloren welke vergaande ontwikkelingen zich in de nabije toekomst zullen voordoen. UPCs concurrenten op de nieuwe markt voor de distributie van informatie zijn niet slechts andere kabelexploitanten, maar ook de exploitanten van andere infrastructuren, waarmee de kabel meer en meer zal gaan concurreren.

Beoordeling

13. Hoewel er aanwijzingen zijn dat in de toekomst mogelijk sprake kan zijn van een markt voor distributie van informatie, kan niet worden gesteld dat op dit moment reeds sprake is van een dergelijke productmarkt. In de huidige situatie en naar verwachting in de nabije toekomst, dienen televisie, telefonie, internettoegang en andere informatiediensten van elkaar te worden onderscheiden.

a.De markt voor distributie van RTV-signalen

14. RTV-programmas kunnen worden gedistribueerd via de ether, de satelliet, en de kabel. Met betrekking tot de technische voorwaarden en de financiering bestaan aanzienlijke verschillen tussen de drie transmissiesystemen. Daarom is er reden om uit te gaan van een aparte markt voor de distributie van RTV-signalen via kabelnetwerken. In eerdere besluiten van de d-g NMa is geconcludeerd dat de distributie van RTV-signalen via kabelnetwerken een aparte relevante productmarkt vormt. Er zijn relatief weinig consumenten die RTV-programmas op een andere wijze dan via de kabel ontvangen; ongeveer 89% van de woningen in Nederland heeft een kabelaansluiting.

15. Een belangrijk verschil tussen satellietontvangst en ontvangst via de kabel ligt in de noodzakelijke plaatsing van een schotelantenne voor satellietontvangst aan of op het huis en de hoge aanschafkosten ervan. Ten opzichte van de kabel zijn deze kosten een verschil in financiering, aangezien de kabelmaatschappij doorgaans de kabel en de kabelaansluiting aanlegt en de kosten hiervan in de abonnementsprijs verdisconteert. Vanwege deze verschillen is geen sprake van directe concurrentie tussen de kabel en de satelliet.

16. Inmiddels gaat de ontwikkeling van de diverse transmissiesystemen verder. Transmissie van RTV-signalen via
telecommunicatie-infrastructuur (door het gebruik van ADSL-techniek ) en via de ether (door het gebruik van DVB-T-techniek ) wordt mogelijk respectievelijk verbeterd. Transmissie van RTV-signalen via de telecommunicatie-infrastructuur wordt thans experimenteel toegepast door KPN in Amsterdam met video-on-demand-diensten. KPN is voornemens binnenkort in de vier grote steden van Nederland televisiediensten aan te bieden. De distributie van RTV-signalen via het telefoonnetwerk staat derhalve nog in de kinderschoenen en vooralsnog zal het niet mogelijk zijn een met de kabel vergelijkbaar pakket aan televisieprogrammas op deze wijze aan te bieden.

17. De eerste uitgifte/veiling van etherfrequenties voor DVB-T, digitale aardse televisie, zal naar verwachting dit jaar plaatsvinden. DVB-T is in principe geschikt voor verschillende wijzen van (televisie)gebruik: voor ontvangst met het primaire televisietoestel in huis (als vervanging van de kabelaansluiting), voor ontvangst met een tweede televisie in huis (als aanvulling), voor mobiele ontvangst (in de tuin, op de camping) of voor ontvangst in gebieden waar geen kabelaansluiting is. Het is de vraag in hoeverre DVB-T op korte termijn een sterke concurrent voor de kabel wordt. De frequenties voor DVB-T komen, naar verwachting, in eerste instantie slechts ter beschikking in een deel van de Randstad. De planning is erop gericht om aardse digitale televisie uiteindelijk in geheel Nederland ter beschikking te stellen. Om redenen van frequentiecoördinatie komen de frequenties echter niet in heel Nederland tegelijk beschikbaar. Het moment waarop in heel Nederland DVB-T beschikbaar wordt, is nog niet aan te geven. De verwachting is dat dit meerdere jaren zal duren.

18. Gelet op het bovenstaande is er vooralsnog geen aanleiding uit te gaan van één markt voor de distributie van RTV-signalen, onafhankelijk van de wijze van transmissie. Conform eerdere besluiten zal in het onderhavige geval worden uitgegaan van de markt voor distributie van RTV-signalen via kabelnetwerken.

19. In de genoemde eerdere besluiten is bij de analyse van de markt voor distributie van RTV-signalen hoofdzakelijk uitgegaan van het perspectief van de consument (downstream). Wordt ook gekeken naar de kant van de markt die betrekking heeft op de aanbieders van de televisieprogrammas en andere diensten, de content-aanbieders (informatieaanbieders inclusief programma-aanbieders) (upstream), dan kan de markt een ander karakter hebben. Bij de beschrijving van de geografische markt zal hierop nader worden ingegaan.

b.Overige productmarkten

20. Ten aanzien van het aanbieden van betaaltelevisie, datacommunicatie, telefonie en internettoegang via kabelnetwerken werd in zaak 439/UPC NUON geconcludeerd dat deze productmarkten nog volop in ontwikkeling zijn en zich in de toekomst verder zullen ontplooien. Momenteel worden in een beperkt aantal regios in Nederland bovengenoemde diensten aangeboden via het kabelnetwerk. In het onderhavige geval kan het in het midden blijven of sprake is van aparte productmarkten voor betaaltelevisie, respectievelijk voor datacommunicatie, voor telefonie en voor internettoegang of dat moet worden uitgegaan van een nauwkeuriger afbakening van de relevante productmarkten ten aanzien van deze gebieden, aangezien dit de uiteindelijk beoordeling niet beïnvloedt (zie de punten 48 tot en met 53).

Relevante geografische markten

a. De markt voor distributie van RTV-signalen

Opvatting van partijen

21. Indien een afzonderlijke markt moet worden onderscheiden voor de distributie van RTV-signalen via de kabel dan heeft deze markt naar het oordeel van partijen een regionale dimensie, die samenvalt met het verzorgingsgebied van een kabelexploitant. Er is volgens partijen alleen reden uit te gaan van een nationale markt indien ook andere infrastructuren in de analyse worden betrokken en dus wordt uitgegaan van een ruimere productmarkt dan distributie van RTV-signalen via de kabel. De basis van een nationale definitie van de relevante geografische markt zou immers gelegen moeten zijn in de nationale spreiding van alternatieve infrastructuren.

Beoordeling

22. In eerdere besluiten is geen conclusie getrokken met betrekking tot de vraag of de markt voor de distributie van RTV-signalen via kabelnetwerken een regionale of een ruimer dan regionale dimensie heeft. In deze besluiten is geconcludeerd dat, gezien vanuit het oogpunt van de consument, gesteld zou kunnen worden dat de relevante geografische markten wat betreft de distributie van RTV-signalen worden gevormd door de verzorgingsgebieden van de betreffende kabelnetwerken. Deze constatering was mede gebaseerd op de situatie dat op grond van artikel 21 van de Wet op de
telecommunicatievoorzieningen voor elk
dekkingsgebied/verzorgingsgebied slechts één machtiging voor het exploiteren van een draadomroepinrichting (kabelnetwerk) werd afgegeven. Inmiddels is een dergelijke exclusieve machtiging niet meer vereist voor het exploiteren van een kabelnetwerk vanwege de inwerkingtreding van de Telecommunicatiewet. Als gevolg daarvan kunnen de geografische markten mogelijk ruimer worden. Feitelijk heeft de wijziging van de regelgeving echter geen effect gehad; het is niet te verwachten dat er meerdere kabelnetwerken binnen eenzelfde verzorgingsgebied zullen worden aangelegd. Vanuit het oogpunt van de consument is de markt voor distributie van RTV-signalen via kabelnetwerken in geografische zin derhalve vooralsnog regionaal en valt samen met het verzorgingsgebied waarin de consument zich bevindt.
23. Programma-aanbieders dienen met elke individuele kabelmaatschappij te onderhandelen over de doorgifte van hun programmas in het betreffende verzorgingsgebied. Op grond hiervan lijkt de markt voor doorgifte van RTV-signalen een regionale dimensie te hebben, steeds ter grootte van het totale verzorgingsgebied van een kabelmaatschappij. Gezien de huidige omvang van de verzorgingsgebieden van de kabelmaatschappijen zijn dergelijke onderhandelingen over doorgifte noodzakelijk in de meeste delen van Nederland. Voor commerciële stations kan het gezien de noodzakelijke advertentie-inkomsten van belang zijn een bepaalde minimale doorgiftedekking te hebben. Afhankelijk van de aard van het aangeboden programma kan de minimaal vereiste doorgiftedekking een groot deel van Nederland omvatten. In deze zin kan gesproken worden van een nationaal karakter van de markt voor doorgifte van RTV-signalen. In het onderhavige geval kan ten aanzien van de markt voor doorgifte in het midden blijven of uitgegaan dient te worden van geografische markten ter grootte van verzorgingsgebieden van kabelmaatschappijen, of van geografische markten die groter zijn dan regionaal (nationaal). De materiële beoordeling wordt hierdoor niet beïnvloed (zie de punten 38 tot en met 47).

b. Overige productmarkten

24. Ten aanzien van het aanbieden van betaaltelevisie, internettoegang, datacommunicatie en telefonie kan het in het midden blijven of moet worden uitgegaan van regionale of nationale geografische markt(en), aangezien dit de uiteindelijke beoordeling niet zal beïnvloeden (zie de punten 48 tot en met 53).

B. Gevolgen van de concentratie

a. De markt voor distributie van RTV-signalen

Opvatting van partijen

25. Partijen stellen dat ongeacht de afbakening van de relevante markten, mede gezien de sterke regulering van de sector, kan worden gesteld dat de voorgenomen concentratie niet zal leiden tot het ontstaan of de versterking van een machtspositie. De sterke regulering betekent volgens hen dat marktaandeel geen juiste maatstaf is voor het meten van marktmacht.

26. De activiteiten van partijen zijn beperkt tot hun respectievelijke verzorgingsgebieden . In het geval de markt een regionale dimensie zou hebben, is er geen sprake van overlap tussen de activiteiten van partijen.

27. In geval de markt een nationale dimensie zou hebben, moeten ook andere infrastructuren in de analyse worden betrokken en moet worden uitgegaan van een ruimere productmarkt dan distributie van RTV-signalen via kabelnetwerken. Op een nationale markt voor de distributie van informatie waar naast kabelexploitanten ook exploitanten van alternatieve infrastructuren actief zijn, nemen partijen een bescheiden positie in. Aangezien deze markt sterk in ontwikkeling is, valt een precieze indicatie van het marktaandeel van partijen moeilijk te geven, maar binnen een termijn van 3 tot 5 jaar, wanneer de markt meer zal zijn uitgekristalliseerd, zal het marktaandeel van partijen op een nationale markt naar het zich thans laat aanzien in ieder geval lager zijn dan 15%, aldus partijen.

28. Partijen stellen dat de voorgenomen concentratie niet leidt tot een beperking van keuzemogelijkheden, noch voor de consument, noch voor de programma-aanbieder. Consumenten hebben thans geen keuze tussen het aanbod van UPC en het aanbod van K&T. Voor de aanbieders van programmas die op het algemeen publiek gericht zijn, zoals HMG en SBS Nederland, is het essentieel dat zij een landelijke dekking hebben, wat betekent dat zij zowel in het verzorgingsgebied van UPC als in het verzorgingsgebied van K&T moeten worden doorgegeven. Deze programma-aanbieders konden zich al vóór de concentratie niet veroorloven om niet in één van de verzorgingsgebieden van partijen te worden doorgegeven, aldus partijen.

Opvattingen van derden

29. Een aantal marktpartijen is van mening dat UPC door de overname van K&T een te grote onderhandelingsmacht verkrijgt ten opzichte van consumenten en programma-aanbieders. Dit zal voor afnemers en leveranciers op aanverwante markten, zoals de markten voor internettoegang, telefonie en het aanbieden van content, negatieve effecten hebben. Volgens één partij leidt de horizontale concentratie tot afstemming van het prijsbeleid en overige voorwaarden (waaronder technologie) voor toegang van derden tot de kabel tussen kabelexploitanten. De Consumentenbond is van mening dat de combinatie UPC K&T dermate machtig wordt dat zij ontwikkelingen kan afdwingen die een volledige liberalisering van de kabelsector in de weg staan.

30. Eén marktpartij meldt dat commerciële televisiezenders voor 90-100% van hun inkomsten afhankelijk zijn van reclameopbrengsten. De reclameopbrengsten zijn direct afhankelijk van het bereik van tv-zenders; om de bedrijfsvoering rendabel te houden stelt deze marktpartij dat een bereik in Nederland van 85%, inclusief Amsterdam, noodzakelijk is.

31. Meerdere marktpartijen voeren aan dat het aanbod van internetdiensten en de ontwikkeling van special-interest-kanalen ten behoeve van de kabel (in combinatie met een decoder) door de kabelexploitanten zelf de ruimte op de kabel voor bestaande zenders nog schaarser zal maken. Zij vrezen dat kabelexploitanten ongelijke voorwaarden zullen stellen aan verschillende aanbieders van programmas, internetdiensten en dergelijke. Eén partij voegt hieraan toe dat de tarieven die programma-aanbieders in rekening worden gebracht door UPC reeds nu (opwaarts) afwijken van de tarieven van andere kabelexploitanten.

32. Een marktpartij uit haar bezorgdheid over de gevolgen die de dominantie van UPC zal hebben voor adverteerders en media-adviseurs. Adverteerders en media-adviseurs zullen in toenemende mate worden beperkt in hun keuzemogelijkheden. UPC is niet alleen verreweg de grootste kabelexploitant, maar haar activiteiten concentreren zich bovendien in het westen van Nederland; het economische zwaartepunt en voor adverteerders belangrijkste gebied.

Reactie van partijen op de opvattingen van derden

33. Partijen wijzen er naar aanleiding van de opvattingen van derden op dat aspecten als de segmentering van het programma-aanbod in pakketten, standaardisatie en invoeringsscenarios voor decoders op dit moment onderwerp zijn van een politieke discussie die zal resulteren in de notitie Kabel en consument, digitalisering en nieuwe diensten. Opmerkingen van derden over deze onderwerpen zien dan ook op een toekomstige situatie waarvan de contouren nog niet duidelijk zijn en op eventueel toekomstig overheidsbeleid en dienen volgens partijen niet meegenomen te worden in de beoordeling van de onderhavige concentratie.

34. Met betrekking tot de onderhandelingspositie van aanbieders van RTV-programmas ten opzichte van partijen merken partijen op dat deze positie door de voorgenomen concentratie niet wezenlijk zal veranderen. In aanvulling daarop geldt dat geen sprake is van een eenzijdige afhankelijkheidsrelatie van content-aanbieders. Partijen zouden net zo afhankelijk zijn van content-aanbieders als content-aanbieders van partijen. Content is een van de belangrijkste drijfveren van digitalisering. Zonder voldoende interessante content bestaat er voor de consument geen stimulans tot afname (over het digitale platform) van te leveren diensten. Dit gegeven biedt de content-aanbieder ten opzichte van de content-distributeur op zichzelf al voldoende onderhandelingsmacht.

35. Daarnaast wordt door marktpartijen gesteld dat UPC door de combinatie van kabelnetbezit en dienstenaanbod haar vermeende machtspositie uitbreidt naar verschillende (aanverwante) terreinen. Volgens partijen voegt de voorgenomen concentratie echter nauwelijks iets toe aan het bestaande dienstenaanbod van UPC op deze aanverwante terreinen.

36. Wat betreft de verschillen tussen programma-aanbieders met betrekking tot de betaling van doorgiftevergoedingen, merken partijen op dat dergelijke verschillen worden veroorzaakt door de bestaande regulering van de kabelsector op grond van de Telecommunicatiewet, Mediawet en de exploitatieovereenkomsten met gemeenten. Hierdoor worden bepaalde RTV-programmas op bindend advies van de Programmaraden in de wettelijke basis- en standaardpakketten doorgegeven. Verplicht door te geven buitenlandse RTV-programmas hebben echter geen belang bij doorgifte in Nederland zodat zij niet bereid zullen zijn een doorgiftevergoeding te betalen. Must-carry-programmas moeten hoe dan ook worden doorgegeven, waaruit volgt dat dergelijke programma-aanbieders eveneens geen doorgiftevergoeding betalen.

37. Een marktpartij hecht belang aan de regios waarbinnen partijen actief zijn. Het is partijen niet duidelijk hoe dit een rol zou kunnen spelen in de beoordeling van de voorgenomen concentratie. Indien wordt uitgegaan van een markt voor de distributie van informatie bestaan alternatieve infrastructuren in de genoemde regios. Wordt uitgegaan van een markt voor de distributie van RTV-signalen via kabelnetwerken, dan is sprake van regionale markten. In dat geval is er geen overlap van de activiteiten van partijen en derhalve geen wijziging van de marktstructuur in de desbetreffende regios. Hoewel partijen het belang van deze regios voor programma-aanbieders erkennen, wijzen zij op het feit dat de positie van programma-aanbieders niet wezenlijk zal veranderen door de voorgenomen concentratie. Partijen merken voorts op dat naast UPC nog een andere grote kabelexploitant actief is in de Randstad, te weten Casema, die onder andere beschikt over kabelnetwerken in Den Haag en Utrecht.

Beoordeling

38. De positie van kabelmaatschappijen op de markt voor de distributie van RTV-signalen via kabelnetwerken is zowel voor de consument, die de signalen afneemt, als voor de programma-aanbieder, die de signalen via het kabelnet wil doorgeven, van belang.

39. Indien wordt uitgegaan van in geografische zin regionale markten ter grootte van verzorgingsgebieden van kabelmaatschappijen voor distributie van RTV-signalen via kabelnetwerken, dan overlappen de activiteiten van UPC en K
UPC en K&T zijn actief in
verschillende verzorgingsgebieden .

40. In Nederland exploiteren UPC en K&T gezamenlijk circa 36,6% van het totaal aantal kabelaansluitingen (UPC 26,8% en K&T 9,8%). De aandelen van de grootste concurrenten bedragen 20,9% (Casema) en 24,3% (Essent). De rest van het aantal aansluitingen is op dit moment in handen van ruim veertig kleinere kabelmaatschappijen.

41. Een kabelexploitant beschikt over een economische machtspositie voor de distributie van RTV-signalen in zijn verzorgingsgebied. Een gevolg van de onderhavige concentratie is dat UPC en K&T gezamenlijk in een groter aantal (aanpalende) gebieden zullen beschikken over een economische machtspositie. Voor een programma-aanbieder die een landelijk publiek wil bereiken kan dit van belang zijn.

42. Voor een programma-aanbieder, met name de aanbieder die een op het algemeen publiek gericht programma aanbiedt, is het van belang dat zijn programma een zo groot mogelijk bereik heeft. Commerciële programmas worden gefinancierd door middel van advertentie-inkomsten. Diverse programma-aanbieders hebben aangegeven dat, met het oog op de advertentie-inkomsten die noodzakelijk zijn voor een rendabele productie van hun huidige programma-aanbod, een bepaalde minimale doorgiftedekking noodzakelijk is. Hierbij dient te worden aangetekend dat verlies aan bereik in kwantitatieve zin niet zonder meer gelijk opgaat met verlies aan reclame-inkomsten. Ook andere (meer kwalitatieve) factoren spelen hierbij een rol. Worden de verzorgingsgebieden van kabelmaatschappijen groter, dan worden programma-aanbieders, met name aanbieders van programmas die niet tot het standaardpakket behoren (zie hierna), in toenemende mate afhankelijk van de grotere kabelmaatschappijen.

Regelgeving

43. Kabelexploitanten zijn op grond van artikel 82i van de Mediawet verplicht tot doorgifte van het wettelijk basispakket (ten minste 15 tv-zenders en 25 radiozenders). Het wettelijk basispakket omvat in elk geval de programmas van de publieke omroepen, de regionale en lokale omroepen en de Nederlandstalige landelijke Belgische omroep. Dit zijn de zogenaamde must-carry-programmas. Kabelexploitanten zijn bij de samenstelling van het wettelijk basispakket gebonden aan een zwaarwegend advies van de Programmaraad (artikel 82k, eerste lid, van de Mediawet). Slechts wegens zwaarwichtige redenen kunnen kabelexploitanten van het advies van de Programmaraad afwijken. Dit criterium wordt eng uitgelegd. Zwaarwichtige redenen kunnen bijvoorbeeld zijn dat de economische exploitatie van het kabelnetwerk in gevaar komt doordat de door de Programmaraad geadviseerde programmas zichzelf duur verkopen of dat de abonnementstarieven onaanvaardbaar zouden moeten stijgen.

44. Vaak bepalen de Programmaraad of de gemeente, in exploitatie- en koopovereenkomsten, de doorgifte van een uitgebreid bovenwettelijk pakket. Het totale pakket bestaat zo gemiddeld uit 28 à 30 zenders (inclusief het wettelijk basispakket). Dit pakket wordt veelal aangeduid als het standaardpakket. Het is het pakket dat de consument standaard over de kabel krijgt geleverd.

45. Artikel 8.7 van de Telecommunicatiewet voorziet in de bevoegdheid van het college van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (hierna: OPTA) om een bindende aanwijzing te geven indien een programma-aanbieder en een exploitant van een kabelnetwerk geen overeenstemming bereiken over toegang tot het kabelnetwerk of bijvoorbeeld het doorgiftetarief dat de programma-aanbieder zou moeten betalen. Dit geldt voor alle programma-aanbieders ongeacht of hun programmas behoren tot het must-carry-pakket, het basispakket of het standaardpakket of dat de kabelexploitant zelf kan beslissen over doorgifte. OPTA en NMa hebben tezamen de Richtsnoeren met betrekking tot geschillen over de toegang tot de kabel vastgesteld.

Conclusie

46. Voor de consument verandert er als gevolg van de concentratie in eerste instantie niets: hij krijgt het door de Programmaraad vastgestelde standaardpakket geleverd. Vanuit het perspectief van de consument heeft de markt voor doorgifte van RTV-signalen via kabelnetwerken een regionaal karakter. De consument is en blijft vooralsnog aangewezen op de kabelexploitant in wiens verzorgingsgebied hij een kabelaansluiting heeft. De keuzemogelijkheden van de consument worden niet direct als gevolg van de onderhavige concentratie beperkt.

47. Concluderend kan verder worden gesteld dat de huidige regelgeving het gedrag van kabelmaatschappijen disciplineert. Kabelmaatschappijen zijn gebonden aan de adviezen van de Programmaraden en de overeenkomsten met gemeenten bij een groot deel van de invulling van hun aanbod (het standaardpakket). Indien vanuit het perspectief van de programma-aanbieder uitgegaan dient te worden van een in geografische zin regionale markt, dan is geen sprake van overlappende activiteiten van partijen. Indien vanuit het perspectief van de programma-aanbieder uitgegaan dient te worden van een in geografische zin nationale markt, dan is het gezamenlijke marktaandeel van partijen op de markt voor doorgifte van RTV-signalen via kabelnetwerken 36,6%. Op grond van dit marktaandeel, in combinatie met de genoemde overwegingen ten aanzien van de geldende regelgeving, is er geen reden om aan te nemen dat er als gevolg van de onderhavige concentratie een economische machtspositie kan ontstaan of worden versterkt die tot gevolg heeft dat op het gebied van doorgifte van RTV-signalen via kabelnetwerken een daadwerkelijke mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd.

b. Overige productmarkten

De markt(en) voor het aanbieden van telefonie en datacommunicatie

48. UPC biedt telefonie via kabelnetwerken aan, zowel aan particuliere als aan zakelijke klanten. UPC is onder de naam UniPort tevens actief op het gebied van carrier-select-telefoondiensten (een dienst waarbij de abonnee door middel van een viercijferige toegangscode via een alternatieve aanbieder toegang krijgt tot het reguliere telefoonnet). K&T is slechts actief op het gebied van telefoniediensten voor zakelijke klanten en niet op de markt voor particuliere abonnees.

49. Indien wordt aangenomen dat de activiteiten van partijen op het gebied van telefonie tot één productmarkt voor het aanbieden van telefonie behoren, dan is het gezamenlijke marktaandeel van partijen minder dan *, ongeacht of wordt uitgegaan van een nationale markt of van regionale markten. Wordt aangenomen dat de activiteiten van partijen op het gebied van telefonie verschillende productmarkten omvatten, dan is er geen sprake van overlap met betrekking tot carrier-select-telefoondiensten en het aanbieden van telefonie aan particuliere abonnees. Op het gebied van telefoondiensten ten behoeve van zakelijke afnemers zal een geringe versterking van de positie van partijen optreden. Op het gebied van het aanbieden van telefonie en datacommunicatie is een aantal sterke spelers, waaronder KPN, actief.

De markt(en) voor het aanbieden van internettoegang

50. Op de nationale markt voor het aanbieden van internettoegang hebben partijen een gezamenlijk marktaandeel van circa . Ter onderbouwing van dit gezamenlijke marktaandeel hebben partijen een overzicht van het totaal aantal internetabonnees , in Nederland overgelegd. Als uitgegaan wordt van regionale markten voor het aanbieden van internettoegang kan opgemerkt worden dat in alle regionale markten waar partijen werkzaam zijn voldoende andere aanbieders van internet actief zijn. De markt voor internettoegang is nog volop in ontwikkeling, kent een hoge dynamiek en partijen ondervinden concurrentie van de reeds bestaande aanbieders van internettoegang via telefonienetwerken.

De markt(en) voor het aanbieden van betaaltelevisie

51. UPC biedt een zogenaamde near-video-on-demand-dienst aan. Daarnaast biedt UPC onder de merknaam UPC TV verschillende themakanalen aan. Zowel UPC als K&T participeren daarnaast in Mediakabel B.V. De activiteiten van K&T op het gebied van betaaltelevisie bevinden zich in de opstartfase.

52. Gezien het feit dat de activiteiten van K&T op het gebied van betaaltelevisie zich in de opstartfase bevinden, kan gesteld worden dat op de markt voor het aanbieden van betaaltelevisie slechts een marginale versterking van de positie van partijen plaats zal vinden. Op de markt voor het aanbieden van betaaltelevisie is Canal+ als concurrent aanwezig.

53. Gelet op de genoemde marktaandelen en overige overwegingen en gezien het feit dat de markt(en) met betrekking tot betaaltelevisie nog volop in ontwikkeling zijn, is er geen reden om aan te nemen dat er als gevolg van deze concentratie een economische machtspositie kan ontstaan of worden versterkt die tot gevolg heeft dat een daadwerkelijke mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd.

c. Verticale relatie

54. UPC is actief op verschillende niveaus binnen de bedrijfskolom. Door enkele marktpartijen is aangevoerd dat UPC na de overname van K&T, door de combinatie van horizontale en verticale integratie een te grote onderhandelingsmacht zal krijgen ten opzichte van afnemers en leveranciers (zie punt 29).

55. UPC is op dit moment op kleine schaal actief als aanbieder van internettoegang en telefonie en als televisieprogramma-aanbieder. Als aanbieder van internettoegang heeft zij een landelijk marktaandeel van . Er zijn zeer veel concurrerende aanbieders van internettoegang. Als televisieprogramma-aanbieder is UPC vooralsnog een relatief kleine speler die een aantal pluspakketten, themakanalen en near-video-on-demand-diensten aanbiedt via onder andere de merknamen Moviehouse en Extreme Sports Channel. K&T is niet zelfstandig actief als aanbieder van content en slechts in geringe mate actief als aanbieder van internettoegang en telefonie. Het belang van de verticale relaties die binnen UPC bestaan is in de huidige situatie derhalve beperkt en zal door de onderhavige voorgenomen overname van K&T niet of nauwelijks groeien.

56. Gelet op het voorgaande en mede gelet op de in de punten 43 tot en met 45 omschreven regelgeving, is er op dit moment geen aanleiding om te verwachten dat de overname van K&T door UPC zal leiden tot een toename van het risico voor marktafsluiting door UPC.

VI. CONCLUSIE

57. Na onderzoek van deze melding is de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit tot de conclusie gekomen dat de gemelde operatie binnen de werkingssfeer valt van het in hoofdstuk 5 van de Mededingingswet geregelde concentratietoezicht. Hij heeft geen reden om aan te nemen dat als gevolg van die concentratie een economische machtspositie kan ontstaan of worden versterkt die tot gevolg heeft dat een daadwerkelijke mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd.

58. Gelet op het bovenstaande deelt de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit mede dat voor het tot stand brengen van de concentratie waarop de melding betrekking heeft geen vergunning is vereist.

Datum: 27-03-2000

De directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit,

voor deze:

w.g. Drs. R.J.P. Jansen

Hoofd Concentratiecontrole

Tegen dit besluit kan degene, wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken, binnen zes weken na bekendmaking van dit besluit een gemotiveerd beroepschrift indienen bij de arrondissementsrechtbank te Rotterdam, sector bestuursrecht, Postbus 50951, 3007 BM, Rotterdam.




UGC is betrokken onderneming in de gedaante zonder SBS Broadcasting SA, zie de punten 8 tot en met 10.

Zie ook de beschikking van de Europese Commissie van 9 november 1994 in zaak IV/M. 469 MSG Media Service, punt 41.

Zie het besluit van 13 mei 1998 in zaak 439/UPC NUON, punt 18, en het besluit van 15 juni 1999 in zaak 1331/PNEM/MEGA EDON, punt 140, en het besluit van 2 augustus 1999 in zaak 1396/UPC A2000, punt 9, waar in het midden is gelaten of het samenstellen en aanbieden van standaardprogrammapakketten een afzonderlijke markt vormt.

Bron: rapport d.d. 8 september 1999 van DIALOGIC Innovatie & Interactie in opdracht van Vecai, Vernieuwing in kabelland, trends en cijfers van de Nederlandse kabelbranche 1999.

Hier is op gewezen door de Europese Commissie in IV/M.469 MSG Media Service, reeds aangehaald. Ook de besluiten van de d-g NMa inzake kabelmaatschappijen volgen deze redenering, zie 439/UPC NUON, reeds aangehaald, en 1396/UPC A2000, reeds aangehaald, en het besluit van 14 oktober 1999 in zaak 1530/Casema CAI Bussum.

ADSL staat voor: Asymmetric Digital Subscriber Line.

DVB-T staat voor: Digital Video Broadcasting Terrestrial.

De bandbreedte die via ADSL-technieken (en andere xDSL-technieken) beschikbaar is, laat gelijktijdige doorgifte van een groot pakket van televisieprogrammas niet toe.

Stichting Digitenne, een samenwerkingsverband van NOS, NOB, Nozema, KPN Telecom, Vestra (vereniging van commerciële omroepen) en Canal+, heeft het plan om de frequenties te verwerven en via de ether vanaf begin 2001 een pakket van televisiekanalen aan te bieden.

Zie ook het Advies van de d-g NMa aan de directeur-generaal Telecommunicatie en Post van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat betreffende Vergunningverlening Digital Video Broadcasting Terrestrial (DVB-T), 21 januari 2000.

Zie 439/UPC NUON, reeds aangehaald, punt 23.

Zie onder andere 439/UPC NUON, reeds aangehaald, punt 21.

Zie voetnoot 14.

Het verzorgingsgebied van UPC beslaat Amsterdam en omstreken, Arnhem, Nijmegen, Apeldoorn, de Betuwe, Ede en omstreken, Eindhoven en omstreken, Helmond en omstreken, Hilversum, Leeuwarden en omstreken, Flevoland, Winterswijk en omstreken, Zutphen en omstreken. Het verzorgingsgebied van K&T beslaat Barendrecht, Berkel en Rodenrijs, Bernisse, Binnenmaas, Brielle, Cromstrijen, Dirksland, Dordrecht, Goedereede, Graafstroom, s-Gravendeel, Hardinxveld-Giessendam, Heerjansdam, Hellevoetsluis, Korendijk, Leerdam, Liesveld, Middelharnis, Nederlek, Nieuw-Lekkerland, Oostflakkee, Oud-Beijerland, Papendrecht, Ridderkerk, Rijswijk, Rotterdam, Rozenburg, Sliedrecht, Spijkenisse, Strijen, Vlaardingen, Westvoorne, Zederik en Zwijndrecht.

Bron: VECAI (Facts & Figures, www.vecai.nl/facts.htm).

Zie ook het besluit van 28 december 1998 in zaak 1048/De Joode vs A2000 en het besluit van 17 december 1999 in zaak 1380/Comité DEZE keuzevrijheid: NEE!! vs N.V. Casema.

Zie ook Notitie kabel, media en consument, Kamerstukken II 1998-1999 26 602, nr. 1, p. 28.


* Vertrouwelijke gegevens zijn weggelaten.

Bron: NRC Handelsblad, 7 maart 2000.

Partijen merken bij dit overzicht op dat het beeld vertekend kan zijn door het grote aantal aanbieders van gratis internet. Hierdoor bestaat de kans dat een abonnee meerdere abonnementen heeft terwijl hij er slechts één gebruikt. Er kunnen derhalve dubbeltellingen in de gebruikte tabel zijn opgenomen.

Zie in dit verband de beschikking van de Europese Commissie van 15 september 1998 in zaak IV/JV.11 @Home Benelux B.V.

Consumenten kunnen hierbij tegen betaling een op een bepaald tijdstip uitgezonden speelfilm bekijken.

persbericht

terug

Aan de inhoud van deze pagina's kunt u geen rechten ontlenen.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie