Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoord Kamervragen over WAO als gevolg zwangerschap

Datum nieuwsfeit: 18-04-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Antwoord Kamervragen over wao als gevolg van ziekte of klachten tijdens zwangerscha p

Gemaakt: 19-4-2000 tijd: 14:58


5

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 18 april 2000

Onderwerp:

Kamervragen

Hierbij zend ik u, mede namens Staatssecretaris Hoogervorst van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de antwoorden op de vragen van het lid Bussemaker (PvdA) over WAO als gevolg van ziekte of klachten tijdens de zwangerschap.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken

en Werkgelegenheid,

(mr. A.E. Verstand-Bogaert)

Vraag 1
Bent u op de hoogte van het artikel 'Zwangerschap is geen ziekte, maar toch ', in de Gak Krant van december 1999?

Antwoord 1

Ja

Vraag 2
Is bekend hoeveel vrouwen als gevolg van ziekte of klachten tijdens de zwangerschap en tijdens het zwangerschaps- en bevallingsverlof in de WAO terecht komen?

Antwoord 2
In 1999 werd aan 2062 vrouwen een nieuwe WAO-uitkering toegekend waarbij de arbeidsongeschiktheid gerelateerd was aan de zwangerschap of bevalling (bron: Lisv Maandoverzicht
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, februari 2000) Daarnaast werd aan
213 vrouwen een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend in verband met postnatale depressie. In totaal kwamen 2275 vrouwen als gevolg van ziekte of klachten gerelateerd aan de zwangerschap of bevalling in de WAO terecht. Dit correspondeert met 2,5% van het totaal aantal nieuwe WAO-uitkeringen.

Vraag 3
Is bekend hoe in de praktijk bij beoordelingen van ziekte en arbeidsongeschiktheid wordt omgegaan met ziekte en arbeidsongeschiktheid in verband met zwangerschap en bevalling?
Antwoord 3

Ja. In de dagelijkse praktijk zien uitvoerende verzekeringsartsen zich regelmatig geplaatst voor de vaak moeilijke beoordeling van de causaliteitsvraag bij arbeidsongeschiktheid in samenhang met en al dan niet veroorzaakt door zwangerschap. Het Lisv heeft daarom de verzekeringsgeneeskundige standaard «Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid» in april 1999 vastgesteld. Deze standaard geeft de uitgangspunten voor de beoordeling van de vraag of de ongeschiktheid van de vrouw voor haar arbeid het gevolg is van zwangerschap of bevalling. In de standaard wordt een aantal categorieën van oorzaken van arbeidsongeschiktheid genoemd en wordt een set van algemene criteria gegeven. Om te beoordelen of de klachten van de vrouw een gevolg zijn van zwangerschap of bevalling wordt een afweging gemaakt op basis van deze oorzaken en een afweging op basis van de algemene criteria.

Vraag 4
Is niet een logisch gevolg van de uitspraak van het Europese Hof van Justitie inzake het arrest Brown dat het wachtjaar voor de WAO eerst gaat lopen nadat het bevallingsverlof is afgelopen? Is daarom het oordeel van de Interdepartementale Commissie Europees Recht, dat het Brown-arrest geen gevolgen heeft voor de Nederlandse regelgeving, niet ongemotiveerd?


2

Vraag 5
Kan in dat verband de conclusie van de regering dat geen sprake is van strijdigheid van de Nederlandse regelgeving met het Europese recht inzake gelijke behandeling nader worden gemotiveerd?
Antwoord op vraag 4 en 5:

In mijn brief van 16 juli 1999 aan uw Kamer (Kamerstukken II 1998/99,
26206, nr. 16.) heb ik aangegeven dat uit het advies van de Interdepartementale Commissie Europees Recht (ICER) blijkt dat het genoemde arrest geen aanleiding geeft tot aanpassing van de termijn van de loondoorbetalingsverplichting in geval van ziekte op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en van de ingangsdatum van de arbeidsongeschiktheids-uitkering. Het ICER-advies is gebaseerd op de constatering dat het Brown-arrest ziet op de berekeningsmethodiek van de termijn voor ontslag en dat van directe gevolgen van deze uitspraak op termijnen in verband met de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever of uitkeringen derhalve geen sprake is. In het ICER-advies wordt daarbij aangegeven dat het bovendien de vraag is of het Hof de bescherming die het noodzakelijk acht ten aanzien van het behoud van arbeid ook zou willen bieden indien het deelaspecten van de arbeid betreft, zoals loondoorbetaling en sociale zekerheid. In het ICER-advies wordt aanbevolen eventuele nieuwe zaken op dit terrein te volgen. Op dit moment zijn dergelijke zaken evenwel niet aan de orde.

Vraag 6
Deelt u de mening dat het VN-vrouwenverdrag voorschrijft dat bevallingsverlof moet bestaan met behoud van loon of vergelijkbare voorzieningen, zonder dat dit leidt tot verlies van vroegere werkkring, anciënniteit of toekomende sociale uitkeringen en dat het meetellen van het zwangerschaps- en bevallingsverlof in de periode voorafgaand aan de WAO-uitkering (of WAO-conforme uitkering) hier niet mee in overeenstemming is?

Antwoord 6

Nee. Het meetellen van het zwangerschaps- en bevallingsverlof voor de wachttijd WAO leidt naar mijn mening niet tot een verlies van uitkeringsrechten. Het meetellen van de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof voor de wachttijd WAO kan er wel toe leiden dat een vrouw eerder het einde van de wachttijd bereikt dan een man, voor wie alleen periodes van ongeschiktheid wegens ziekte kunnen worden geteld, en aldus eerder in aanmerking komt voor een WAO-uitkering. Het op een eerder moment ontstaan van aanspraken op een uitkering is echter in het algemeen niet te beschouwen als een nadeel. Ook doet het ontstaan van WAO-aanspraken geen afbreuk aan eventueel gunstiger rechten die vrouwen zouden kunnen ontlenen aan artikel 29a, zevende lid, van de ZW. Dit artikel geeft de werkneemster, die aansluitend aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof nog ongeschikt is voor haar werk als gevolg van de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap, vanaf de eerste dag van die ongeschiktheid nog gedurende maximaal 52 weken recht op een ZW-uitkering ter hoogte van 100% van het dagloon. Op grond van een


3

ex artikel 32, vierde lid, van de ZW getroffen besluit inzake samenloop van onder meer ZW- en WAO-uitkeringen (besluit van 30 september 1976, nr. 54655, Stcrt. 1976/191, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 25 februari 1997, Stcrt. 1997, 41) blijven eventuele gunstiger rechten behouden. De argumenten hebben mij derhalve niet tot het oordeel gebracht dat de onderhavige regeling niet in overeenstemming zou zijn met artikel 11, tweede lid, sub b, van het Vrouwenverdrag. Tijdens het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt immers een inkomen op het niveau van het loon gegarandeerd en zwangerschaps- en bevallingsverlof leidt niet tot verlies van uitkeringsrechten.

Vraag 7
Deelt u de mening dat het meetellen van zwangerschaps- en bevallingsverlof als ziekte-periode eveneens in strijd is met artikel
26 van het Internationaal Verdrag voor Burgerlijke en Politieke rechten en artikel 14 van het EVRM, zoals al eerder vastgesteld in een brief van de Commissie Gelijke Behandeling van 11 juni 1998?
Antwoord 7

Nee. In artikel 14 van het EVRM en artikel 26 BUPO wordt het maken van onderscheid naar, onder meer, geslacht verboden. Van verboden onderscheid is sprake als gelijke gevallen ongelijk worden behandeld of als dezelfde norm wordt toegepast op ongelijke gevallen, zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardigingsgrond aanwezig is.

De periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt niet, zoals in de brief van de Commissie Gelijke Behandeling vermeld is, als ziekteperiode meegeteld voor de wachttijd WAO, maar als periode waarin in verband met zwangerschap en bevalling geen arbeid wordt verricht en aanspraak bestaat op ziekengeld. Er is dus geen sprake van een gelijk-stelling van zwangerschap en bevalling met ziekte. Het verzekerd risico waarvoor met de WAO beoogd is een dekking te geven, is de loonderving als gevolg van het niet verrichten van arbeid, hetzij als gevolg van ziekte, hetzij als gevolg van (zwangerschap en) bevalling. Voor het ontstaan van een recht op uitkering is derhalve elke periode waarin zich een verzekerd risico voordoet in gelijke mate relevant. Naar mijn mening is de huidige regeling, gegeven de uitgangspunten, dan ook redelijk en consistent en in overeenstemming

met de verplichtingen die voor Nederland voortvloeien uit het EVRM en BUPO.

Met de overheveling van de zwangerschaps- en bevallingsuitkering naar de Wet arbeid en zorg zal een nieuwe situatie ontstaan waarin deze problematiek nogmaals systematisch doordacht moet worden. Immers in die situatie zal tijdens het zwangerschaps- en bevallingsverlof geen ziekengeld, maar een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg verstrekt worden. Op grond van het voorgaande mag geconcludeerd worden dat het meetellen van de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof voor de wachttijd WAO niet strijdig is met internationale verdragen en dat geen sprake is van een verlies aan uitkeringsrechten of van een verboden onderscheid naar geslacht. Desalniettemin meen ik dat het wenselijk is dat een meer principiële scheiding aangebracht wordt tussen


4

enerzijds de periode waarin wegens ziekte recht op ziekengeld of loondoorbetaling bestaat en anderzijds het zwangerschaps- en bevallingsverlof dat recht geeft op een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg. Ik ben voornemens te bezien of in het voorstel voor de Invoeringswet arbeid en zorg deze scheiding aangebracht kan worden. Dit zal tot gevolg kunnen hebben dat in de nieuwe systematiek de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof niet langer zal meetellen voor de wachttijd WAO.

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie