Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief VenW inzake zijwateren van hoofdwateren

Datum nieuwsfeit: 18-04-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief VenW inzake zijwateren van hoofdwateren
Gemaakt: 8-5-2000 tijd: 13:49


3

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 18 april 2000

Ingevolge een toezegging uit 1990, gedaan door de toenmalige Minister van Verkeer en Waterstaat, zend ik u hierbij ter kennisneming het bovenaangehaald besluit.

Ter toelichting moge het volgende dienen.

In veel gevallen is momenteel niet eenduidig vastgelegd wie beheerder is van een bepaald oppervlaktewater. Daarnaast zijn er vaak meerdere beheerders voor één oppervlaktewater en is, met name in het rivierengebied, vaak niet duidelijk wie het

kwantiteitsbeheer en wie het kwaliteitsbeheer heeft. Het Besluit Aanwijzing Zijwateren van Hoofdwateren tracht duidelijkheid te scheppen in de beheerssituatie door vast te leggen wie met het beheer over bepaalde wateren is belast.

Het besluit geeft uitvoering aan artikel 3, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: Wvo) en artikel 2 van de Wet op de Waterhuishouding (hierna: Wwh). Ingevolge die artikelen kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur door anderen dan het Rijk beheerde, met rijkswateren in open verbinding staande

wateren worden aangewezen. Door deze aanwijzing worden deze wateren voor de toepassing van genoemde wetten tot de rijkswateren gerekend.

Essentie van de aanwijzing van zijwateren is dat hoofdwater en aangewezen zijwateren een waterhuishoudkundig geheel vormen. Aangewezen worden wateren waarvan zelfstandig beheer los van het hoofdwater niet doelmatig is, omdat er een zodanige wisselwerking tussen hoofd- en zijwater bestaat dat lozing op of onttrekking aan het zijwater tevens een lozing op of onttrekking aan het hoofdwater inhoudt, en omgekeerd.Dit besluit heeft als basis twee beleidsuitgangspunten.

In de eerste plaats blijft de aanwijzing beperkt tot wateren die een voldoende mate van wisselwerking hebben met een of meerdere hoofdwateren en waarvan het kwantitatieve en kwalitatieve beheer los van het hoofdwater ondoelmatig zou zijn. In de tweede plaats worden bij de aanwijzing uit oogpunt van eenheid van beheer de beheersinstrumenten ingevolge de Wvo en de Wwh per oppervlaktewater in één hand gebracht of gehouden.

Aanvankelijk is getracht te komen tot een volledig nominale opsomming van zijwateren. Het is echter gebleken dat aan een nominale opsomming belangrijke nadelen zijn verbonden. In de eerste plaats bleek de benaming van wateren een probleem. Veel, met name kleinere wateren, bleken bekend te staan onder verschillende namen. In de tweede plaats bleek een nominale opsomming weinig flexibel. Door wijziging in de waterhuishoudkundige situatie werd een veelheid aan wijzigingen van het besluit voorzien. Daarom is uiteindelijk besloten gebruik te maken van categorieën. Wel worden, ter informatie, een nominale lijst en kaarten bij het besluit gevoegd.

Hoewel ongeveer duizend wateren onder de aanwijzing vallen, betreft het geen operatie van ingrijpende omvang. Het merendeel van de wateren die onder de aanwijzing vallen, zijn korte kanaalmonden, mondingen van waterlopen, grind- en kleigaten en andere, merendeels kleinere wateren, in open verbinding met hoofdwateren. De betekenis voor de praktijk van het besluit is dan ook niet al te groot. Los van het gegeven dat het over het algemeen gaat om kleinere (stukken) water, legt het besluit voornamelijk de reeds gegroeide (beheers)praktijk vast. Overigens is het voorts zo dat bij het maken van beheersafspraken door de betrokken beheerders reeds jaren wordt aangesloten bij de beleidsuitgangspunten van het besluit en bij de begrenzingen zoals daarin aangeven. Zo bezien heeft het besluit de beoogde werking in belangrijke mate reeds gehad. Het

proces wordt nu afgesloten door een wettelijke vastlegging van reeds gemaakt

afspraken.

Alle waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheerders in Nederland zijn in de gelegenheid gesteld hun oordeel over het ontwerpbesluit te geven. Met uitzondering van het

Zuiveringsschap Limburg zijn door de beheerders geen zwaarwegende bezwaren naar voren gebracht. Door een aanpassing van de beheerssituatie is thans ook het bezwaar van het Zuiveringsschap Limburg weggenomen.

Over het ontwerp is overeenstemming bereikt met het Ministerie van Justitie en het Steunpunt voorgenomen regelgeving. De Staatscommissie voor de Waterstaatswetgeving kon met het besluit instemmen.

Inmiddels is de ministerraad met het besluit akkoord gegaan en heeft de Raad van State een positief advies uitgebracht.

De lange voorgeschiedenis van dit besluit - het eerste concept dateert van


27 september 1990 - rechtvaardigt een toelichting op de ontstaansgeschiedenis van dit besluit. Oorzaak voor de lange status van 'concept' van het besluit zijn een drietal ontwikkelingen geweest.
In de eerste plaats was oorspronkelijk een categorale aanwijzing van zijwateren opgenomen in het ontwerp van de Uitvoeringsregeling waterhuishouding. In de adviezen van de Unie van Waterschappen, het Interprovinciaal Overleg en de toenmalige Raad van Waterstaat werd bezwaar gemaakt tegen deze methode van aanwijzing. Men voelde niet voor een aanwijzing in categorieën, zoals in het besluit, maar voor een opsomming van alle afzonderlijk aangewezen zijwateren. Aan een nominale opsomming bleken echter nadelen verbonden te zijn zodat uiteindelijk is afgezien van nominale opsomming.

In de tweede plaats heeft begin jaren negentig, in het kader van de decentralisatie-operatie, een ingrijpende overdracht van onder meer vaarwegen door het Rijk aan

decentrale overheden plaatsgevonden (Stuurgroep Brox-nat). Hierdoor was het nood-zakelijk opnieuw te bezien welke zijwateren nog voor overdracht in aanmerking

kwamen.

Tenslotte is, mede in het kader van de deregulering, onderzoek gedaan naar de vraag

of het bereiken van waterstaatkundige samenhang anders dan door aanwijzing bij

algemene maatregel van bestuur mogelijk was. Bezien is of via het sluiten van water-akkoorden de gewenste samenhang bereikt kon worden. Uiteindelijk is geconcludeerd dat het instrument waterakkoord niet bedoeld is als substituut voor een beheerseenheid maar als een afstemmingsinstrument tussen verschillende beheerseenheden. Gebruik van dit instrument in dit kader werd om die reden oneigenlijk gevonden.

Het besluit zal, zo is overeengekomen met de Unie van Waterschappen, op 1 juni 2000 in werking treden.

Ik vertrouw er op u met het vorenstaande voldoende te hebben geïnformeerd.

Hoogachtend,

DE STAATSSECRETARIS VAN VERKEER EN WATERSTAAT,

drs J.M. de Vries.

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie