Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Toespraak Van Boxtel bij Vereniging Natuurmonumenten

Datum nieuwsfeit: 19-04-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Toespraak minister Van Boxtel bij de Vereniging Natuurmonumenten

Een toespraak bij het onderwerp Grotestedenbeleid
19 april 2000

Geert Mak schreef in 1998 het boekenweekessay 'Het ontsnapte land'. Hij beschrijft een reisje van Schiedam naar Zaandam en terug, een reis die zijn vader 85 jaar eerder maakte. Met een bootje, "want vanaf het water is de wereld nooit zonder mysteries". Hij constateert dat "alles is veranderd maar wel op zijn plek is gebleven". En dat is natuurlijk maar goed ook. Heel veel van vroeger is er nog, de sluisjes, bruggetjes en tolhuizen, maar ze zijn meegegroeid met de tijd. Ze zijn niet meer alleen van vroeger, maar ook van nu, onvervreemdbare onderdelen van het Nederlandse landschap. Soms vindt Geert Mak het een beetje al te mooi, dan is een monument "zo nadrukkelijk bewaart dat iedere verrassing verdwijnt". Nederland als openluchtmuseum, met huisjes van bordkarton en molentjes van suikerwerk. Het Totale Onderhoud tot de Jongste Dag, het ontbreken van verval.
Natuurlijk, we willen ons verleden blijven kennen, we willen ons culturele, historische en natuurlijke erfgoed behouden, maar dat moeten we niet doen door er met een grote boog omheen te lopen. Nederland is tenslotte van horizon tot horizon ontworpen, bedacht door hen die er wonen. Er is geen stukje van ons land dat niet al iets is of is geweest, of in ieder geval geclaimd is om iets te worden. Nederland bestaat en bestaat voort door een ijzeren verbond tussen behoud en verandering, door ons vermogen om van verleden en heden steeds een andere toekomst te maken. Ons landschap wordt gekenmerkt door verandering en dynamiek, of, in de woorden van Rijksbouwmeester Wytze Patijn: "Een landschap kun je niet stilzetten".
In de tijd dat de vader van Geert Mak door Nederland voer, was er nog sprake van een duidelijke scheiding tussen stad en rand, tussen stedelijkheid en landschap. Maar Nederland verstedelijkt in een razend tempo. In de tweede helft van de vorige eeuw is de bebouwing in Nederland verdrievoudigd: van 64 woningen per vierkante kilometer tot 192. Het gevolg zijn landschappen zoals de Haarlemmermeer, met akkers, sloten en boerderijen, maar ook bedrijvenclusters, wegen, viaducten, flarden van bewoning en bebouwing, van mobiliteit en bedrijvigheid. Deze veranderingen stellen overheden, marktpartijen en organisaties als natuurmonumenten voor de vraag hoe we de kwaliteit van de leefomgeving van mens, plant en dier duurzaam kunnen garanderen. Nederland heeft, om dit proces ruimtelijke te begeleiden, in de loop der jaren, in de loop der kabinetten, een fijnmazig ordeningsinstrumentarium ontwikkeld. Restrictief beleid, mainports, Randstad, knooppunten, compacte stad, Groene Hart: allemaal planologische begrippen die bedacht zijn en een eigen leven zijn gaan leiden. De Wet R.O., de MER, het streekplan, het bestemmingsplan en wat dies meer zij. We zijn er in gaan geloven. Maar de successen van de ruimtelijke ordening zijn wisselvallig. Het Groene Hart kan, dankzij de ruimtelijke ordening, nog als open ruimte worden beschouwd. Toch is er de laatste jaren bijna nergens zoveel gebouwd als daar. Op veel andere plaatsen hebben stad en land zich juist met de ruggen naar elkaar toe ontwikkeld. De Waddenzee is, als onderdeel van de ecologische hoofdstructuur, vrijwel onaangetast gebleven. Maar ondertussen tasten de kokkelvissers de bodem voortdurend aan.
Nederland is, in de woorden van de landschapsarchitect Dirk Sijmons, lang een land van nut en noodzaak geweest. Op die manier werden de polders ingericht en werden de Deltawerken aangelegd: functioneel maar toch van een grote schoonheid. Maar het land van nut en noodzaak is intussen een gepasseerd station. Grote infrastructurele projecten zoals de Hogesnelheidslijn en de Betuwelijn, een steeds toenemende automobiliteit, steeds meer nieuwe Nederlanders, vooral in de grote steden, oude Nederlanders die de stad uittrekken en zich vestigen in nieuwe buitenwijken of ik de kleine kernen op het platteland, kantorenparken, bedrijventerreinen, dit alles vraagt en vreet ruimte. Door deze veranderingen, door de nieuwe wensen en nieuwe eisen van burgers en bedrijven, van mensen en markt, zijn de oude instrumenten van de ruimtelijke ordening niet meer voldoende om urgente ruimtelijke vraagstukken het hoofd te bieden. Vraagstukken als de steeds groeiende bevolkingsaanwas, de stijgende automobiliteit, de wens om nog zo'n 150.000 ha. aan nieuwe natuur te realiseren. En dan willen we ook nog een milieuvriendelijker landbouw, die om nog meer ruimte vraagt, zoeken we naarstig naar plekken om, als het echt nodig is, het overtollige water op te kunnen opvangen. De economie groeit sky high, waarvoor, naar men beweert, meer bedrijventerreinen en kantoren nodig zijn. En ondertussen willen we graag méér ruimte in en om ons huis. En we stellen steeds hogere eisen aan onze leefomgeving om er te kunnen wonen en te recreëren: méér groen, méér rust, méér ruimte.
En dat allemaal tegelijk. Maar Nederland is niet van elastiek. Integendeel: Nederland is een land met weliswaar heel rechte maar vooral heel korte einders.
Het is zaak om deze wensen en eisen, alle druk op onze ruimte, op een slimme manier op te vangen. Dat betekent dat we anders moeten omgaan met onze ruimtelijke ordening. Het huidige stelsel is teveel een top-down structuur, een trechter, die de maakbaarheid moet afdwingen.
Maar, hoe maakbaar is de ruimte? Minister Pronk, die als sociaal-democraat toch een onverdacht gelover in maakbaarheid is, neemt steeds meer afstand van de maakbaarheid vanuit Den Haag. Zo zei hij onlangs in de Eerste Kamer: "Ik voel ervoor om zelf niet al te veel te beslissen in Den Haag, maar veel aan anderen over te laten". Ik ben het zéér met hem eens en wil hem nog wel een eindje verder op weg helpen.
Ik wil twee dingen combineren die elkaar op het eerste gezicht lijken uit te sluiten. Ik wil ruimte voor het individu, voor private initiatieven, voor betrokkenheid van gebruikers en bewoners. Maar ik wil ook dat er zoveel mogelijk open ruimten, stukken en stukjes niet-volgebouwde omgeving, behouden blijven. Met andere woorden: ik wil een ruimtelijke politiek die deze twee uitgangspunten niet uitsluit maar verbindt.
Ruimtelijke dilemma's dienen zich voornamelijk aan op lokaal en regionaal niveau. Dus moet de rijksoverheid bewust ruimte laten voor lokale en regionale initiatieven.
De overheid is niet meer vooral de bepaler, maar steeds meer de initiator van samenwerking, de coördinator van integrale bouwopgaven, de bewaker en beschermer van collectieve waarden. Niet met restrictief beleid, maar met overtuiging en gezag en als het niet anders kan, met geboden en verboden. Bijvoorbeeld een verbod als het gaat om gebieden die zo waardevol zijn dat er echt niets meer bijgebouwd mag worden. Gebieden waar we misschien zelfs hier en daar weer eens wat af moeten breken. Denk aan de Veluwe, de Biesbosch, grote delen van het Rivierengebied. Of een gebod, een verplichting om weer andere gebieden beter te benutten De geschetste ruimtelijke vraagstukken komen vooral samen in en rond de grote steden. En ook al het geld om die vraagstukken het hoofd te kunnen bieden. Of het nu gaat om opbrengsten uit rekeningrijden, om grondopbrengsten, om eigen middelen of om middelen van de Europese Unie of de rijksoverheid: in en rond de steden komt dat geld bij elkaar. Met dit geld kan gesaneerd, geherstructureerd en nieuw gebouwd worden.
Het gaat dan ook om groen in en om de stad. Het Rijk (LNV en VROM) investeert daar 100 miljoen gulden in grootschalige groenprojecten in de stad in het kader van Stedelijke Vernieuwing (ISV). Door deze investering wordt een veelvoud aan investeringen van andere partijen uitgelokt. Voor het groen om de stad ligt er een soortgelijke opgave. Aan de dertig steden die geheel of gedeeltelijk meedraaien in het grotestedenbeleid is gevraagd om deze opgave verder uit te werken in ruimtelijke en in financieel-instrumentele zin. Daarnaast zet het Rijk voor dit doel jaarlijks 50 miljoen gulden aan Landinrichtingsmiddelen in. Ik zou het een goed idee vinden als de G30 meer invloed op de met deze middelen te realiseren projecten zouden hebben. Ik ga daarover praten met collega Faber van LNV.
Maar natuurlijk kunnen ook terreinenbeheersende organisaties als de Vereniging Natuurmonumenten zich niet onbetuigd laten als het gaat om het groen in de verstedelijkte gebieden. De 10 miljoen die Natuurmonumenten daarvoor nu inzet, is gezien de opgave, wat beperkt.
In de praktijk blijkt dat het lokaal bestuur als geen ander in staat is om publieke opgaven te koppelen aan private initiatieven. Terwijl het rijk moeizaam praat over publiek-private samenwerking, is het lokaal bestuur daar al volop mee bezig!
De werking van private initiatieven (en het geld dat daarmee samenhangt) moet anders en beter benut moet worden. Onder andere door betere procesvoorwaarden, duidelijkheid over de condities waaraan plannen moeten voldoen, voordat ze ter uitvoering mogen worden gebracht. Bijvoorbeeld de conditie dat er sprake moet zijn van partnerschap tussen bedrijfsleven, burgers, maatschappelijke instellingen en de overheid; dat er duidelijkheid moet zijn over de verhouding rood (steen) en groen; dat er sprake moet zijn van een samenhangend geheel van voorzieningen voor wonen, werken en recreëren.
De overheid bepaalt dus niet de ruimtelijke ordening van ons land door ieder paar jaar de kaart van Nederland rood, groen of misschien paars, in te kleuren, maar door ruimtelijke processen te regisseren en partijen met elkaar te laten onderhandelen. Niet door alleen stenen te stapelen, maar door oog te houden voor integrale ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke diversiteit. Diversiteit die niet alleen hoeft te bestaan tussen de stad en het platteland. Dit onderscheid is juist steeds meer aan het vervagen. Complete steden en een vitaal platteland sluiten elkaar niet uit. Het gaat steeds meer om een gemeenschappelijke inrichtingsopgave die woongebieden, groenstructuren en waterstructuren met elkaar weet te verstrengelen. Stedelijke bouwopgaven zijn niet per definitie groen-vrij. Groen heeft juist een belangrijke plaats in en om de stad. Als publiek domein, ontmoetingsplaats, recreatieruimte. Kijk maar naar het Zuiderpark in Den Haag en het Amsterdamse Bos.
Natuur en stad staan tenslotte helemaal niet zo ver van elkaar af. Daarom stel ik voor om in de meest verstedelijkte delen van Nederland, een stedelijke strategie te hanteren voor het landelijk gebied. Met andere woorden: de natuur weer terugbrengen in de stad en toegankelijk maken. Meer water, meer natuur en meer recreatiemogelijkheden voor de bewoners van de steden. Investeringen in de stedelijke kwaliteit en biodiversiteit gaan dan hand in hand. Dit is naar mijn mening een mooie opgave voor de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening.
Om geen kansen te laten lopen moet de systematiek van de ruimtelijke ordening gemoderniseerd worden. Niet door een Vijfde nota ruimtelijke ordening met gedetailleerde kaarten, maar met een programma van eisen. Eisen in termen van het aantal te realiseren woningen, bedrijvenlocaties en groengebieden. De steden en de regios vullen dat programma gezamenlijk in, in samenwerking met private initiatiefnemers, zoals Natuurmonumenten, met bedrijven en burgers. Want geld, wie het heeft, waar het vandaan moet komen moet een veel nadrukkelijker rol spelen in de plannenmakerij. Nu lijken ruimtelijke ordening en de financiering daarvan twee gescheiden werelden. Werelden die juist nadrukkelijk met elkaar verbonden moeten worden om een realistischer greep te krijgen op de ruimtelijke inrichting van ons land. Dat geldt zeker voor de grote steden en hun randgemeenten: zij moeten een financieel belang krijgen om samen te werken.
Maar, vraagt u zich nu af, zeker gezien het thema van deze bijeenkomst: als de verschillen tussen stad en rand vervagen, is dat dan geen bedreiging voor de verscheidenheid van ons landschap? Zeker niet, want verscheidenheid wordt naar mijn mening niet alleen bepaald door scherpe grenzen, door een rigoureuze afbakening tussen stedelijke en landelijke, economische en ecologische functies. Groen in de stad en wonen in het groen (al bedoel ik dan zeker niet in alle groen!) maakt Nederland juist interessanter, gekleurder, diverser. Verscheidenheid op de vierkante kilometer!
Bijvoorbeeld in de nieuwe VINEX-wijken. Alles lijkt daar op elkaar: rijen huizen met een tuintje voor en een tuintje achter, met een garage of parkeerplaats voor de deur, een verdwaald en verwaaid winkelcentrumpje, drie wipkippen en weinig tot geen lokale bedrijvigheid.
Dat moet en kan anders. Door wijken en woningen te bouwen waarin wonen, werken, recreatie en zorgtaken gecombineerd kunnen worden. Die functies zijn lange tijd uit elkaar gegroeid. De valsheid in de discussie over de ruimtedruk is alsof alle afzonderlijke functies bij elkaar opgeteld moeten worden. Terwijl we weten dat dít onzin is. Infrastructuur kan in het landschap ingepast worden. Om te beginnen in het Groene Hart. In de Randstad groeien we steeds meer toe naar een netwerk van steden, de bedenkers van de Deltametropool-gedachte hebben dat goed begrepen. Zeker wanneer je kijkt naar de concurrentiepositie van de Randstad in Europees en mondiaal perspectief.
In de verpauperde delen selectief verstedelijken met voldoende aandacht voor groene kwaliteit, zodat natuur, wonen en recreëren daarvan profiteren. Met andere woorden: wat mooi is moet intact blijven, wat minder mooi is moet beter worden. Dit soort oplossingen zijn allang geen taboe meer voor uw vereniging. Zowel voor het Groene Hart als voor de RijnSchelde Delta bent u, samen met andere groene organisaties, met constructieve voorstellen gekomen om rood en groen te mengen. Laten we onze dogma's (voor zover we die nog hebben) inruilen tegen samenwerking. Samenwerking die zich ook moet uitstrekken tot huidige en toekomstige bewoners en gebruikers. Ook zij moeten een stem hebben in het ontwerp van huizen en wijken, voorzieningen en infrastructuur. Een goed voorbeeld van hoe het ook kan is het AIR-Zuidwaarts-project in de Hoeksche Waard.
Want de inrichting van ons land mag niet alleen bepaald worden door techniek, markt en bestuur, maar moet gezien moet worden als een maatschappelijke opgave, een cultureel en politiek fenomeen. Ik heb begrepen dat dat ook het leidende thema is van de nieuwe Architectuurnota: Ontwerpen aan Nederland. Een ontwerpopgave met als uitgangspunt de schoonheid van ons land, de kwaliteit van onze leefomgeving. Een ontwerpopgave waar de Vereniging Natuurmonumenten al sinds jaar en dag een belangrijke bijdrage aan levert. Ik ben niet voor niets al zon twintig jaar lid. Want uw - onze - Vereniging weet steeds weer op een bijzondere manier mensen bij de natuur, bij hun leefomgeving, te betrekken. Niet alleen door als natuurbeheerder en landschapsbeschermer iedereen de mogelijkheid te geven om van natuur en land te genieten, maar ook door mee te denken en mee te praten over de plaats van natuur en landschap als het gaat om noodzakelijke en gewenste veranderingen, om de kwaliteit van onze leefomgeving. Want, met dank aan Natuurmonumenten is natuur zeker meer dan J.C. Bloem ooit verzuchtte op zijn zolderkamer in de Dapperstraat. "En dan, wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen."

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie