Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief EZ inzake activiteiten inzake arbeid en onderwijs

Datum nieuwsfeit: 17-04-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief EZ inzake activiteiten inzake arbeid en onderwi js

Gemaakt: 26-4-2000 tijd: 10:56


13

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 17 april 2000

Onderwerp:

voortgangsrapportage activiteiten van het ministerie van Economische Zaken inzake arbeid en onderwijs

In de nota's Ruimte voor Industriële Vernieuwing: agenda voor het industrie- en dienstenbeleid (Kamerstuk II, 1998-1999, 26628, nr.1) en De Digitale Delta

(Kamerstuk II, 1998-1999, 26643, nr. 1) wordt een doeltreffende en praktische aanpak van de knelpunten op de arbeidsmarkt gezien als een voorwaarde om de gunstige economische ontwikkeling van de afgelopen jaren te kunnen continueren.

Deze voortgangsrapportage heeft als doel de Tweede Kamer te informeren over de activiteiten van het Ministerie van Economische Zaken op het terrein van arbeid en onderwijs. Voor een deel gaat het daarbij om activiteiten die reeds enige tijd geleden zijn ingezet, voor een deel ook om activiteiten die net zijn gestart of binnenkort zullen worden gestart (Arbeidsradars en scholingsimpuls). Voor alle activiteiten geldt dat ze worden ontplooid in het kader van de zogenaamde Werkgroep Wegnemen Knelpunten Arbeid, waarin mijn ministerie nauw samenwerkt met OCenW, SZW en sociale partners.

Voor de zomer van dit jaar kunt u overigens ook nog een voortgangsrapportage over de volle breedte van de beleidsagenda van de nota Ruimte voor Industriële Vernieuwing tegemoet zien.

Deze rapportage is een momentopname. De beleidsagenda is nog volop in ontwikkeling. Over de resultaten en effecten van de lopende activiteiten zal ik de Tweede Kamer in het voorjaar van 2001 informeren.

Ik licht in deze rapportage ook toe hoe ik invulling zal geven aan de motie Hindriks die is aangenomen tijdens de behandeling van mijn begroting voor het jaar 2000. De motie roept op regionale overeenkomsten tussen HBO-instellingen en het midden- en kleinbedrijf te bevorderen.

Ik maak u er ten slotte op attent dat de activiteiten die in deze voortgangsnota worden beschreven passen in het integrale beleidskader dat is geschetst in de kabinetsnota

In Goede Banen; een aanpak van de knelpunten op de arbeidsmarkt (Kamerstuk II, 1999-2000, 27060, nr. 1).

(w.g.) A. Jorritsma-Lebbink

Minister van Economische Zaken

VOORTGANGSRAPPORTAGE

EZ-ACTIVITEITEN INZAKE ARBEID EN ONDERWIJS

1 Inleiding Steeds meer bedrijven ondervinden problemen bij het vervullen van vacatures. Volgens onderzoek onder ondernemers behoort de beschikbaarheid van personeel tot één van de drie topproblemen voor het MKB. Dit komt onder andere tot uiting in een toename van de gemiddelde vacatieduur en een toename van de kosten van werving. De groeiende knelpunten leiden er tevens toe dat klanten soms lang moeten wachten voordat hun opdrachten worden uitgevoerd en bedrijven gedwongen worden om orders te weigeren. Voor de komende jaren wordt een verdere toename verwacht van de aanbodtekorten. Veel ondernemers hebben inmiddels, noodgedwongen, besloten de verdere uitbouw van hun activiteiten uit te stellen. De arbeidsmarktknelpunten hebben niet alleen een kwantitatieve, maar ook een kwalitatieve dimensie. Dat blijkt vooral uit het feit dat het aandeel moeilijk vervulbare vacatures afhankelijk is van het voor de functie vereiste opleidingsniveau; hoe hoger het opleidingsniveau, hoe hoger het aandeel moeilijk vervulbare vacatures. Deze voortgangsrapportage geeft een toelichting op de activiteiten die het ministerie van Economische Zaken verricht in het kader van de nota's Ruimte voor Industriële Vernieuwing: agenda voor het industrie- en dienstenbeleid (Kamerstuk II, 1998-1999, 26628, nr. 1) en De Digitale Delta (Kamerstuk II,
1998-1999, 26643, nr. 1) ter vermindering van deze kwantitatieve en kwalitatieve tekorten op de arbeidsmarkt. De rapportage is als volgt opgebouwd. In paragraaf 2 wordt de noodzaak van het aanpakken van arbeidsmarktknelpunten toegelicht. Vervolgens gaat paragraaf 3 in op de verdeling van verantwoordelijkheden tussen sociale partners enerzijds en de overheid anderzijds. In paragraaf 4 komt de specifieke rol van het Ministerie van Economische Zaken aan de orde. Paragraaf 5 bevat een gedetailleerd overzicht van lopende en binnenkort op te starten activiteiten. Paragraaf 6 is de afsluiting. 2 De urgentie onderbouwd

Het huidige beeld

In 1999 ondervond 47 procent van de bedrijven problemen bij de werving van personeel. Medio 1999 bestonden er bijna 200.000 openstaande vacatures. Daarvan was meer dan 40 procent moeilijk vervulbaar. Daarmee ligt het aantal vacatures thans op het hoogste peil sinds 1971. Vermoedelijk liggen de werkelijke cijfers nog hoger, omdat veel ondernemers hun vacatures niet of niet langer melden.

De historisch gezien grote arbeidsmarktknelpunten hangen deels rechtstreeks samen met de gestage daling van het officiële werkloosheidspercentage in de afgelopen jaren. Daarbij moet echter wel worden bedacht dat het officiële werkloosheidscijfer slechts betrekking heeft op personen die direct beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt en actief op zoek zijn naar werk.

De arbeidsmarktknelpunten gaan vergezeld van een groot reservoir van personen die niet in het officiële werkloosheidscijfer zijn opgenomen, maar in beginsel wel inzetbaar zijn voor betaalde arbeid. Opvallend in dat verband is dat het Centraal Planbureau (CPB) suggereert dat de officiële werkloosheid thans beneden de natuurlijke werkloosheid ligt. Dat zou betekenen dat zonder institutionele aanpassingen in de sfeer van bijvoorbeeld het belastingstelsel, de scholingsinstituties, de ontslagbescherming en de sociale zekerheid, de feitelijke werkloosheid nauwelijks verder kan dalen.

Te verwachten ontwikkelingen

De problematiek van de arbeidsmarktknelpunten zal de komende jaren naar verwachting alleen maar verder toenemen. Dat heeft te maken met demografische factoren (ontgroening, vergrijzing) en met een groeiende mismatch tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt.

Voor de periode 1999-2004 voorspelt het CPB dat, zelfs bij een gematigde economische groei, de strijd van werkgevers om de gunst van de getalenteerde schoolverlater en werknemer verder zal toenemen. Door de toenemende krapte op de arbeidsmarkt zullen werkgevers vaker gedwongen worden om arbeidskrachten aan te trekken met een zwakkere arbeidsmarktpositie.

Dezelfde werkgever krijgt intussen ook nog met een ander fenomeen te maken dat grote invloed heeft op de inrichting van zijn arbeidsorganisatie: de opwaardering van competenties. De economie wordt steeds kennisintensiever als gevolg van de penetratie van ICT als `enabling technology' en de verdere groei van kennisintensieve dienstensectoren. Uit onderzoek blijkt dat werkgevers dientengevolge steeds hogere eisen stellen aan de competenties die in hun arbeidsorganisatie aanwezig moeten zijn. Elkaar snel opvolgende technologische ontwikkelingen vereisen dat werkenden steeds weer bijleren. Ook `zachte' kennis en vaardigheden worden steeds belangrijker: de werknemer achter de machine moet ook in teamverband kunnen werken, moet een ondernemende en flexibele houding hebben, kunnen verkopen, etcetera.

Dit laatstgenoemde fenomeen noemen we het `upgradingseffect' van de beroepsbevolking. Dit effect vergroot nog eens de (kwantitatieve) problemen die ondernemers ervaren om goed personeel te vinden. Daarnaast kan het `upgradingseffect' bijdragen aan een maatschappelijke tweedeling tussen kansrijke en kansarme delen van de beroepsbevolking. Dit wordt geïllustreerd in figuur 1.

Figuur 1 Te verwachten tekorten en overschotten1) per opleidingsniveau in 2007, dzd. pers.

Door de beperkte subsititutiemogelijkheden tussen opleidingsrichtingen kunnen niet alleen tussen niveaus maar

ook op elk opleidingsniveau overschotten en tekorten naast elkaar bestaan (zie HAVO/VWO/MBO en VMBO).

Bron: ROA, 1998. Toekomstverkenning arbeidsmarkt en scholing tot 2007.

Terwijl er medio 1999 nog bijna 200.000 vacatures openstonden, zal er in 2007 waarschijnlijk alleen al op HBO-niveau ruimte zijn voor circa
280.000 nieuwe werknemers. De tekorten zullen de komende jaren dus fors toenemen èn zich vooral concentreren rond de hogere opleidingsniveaus. Zo zal de vraag naar mensen met een HBO- of WO-opleiding met 15 tot 20 procent toenemen. Naast deze tekorten zal er naar verwachting tegelijkertijd juist een relatief ruim aanbod zijn op de lagere opleidingsniveaus.

De - per saldo - toename van de vraag naar hoger opgeleiden noodzaakt tot maatregelen die bijdragen aan het `upgraden' van de competenties van lager opgeleiden. Alleen op die manier kan worden bewerkstelligd dat vraag en aanbod op de arbeidsmarkt niet verder uit elkaar groeien, een zekere `trek in de schoorsteen' mogelijk wordt en de maatschappelijke tweedeling tussen kansrijken en kansarmen op de arbeidsmarkt wordt tegengegaan.

3 Verantwoordelijkheidsverdeling Het wegnemen van de arbeidsmarktknelpunten is een zaak van lange adem. Praktische oplossingen die op korte termijn tot resultaat leiden, zullen moeten worden gecombineerd met maatregelen die pas op wat langere termijn resultaat opleveren. In de nota In Goede Banen (Kamerstuk II,
1999-2000, 27060, nr 1).wordt een breed palet van oplossingen geschetst voor intensieve, op de toekomst gerichte maatregelen. Het gaat daarbij om structurele maatregelen die gericht zijn op: het behouden van werkend personeel via een intensief preventiebeleid; het vergroten van de mogelijkheden voor werkenden om meer uren te maken en het stimuleren daarvan; een betere benutting en verhoging van kwalificaties door scholing; het vergroten van kansen voor onbenut arbeidsmarktpotentieel door wegnemen belemmering bij toetreden tot en doorstromen op de arbeidsmarkt. Genoemde nota laat ook zien dat met betrekking tot de uitvoering van deze beleidsagenda nadrukkelijk sprake is van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van individuele werkgevers en werknemers, sociale partners, alsmede de overheid. De praktische maatregelen en instrumenten van het ministerie van Economische Zaken, die in deze voortgangsrapportage worden beschreven, passen in het integrale beleidskader dat is geschetst in de nota In Goede Banen, en richten zich in de praktijk vooral op de marktsector en de korte termijn. Ten grondslag aan de keuze en invulling van de beschreven initiatieven ligt de volgende visie op de verdeling van verantwoordelijkheden tussen individuele werkgevers en werknemers, sociale partners en overheid.

De rol van individuele werkgevers en werknemers

Individuele werkgevers zijn zelf primair verantwoordelijk voor hun personeelsvoorziening en hebben dan ook een belangrijke verantwoordelijkheid bij het wegnemen van knelpunten op de arbeidsmarkt. Deze houdt met name in dat zij via een goed personeelsbeleid (maatwerk in arbeidsverhoudingen) en via investeringen in een modern en leeftijdsbewust Human Resource Development-beleid ervoor moeten zorgen dat de onderneming aantrekkelijk is voor werknemers. Daarnaast dienen werkgevers in hun wervings- en selectiebeleid voldoende aandacht te schenken aan niet-traditionele wervingsgroepen en onconventionele wervingsmethoden. Via samenwerking met branchegenoten kan zonodig actie worden ondernomen ter versterking van het imago van de branche of beroepsgroep.

Voor individuele werknemers geldt dat zij in toenemende mate zelf verantwoordelijk zijn voor hun loopbaanontwikkeling en -planning. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij hun scholingsbehoeften duidelijk zullen moeten articuleren. In de praktijk is dit besef bij veel werknemers nog in onvoldoende mate aanwezig.

Tenslotte hebben individuele werkgevers en werknemers een gezamenlijke verantwoordelijkheid bij het voorkomen van arbeidsuitval vanwege ziekte en WAO-instroom.

De rol van sociale partners
Naast individuele werkgevers en werknemers hebben sociale partners een belangrijke verantwoordelijkheid bij het wegnemen van arbeidsmarktknelpunten. Dit loopt in de eerste plaats via hun betrokkenheid bij de totstandkoming van CAO-afspraken over personeelsbeleid, maatwerk in arbeidsvoorwaarden (geld, tijd, kinderopvang), arbeidsomstandigheden en reïntegratie-activiteiten. Deze afspraken worden vervolgens in veel sectoren verder geconcretiseerd op ondernemingsniveau.

Voor wat betreft scholing en andere employability-maatregelen zijn sociale partners verantwoordelijk voor de invulling van de opleidings- en ontwikkelingsfondsen (O&O-fondsen). Uit een studie die het EIM in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft uitgevoerd EIM, Activiteiten van O&O-fondsen, Zoetermeer, 1999., blijkt dat de O&O-fondsen vooral bijdragen aan scholing ter verbetering van kennis en vaardigheden die nodig zijn voor het werk dat gedaan wordt in de huidige functie, binnen het eigen bedrijf en de eigen sector. De meeste fondsen dragen echter nog weinig bij aan intersectorale employability, dat wil zeggen de bereidheid en het vermogen tot functiewisseling ongeacht de sector waarin de werknemer werkzaam is. Sociale partners zijn inmiddels op zoek naar wegen om de rol van O&O-fondsen op dit punt te versterken.

Sociale partners zijn in de derde plaats nadrukkelijk medeverantwoordelijk voor het bevorderen van een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Concreet gaat het daarbij vooral om het articuleren door sectoren van hun behoeften in de richting van onderwijsinstellingen. Tenslotte zijn sociale partners mede verantwoordelijk bij het voorkomen van arbeidsuitval vanwege ziekte en WAO-instroom.

De rol van de overheid

Dat ook voor de overheid een rol is weggelegd bij het wegnemen van arbeidsmarktknelpunten staat buiten kijf. Veel overheidsbeleid met betrekking tot onderwijs, arbeidsmarkt, sociale zekerheid en belastingen is medebepalend voor individuele beslissingen over arbeidsparticipatie, studiekeuze en bijscholing. Daarnaast heeft de overheid een rol bij het wegnemen van imperfecties op met name de scholings- en arbeidsmarkt. Een deel daarvan is min of meer onvermijdelijk en kan hooguit via overheidsbeleid worden gecorrigeerd (denk bijvoorbeeld aan de gebrekkige transparantie van de scholingsmarkt en de positieve externe effecten van scholing). Een ander deel van de imperfecties is juist het gevolg van het beleid en dwingt daarom tot een heroriëntatie op dat beleid (denk bijvoorbeeld aan de beperkte prikkels voor uitkeringsgerechtigden om toe te treden tot de arbeidsmarkt).

Het voert te ver in deze voortgangsrapportage de
overheidsverantwoordelijkheid ten aanzien van de arbeidsmarktknelpunten integraal uit te werken. Dat gebeurt meer uitgebreid in de eerder genoemde nota In Goede Banen. Ik volsta daarom met een korte schets van enkele, voor deze nota belangrijke rollen van de overheid:

De overheid wil bevorderen dat (kleine) bedrijven en instellingen zelf de kennis ontwikkelen en/of hebben om hun problemen op de arbeidsmarkt op te lossen.

Voor een goed functionerende arbeids- en onderwijsmarkt is het een taak van de overheid om belemmeringen in wet- en regelgeving weg te nemen dan wel zoveel mogelijk te beperken.

Scholing van werkenden is primair een verantwoordelijkheid van sociale partners. Een stimulerende rol van de overheid is gerechtvaardigd gegeven het maatschappelijke belang van scholing als instrument om de inzetbaarheid en mobiliteit van werknemers op peil te houden en daarmee ook de wendbaarheid van onze economie te bevorderen.

Voor wat betreft jongeren moet de overheid bevorderen dat zij een zo goed mogelijke start op de arbeidsmarkt maken. Dat vereist continue aandacht voor de kwaliteit van het initiële onderwijs en de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Het vereist ook dat voortijdig schoolverlaten wordt tegengegaan en iedere burger in staat wordt gesteld tenminste een diploma op het niveau van een startkwalificatie te behalen.


4 De rol van Economische Zaken Het Ministerie van Economische Zaken heeft als belangrijkste taak het zorgen voor een gezonde Nederlandse economie met een dynamische marktsector. Trefwoorden daarbij zijn concurrentiekracht, innovatiekracht en aanpassingsvermogen. Kwantitatieve en kwalitatieve tekorten aan menselijk kapitaal staan de vervulling van deze taak in de weg en moeten daarom met kracht worden aangepakt. Zoals hiervoor werd aangegeven, vereist dit een meersporenaanpak waaraan de verschillende partijen, ieder vanuit hun eigen verantwoordelijkheid, een bijdrage leveren. Vertrekpunt voor het Ministerie van Economische Zaken bij het formuleren van haar eigen beleidsagenda op dit terrein is het besef dat de demografische trends van ontgroening en vergrijzing en de overgang naar een kenniseconomie andere eisen aan arbeidsorganisaties zullen stellen en, in het kielzog daarvan, ook aan personeelsbeleid, onderwijs en scholing. Van het initieel onderwijs, waarvoor de primaire verantwoordelijkheid ligt bij OCenW, valt niet langer te verwachten dat zij mensen voldoende toerust voor hun gehele verdere arbeidsleven. Initieel onderwijs moet vooral bijdragen aan goede startkwalificaties en het praktische vermogen van mensen om zelfstandig te leren, ondersteund door nieuwe (ICT-)leervormen. Investeringen in scholing en employability van werkenden worden vervolgens van steeds groter belang om de inzetbaarheid van de beroepsbevolking en daarmee het aanpassingsvermogen van de Nederlandse economie op peil te houden. In het licht van deze ontwikkeling is een actieve opstelling van het Ministerie van Economische Zaken vanzelfsprekend.
Vanuit dit vertrekpunt ben ik als minister van Economische Zaken samen met sociale partners gestart met een aantal praktische initiatieven ter vermindering van de knelpunten op de arbeidsmarkt. In het bijzonder gaat het dan om:

het bevorderen van de instroom van jongeren in de richting van bèta- en technische beroepsgroepen en het bevorderen van creatieve samenwerkingsprojecten tussen aanbieders van onderwijs en scholing enerzijds en bedrijfsleven anderzijds;

het bevorderen van investeringen van bedrijven in een Human Resource-beleid dat goed is geënt op de strategische doelen van de onderneming;

het bevorderen van investeringen van bedrijven en werknemers in de (op)scholing van de werkzame beroepsbevolking;

maatregelen gericht op een versnelde oplossing voor de tekorten aan ICT-personeel in en buiten de ICT-sector;

het bevorderen van het inzicht bij ondernemers in de oorzaken die ten grondslag liggen aan tekorten in beroepsgroepen waar veel vacatures bestaan.

5 Acties

Vanaf het najaar van 1999 heeft de Werkgroep Wegnemen Knelpunten Arbeid Hierin hebben, onder voorzitterschap van EZ, zitting: FNV, FNV Bondgenoten, CNV-Bedrijvenbond, Unie-mhp, VNO-NCW, MKB-Nederland, FME-CWM, LTO-Nederland, Ministerie van SZW, Ministerie van OCenW. gewerkt aan een concrete invulling van deze ambities. Hieronder volgt een momentopname van de stand van zaken voor wat betreft zowel de reeds lopende als de nieuw gestarte activiteiten. De werkgroep zal zijn werkzaamheden overigens ook na het uitbrengen van deze voortgangsrapportage voortzetten.


1. Meer instroom richting bèta- en technische studies
Ik maak mij allereerst veel zorgen over de studiekeuze van jongeren. In de praktijk kiezen veel te weinig jongeren namelijk bèta- en technische studierichtingen. Omdat deze studies opleiden tot beroepen die we niet kunnen missen in onze kenniseconomie, wil ik een actieve bijdrage leveren aan het bevorderen van meer instroom in dit type van studies. Met name de hardnekkige misvattingen over het zogenaamde saaie imago en de slechte arbeidsvoorwaarden binnen deze beroepsgroepen wil ik met kracht bestrijden.

Voor dit doel hebben EZ en OCenW in 1998 samen de Stichting AXIS in het leven geroepen. AXIS is een platform van het Nederlandse bedrijfsleven, overheid en onderwijsveld dat voor vier jaar is opgericht. AXIS co-financiert onorthodoxe projecten die leerlingen, studenten en leraren maximaal motiveren om deel te nemen aan bèta- en technische vakken Voor meer informatie over lopende projecten: zie www.axis-platform.nl

Dit jaar zal een mid-term-review worden verricht van de lopende projecten. Ik zal, in overleg met mijn collega van OCenW, de Tweede Kamer aan het einde van dit jaar berichten over de resultaten.

Voor een soepele samenwerking tussen aanbieders van scholing en onderwijs en het bedrijfsleven wil ik tevens kansrijke koploper-initiatieven ondersteunen, zoals die bijvoorbeeld in de metalektro-sector zijn ontwikkeld. Een concreet voorbeeld van een dergelijk initiatief is het project Technisch College dat zich richt op de vergroting van de aantrekkelijkheid en kwaliteit van de onderdelen Metaaltechniek en Werktuigbouwkunde in het VMBO. Samen met sociale partners en OCenW wil ik zoeken naar mogelijkheden om dit type van inspirerende initiatieven, vooral ook richting andere sectoren, te verdiepen en te verbreden. Vandaar dat ik, samen met OCenW, het voornemen van FME, Metaalunie en FNV Bondgenoten ondersteun om tot een brede Task Force Beroepsonderwijs te komen.


2. Strategisch personeelsbeleid in ondernemingen
Nederland scoort op dit moment hooguit gemiddeld waar het gaat om investeringen in scholing van werkenden, zo blijkt uit de Toets op het Concurrentievermogen 2000. Daarbij komt dat scholing in Nederland zeer ongelijk is verdeeld. Het zijn vooral jonge, hoger opgeleide werknemers in grote bedrijven die profiteren van investeringen in scholing. Oudere werknemers, maar ook werknemers in kleine bedrijven, flexibele krachten en administratief en ondersteunend personeel komen veel minder aan bod.

De krappe arbeidsmarkt, in combinatie met de overgang naar een kenniseconomie, maakt extra investeringen in competenties van mensen noodzakelijk om enerzijds het kennisniveau en het productiepotentieel van de onderneming te doen stijgen en anderzijds werknemers vast te houden in de onderneming.

Naar aanleiding van het Nationaal Actieprogramma `Een leven lang leren' Ministerie van OCenW, Nationaal Actieprogramma Een Leven Lang Leren, maart
1998. en het advies van de Stichting van de Arbeid hierover Stichting van de Arbeid, Een leven lang lerend werken, 1998, publicatienr. 3/98., heeft het kabinet in het Voorjaarsoverleg van 1999 de employability-agenda vastgesteld. Doel van deze agenda is werkgevers en werknemers te stimuleren te investeren in de employability van werknemers. De overheid wil samen met sociale partners daaraan bijdragen door de randvoorwaarden optimaal in te richten, zodat bedrijven makkelijk toegang hebben tot kennis en faciliteiten op dit terrein.

Ik heb mij tot dusver ontfermd over drie onderwerpen uit deze agenda:

het keurmerk Investors in People;

employability-adviseurs voor het midden- en kleinbedrijf;

een systematiek voor de erkenning van verworven competenties (EVC).

Investors in People

In september van dit jaar zal een Nederlandse stichting voor Investors in People zijn opgericht. De stichting werkt aan een keurmerk dat het functioneren van organisaties beoogt te verbeteren door continue en structurele aandacht voor scholing van het personeel. Organisaties verbeteren daarmee de employability van hun personeel en beschikken over een strategisch instrument voor het binnenhalen en -houden van personeel. Zeventien bedrijven en instellingen hebben naar volle tevredenheid meegedaan met een proefproject in de regio's Rotterdam en Leiden. Thans zijn al ruim
30 adviseurs actief om de invoering van het keurmerk in Nederlandse bedrijven te bevorderen.

Employability-adviseurs

Een keurmerk mag dan een kroon zijn op de inspanningen die bedrijven zich getroosten bij de opzet van een goed personeelsbeleid: eerst moeten zij wel overtuigd raken van nut en noodzaak hiervan. Voor dit doel investeer ik in de opleiding van meer dan 50 employability-adviseurs die, via Syntens en branche-organisaties, in de tweede helft van dit jaar naar kleine en middelgrote ondernemingen worden gestuurd. Zij krijgen instrumenten mee die (kleine) ondernemers op een praktische wijze kunnen helpen bij het vormgeven van hun personeelsbeleid.

EVC

Bij een strategisch personeelsbeleid hoort ook een periodieke ijking van de aanwezige kennis in een bedrijf. Onlangs heb ik daarom gepleit voor het transparant maken van immateriële activa op de balans van bedrijven. Als belangrijk onderdeel daarvan pleit ik ook voor een periodieke, formele erkenning van wat werknemers al kunnen en weten. Dit verhoogt de transparantie van het arbeidsaanbod, verbetert de allocatie van arbeid binnen de onderneming en bevordert de carrièremogelijkheden van het individu. Ik werk daarom, samen met OCenW, SZW en sociale partners, aan de totstandkoming van een landelijke systematiek voor de erkenning van verworven competenties (EVC) van werknemers.

Uit de evaluatie van een pilot-project bij Frico Cheese blijkt dat, dankzij een EVC-procedure, het carrièreperspectief van 22 medewerkers is versterkt en het bedrijf ruim 200.000 gulden heeft bespaard op de scholings- en verletkosten van deze medewerkers. Dit soort initiatieven moeten er veel meer komen.

Ik zal in overleg met OCenW, SZW en sociale partners de mogelijkheden voor de opzet van een landelijk EVC-instituut in kaart brengen. Bovendien worden op korte termijn nieuwe pilots met EVC gestart in het middelbaar- en hoger onderwijs en in enkele branches. In het kielzog daarvan zal ik ook bekijken of er nog andere maatregelen nodig zijn om van EVC een succesvol instrument te maken voor de ondernemer. Nederland loopt hier als gidsland overigens behoorlijk voorop binnen de Europese Unie. Meerdere landen willen daarom met ons samenwerken bij de opzet van een European Assessment Forum.


3. Scholing van de beroepsbevolking

De bovengenoemde drie acties uit de employability-agenda richten zich op het verhogen van de kennis bij werkgevers en werknemers rond Human Resource Development. Omdat scholing van werknemers echter zo'n cruciale rol speelt bij het op lange termijn oplossen van de huidige knelpunten op de arbeidsmarkt, besteed ik ook veel aandacht aan generieke, financiële incentives voor investeringen in scholing en aan het creatief vormgeven van scholingstrajecten zelf.

Fiscale scholingsfaciliteit

Met ingang van 1 januari 1998 is een bedrag van 235 miljoen per jaar voor de scholingsfaciliteit beschikbaar gesteld. De scholingsfaciliteit is een extra belastingaftrek van bedrijfsinvesteringen in scholing. Idealiter werkt de faciliteit drempelverlagend voor (kleine) ondernemers om scholing in te kopen voor hun werknemers. Hoewel we nog maar net ervaring hebben met deze faciliteit, ga ik binnenkort, in overleg met de Belastingdienst, na hoe de faciliteit tot dusver wordt gebruikt en of de faciliteit leidt tot extra investeringen van bedrijven in scholing. Tevens zal ik later dit jaar aangeven in hoeverre het wenselijk is de huidige faciliteit aan te passen en/of uit te breiden.

Sectoroverstijgende mobiliteit wordt in de praktijk geremd doordat werkgevers eerder geneigd zijn om te investeren in scholing van werknemers die binnen de sector (en liefst binnen het eigen bedrijf) blijven dan dat zij investeren in mensen die vervolgens de sector verlaten. In samenhang met de fiscale incentives voor werkgevers zal ik dit jaar daarom onderzoeken in hoeverre de aftrekmogelijkheden voor individuele werknemers via de inkomstenbelasting voldoende mogelijkheden bieden voor eigen investeringen in hun employability. Op die manier hoop ik ook inzicht te krijgen in hoeverre de huidige fiscale faciliteiten voor werkgevers en werknemers tezamen bijdragen aan sectoroverstijgende mobiliteit. Ik zal er daarbij wel steeds bij sociale partners op aandringen dat zij zelf belemmerende schotten tussen sectoren wegnemen door een optimale en flexibele inzet van middelen uit scholingsfondsen. Samen met sociale partners zullen we moeten streven naar een zo effectief mogelijke inzet van scholingsmiddelen Zie ook de nota In Goede Banen, TK 1999/2000, 27
060, nr 1, actiepunt 33..

Scholingsimpuls

Scholingstrajecten moeten zo effectief en efficiënt mogelijk worden ingezet. Groepen uit de beroepsbevolking moeten in staat worden gesteld om, via scholingstrajecten op maat, door te stromen van een (lagere) functie met een matig perspectief naar een (hogere) functie met een uitstekend perspectief. Met een incidentele scholingsimpuls wil ik, samen met sociale partners en de ministeries van SZW en OCenW, scholing-op-maat door werkgevers en werknemers bevorderen. De impuls zal vanaf het najaar van 2000 concreet neerslaan in enkele innovatieve scholingstrajecten waarin bedrijven en aanbieders van scholing samenwerken. Ik heb hiervoor vijf miljoen gulden gereserveerd voor dit jaar en zal, in overleg met OCenW, later dit jaar de bijdrage van EZ voor de periode 2001-2003 vaststellen.

Mijn doel is om, per scholingstraject, tenminste 50 mensen via maatwerk naar een beroepsgroep te geleiden waar een structureel tekort voor dreigt of bestaat. Voor elk traject geldt dat intersectorale belemmeringen moeten worden weggenomen en dat nieuwe, ICT-ondersteunde, modulaire leervormen (teleleren, leren op werkplek) er een vanzelfsprekend onderdeel van uit moeten maken. Bij de vormgeving moet bovendien actief gebruik worden gemaakt van de diensten van de employability-adviseurs en van methodieken voor EVC. Op deze manier versterken de diverse beleidsmaatregelen elkaar. Na afloop van elk traject worden de ervaringen en onderwijsmodules geëvalueerd, wordt bekeken hoe een en ander structureel kan worden verankerd en vervolgens ter beschikking gesteld van sociale partners.

Een projectgroep met sociale partners, SZW en OCenW geeft de scholingsimpuls momenteel verder inhoud via een voorbereidend onderzoek. Met de scholingsimpuls geef ik overigens mede invulling aan de motie van lid Hindriks die is aangenomen tijdens de behandeling van mijn begroting voor het jaar 2000. De motie roept op per jaar 3 miljoen gulden uit te trekken voor regionale overeenkomsten tussen HBO en MKB. Tenslotte wordt in het kader van de oriëntatie op een nieuwe tranche MDW onderwerpen bezien of onderwijs en scholing een geschikt project biedt dat de ambities op het terrein van scholing ook structureel kan versterken.

Wegwerken van de tekorten aan ICT-personeel

In de nota De Digitale Delta is beschreven hoe essentieel ICT als `enabling technology' is en de ICT-beroepen zijn voor de verdere uitbouw van de kenniseconomie in Nederland. We kunnen het ons niet permitteren de huidige achterstanden verder op te laten lopen. De taskforce onder leiding van drs. A.H.J. Risseeuw heeft inmiddels elf projectvoorstellen opgeleverd die de instroom richting ICT-beroepsgroepen moeten verhogen. Het gaat hierbij concreet om onder meer de Netwerkacademie, het realiseren van een hogere instroom van vrouwen, het bevorderen van de in-, door- en uitstroom van allochtonen in het informatica-onderwijs en aandacht voor ICT in niet-ICT-opleidingen.

In mei van dit jaar zal het kabinet de Tweede Kamer een reactie geven op de inhoud van de projectvoorstellen en tevens aangeven welke projecten voor co-financiering door de overheid in aanmerking kunnen komen.

Bevorderen van integrale aanpak voor het wegwerken van knelpunten

Deeloplossingen hebben een beperkte waarde en alle acties die ik hierboven heb beschreven moeten dan ook in samenhang met elkaar worden bekeken. Dit geldt op macro-niveau, maar ook voor wat betreft oplossingen rond specifieke beroepsgroepen wil ik steeds benadrukken dat alleen een integrale benadering succesvol kan zijn. In de praktijk blijkt namelijk dat belanghebbende partijen onbedoeld soms met een al te nauwe blik naar de knelpunten kijken en de oplossingen bijvoorbeeld alleen maar in de sfeer van het onderwijs zoeken, terwijl ook de uitstroom van werknemers verminderd kan worden, de productiviteit verder kan worden verhoogd of aantrekkelijke employee benefits kunnen worden ontworpen.

Als illustratie van het belang van een integrale aanpak op meso-niveau heb ik het instrument van de Arbeidsradars vormgegeven. De Arbeidsradars zijn bedoeld om ondernemers de helpende hand te bieden bij het wegnemen van tekorten in beroepsgroepen waar veel vacatures openstaan. Een Arbeidsradar is allereerst een benchmark-instrument met als doel te komen tot een goede diagnose van de exacte aard van de knelpunten. Arbeidsradars zijn vervolgens ook bedoeld om partijen te stimuleren innovatieve projecten te ontwerpen en uit te voeren die concreet bijdragen aan een verhoging van de instroom van capabele arbeidskrachten.

De eerste drie Arbeidsradars worden in mei 2000 afgerond en richten zich op de beroepsgroepen van lassers, bouwkundig en civiele ingenieurs en docenten techniek. Jaarlijks zullen drie Arbeidsradars worden verricht en zal een beperkt aantal, zorgvuldig te regisseren en monitoren activiteiten na afloop van elke Arbeidsradar worden verricht. Vanaf mei 2000 is tevens een database beschikbaar waarin allerlei inspirerende voorbeelden zijn opgenomen van oplossingen die elders zijn gerealiseerd.

Afsluiting

Deze voortgangsrapportage heeft als doel de Tweede Kamer te informeren over de actuele stand van zaken van de activiteiten van het Ministerie van Economische Zaken op het terrein van arbeid en onderwijs. Tabel 1 vat deze activiteiten nog eens samen. Ik zal de Tweede Kamer in het voorjaar van 2001 informeren over de stand van zaken en de eerste effecten van de hierboven beschreven maatregelen.

Tabel 1 Overzicht van activiteiten van het ministerie van EZ inzake

arbeid en onderwijs

Thema

Initiatief

Beleidsvoornemens

Meer instroom richting bèta- en technische studies

Stichting AXIS

Stimulering koploper-initiatieven

Mid term review lopende projecten AXIS


- Ondersteunen kansrijke initiatieven

- Ondersteunen vorming Task Force Beroepsonderwijs
Strategisch beleid in ondernemingen

Investors in People

Employability-adviseurs voor het MKB

Systematiek voor EVC

Oprichting van stichting dat keurmerk landelijk in de markt moet zetten

Opleiding van 50 employability-adviseurs die via Syntens en branche-organisaties MKB-bedrijven ondersteunen bij hun personeelsbeleid


- Opzet van een landelijk EVC-instituut

- Nieuwe pilots met EVC in middelbaar- en hoger onderwijs en in branches

Scholing van de beroepsbevolking

Fiscale scholingsfaciliteit

Scholingsimpuls


- Evaluatie huidige faciliteit en bezien noodzaak tot aanpassing daarvan

- Bezien aftrekmogelijkheden scholingskosten voor individuele werknemers

Ontwikkeling innovatieve scholingstrajecten die mensen moeten toeleiden naar beroepsgroepen met structurele tekorten

Wegwerken van tekorten in ICT-personeel

Follow up ICT Task Force

Besluitvorming over projectvoorstellen van ICT Task Force

Co-financiering geselecteerde projectvoorstellen

Bevorderen van integrale aanpak voor het wegwerken van knelpunten

Arbeidsradar

Invulling geven aan follow up Arbeidsradars lassers, bouwkundig en civiel ingenieurs en docenten techniek.

Jaarlijks drie nieuwe Arbeidsradars

Opzetten database met inspirerende voorbeelden

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie