Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag algemeen overleg openbare gezondheidszorg

Datum nieuwsfeit: 14-04-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Verslag algemeen overleg openbare gezondheidszorg
Gemaakt: 18-4-2000 tijd: 14:44


1


26598 Openbare gezondheidszorg

Nr. 3 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 14 april 2000

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport<1> heeft op
29 maart 2000 overleg gevoerd met minister Borst-Eilers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over:


- de brief van 9 juni 1999 inzake de openbare gezondheidszorg (26598, nr. 1);


- de brief van de minister van VWS van 26 januari 1999 ten geleide van het rapport "De GGD nader beschouwd" (VWS-99-152);

- de brief van de minister van VWS van 17 maart 1999 inzake het Platform openbare gezondheidszorg (VWS-99-393);

- de brief van de minister van VWS van 2 april 1999 ten geleide van de visie van het Platform openbare gezondheidszorg op tien rapporten uitgebracht binnen het versterkingsprogramma gemeentelijk gezondheidsbeleid (VWS-99-583);


- de brief van de minister van VWS van 28 april 1999 ter aanbieding van het RVZ-advies "Samenwerken aan openbare gezondheidszorg" (VWS-99-738);


- de brief van de minister van VWS van 12 januari 2000 inzake de verschillende verantwoordelijkheden voor de rijksvisie op de hulpverlening aan psychisch gestoorde mensen in een crisissituatie (25424, nr. 25);


- de brief van de minister van VWS van 2 februari 2000 ten geleide van het visiedocument "Spelen op de winst" van het Platform openbare gezondheidszorg (VWS-00-150);


- het standpunt op het visiedocument van het Platform openbare gezondheidszorg (nog te ontvangen);


- de eindrapportage van het Platform openbare gezondheidszorg (nog te ontvangen).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Mevrouw Arib (PvdA) memoreerde de voorgeschiedenis van de openbare gezondheidszorg (OGZ) om te illustreren dat het te lang duurt, voordat de minister met een standpunt en een visie komt. Omdat het haar nog steeds niet duidelijk is wat de minister op welke termijn wil ondernemen, verzocht zij haar om een tijdpad waaruit dit blijkt.

De Raad voor de volksgezondheid en de zorg acht de OGZ van vitale betekenis. De OGZ richt zich op gezondheidsbevordering, bescherming, ziektepreventie en acute hulpverlening, waardoor onnodige ziekte en vermijdbare sterfte kan worden voorkomen. De OGZ speelt eveneens een rol bij de aanpak van maatschappelijke problemen, waaronder de groeiende jeugdproblematiek. Onderschat de minister deze vitale functies van de OGZ? Hoewel Nederland op het gebied van de gezondheidszorg veel heeft bereikt, mag dit voor de minister geen reden zijn achterover te gaan leunen.

Uit alle uitgebrachte stukken blijkt dat de minister de bal doorspeelt naar de gemeenten. Het ontbreekt haar aan ambitie en een duidelijke visie op de openbare gezondheidszorg. In de stukken gaat het alleen om vrijblijvende voornemens. Nederland dreigt in Europa achterop te raken met de OGZ. Zo blijkt bijvoorbeeld de zuigelingensterfte in Amsterdam nu tot de hoogste in Europa te behoren. De antwoorden van de minister op eerder gestelde vragen daarover zijn onvoldoende.

Mevrouw Arib verzocht de minister te reageren op het pleidooi van de programmacommissie sociaal-economische gezondheidsverschillen om naast investeringen in de economische en sociale infrastructuur ook te investeren in de gezondheidsinfrastructuur, omdat dit bijdraagt aan de vermindering van gezondheidsverschillen in achterstandswijken. De gemeentelijke gezondheidsdiensten spelen hierin een cruciale rol. Niet alleen de minister van VWS draagt hiervoor verantwoordelijkheid, maar ook de minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid (GSI). Het sterftecijfer onder allochtone kinderen is tweemaal zo hoog als bij autochtone kinderen en de vaccinatiegraad onder allochtone kinderen is veel lager dan bij autochtone. Wat gaat de minister eraan doen om deze verschillen terug te dringen? Is zij bereid tot overleg met haar collega voor GSI om gezamenlijk te handelen?

Mevrouw Arib pleitte voor een sterk gemeentelijk gezondheidsbeleid. De minister dient de basistaken collectieve preventie volgens het regeerakkoord helder in de Wet collectieve preventie volksgezondheid (WCPV) vast te leggen, maar zij is uiterst traag daarmee. Wanneer komt de wettelijke verankering? Er dient tevens een financiële doorberekening te komen van de kosten die met de WCPV gemoeid zijn.

Een van de aanbevelingen van het Platform openbare gezondheidszorg (POGZ) is om de intenties van partijen over hetgeen dient te gebeuren in de OGZ vast te leggen in een nationaal contract. Mevrouw Arib onderschreef de mening van het platform dat deze samenwerking van bovenaf moet worden opgelegd. Dit is te belangrijk om aan de vrijblijvendheid van partijen over te laten. Zij steunde het voorstel van het platform via de WCPV de gemeenten te verplichten tot het vierjaarlijks uitbrengen van een gezondheidsplan. Dit geldt ook voor het landelijke beleidskader.

Na het kritische rapport van de inspectie op hun functioneren, hebben de GGD'en inmiddels verbeteringen aangebracht. De voornemens van de inspectie om de GGD'en periodiek en systematisch te onderzoeken aan de hand van een handhavingsplan had de steun van mevrouw Arib. Dit plan is echter nog niet vastgesteld. Hoe is de stand van zaken bij de GGD'en sinds het uitkomen van het rapport in 1995?

Voor de verbetering van de crisisopvang heeft de minister tal van maatregelen in petto. Mevrouw Arib toonde zich verheugd dat er meer geld komt voor maatschappelijke opvang door eerstelijns psychische zorg. Helaas wordt de crisisopvang overal verschillend uitgevoerd. Zij wees op de situatie in Amsterdam en pleitte voor een uniforme procedure voor crisisopvang, waarbij een beoordeling ter plekke door een psychiater of een sociaal-verpleegkundige voorop staat.

De heer Buijs (CDA) sprak zijn teleurstelling uit over het kabinetsstandpunt over het visiedocument "Spelen op de winst". In de brief van 17 maart 2000 staat niets over concreet beleid of financiering van de openbare gezondheidszorg. Het blijft onduidelijk welke visie het kabinet heeft op de gewenste basistaken van de OGZ. Eerst moet de meningsvorming worden afgewacht over de aanbevelingen van de stuurgroep basistaken collectieve preventie en de financiële doorberekening van al deze aanbevelingen. Het stoorde de heer Buijs dat het politieke commitment van de regering uitblijft, terwijl dit juist noodzakelijk is om de belangstelling voor de OGZ bij de lagere overheden te stimuleren.

De minister schrijft in haar brief van 10 maart 1998 dat zij er de voorkeur aan geeft de rapporten over de OGZ in hun samenhang te bezien en de Kamer een integrale reactie wil voorleggen, maar, zo merkte de heer Buijs op, tot een dergelijke reactie is het nooit gekomen. Het ontbreekt aan samenhang, visie en politiek commitment. Volgens de volksgezondheid toekomstverkenning (VTV) 1997 kan aanzienlijke gezondheidswinst worden geboekt door een gezondere leefstijl. De minister stelt daarvoor 50 mln. beschikbaar voor een programma van Zorg onderzoek Nederland (ZON). Waarop is dat bedrag gebaseerd, waaraan zal het worden besteed en welke doelstelling denkt de minister daarmee te bereiken?

Preventie anno 2000 betekent gedragsbeïnvloeding-gedragsverandering. Mensen moeten meer op de eigen gezondheid letten. Dat heeft te maken met het gebruik van alcohol, tabak, drugs en dergelijke. De minister schrijft dat de leefstijlfactoren zich ongunstig ontwikkelen. Welke verklaringen zijn daarvoor te geven? Moet daaruit niet worden afgeleid dat het beleid gefaald heeft? Bij haar aantreden heeft zij gezegd dat zij prioriteit wil geven aan preventie. Welke beleidsconclusies trekt zij hieruit? Volgens het platform brengt het rijk te weinig samenhang aan in de openbare gezondheidszorg en ontbreekt het aan draagvlak. De heer Buijs koppelde dit aan de intentie van de minister in 1994 en vroeg haar wat zij heeft gedaan aan draagvlakverbreding.

De minister heeft zichzelf opgeworpen als coördinerend en enthousiasmerend bewindsvrouwe voor haar collega's en het veld. Als coördinerend minister blijft zij het aanspreekpunt. Reeds in 1994 zei zij overtuigd te zijn van het belang van facetbeleid en van gezondheidsrapportages over belangrijke beleidsmaatregelen. Sindsdien had de heer Buijs er niets meer over gehoord. Wat is de stand van zaken van het facetbeleid? Wat is haar ambitie en waarop mag zij in worden afgerekend?

De lagere overheden hebben tot taak het beleid van de OGZ uit te voeren. Zij moeten een keer in de vier jaar gezondheidsplannen opstellen. Kan de minister iets zeggen over de kosten die daaraan zijn verbonden? Overweegt zij het faciliëren van stimuleringsmaatregelen? De heer Buijs drong aan op duidelijkheid over de rolverdeling tussen gemeenten, rijk en GGD. Wie is precies waarvoor verantwoordelijk?

Infectieziekten duiken de laatste tijd steeds meer op. De bestrijding daarvan zal versterkt moeten worden. De heer Buijs noemde als voorbeeld de besmetting met legionella. Kan de minister bevestigen dat de GGD Nederland de regering heeft voorgesteld een groot project op te zetten met als doelstelling vast te stellen hoe de infrastructuur van de infectieziektebestrijding zodanig kan worden ingericht dat deze voldoet aan de kwaliteitseisen en aan de wensen en verwachtingen van rijk en gemeenten? Wat zijn de kosten van de voorgestelde infrastructuur?

In de brief van 12 januari 2000 wordt een visie gegeven op de hulp aan psychisch gestoorde mensen in crisissituaties. De heer Buijs constateerde dat er voldoende beleidsvoornemens zijn, maar dat het nu op de uitvoering aankomt. Hoe kan worden aangesloten op een aantal goedlopende projecten, zoals in Nijmegen en in de Amsterdamse regio? Is nationale implementatie van deze projecten mogelijk? Kan de minister iets meer zeggen over de aanpak van de crisisopvang?

De heer Buijs verzocht de minister toe te zeggen dat zij nog voor het zomerreces aangeeft welk daadwerkelijk beleid zij voorstelt, inclusief de financiën.

De heer Udo (VVD) merkte op dat het bij openbare gezondheidszorg vooral gaat om collectieve preventie, gezondheidsbescherming en
-bevordering. Hij sprak zijn waardering uit voor de visie van het platform die een goed uitgangspunt is voor beleid. Het voorgestelde nationale contract voor de OGZ is een ambitieuze aanzet om verder te werken aan bepaalde thema's en afspraken. De OGZ biedt kansen om substantiële gezondheidswinst te behalen, zodat eenieder in de toekomst langer en gezonder kan leven. Toch staat de OGZ te laag op de politieke agenda. De visie van het platform is ambitieus, maar in de praktijk gebeurt er te weinig. Er dient een duidelijk basistakenpakket te komen dat door de gemeenten moet worden uitgevoerd. Een wettelijke verankering in de WCPV moet met spoed worden voorbereid. Kan de minister aangeven welk traject zij hiervoor heeft uitgestippeld? De heer Udo steunde het voorstel gemeenten om de vier jaar een lokaal gezondheidsplan te laten opstellen. Een realistisch landelijk beleidskader is daarvoor noodzakelijk. De minister zal snel tot actie moeten overgaan nu zij de hoofdlijnen van het rapport overneemt.
De heer Udo noemde het noodzakelijk dat rijk en gemeenten meetbare doelstellingen voor de OGZ vaststellen met een goede balans tussen lokale vrijheid en het landelijk beleidskader. De discussie zal zich moeten toespitsen op hetgeen materieel door de plaatselijke of regionale OGZ wordt uitgevoerd met bijbehorende financiering.

De heer Udo drong aan op een hogere prioriteit voor dit beleidsterrein. De minister wacht te lang met een integrale visie op de OGZ. Hierdoor is de opstelling van basistaken onnodig naar de toekomst verschoven. De infrastructuur van de OGZ bij gemeenten, GGD'en en andere betrokken organisaties laat te wensen over. Omdat een landelijke integrale visie ontbreekt, zijn organisaties onvoldoende gestimuleerd extra te investeren in tijd en geld.

De minister heeft een brief naar de Kamer gestuurd waarin summier de basistaken van de OGZ zijn opgenomen. De WCPV zal worden gewijzigd op basis van aanbevelingen van de stuurgroep basistaken collectieve preventie. Het gaat daarbij om bevorderingstaken, infectieziekten, medische milieukunde, geestelijke gezondheidszorg etc. Waarom heeft de minister niet zelf deze onderdelen uitgewerkt?

Er komt een nationaal contract, waarin de beschreven ambities nader moeten worden uitgewerkt. Het einddoel is dat er gezamenlijke afspraken komen. Over de doelstellingen waarop men afgerekend kan worden, heerst onduidelijkheid. Hoe staat het met de eigen verantwoordelijkheid van de burger bij de OGZ? De overheid dient de burger behulpzaam te zijn bij het bevorderen van de eigen gezondheid zonder hem te kapittelen.

De gemeenten vragen aandacht voor het gebrek aan structurele ondersteuning voor innovatie van het gemeentelijk gezondheidsbeleid. Zij achten het noodzakelijk dat er in de randvoorwaardelijke sfeer een aantal maatregelen wordt genomen op het gebied van ondersteuning van het beleidsproces in gemeenten, kwaliteitsverbetering van de uitvoering, wet- en regelgeving en het daarbij horende toezicht. De minister moet politiek draagvlak creëren bij de gemeenten en de GGD'en voor de OGZ. Zonder hen zal het niet lukken. Het lukt wel als zij zelf verantwoordelijk zijn voor een realistische uitvoering met bijbehorende financiering.

De heer Udo sloot zich aan bij de opmerkingen van de heer Buijs over een uitgewerkte visie van de minister op OGZ. Binnen hoeveel maanden kan de Kamer die verwachten?

Doodsoorzaak nr. 1 zijn de hart- en vaatziekten in Nederland. Jaarlijks zijn er 30.000 acute hartdoden te betreuren. Kunnen de reanimatiecursussen meer gestimuleerd worden? Kan de Hartstichting daarbij worden betrokken?

In verband met de infectieziektebestrijding, met name van legionella, verzocht de heer Udo de minister een uitgebreide publieksvoorlichting te starten mede gericht op de thuissituatie. Kan de minister nog iets zeggen over het tegengaan van de antibioticumresistentie, mede in relatie tot TBC?

Mevrouw Kant (SP) merkte op bij openbare gezondheidszorg als eerste aan sociaal-economische gezondheidsverschillen te denken. De oorzaken van die verschillen moeten vooral gezocht worden in inkomen, woon- en arbeidsomstandigheden en dergelijke. Daarom leven arme mensen korter en minder gezond. Voor haar was dit een van de redenen de politiek in te gaan.

De afgelopen jaren zijn mensen naar de rechter gegaan om zorg af te dwingen, soms met succes. Het leek mevrouw Kant dan ook niet onvoorstelbaar dat er mensen naar de rechter gaan om de Staat aan te klagen voor dood door schuld, omdat het overheidsbeleid deze sociaal-economische gezondheidsverschillen in stand houdt of zelfs laat toenemen. Zij stelde het bewust zo scherp, omdat het naar haar mening een nationale schande is dat in een modern, welvarend land nog dergelijke verschillen bestaan.

Mevrouw Kant herinnerde de minister aan haar uitspraak dat het bestrijden van gezondheidsverschillen een van de prioriteiten moet zijn. Het RIVM heeft in 1997 vastgesteld dat deze verschillen niet kleiner worden, maar dat het aantal mensen met een gezondheidsachterstand groeit. Wat is er inmiddels gedaan om die verschillen weg te werken?

Het Platform openbare gezondheidszorg heeft een rapport uitgebracht met als titel "Spelen voor de winst". Mevrouw Kant vond de doelstelling, te weten het verkleinen van de gezondheidsverschillen tussen arm en rijk onvoldoende. Waarom wil men alleen de achterstand inlopen? Welke doelstelling heeft de minister? Moet het streven er niet op gericht zijn die verschillen weg te nemen?

De minister zegt over het bestrijden van sociaal-economische gezondheidsverschillen dat ook gemeenten talloze beslissingen nemen met gevolgen voor de gezondheid en dat de gezondheidseffecten van volkshuisvesting, infrastructuur of welzijnswerk moeten meegewogen worden. Dat geldt toch ook voor de landelijke overheid?

Als vastgesteld kan worden dat de maatregelen om de sociaal-economische gezondheidsverschillen te verkleinen buiten de zorg vallen, hoe wordt daaraan dan vorm gegeven? Het platform heeft serieuze kritiek op het basistakenpakket, omdat gemeentelijk specifiek beleid een randverschijnsel blijft, terwijl de gemeente het voortouw zou moeten nemen om te komen tot een gerichte regio- en buurtspecifieke aanpak. Als mensen ziek worden, omdat zij wonen in panden die rijp zijn voor de sloop, moet de oorzaak aangepakt worden, maar de stadsvernieuwing laat op zich wachten. Houdt de minister daarmee rekening bij het vaststellen van de basistaken?

Voor de versterking van het beleid is geld nodig. Het platform wijst erop dat invoering van het basispakket niet mogelijk is zonder extra middelen voor vernieuwing, intensivering en deskundigheidsbevordering. Volgens GGD Nederland is er 75 mln. nodig, waarvan 40 mln. incidenteel. Hoe oordeelt de minister daarover?

Gemeenten moeten de ruimte krijgen om de OGZ te structureren, uitgaande van de plaatselijke problemen en mogelijkheden. Overheidssturing en wettelijke richtlijnen blijven echter nodig. De basiseisen voor de gemeente moeten duidelijk worden vastgelegd en het toezicht hierop moet worden verscherpt. Hoe denkt de minister over de stelling van het platform dat het niet bij een basispakket moet blijven, maar dat er ook ruimte moet zijn voor andere noodzakelijkheden?

Hoe denkt de minister over wijknetwerken, waarin de eerste lijn samenwerkt met de GGD in het opzetten van preventie in de volle breedte van de openbare gezondheidszorg? Huisartsen en GGD zouden ook kunnen samenwerken in een vangnetfunctie voor verslaafden, daklozen, thuislozen, asielzoekers en illegalen. De minister heeft van deze groep mensen ooit gezegd dat de overheid niet moet afwachten, maar deskundige hulp moet bieden. Voor hen dient, evenals voor psychisch gestoorde mensen in crisissituatie een sluitend netwerk opgezet te worden.

Mevrouw Kant wees erop dat de preventieve tandzorg voor kinderen onder druk staat vanwege het tekort aan tandartsen en de toegenomen vraag naar jeugdtandverzorging. De risicogroepen zitten vooral in de grote steden. De GGD Rotterdam stopt met de collectieve tandheelkundige preventie. Heeft de minister inzicht hoe het bij de overige GGD'en hiermee staat? Is zij bereid tot een onderzoek en wil zij zonodig maatregelen nemen?

Mevrouw Hermann (GroenLinks) memoreerde dat in het regeerakkoord is overeengekomen dat in het kader van de openbare gezondheidszorg de preventieve zorg en de jeugdgezondheidszorg moet worden versterkt. Zij verwees naar het Jaaroverzicht zorg 1999 waarin de minister schrijft het basispakket jeugdgezondheidszorg in het najaar van 1998 te zullen vaststellen en in een AMvB bij de WCPV te zullen verankeren. In het Jaaroverzicht zorg 2000 schrijft de minister echter dat de vaststelling van het basispakket jeugdgezondheidszorg, de wettelijke verankering daarvan alsmede de financiering in het jaar 2000 zal leiden tot aanpassing van de WCPV. Mevrouw Hermann stelde vast dat de jeugdgezondheidszorg nu zelfs geen onderwerp van dit overleg uitmaakt en trok daaruit de conclusie dat de OGZ achteruit gaat. De minister heeft nog goede voornemens in het regeerakkoord van 1998, maar die zijn niet gerealiseerd en worden zelfs vager. Dat alles vervulde mevrouw Hermann met grote zorg.

Vanaf 1997 krijgen de GGD'en 610 mln. op jaarbasis. Dat komt neer op f.38 per inwoner, ofwel de kosten van een huisartsenconsult. In tal van gemeenten is dat zelfs nog minder, soms slechts de helft. Mevrouw Hermann vroeg zich af wat er nog gedaan kan worden voor dat bedrag en hoe dat zich verhoudt tot alle hooggestemde voornemens.

Mevrouw Hermann sloot zich aan bij de vragen die de overige sprekers hebben gesteld. Zij concentreerde zich op het overzicht aan beleidsvoornemens uit de brief van de minister van 9 juni 1999, te weten de basistaken collectieve preventie, informatievoorziening, inspectie GGD'en, rijksverantwoordelijkheden, samenwerking openbare gezondheidszorg en curatieve zorg, ondersteuningsstructuur GGD'en, bestuurlijke verhoudingen met de daarbij horende veertien aandachtspunten. Zij verzocht de minister eventueel schriftelijk voor eind april per aandachtspunt aan te geven wat het te volgen tijdpad is en de voorgenomen financiering.

Mevrouw Augusteijn-Esser (D66) stemde in met de aangekondigde verplichting gemeenten een keer in de vier jaar een gezondheidsplan te laten opstellen, waarin gezondheidsbevordering, preventie en acute hulpverlening duidelijk omschreven moeten worden. Is in die plannen ook ruimte voor het aanstellen van procesmanagers die de gemeenten moeten ondersteunen? Hoe staat het met het monitoren en handhaven van deze gezondheidsplannen en hoe vindt de procesbewaking plaats?

Mevrouw Augusteijn benadrukte de noodzaak van het vastleggen van de basistaken in de WCPV. De minister dient spoed te zetten achter het wijzigen van de WCPV en de bijbehorende AMvB. De WCPV moet ook de basistaken van het rijk bevatten. De taken van rijk en gemeenten moeten goed op elkaar aansluiten. Duidelijk moet zijn welke bestuurslaag verantwoordelijk is voor welk onderdeel van de preventie. Wat vindt de minister van de kritiek van het platform dat het basispakket te veel over landelijke en uniforme taken gaat, waardoor het gevaar bestaat dat gemeenten de basistaken slechts minimaal zullen uitvoeren?

Mevrouw Augusteijn wees op de eigen verantwoordelijkheid van mensen voor hun gezondheid. Goede voorlichting is daarom noodzakelijk. Dit is een taak van de overheid. Zij stemde in met het bedrag van 50 mln. extra voor de voorlichting over een betere levensstijl. Is dat bedrag voldoende? Gemeenten en GGD'en vragen om extra miljoenen als zij een vast basistakenpakket moeten uitvoeren. Kan de minister aangeven wat de financiële consequenties daarvan zijn voor rijk en gemeenten?

Er is sprake van een nationaal contract voor de openbare gezondheidszorg. Wat draagt dat contract meer bij tot de WCPV en de daarin aangegeven basistaken? Wat zijn de financiële consequenties voor het opstellen van zo'n nationaal contract? Wat is de streefdatum waarop het gereed moet zijn? Wat vindt de minister van het idee van de VNG om het daadwerkelijke commitment van alle contractpartners te krijgen voor de vastlegging van de meerjarenafspraken? Ook hierbij zijn monitoring en handhaving noodzakelijk. Wanneer wordt er een besluit genomen om de jeugdgezondheidszorg voor nul- tot vierjarigen eventueel onder te brengen bij de GGD?

De geestelijke gezondheidszorg (GGZ) behoort ook bij de openbare gezondheidszorg. De minister geeft in haar brief van 9 juni 1999 aan dat de OGZ daarin een taak heeft. Samenwerking tussen GGD, GGZ en andere betrokkenen in crisissituaties verloopt niet altijd soepel. De minister heeft duidelijk gemaakt hoe zij de
verantwoordelijkheidsverdeling ziet. Hoe kan de samenwerking tussen de OGZ en bij de OGZ betrokken hulpverleningsinstanties, zoals de GGZ, worden verbeterd? Met name in de grote steden faalt soms de opvang van psychiatrische patiënten. De politie kan deze taak niet meer aan en is daarvoor ook niet opgeleid. Welke mogelijkheden ziet de minister daarin verbetering aan te brengen?

Antwoord van de minister

De minister stelde dat, hoewel de openbare gezondheidszorg soms het stiefkindje lijkt te zijn van het beleid, er sinds het rapport van de inspectie in 1995 het nodige is gebeurd. Zij bestreed de stellingname dat er geen politiek commitment is. Men denkt iets te gemakkelijk over het tempo waarin zij de wereld kan verbeteren op zo'n complex beleidsterrein waarin zoveel verschillende actoren een rol hebben. Een andere misvatting die zij beluisterde, is dat als er niets verandert in de parameters van de OGZ, dit betekent dat de minister niets doet. Zij verwierp eveneens het verwijt dat er alleen op papier aandacht is besteed aan de OGZ. Het proces dat in 1995 in gang is gezet met het rapport van de inspectie heeft op verschillende plaatsen tot resultaten geleid. De minister verwees ook naar het regeerakkoord uit
1998 waaruit blijkt dat de coalitie weinig geld over heeft voor dit beleidsterrein, waarvan de woordvoerders uni sono zeggen dat het bovenaan de politieke ranglijst moet komen te staan. Met dat bedragje moeten in deze vier jaar wonderen worden verricht. De minister kondigde aan dit voorjaar een claim bij het kabinet te leggen, onder andere voor een stimuleringsfonds OGZ.

Na de installatie in 1995 van de commissie-Lemstra is het nodige gebeurd. Diverse gemeenten maken inmiddels gezondheidsnota's, daarbij geholpen door de VNG en de school for public health. De gewijzigde WCPV, waarin de rijkstaken, de verplichting van de gemeentelijke gezondheidsnota en de basistaken collectieve preventie worden vastgelegd, wordt na de zomer naar de Kamer gezonden. De WCPV wordt vergezeld van een AMvB, waarin de basistaken meer geconcretiseerd worden. Een onderdeel van de WCPV is de jeugdgezondheidszorg, een taak die de staatssecretaris van WVS voor haar rekening neemt. Dit voorjaar vindt nog overleg plaats met de VNG over de voor de basistaken benodigde financiën. Voorzover dit beleid een gemeentelijke verantwoordelijkheid is, krijgen zij daarvoor geld via het Gemeentefonds. De gemeente Den Haag bijvoorbeeld heeft met de bestaande middelen een voortreffelijke gezondheidsnota gerealiseerd. Zij heeft onlangs een gezondheidsmonitor uitgebracht, waarin staat hoe de gezondheidstoestand is van de verschillende groepen in de gemeente, met name van de achterstandsgroepen, wat de doelstellingen zijn, wat daarvan wel en niet is gerealiseerd en wat de taken zijn voor de komende vier jaar.

De zes basispakkettaken staan bekend onder de afkorting BIMJOT, dat wil zeggen bevordering gezondheid, infectieziektebestrijding, medische milieukunde, jeugdgezondheidszorg, openbare geestelijke gezondheidszorg en de technische hygiënezorg, onder andere van belang bij infectieziektebestrijding, zoals legionella.

Het toezicht op de GGD'en is inmiddels gesystematiseerd. De inspectie gezondheidszorg werkt nu met gestandaardiseerde, periodieke inspecties, waardoor zij niet alleen voor zichzelf, maar ook voor de GGD'en aan de hand van standaard parameters kan laten zien wie het goed doet en wie het minder goed doet.

De minister onderstreepte de visie van het platform op de OGZ te hebben overgenomen . Een aantal experimenten is gestart. Het platform komt binnenkort met een slotdocument, waarin zal worden aangegeven wat er van alle experimenten terecht is gekomen. Daarnaast zijn projecten gestart ter versterking van de ondersteuningsstructuur en informatievoorziening. De minister constateerde een groeiend elan bij de gemeenten. Zij nam de doelstelling van het platform over dat in
2002 75% van alle gemeenten een gezondheidsnota moet hebben.
Het ZON heeft een preventieprogramma opgesteld, dat tot conclusies moet leiden of sommige onderdelen al dan niet werken. De landelijke structuur infectieziektebestrijding is gevormd, er is een drank- en horecawet voorbereid in het kader van preventie. De minister deelde mee dat zij met diverse partijen een convenant openbare geestelijke gezondheidszorg heeft gesloten. De geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen is goed gestructureerd. Er is een ondersteuningsfunctie ingesteld voor het facetbeleid.

Er gaat veel geld om in de OGZ. Recent is daaraan nog geld toegevoegd. Op dit moment staat er 210 mln. op de begroting van VWS voor gezondheidsbevordering en patiëntenbeleid. Uit de premies gaat 340 mln. naar allerlei nationale programma's. Aan ouder- en kindzorg wordt
320 mln. besteed. De inspectie waren en veterinaire zaken ontvangt 120 mln. Toch zal er voor het revitaliseren van de OGZ meer geld nodig zijn.

De eerstvolgende stap die genomen moet worden, is het opstellen van een nationaal contract. Hoewel ook dat een papieren maatregel is, is er een moment nodig waarop alle partijen hun handtekening zetten onder een aantal goede voornemens. Dat contract zal nog dit jaar worden getekend. Het wordt voorbereid door een stuurgroep, waarin de ministeries van VWS en BZK zitten, de VNG en de GGD Nederland. Deze stuurgroep moet alle andere partijen, zoals de patiënten, de huisartsen, de thuiszorg en de verzekeraars erbij betrekken. Het is de bedoeling om de vier jaar een meerjarenafspraak te maken, waarin doelstellingen staan waarop men kan worden afgerekend, zoals het terugdringen van de zuigelingensterfte, deelname aan het vaccinatieprogramma of terugdringen van het rookgedrag.

De minister nam de aanbeveling over tot het instellen van een landelijk periodiek beleidskader. In dit document worden niet alleen landelijke gegevens, maar ook lokale gegevens, bijvoorbeeld uit de gezondheidsnota's, met elkaar gecombineerd en kan dan inzicht geven op landelijk niveau over de voortgang. De gemeenten krijgen al ondersteuning voor het maken van de gezondheidsplannen. VNG en GGD hebben op hun verzoek ruim 1 mln. gekregen om ervoor te zorgen dat in
2002 75% van de gemeenten zo'n plan heeft. De minister erkende het belang van het aanstellen van procesmanagers die de voortgang bewaken. Zij zegde toe schriftelijk te zullen reageren op de veertien aandachtspunten en daarbij tevens de procesmanager te betrekken. In het te vormen stimuleringsfonds zullen enkele tientallen miljoenen gestort moeten worden.

Over de verdeling van de verantwoordelijkheden merkte de minister op dat het openbaar bestuur, de drie bestuurslagen, in algemene zin verantwoordelijk is. Een van de topprioriteiten moet de situatie van de achterstandsgroepen zijn. In het facetbeleid moet dus meer aandacht komen voor sociaal-economische verschillen. Gezondheid moet worden meegewogen bij bestuurlijke beslissingen. Dat houdt in dat er geen bestuurlijke beslissingen genomen mogen worden die de gezondheid van mensen schaden, maar dat daarentegen zoveel mogelijk besluiten genomen moeten worden die de gezondheid bevorderen. De verantwoordelijkheden van rijk, provincie en gemeenten liggen deels al vast in de wetgeving. Er zijn veel verschillende ministeries betrokken bij het facetbeleid om de sociaal-economische gezondheidsverschillen weg te nemen. Bij het achterstandswijkenbeleid is het hele kabinet betrokken. Er worden steeds vaker gezamenlijk plannen gemaakt en besprekingen gevoerd met de gemeenten over het facetbeleid. De minister verwierp de idee dat het kabinet erop uit is de verschillen te vergroten. Er moet hard aan gewerkt worden om ervoor te zorgen dat in de achterstandswijken de positie van de mensen op alle punten, zoals huisvesting, inkomen, werkgelegenheid en onderwijs, wordt verbeterd.

De minister antwoordde dat zij in de vorige kabinetsperiode de commissie sociaal-economische gezondheidsverschillen heeft ingesteld. Deze commissie, nu onder voorzitterschap van de heer Albeda, heeft verschillende interventies uitgeprobeerd en brengt binnenkort haar eindrapport uit. De minister was voornemens de werkzame onderdelen in de praktijk toe te passen. Armoedebestrijding valt echter als eerste onder de verantwoordelijkheid van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De minister wees de Kamer op het uitputtende overzicht dat zij de Kamer heeft toegestuurd van gezondheidseffectrapportages en wat daarmee is gedaan. De Raad voor de volksgezondheid en de zorg brengt in mei haar eindrapport uit over het facetbeleid dat de minister van een standpunt zal voorzien.

De vaccinatiegraad onder allochtone kinderen is inmiddels niet meer noemenswaardig lager. Er is onderzoek gedaan onder de minderheden naar de oorzaak van de zuigelingensterfte. De verhoogde sterfte kan slechts voor een deel verklaard worden uit het feit dat men de weg naar de zorg niet zou weten te vinden. Er moet nog een andere reden zijn, bijvoorbeeld de leeftijd van de moeders of grote gezinnen. Kinderen uit groepen, waarin verhoogde sterfte en een verminderde vaccinatiegraad voorkomt, zullen actief benaderd moeten worden.

De stijging van de seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA) is een ernstig signaal. De uitvoerders van de SOA-bestrijding zullen hun inspanningen vooral op het terrein van de voorlichting intensiveren. De GGD Amsterdam voert een onderzoek uit naar de onderliggende factoren. Er is een voorlichtingscampagne over chlamydia. De minister zegde toe hierop schriftelijk dieper in te gaan. De Gezondheidsraad is gevraagd de chlamydiaproblematiek wetenschappelijk in kaart te brengen. De minister verwees voorts naar haar antwoord op Kamervragen over de chlamydiasituatie in Amsterdam.

Bij het publiek is inmiddels meer bekend over het legionellarisico. Er liggen folders bij postkantoren en bibliotheken. De folder wordt op dit ogenblik aangepast, omdat er weinig in staat over de thuissituatie. De rol van de GGD op het terrein van de technische hygiënezorg wordt expliciet in een van de AMvB's bij de WCPV opgenomen. Gemeenten beschikken nu ook al over instrumentarium. Zij kunnen vergunningvoorschriften uitvaardigen voor evenementen en organisatoren verplichten advies van de GGD in te winnen. Exploitanten en eigenaren van leidingwatersystemen zijn op basis van de tijdelijke regeling legionellapreventie in drinkwater van minister Pronk sinds kort verplicht een beheersplan legionella op te stellen. De Keuringsdienst van waren houdt actief toezicht. Desgevraagd antwoordde de minister dat zij met minister Pronk probeert legionella op de Europese agenda te krijgen en daarvoor richtlijnen op te stellen, maar dat daarvoor in het buitenland weinig belangstelling bestaat.

Er zijn heel goede richtlijnen voor Nederlandse ziekenhuizen en ziekenhuishygiënisten op het gebied van antibioticaresistentie. Het probleem doet zich vooral voor bij mensen die uit het buitenland komen. Zij gaan in quarantaine totdat zeker is dat zij geen multiresistente bacterie dragen.

Nederland doet bij tuberculose veel aan contactopsporing. Er is een goed systeem om snel alle contactpersonen te identificeren, te onderzoeken en te behandelen. De GGD'en zijn actief bij kwetsbare groepen, zoals dak- en thuislozen, om tuberculose op te sporen. Behandeling van deze groepen is vaak moeilijk. De mensen moeten onder controle de geneesmiddelen dagelijks innemen. Alle nieuwkomers in Nederland, zoals politieke vluchtelingen en asielzoekers, worden gescreend op tuberculose. Als zij positief zijn, worden zij behandeld om te voorkomen dat tuberculose op grote schaal een importziekte wordt. Een enkele keer zijn patiënten afkomstig uit landen met een multiresistente tuberculosestam.

Voor de openbare geestelijke gezondheidszorg en de crisisopvang is een goed werkend vangnet nodig. Op lokaal niveau moeten GGD, de maatschappelijke opvang, de politie en de GGZ afspraken maken hoe zij een goede opvangketen organiseren. Gemeenten moeten dat coördineren. Wie wat moet doen, is vastgelegd in het convenant openbare geestelijke gezondheidszorg. Men heeft dus getekend voor een sluitende hulp- en opvangketen. Dat behoeft niet overal op dezelfde manier te gebeuren. Omdat verantwoordelijkheden en taken in het convenant zijn vastgelegd, is het duidelijk wat de rol van de GGZ is. De GGZ mag zich daaraan niet onttrekken en zijn verantwoordelijkheid afschuiven op de politie. De taken van de GGZ worden bovendien vastgelegd in de gewijzigde WCPV.

Inzake de vraag over hart- en vaatziekten antwoordde de minister dat in Amsterdam een proef wordt gedaan met het reanimeren door politiefunctionarissen met apparatuur.

Nadere gedachtewisseling

Mevrouw Arib (PvdA) bleef bij haar conclusie dat het de minister ontbreekt aan visie en ambitie op het gebied van de openbare gezondheidszorg. In het veld bestaat reeds lang overeenstemming over de basistaken, maar pas eind 2000 zullen zij worden verankerd in de WCPV. Het duurt allemaal te lang.

Mevrouw Arib benadrukte de specifieke betrokkenheid van de minister voor GSI om de sociaal-economische verschillen weg te nemen in achterstandswijken. De grote steden dienen een financiële impuls te krijgen om de achterstanden weg te werken.

Mevrouw Arib wachtte met belangstelling de resultaten van het vervolgonderzoek naar zuigelingensterfte af.

Kan de minister iets meer zeggen over de financiële doorrekening, een schema opstellen van alle gedane toezeggingen en deze voorzien van een tijdpad?

De heer Buijs (CDA) bleef ontevreden over de toonzetting van de minister. Zij moet het niet doen voorkomen alsof door toedoen van het overheidsbeleid al veel veranderd is sinds 1994. Het platform, aangesteld door de minister, concludeert dat het rijk te weinig samenhang aanbrengt, dat de lokale overheid onvoldoende inhoud aan haar rol geeft, dat de financiering te verbrokkeld is, dat er te weinig adequaat opgeleide professionals zijn en dat er te veel aanbodgericht wordt gewerkt. De heer Buijs zag in het feit dat de gemeenten meer nota's uitbrengen, geen elan zoals de minister. Integendeel, hij ontving veel brieven van GGD'en die ontevreden zijn over hun toekomstperspectief. Als de commissie-Albeda met haar eindrapport komt, verwachtte hij eigen denkbeelden van de minister over de wijze waarop zij dat proces denkt te sturen.

De heer Buijs drong er bij de minister op aan nog voor het zomerreces met een politieke visie te komen en met een aantal concrete maatregelen, inclusief structuur en financieel overzicht.

De heer Udo (VVD) merkte op dat hij het antwoord van de minister ook uit haar brieven heeft kunnen vernemen. Zij is met name niet ingegaan op het ontbreken van een integrale visie. Zij is slechts in hoofdlijnen ingegaan op de basistaken. De heer Udo verzocht de minister binnen enkele maanden te komen met een materiële uitwerking van het basistakenpakket in de WCPV.

De minister refereert in haar antwoord aan het regeerakkoord, waarin slechts weinig geld is opgenomen voor de OGZ. Binnen het departement kan de minister zelf haar financiële keuzes bepalen. Bovendien gaat het bij de OGZ niet alleen om geld, maar ook om doelstellingen die gedefinieerd moeten worden. Die einddoelstelling had de heer Udo niet vernomen. Met de partijen moeten de einddoelstellingen worden geformuleerd, de wijze waarop zij worden uitgevoerd en geëvalueerd.

De heer Udo was teleurgesteld in het antwoord van de minister over de hart- en vaatziekten. Nederland kent zo'n 30.000 acute hartdoden per jaar. Het publiek dient daarom beter geïnformeerd te worden over te volgen reanimatiecursussen.

Mevrouw Kant (SP) stelde vast dat het een utopie is alle oorzaken van ziekten te bestrijden. Gelijke kansen op gezondheid zijn geen utopie, maar is een reëel streven. Het is mooi als de minister zegt hieraan de hoogste prioriteit te geven, maar mevrouw Kant kon die woorden niet rijmen met de daden van dit kabinet. Een miljoen huishoudens leeft na zes jaar Paars nog in armoede. Als armoede een oorzaak is van gezondheidsproblemen kan de minister van VWS niet volstaan met te verwijzen naar de minister van SZW. Mevrouw Kant vroeg de minister daarom op welke wijze zij zich daarvoor inzet in het kabinet. Op welke terreinen kan zij een plan van aanpak van de minister verwachten?

Op de volgende vier punten had mevrouw Kant geen antwoord gekregen. 1. Het wijknetwerk en de samenwerking tussen eerste lijn en GGD. 2. De vangnetfunctie. 3. Experiment privatisering GGD'en. 4. Het stoppen met preventieve tandzorg door de GGD Rotterdam.

Mevrouw Hermann (GroenLinks) bedankte de minister voor de goede bedoelingen die uit haar antwoord spreken. Over de inhoud was zij echter ernstig teleurgesteld. De minister mag toch worden aangesproken op de Zorgnota 1999 en 2000? Mevrouw Hermann wees de minister nogmaals op de financiële toezeggingen in de brief van 9 juni 1999. In het standpunt van 17 maart 2000 staat niets over juridische en financiële aspecten. Ook zijn er geen extra middelen bij de opstelling van de begroting 2000 gereserveerd. Mevrouw Hermann bleef bij haar standpunt dit zeer teleurstellend te vinden.

KPMG concludeert in september 1998 dat de GGD'en onvoldoende financiële en personele middelen hebben om effectief gebruik te maken van hun ondersteuningsaanbod. Er moet dus geld bij. Hoe wordt bijvoorbeeld de opleiding van sociaal geneeskundigen bij de GGD gefinancierd? Mevrouw Hermann verzocht de minister dringend in te gaan op het tijdpad en de financiering.

Mevrouw Augusteijn-Esser (D66) constateerde dat nog erg veel toezeggingen uitgewerkt moeten worden, maar dat er toch voortgang zit in het dossier. Op een later tijdstip zal opnieuw bekeken moeten worden hoe de voortgang is. Zodra het platform met het eindrapport komt, kan aan de hand daarvan verder gesproken worden.

Mevrouw Augusteijn verzocht de minister na te gaan hoe het in de praktijk gesteld is met de opvang in crisissituaties door de geestelijke gezondheidszorg. Wie moet de GGZ bijvoorbeeld in Amsterdam raadplegen om ervoor te zorgen dat degene die in nood verkeert goed wordt opgevangen? In de praktijk blijkt dat namelijk niet goed te gaan.

De minister antwoordde dat zij niet heeft gezegd dat de structurering van de OGZ niet lang duurt. Dat is niet aan haar, maar aan de Kamer om te beoordelen. Zij bestreed slechts de visie dat zij alleen maar nota's en brieven schrijft en dat er niets concreets in de gemeenten is veranderd. Zij had bijvoorbeeld de commissie-Lemstra ingesteld om iedereen wakker te schudden en aan het werk te zetten. Toen de inspectie in 1995 met haar rapport kwam, was het nodig partijen aan het werk te krijgen om samen de problemen op te lossen. Het beste in die situatie is om partijen die samen een probleem onder ogen moeten zien, in een commissie of platform onder te brengen om het samen eens te worden over wat kan en moet gebeuren. Er bestaat nu draagvlak voor het visiedocument dat het platform heeft uitgebracht. De minister verklaarde graag op deze manier te werken, ook als dit wat langer duurt.

Bij het regeerakkoord is 1 mld. beschikbaar gesteld voor het grotestedenbeleid. Daarmee kunnen zaken als huisvesting, werkgelegenheid, opleiding, training en gezondheidsverbetering worden aangepakt. De minister zegde toe niet alleen een overzicht te zullen geven van de veertien aandachtspunten met de bijbehorende financiering, maar ook het nationaal contract en de meerjarenafspraken te zullen voorzien van een tijdpad en, voorzover mogelijk, van een financiële doorberekening. Zij merkte daarbij op wel gehouden te zijn aan de financiële besluitvorming rond half april in het kabinet over de Voorjaarsnota en de kaderbrief. Over de Voorjaarsnota wordt de Kamer onmiddellijk geïnformeerd. Inzake de begroting voor 2001 moet iedereen formeel wachten tot de aanbieding van de rijksbegroting. Om die reden kan zij voor 2001 en latere jaren geen harde toezeggingen doen.

In het regeerakkoord is voor de minister van VWS exact aangegeven hoeveel aan preventie mag worden uitgegeven, hoeveel aan ziekenhuizen en aan ouderenzorg. Met deze budgetten kan niet geschoven worden.

De minister betreurde het de indruk te hebben gewekt de problemen te bagatelliseren. Zij bestreed alleen de conclusie dat er niets gebeurd is. Zij benadrukte dat zij de visie van het platform heeft overgenomen en die in de praktijk wil vertalen. De basistaken worden helder omschreven vastgelegd in de WCPV. Een van de experimenten die door het platform zijn opgezet, de privatisering van de GGD, is mislukt. De minister wees erop dat de gemeenten als bijdrage voor de GGD, exclusief de ambulancedienst, 610 mln. ontvangen. Zij worden geacht van dat bedrag hun GGD behoorlijk van personeel en materiaal te voorzien. Pas als zij kunnen aantonen dat dit te weinig is, ook na extra financiën uit het stimuleringsfonds, hebben zij het recht om extra middelen te vragen. De opleiding van sociaal geneeskundigen valt onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van VWS. Als voor dat doel om middelen wordt gevraagd, zegde de minister toe dat verzoek serieus te bekijken.

De minister verwees inzake de uitwerking van de basistaken naar de omschrijving in 1998. Staatssecretaris Vliegenthart heeft een stuk uitgebracht over de jeugdgezondheidszorg. In dezelfde gedetailleerde vorm zullen de overige basistaken worden vastgelegd.

Bij het aantal hartdoden van 30.000 gaat het slechts ten dele om vermijdbare hartdoden. Een groot aantal van hen is hoogbejaard. Iedereen wil dat bij een ontijdige hartstilstand hulp onmiddellijk ter plekke is. Iedere Nederlander kan reanimatiecursussen volgen voor klassieke hartmassage.

De minister noemde de wijkzorgnetwerken een goed systeem. In Nederland zijn de grootste successen met facetbeleid geboekt met deze wijkzorgnetwerken. Ingevolge het convenant met de GGZ moet men een sluitend vangnet maken voor acute gevallen. Voor de maatschappelijke opvang is onlangs nog 35 mln. extra beschikbaar gesteld. In Amsterdam bestaat een rijdende crisisdienst. Er waren problemen met de organisatie. De minister verwachtte dat dit systeem nu weer goed zal functioneren, zodat er snel een psychiater ter plekke is om de zaak te beoordelen.

De minister zei de vragen over het stoppen met de jeugdtandzorg door de GGD Rotterdam schriftelijk te zullen beantwoorden.

De minister zegde toe het slotdocument van het platform nog voor het zomerreces de Kamer toe te sturen, voorzien van een standpunt, een tijdpad en een financieel kader.

De voorzitter van de commissie,

Essers

De griffier van de commissie,

Teunissen


1 Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Swildens-Rozendaal (PvdA), ondervoorzitter, Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Rouvoet (RPF/GPV), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Oudkerk (PvdA), Rijpstra (VVD), Lambrechts (D66), Essers (VVD), voorzitter, Dankers (CDA), Van Vliet (D66), Van Blerck-Woerdman (VVD), Passtoors (VVD), Eisses-Timmerman (CDA), Spoelman (PvdA), Hermann (GroenLinks), Kant (SP), Gortzak (PvdA) Buijs (CDA), E. Meijer (VVD), Van der Hoek (PvdA), Blok (VVD), Arib (PvdA), Atsma (CDA)

Plv. leden: Van 't Riet (D66), Rehwinkel (PvdA), Eurlings (CDA), Apostolou (PvdA), Schutte (RPF/GPV), Van Gent (GroenLinks), Noorman-den Uyl (PvdA), Weekers (VVD), Ravestein (D66), Örgü (VVD), Van de Camp (CDA), Schimmel (D66), Terpstra (VVD), Udo (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Smits (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Marijnissen (SP), Belinfante (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), O.P.G. Vos (VVD), Hamer (PvdA), Cherribi (VVD), Duijkers (PvdA), Th.A.M. Meijer (CDA)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie