Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoord Kamervragen: gebruik cadmium in speelgoed en verf

Datum nieuwsfeit: 14-04-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Antwoord Kamervragen over gebruik van cadmium in speelgoed en verf
Gemaakt: 27-4-2000 tijd: 10:52


2

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 14 april 2000

Onderwerp:

Kamervragen

Geachte Voorzitter,

Hierbij doe ik U toekomen de antwoorden op de schriftelijke vragen van de kamerleden Klein Molekamp en Udo over regels voor het gebruik van cadmium in speelgoed en verf.

Hoogachtend,

de Minister van Volkshuisvesting,

Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.P. Pronk

Antwoorden op de schriftelijke vragen gesteld door de leden der Tweede Kamer Klein Molekamp en Udo (beiden VVD) aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over regels voor het gebruik van cadmium in speelgoed en verf.

Antwoord op vraag 1

Ja.

Antwoord op vraag 2

Ja.

Het Nederlandse cadmiumbeleid en de Nederlandse regelgeving terzake van cadmium waren

- uiteraard binnen de grenzen van het EG-recht - op twee manieren strenger, thans slechts nog op één manier.

In algemene zin laat het EG-verdrag de lidstaten enige ruimte voor strenger eigen milieubeleid. In de eerste plaats bestaat een algemene bevoegdheid om verdergaande maatregelen ter bescherming van het milieu te treffen en te handhaven (artikel 176
EG-verdrag) voor (deel-)onderwerpen waarvoor EG-richtlijnen gelden, die als voornaamste doelstelling de bescherming van het milieu hebben. In de tweede plaats bestaat voor onderwerpen waarop harmonisatierichtlijnen (zoals de Cadmiumrichtlijn) betrekking hebben de - zij het beperkte - mogelijkheid maatregelen ter bescherming van het milieu te handhaven of te treffen na het doorlopen van een zogenaamde artikel 95, lid 4 of lid 5, EG-verdrag-beroep (voorheen: artikel 100A, lid 4, EG-verdrag). Tenslotte geldt voor (deel-) aspecten waarvoor geen EG-regelgeving bestaat, dat binnen de grenzen van het EG-verdrag gebleven moet worden en de notificatieprocedure ingevolge de Notificatierichtlijn (richtlijn nr. 98/34/EG).
De Nederlandse regelgeving is op de volgende twee manieren strenger.

De Nederlandse norm (de grenswaarde voor cadmium) was tot 1 juni 1999 strenger. In Nederlandse regelgeving gold tot dat tijdstip een grenswaarde van 50 mg/kg. Ingevolge de zogenaamde Cadmiumrichtlijn (richtlijn nr. 91/338/EEG, vastgesteld op 18 juni 1991, PbEG L 186) geldt voor bepaalde specifiek genoemde toepassingen van cadmium een grenswaarde van 100 mg/kg.

In de Nederlandse regelgeving zijn daarnaast aanvullende voorschriften opgenomen voor toepassingen van cadmium, die niet in de Cadmiumrichtlijn zijn genoemd.

Ad 1

De strengere Nederlandse norm dateert van vóór de Cadmiumrichtlijn. Om te voorkomen dat de Nederlandse regelgeving met de Europese in strijd zou komen, heeft Nederland op 20 mei 1992, vóór de datum waarop de Cadmiumrichtlijn in Nederlands recht omgezet had moeten zijn, een
100A-lid 4-beroep ingesteld. Nederland heeft herhaaldelijk bij de Europese Commissie gerappelleerd, maar geen reactie ontvangen. De Europese Commissie heeft jarenlang niet op dit 100A-lid 4-beroep gereageerd, zoals overigens op de meeste beroepen niet werd gereageerd. Dit is aanleiding geweest voor het opnemen van een fatale termijn (dat wil zeggen geen besluit van de Europese Commissie voor het verstrijken van die termijn, betekent fictieve instemming) in het Verdrag van Amsterdam in het nieuwe artikel 95. Het opnemen van deze fatale termijn heeft echter het Hof van Justitie van de EG (in de zaak «Kortas», arrest van 1 juni 1999, zaak C 319/97) doen besluiten dat - voor de oude 100A, lid 4, beroepen, waarop de Europese Commissie nimmer heeft gereageerd - geen bericht van de Europese Commissie niet gelijkgesteld kan worden aan fictieve instemming. Anders was het opnemen van de fatale termijn niet nodig geweest, zo redeneerde het Hof, terwijl het opnemen van de fatale termijn door de lidstaten juist was bedoeld om meer duidelijkheid te creëren voor artikel 95-beroepen die na de inwerkingtreding van de verdragswijziging (Amsterdam) zouden worden ingesteld.

De uitspraak inzake «Kortas» is gedaan na vaststelling van het gewijzigde Cadmiumbesluit Wms 1999 waarin de norm voor cadmium met de Europese norm gelijk werd gesteld. Over de uitspraak is door de Interdepartementale Commissie Europees Recht (ICER) advies uitgebracht (dit advies treft U als bijlage 1 bij de beantwoording van deze vragen aan).

Uit het ICER-advies blijkt dat een rechter in Nederland wellicht tot een ander oordeel zal komen dan in de «Kortas»-zaak voor Zweden, omdat Nederland in een brief de Europese Commissie een uiterste termijn heeft gesteld om te reageren. Indien na het verstrijken van deze termijn nog geen reactie van de Europese Commissie zou zijn ontvangen, stelde Nederland zich op het standpunt dat de Europese Commissie fictief instemde. Ook hierop bleef reactie uit. Verder blijkt uit het ICER-advies dat in afgeronde handhavingszaken gedane zaken geen keer nemen en voor nog lopende zaken niet op het «nationale extra» moet worden gehandhaafd.

Dit is precies wat is gebeurd in de strafzaak waarover het bericht in het Algemeen Dagblad gaat en wat al vanaf 1997/98 is gebeurd. Strafvervolging vindt al vanaf dat tijdstip uitsluitend plaats voor overschrijding van de 100 mg/kg grenswaarde (de EG-waarde).

Ad 2

De Nederlandse cadmiumregelgeving is - waar nodig - steeds genotificeerd ingevolge de Notificatierichtlijn. De notificatie in
1987/89 is geschied, omdat destijds de Cadmiumrichtlijn nog niet bestond. Er was dus geen EG-regelgeving die op het gereguleerde onderwerp betrekking had.

De notificatie van het Cadmiumbesluit Wms 1999 is geschied, omdat hierin deelaspecten werden gereguleerd waarvoor geen EG-regelgeving bestaat, gedacht moet worden aan toepassingen van cadmium die niet in de Cadmiumrichtlijn worden genoemd.

In het bericht in het Algemeen Dagblad wordt ten onrechte de indruk gewekt dat het Cadmiumbesluit niet zou zijn aangemeld.

Antwoord op vraag 3

De inwerkingtreding van het Cadmiumbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen in 1991 was niet in strijd met het Europees recht. Bij de beantwoording van vraag 2 is onder ad 2 aangegeven dat het besluit ingevolge de Notificatierichtlijn is genotificeerd voorafgaand aan de inwerkingtreding ervan. Daarin is dan ook geen grond te vinden voor een eventuele schadeclaim.

Na vaststelling en vóór inwerkingtreding van de Cadmiumrichtlijn heeft Nederland een beroep op het toen geldende artikel 100A, lid 4, gedaan. Zie het antwoord op vraag 2 onder ad 1. Door het uitblijven van een reactie van de Europese Commissie is in het bijzonder na de «Kortas»-uitspraak onduidelijkheid ontstaan over de betekenis en rechtsgevolgen voor Nederland. De betekenis en de rechtsgevolgen van de «Kortas»-uitspraak zijn door de ICER geanalyseerd. Kortheidshalve verwijs ik naar de bij de antwoorden gevoegde bijlage 1.

In de zaak waarop het bericht in het Algemeen Dagblad betrekking heeft, heeft strafvervolging uitsluitend plaatsgevonden voor overschrijding van de 100 mg/kg-norm (Europese norm). Het ICER-advies gaat niet over dergelijke zaken.

Antwoord op vraag 4

Onder vraag 2 is al aangegeven dat er EG-rechtelijk enige speelruimte is voor verdergaand (ad 1 bij die vraag) en aanvullend (ad 2 bij die vraag) eigen milieubeleid. Waar nodig maakt Nederland van deze mogelijkheden gebruik.

Nederland heeft in het verleden ook voor twee andere stoffen, pentachloorfenol en creosoot, een 100A, lid 4, beroep ingesteld. Op die beroepen is door de Europese Commissie tot 26 oktober j.l. niet gereageerd. Op 26 oktober 1999 heeft de Europese Commissie deze beroepen alsnog gehonoreerd (PbEG L 329/15 en 329/25) teneinde te voorkomen dat onder artikel 95 EG-verdrag sprake zou kunnen zijn van fictieve instemming. Over de betekenis en rechtsgevolgen van het «Kortas»-arrest in relatie tot de wijziging van het EG-verdrag met ingang van 1 juni 1999 en de beschikkingen van de Europese Commissie op de Nederlandse 100A, lid 4, beroepen heeft Nederland een brief gezonden aan de Europese Commissie. Die brief treft U hierbij als bijlage 2 aan.

Nederland heeft voor (deel-)onderwerpen waarvoor geen EG-regelgeving geldt, uiteraard binnen de daarvoor geldende EG-verdragsgrenzen (artikel 28 EG-verdrag) aanvullende regels gesteld. Deze regels bestaan bij voorbeeld voor asbest, kwik en PAK's. Deze regels worden altijd genotificeerd onder de Notificatierichtlijn.

Antwoord op vraag 5

Voor aanvullende regels ter bescherming van het milieu geldt dat er, indien de notificatieprocedure wordt doorlopen, geen risico's op schadeclaims bestaan.

Voor de stoffen waarvoor in het verleden een 100A, lid 4, beroep is ingesteld, verwijs ik kortheidshalve naar het als bijlage 1 bijgevoegde ICER-advies inzake de «Kortas»-uitspraak.

Antwoord op vraag 6

Neen.

Waar in het bericht in het Algemeen Dagblad kennelijk op gedoeld wordt, is het genoemde ICER-advies en een brief van de Secretaris Generaal van het Ministerie van Justitie ter begeleiding van de aanbieding van het advies aan het College van procureurs generaal. Dit advies is als bijlage 1 bijgevoegd. Uit dit advies blijkt dat de huidige Nederlandse regelgeving in overeenstemming is met het Europese recht.

Antwoord op vraag 7

Onder verantwoordelijkheid van de Ministers van Justitie en Buitenlandse Zaken brengt de ICER met een zekere regelmaat advies uit aan betrokken ministers en zonodig aan de ministerraad. Ik verwijs hier kortheidshalve naar de mededeling omtrent de instelling van de ICER (kamerstukken 1997/98, 25 389, nr. 32) en de tussenevaluatie over de werkzaamheden van de ICER (kamerstukken 1998/99, 26 200 VI, nr.
63).

Een van de onderwerpen waar de ICER regelmatig over adviseert, betreft de rechtsgevolgen voor Nederland van uitspraken van het Hof van Justitie van de EG. Zo'n advies is ook het ICER-advies inzake de «Kortas» uitspraak. Als er grote gevolgen van een arrest voor Nederland worden voorzien, wordt een ICER advies ook aan de Tweede Kamer toegezonden.
In dit geval werden die gevolgen niet voorzien, om welke reden het advies niet aan de kamer werd gezonden.

Antwoord op vraag 8

Nederland, als lidstaat van de Europese Unie, stemt haar milieuregelgeving altijd af op de Europese regelgeving en is daartoe ook verdragsrechtelijk verplicht. In verband met de bescherming van het milieu, maakt Nederland overigens wel gebruik van de mogelijkheden die het EG-recht laat voor het stellen van verdergaande of aanvullende regels, uiteraard onder de daarvoor geldende EG-rechtelijke beperkingen en met inachtneming van de daarvoor geldende procedures, zoals onder de beantwoording van vraag 2 al werd uiteengezet.

De Minister van Volkshuisvesting,

Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.P. Pronk

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie