Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoorden vragen rapport verantwoording bij rechtspersonen

Datum nieuwsfeit: 20-04-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: Beantwoording vragen Rekenkamerrapport Verantwoording bij


de Voorzitter van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 1A

2513 AA Den Haag

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

28 maart 2000

DAR 2000-00178 U

20 april 2000

Onderwerp

Beantwoording vragen van de commissie voor de Rijksuitgaven e.a. over het rapport Verantwoording bij rechtspersonen met een wettelijke taak

Op 28 maart 2000 zond de griffier van de commissie voor de Rijksuitgaven, mede namens de vaste commissies voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Financiën aan mijn collega van BZK en mij een aantal schriftelijke vragen over het rapport van de Algemene Rekenkamer over Verantwoording en toezicht bij rechtspersonen met een wettelijke taak.
Mede namens mijn collega van BZK stuur ik u hierbij de antwoorden op deze vragen.

DE MINISTER VAN FINANCIËN,
Beantwoording schriftelijke vragen aan de regering over het rapport van de Algemene Rekenkamer inzake Verantwoording en Toezicht bij rechtspersonen met een wettelijke taak (kamerstuk 26 982, nrs. 1-2)

1.

Hoe denkt de regering over het standpunt van de Algemene Rekenkamer dat de minister zich ook over de uitvoering van wettelijke taken door organisaties buiten de rijksoverheid tegenover de Staten-Generaal moet kunnen verantwoorden? (blz. 8)

Antwoord

Het kabinet heeft ten aanzien van de verantwoording over de rechtmatige en doelmatige inning en besteding van publieke middelen een visie die in het verlengde ligt van de uitgangspunten van de Rekenkamer. De opvattingen van de Rekenkamer en het kabinet lopen echter uiteen wanneer die uitgangspunten door de Rekenkamer worden doorgetrokken tot gelijkluidende eisen voor alle betrokken instellingen en voor alle ministers. Ook de Rekenkamer heeft geconstateerd dat er een grote diversiteit bestaat aan organisaties en een grote diversiteit in de inrichting van de verhoudingen tussen deze organisaties en de ministeries. De bestaande verschillen in rechtspersoonlijkheid, in de aard en omvang van de wettelijke taak en eventuele andere taken van de betrokken rechtspersoon en in de bekostigingswijze (rijksbijdrage, premiegefinancierd, tariefgefinancierd of anderszins) geven het kabinet aanleiding terughoudendheid te betrachten over het streven naar vergaande standaardisatie.

Lopende acties van het kabinet

In vervolg op het grote onderzoek van de Rekenkamer uit 19951 zijn in de afgelopen jaren rijksbrede acties in gang gezet. Het primaat van de politiek staat daarbij voorop; de politiek-bestuurlijke aansturing van ZBOs is waar nodig nader geïnstrumenteerd. Meer algemene acties in dit verband zijn het tot stand brengen van Aanwijzingen inzake zelfstandige bestuursorganen (Aanwijzing voor de regelgeving 124a tot en met 124z, Staatscourant 1996, no 177) en de binnenkort te verwachten ontwerp-Kaderwet ZBO. De toezichtsfunctie heeft grote aandacht gekregen in de commissie Holtslag; in vervolg daarop werkt de Ambtelijke Commissie Toezicht momenteel aan een advies voor toezichtskaders.

Verantwoording door de minister

Organisaties buiten de rijksoverheid hebben een eigen verplichting tot het afleggen van verantwoording. Het kabinet onderscheidt deze verantwoording van de rechtspersoon van die van de minister in zijn relatie met die rechtspersoon. Daarbij moet onder ogen worden gezien dat de ministeriële verantwoordelijkheid en zijn bevoegdheden bij elke organisatie buiten de rijksoverheid anders kunnen liggen en de relatie tussen minister en ZBO een grote diversiteit vertoont.

In vervolg op de totstandkoming van de Aanwijzingen en de doorlichting van bestaande ZBOs zijn waar nodig van geval tot geval aanvullende voorzieningen getroffen voor een algemeen inlichtingenrecht en voor het overleggen van financiële stukken en een verslag van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkzaamheden en werkwijze in het bijzonder. De inrichting van de sturings- en toezichtsarrangementen tussen de minister en de ZBO is maatwerk en is in eerste instantie een taak van de eerstverantwoordelijke minister. Op verzoek van de Kamer (motie van het lid Kamp c.s.)2 is omtrent de verantwoording door de minister gevraagd om te rapporteren over de wijze waarop hij zijn bevoegdheden met betrekking tot zelfstandige bestuursorganen heeft uitgeoefend. Het afleggen van verantwoording over de uitvoering van de wettelijke taak door RWT-en blijft een verantwoordelijkheid van de RWT zelf.

De aandacht die in het rapport van de Rekenkamer wordt gegeven aan het financieel beheer komt overeen met het belang dat wordt gehecht aan doelmatigheid en doeltreffendheid. Het inzicht in de ordelijkheid en controleerbaarheid van het financieel beheer is een voorwaarde om de verantwoordelijkheid voor een doelmatige en doeltreffende uitvoering door de organisatie te kunnen bewaken; soms worden daarvoor ook de begrippen efficiency en effectiviteit gehanteerd.


2.

Waarom verantwoorden de instellingen in de wettelijke ziektekostenverzekeringensector zich nog niet over de rechtmatigheid? Wat betekent de toezegging dat er voorzien wordt dat dit vanaf 2001 wel gaat gebeuren? (blz. 9)

en 3.

Waarom vormt de minister zich geen oordeel over de rechtmatigheid van financieel beheer bij premie- en tariefgefinancierde rechtspersonen met een wettelijke taak? (blz. 9)

Antwoord

De verdeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden binnen een bepaald beleidsterrein zijn een belangrijk referentiekader voor de structurering van toezicht en verantwoording.

Of de oordeelsvorming over rechtmatigheid en het verschaffen van inzicht in de ordelijkheid en controleerbaarheid van het financieel beheer daarvan deel uitmaken, is steeds afhankelijk van de relatie tussen de minister en de instelling die in het daarvoor ingerichte sturings- en toezichtsarrangement is bepaald. Op specifieke beleidsterreinen kan dit betekenen dat de minister zich terughoudend opstelt ten aanzien van het financieel beheer.

Het toezicht met betrekking tot de wettelijke
ziektekostenverzekeringensector wordt thans uitgevoerd door de Commissie Toezicht Uitvoeringsorganen; er wordt op onderdelen onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid.

In de huidige wet maakt het aspect rechtmatigheid geen onderdeel uit van de accountantsverklaring. In de recent aan de Kamer aangeboden wetgeving3 is daar wel in voorzien. Hierop is de verwachting gebaseerd dat vanaf 2001 een verantwoording over de rechtmatigheid zal plaatsvinden.


4.

Hoe komt het dat de verantwoordingen die worden afgelegd door met rijksbijdragen gefinancierde instellingen over de ordelijkheid en controleerbaarheid niet altijd duidelijk zijn? Waarom verantwoordt slechts een klein deel van deze groep zich? (blz. 9)

Antwoord

De tekortkomingen die de Rekenkamer in het inzicht in het financieel beheer signaleert moeten deels worden toegeschreven aan de onduidelijkheid of het ontbreken van voorzieningen daarvoor in de specifieke wet- en regelgeving. Deze constateringen kunnen aanleiding geven tot herbezinning en waar nodig aanpassing van de regelgeving. Ook voor organisaties die met rijksbijdragen worden gefinancierd kan er echter sprake zijn van sturings- en toezichtsarrangementen, die qua diepgang in de bemoeienis van de minister kunnen variëren en de nodige terughoudendheid over het financieel beheer met zich meebrengen.


5.

Hoe is het te verklaren dat er ministeries zijn waar nog toezichtvisies moeten worden ontwikkeld, terwijl andere ministeries daar wel aan hebben gedacht? (blz. 9)

Antwoord

Het rapport van de Rekenkamer stelt vast dat er voor belangrijke sectoren toezichtsvisies zijn ontwikkeld, maar dat er ministeries zijn waar dat nog gebeuren moet. Uit de gegevens op bladzijde 24 en 25 van het rapport blijkt dat de ministeries van OCW, SZW en VWS een integrale toezichtsvisie hebben. Bij de ministeries van V&W en VROM is hiernaar door de Rekenkamer geen onderzoek gedaan.

Evenals de Rekenkamer acht het kabinet de ontwikkeling van toezichtvisies van belang. Enkele ministeries zijn daarin voorop gegaan. Dat is onder meer te verklaren uit het grote beslag op de collectieve middelen van de betrokken sectoren en uit concrete aanleidingen als een parlementaire enquête naar het toezicht op de sociale verzekeringen. Het ontwikkelen van een visie op de bestuurlijke verhoudingen in een bepaalde sector en de vertaling van een bestuurlijke visie naar het toezicht is een van de aandachtspunten geweest in het kabinetsstandpunt naar aanleiding van het rapport Holtslag (zie het antwoord op vraag 13).

In vervolg op het rapport Holtslag heeft de minister van BZK in september 1999 de Ambtelijke Commissie Toezicht ingesteld. Deze commissie, onder voorzitterschap van de secretaris-generaal van Justitie de heer Borghouts, heeft inmiddels een aantal zelfanalyses die door de ministeries zijn uitgevoerd aan een beoordeling onderworpen. Vervolgens zal de commissie adviseren over de formulering van kaders ten aanzien van toezichtsvraagstukken. Het eindadvies van de commissie wordt in het najaar 2000 verwacht.


6.

Het oordeel van de minister wordt als een zwakke schakel in de keten beschouwd. Hoe kan de betrokken minister voldoende worden geïnformeerd om een deskundig oordeel te vormen? (blz. 9-10)

Antwoord

De Rekenkamer onderscheidt bij een gesloten toezichtsketen de toezichtsvisie van een minister, de daarvoor benodigde informatie en de oordeelsvorming van de minister daarover. Deze elementen staan niet los van elkaar: om doeltreffend te zijn moeten ze goed op elkaar aansluiten en moeten ze op elkaar zijn afgestemd.

De vraag hoe voldoende informatie kan worden verkregen is dan ook allereerst de vraag wélke informatie nodig is voor de oordeelsvorming. Uitsluitsel hierover kan alleen worden verkregen als er duidelijkheid bestaat over het doel van de wet, over de wijze waarop dat doel wordt nagestreefd, over de bevoegdheden van de minister en over de verantwoordelijkheidsverdeling. Op basis van deze uitgangspunten dient het sturings- en toezichtsarrangement tussen de minister en zijn RWT op maat te zijn gesneden. Hierin moet de informatiebehoefte duidelijk worden vastgelegd.


7.

De Algemene Rekenkamer stelt dat het aanbeveling verdient dat de rechtspersonen zich breder verantwoorden dan zij nu doen. Hoe ziet de regering deze verantwoording en hoe verhoudt deze verantwoordelijkheid zich ten opzichte van de onafhankelijkheid die de meeste rechtspersonen met een wettelijke taak hebben ten opzichte van een ministerie? (blz. 10)

en 10.

Het kabinet pleit voor eigen verantwoordelijkheid voor de taakuitoefening, departementale verantwoording over geleverde prestaties, controleprotocollen, reviews en toezichtsarrangementen. Het ondersteunt het pleidooi van de Algemene Rekenkamer voor het ontwikkelen van departementale visies per beleidsterrein of clusters van beleidsterreinen. Wat voor invloed zullen al die maatregelen hebben op de zelfstandigheid en onafhankelijkheid van rechtspersonen met een publieke taak? (blz. 11)

Antwoord

Ook het kabinet heeft de opvatting dat de RWT-en zich breed moeten verantwoorden, zowel wat betreft voor organisaties die worden bekostigd uit rijksbijdragen als ook die op andere wijze uit publiek geld worden gefinancierd. Voor wat betreft de eisen die de minister aan een rechtspersoon stelt, is dat afhankelijk van de toezichtsvisie en de inrichting van het toezichtsarrangement.

Transparantie

In lijn met de ontwikkelingen die de ministeries hebben ingezet met de implementatie van de nota Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording brengt de eis van transparantie met zich mee dat de informatievoorziening door de RWT-en op de oordeelsvorming door minister en parlement wordt toegesneden. De ministeriële verantwoordelijkheid staat voorop bij de bepaling van de reikwijdte van de verantwoording van RWT-en. Daarmee wordt de informatiebehoefte bepaald ten behoeve van het toezicht dat op de uitvoering van de wettelijke taak moet worden uitgeoefend en welke informatie de verantwoording moet bevatten.

Onder invloed van de maatschappelijke ontwikkelingen zijn in de afgelopen jaren nieuwe opvattingen tot stand gekomen over besturen en maatschappelijke verantwoordelijkheid. De aanbevelingen van de commissie Peters over Corporate Governance hebben hieraan vorm gegeven: ondernemingen nemen integriteit en transparantie tot richtsnoer en passen hun verantwoording en verslaggeving er op aan. De primaire verantwoordelijkheid van het bestuur voor effectieve beheersingssystemen komt daarbij tot uitdrukking in de rapportage daarover aan de toezichtshouder en een beoordeling daarvan door de accountant. De commissie Peters heeft geconstateerd dat ook ZBOs hier belang in stellen.

Zelfstandigheid en onafhankelijkheid

Het spreekt vanzelf dat verantwoording wordt afgelegd en dat toezicht wordt ondergaan. Daarmee wordt de onafhankelijkheid van organisaties niet ter discussie gesteld: niet bij publiekrechtelijke en niet bij privaatrechtelijke rechtspersonen. Het stellen van bepaalde eisen aan toezicht, controle en verantwoording afleggen betekent evenmin dat daarmee wordt getornd aan zelfstandigheid en onafhankelijkheid.


8.

Wanneer zal de Kaderwet ZBO's de Tweede Kamer bereiken? (blz. 10)

Antwoord:

Het advies van de Raad van State op de ontwerp-Kaderwet ZBOs is eind maart aan de regering uitgebracht. De regering streeft ernaar dat het wetsvoorstel kort voor het zomerreces aan het parlement kan worden aangeboden.


9.

Welke aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer zullen worden opgenomen in de Kaderwet ZBO's ? (blz. 10/11)

Antwoord

De Rekenkamer heeft in haar onderzoek naar ministeriële verantwoordelijkheid en zelfstandige bestuursorganen uit 19944 aanbevelingen van grotendeels dezelfde strekking gedaan als zij thans doet met betrekking tot RWT-en. Met inachtneming van de behoefte aan maatwerk in het toezicht streeft de regering ernaar dat de Kaderwet in combinatie met de herziene Aanwijzingen tegemoet kan komen aan de aanbevelingen van de Rekenkamer.

11.

Vindt u dat de nota 'Van beleidsbegroting naar beleidsverantwoording' zou moeten worden vertaald naar rechtspersonen met een wettelijke taak? Zo ja, hoe bent u van plan dit vorm te gaan geven ? (blz. 12)

Antwoord

Bij de nota Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording (VBTB)5 staan de volgende vragen centraal: Wat willen we bereiken, wat gaan we daar voor doen en wat mag dat kosten? voor de begroting en Hebben we bereikt wat we hebben beoogd, hebben we gedaan wat we daarvoor zouden doen en heeft het gekost wat we dachten dat het zou kosten? voor de verantwoording. Het gaat derhalve om een expliciete koppeling tussen beleid, prestaties en middelen.

De instellingen op afstand van het Rijk (zelfstandig bestuursorgaan, rechtspersoon met een wettelijke taak) die een specifieke taak hebben in een bepaald beleidsveld, worden in de beleidsbegroting onder de programma-uitgaven opgenomen als beleidsinstrumenten in de vorm van de rijksbijdrage aan die instellingen. Ten aanzien van die beleidsinstrumenten gelden dezelfde vragen die voor alle beleidsinstrumenten worden gesteld. De in de verschillende departementale beleidsbegrotingen en beleidsverantwoordingen op te nemen informatie moet inzicht bieden in de nagestreefde effecten van beleid, de kosten en kwaliteit van de door de instelling ten behoeve van de overheid te leveren producten en/of diensten en de volume- en prijsgegevens van de (programma)uitgaven.

Zoals in de regeringsnota VBTB is aangegeven zal in het geval van bijzonderheden over de sturing van en het toezicht op het functioneren van een instelling op afstand van het Rijk hiervan melding worden gemaakt in de bedrijfsvoeringsparagraaf. Daarbij wordt tevens aangegeven welke acties daaromtrent door het ministerie zullen worden ontplooid.

12.

Wat is de reactie van het kabinet op de vraag die de Algemene Rekenkamer stelt: of het toezicht op het beheer van het publieke geld moet leiden tot oordelen over de rechtmatigheid van inning en besteding en inzicht in ordelijkheid en controleerbaarheid van het financieel beheer op het niveau van sector, taak of wet? Wanneer moet dit oordeel of inzicht gevormd worden op het niveau van de instelling? (blz. 12)

Antwoord

Het kabinet spreekt zich uit voor toezichtsarrangementen die per sector of beleidsterrein kunnen verschillen. Dit impliceert een toezichtsvisie op het niveau van sector of beleidsterrein. Alleen wanneer er slechts één instelling actief is op een beleidsterrein zal dat oordeel zich richten op het niveau van de instelling.

13.

Het kabinet en Algemene Rekenkamer staan tegenover elkaar als het gaat om uniformering in het toezicht. Wat zijn de argumenten van beide zijden om geen respectievelijk wel uniformiteit te bepleiten? (blz. 12)

en 18.

De toezichthoudende afdeling vormt zich doorgaans geen gestructureerd oordeel over deze bevindingen; vaak zijn er geen beoordelingscriteria. Als het oordeel vaak de zwakke schakel in de keten is, zoals op blz. 9-10 wordt gesteld, waarom worden er dan geen criteria opgesteld die kunnen worden getoetst dan wel gebruikt om te zoeken naar fundamenten voor een oordeel? (blz. 21)

Antwoord

Het kabinet heeft in het regeerakkoord afgesproken te komen tot een kaderstellende visie ten aanzien van toezicht op overheidstaken die op enige afstand of door de markt worden uitgevoerd. Het kabinet steunt bij haar opvatting op de bevindingen van het rapport Holtslag De ministeriële verantwoordelijkheid ondersteund6. Leidend motief van dit rapport en van de kabinetsreactie is dat er van geval tot geval wordt bezien welke instrumenten van sturing en verantwoording noodzakelijk zijn. Het gekozen instrumentarium moet passen binnen de algemene sturingsfilosofie op het betreffende terrein, waarbij het toezicht moet zijn afgestemd op de ministeriële verantwoordelijkheid. Per departement en beleidsterrein zal dan de visie op toezicht verschillend kunnen zijn, omdat de ministeriële verantwoordelijkheid per onderwerp anders kan zijn ingevuld. Een dergelijke differentiatie in toezicht en bestuur impliceert dat een (verdere) uniformering niet in de rede ligt.

Het kabinet meent overigens ook bij de Rekenkamer steun voor deze visie te vinden in de aanbeveling die aan de ministers is gedaan (blz. 10 van het rapport). Ministers zullen in relatie tot de omvang van hun verantwoordelijkheid per sector moeten uitmaken hoe diepgaand hun inzicht in de ordelijkheid en controleerbaarheid en ook de doelmatigheid van het financieel beheer of de bedrijfsvoering moet zijn. Afhankelijk daarvan vragen ze informatie en richten ze hun toezichtsarrangement in.

14.

Kunt u aangeven welke rechtspersonen met een wettelijke taak, zoals in dit rapport genoemd, buiten de Kaderwet ZBO's zullen vallen ? (blz. 13)

Antwoord

De Rekenkamer geeft zelf al aan dat de kring van rechtspersonen met een wettelijke taak een andere is dan die van de zelfstandige bestuursorganen volgens de nu gangbare definitie (zie Aanwijzingen voor de regelgeving 124a). Enerzijds spelen de zelfstandige bestuursorganen die deel uitmaken van de rechtspersoon Staat der Nederlanden in de kring van de rechtspersonen met een wettelijke taak geen afzonderlijke rol; anderzijds rekent de Algemene Rekenkamer tot de rechtspersonen met een wettelijke taak ook instanties die tot de sfeer van de medeoverheden worden gerekend en privaatrechtelijke organisaties die geen openbaar gezag uitoefenen. Deze beide categorieën vallen daarmee buiten de evenbedoelde gangbare definitie van zelfstandige bestuursorganen. De exacte reikwijdte van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is op dit moment nog onderwerp van intern beraad binnen de regering en kan eerst beantwoord worden aan de hand van de besluitvorming rond het later dit jaar bij het parlement in te dienen wetsvoorstel.

15.

Welke maatregelen bent u van plan ten aanzien van de rechtspersonen die buiten de Kaderwet ZBOs zullen vallen voor te stellen ? (blz. 13)

Antwoord

In het rapport van de Algemene Rekenkamer treft u op bladzijde 12 een korte samenvatting aan van de reactie van de ministers van Financiën en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties weergegeven. De totstandkoming van een Kaderwet op de zelfstandige bestuursorganen is één van de daar genoemde voornemens. Van de nadere besluitvorming over de inhoud van het wetsvoorstel is mede afhankelijk in welke mate de categorieën rechtspersonen met een wettelijke taak en zelfstandige bestuursorganen elkaar zullen overlappen. Het begrip rechtspersonen met een wettelijke taak is gelieerd aan organisaties waar de Rekenkamer onderzoeksbevoegdheden heeft; in bijlage 3 van het rapport wordt hieraan door de Rekenkamer een nadere beschouwing gewijd. Uit tabel 4 blijkt dat het gaat om 3.873 rechtspersonen bij twaalf ministeries. De grote variëteit aan rechtspersonen maakt het niet mogelijk in het algemeen uitspraken te doen over de verhouding tussen de betrokken ministeries en de daarmee verbonden instellingen, voorzover zij niet zullen vallen onder het toekomstige algemene regime van de Kaderwet ZBOs. Het kabinet gaat ervan uit dat de betrokken ministeries in de (soms nog te ontwikkelen) departementale toezichtsvisies aan alle categorieën van rechtspersonen met een wettelijke taak aandacht zullen geven. Daarbij kan overigens ook de keuze worden gemaakt om de nodige afstand tot de betrokken organisaties te bewaren.

16.

De Algemene Rekenkamer constateert een gebrek aan concrete toezeggingen en mist samenhang en einddoel. Ook is er onduidelijkheid over het feit of de voornemens alle rechtspersonen betreffen. Kan het kabinet hier uitsluitsel over geven? Kan het kabinet tevens aangeven op welke termijn welke stappen zullen worden genomen? (blz. 13)

Antwoord

Het kabinet is van mening dat samenhang en einddoel in de lopende acties wel degelijk aanwezig zijn. Met de vernieuwing in de begroting en de verantwoording van het kabinet met de nota VBTB is een proces ingezet dat meer helderheid zal geven over de inspanningen en prestaties van de rijksoverheid. De organisaties die wettelijke taken uitvoeren buiten de rijksoverheid blijven daarbij niet buiten beeld. Toezicht en verantwoording kunnen niet los van elkaar worden beoordeeld en aangepakt; dit is maatwerk. Diverse ministeries hebben recent toezichtsvisies ontwikkeld of werken momenteel aan de herijking van de toezichtsarrangementen met hun RWT-en. Dit gebeurt mede in het licht van de activiteiten van de eerdergenoemde Ambtelijke Commissie Toezicht.

In het antwoord op vraag 22 worden de conclusies en aanbevelingen en de lopende ontwikkelingen verder samengevat.

17.

Het cirkeldiagram op bladzijde 20 laat zien dat er voor 38% van het totale bedrag geen verantwoording over de rechtmatigheid is. Wat is hiervoor de verklaring? (blz. 20)

en 19.

Waarom vormt de minister zich in het geheel geen oordeel over de rechtmatigheid van bestedingen door de keuringsinstellingen van LNV, de energiedistributiebedrijven en de Waarborg Platina, Goud en Zilver? (blz. 22)

Antwoord

Het rechtmatigheidsoordeel ontbreekt in de verantwoording van tariefgefinancierde instellingen en thans nog in de verantwoording van de wettelijke ziektekostenverzekeringssector die uit premies wordt gefinancierd. Hierop is reeds ingegaan bij het antwoord op vraag 2 en
3.

Voor de tariefgefinancierde instellingen gaat het onder meer om de energiedistributiebedrijven en Waarborg Platina, Goud en Zilver. Met de Rekenkamer wordt van mening verschild over de rubricering als RWT. In beide gevallen gaat het om privaatrechtelijke organisaties, waarvan de inning en besteding uit tarieven niet als publiek geld worden beschouwd. De betrokkenheid van de minister bij de vaststelling van de hoogte van de gehanteerde tarieven wordt in deze gevallen op zich niet voldoende geacht om daarmee verkregen middelen als publiek geld (bij of krachtens wet ingestelde heffingen) te bestempelen, en de bewuste organisaties daardoor aan te merken als RWT. De Rekenkamer is zich ervan bewust dat zij in haar onderzoek aan het begrip publiek geld een ruimere betekenis heeft gegeven dan gebruikelijk is en dat over het algemeen tarieven niet worden beschouwd als publiek geld.

De keuringsinstellingen van LNV zijn eveneens privaatrechtelijke instellingen, die (nagenoeg) volledig uit tarieven worden bekostigd. Momenteel wordt er door LNV gewerkt aan een herijking van de toezichtsarrangementen van (o.m.) deze keuringsinstellingen.

20.

Waarom is er slechts één benadering van het ideaal van toezicht bekend? Waarom is het toezicht op taakuitvoering gescheiden van financieel toezicht? Waarom tracht geen enkel ministerie volledig inzicht te krijgen in de ordelijkheid en controleerbaarheid van het financieel beheer van het publieke geld? (blz. 23)

Antwoord

Uit de conclusie van de Rekenkamer blijkt dat zij de uitoefening van het toezicht door één toezichthouder en de combinatie van de resultaten van het financieel toezicht en het toezicht op de taakuitoefening als ideaal aanmerkt. In één geval zag de Rekenkamer nagenoeg al deze voorwaarden vervuld.

De door de Rekenkamer als ideaal geschetste situatie stuit vaak op praktische problemen: het toezicht op de taakuitvoering en het financieel toezicht zijn nogal eens gescheiden vanwege de specifieke deskundigheden die voor deze toezichtsactiviteiten nodig zijn. Ook kan een scheiding verband houden met de specifieke organisatie of verantwoordelijkheidsverdeling, bij het ministerie of in de externe organisatie van toezicht of taakuitvoering. Voor het financieel toezicht wordt vaak op grond van de specifiek benodigde deskundigheid de directie FEZ ingezet, al dan niet ondersteund door de departementale accountantsdienst. Primair ligt de verantwoordelijkheid voor het toezicht bij de directie die het beleid heeft gemaakt. Op specifieke terreinen is een afzonderlijke directie met het toezicht belast.

De Rekenkamer concludeert dat geen enkel ministerie volledig inzicht tracht te krijgen in de ordelijkheid en controleerbaarheid van het financieel beheer. De overwegingen die verschillende ministeries daarvoor hebben aangevoerd zijn divers. Voor een deel spreken daaruit specifieke redenen, bijvoorbeeld omdat het toezicht nog in ontwikkeling is, worden prioriteiten gesteld omtrent bepaalde aspecten van financieel beheer of vindt beraad plaats over de noodzaak van een expliciet eindoordeel. Voor een ander deel vloeit dit voort uit specifieke toezichtsvisies: bemoeienis van de minister met het financieel beheer doet dan afbreuk aan de eigen verantwoordelijkheid van de zelfstandige organisatie. Als voorbeeld het ministerie van OCW: Binnen de toezichtsvisie van de minister van OCW is hij eindverantwoordelijkheid voor de doelmatigheid, rechtmatigheid, kwaliteit en continuïteit van het stelsel van onderwijsvoorzieningen. Hierin past het niet dat zijn bevoegdheden zich zouden moeten uitstrekken tot de bedrijfsvoering van individuele instellingen.

21.

Waarom is bij V&W en VROM geen onderzoek gedaan naar het ontwikkelen van een visie op toezicht op ZBOs en rechtspersonen met een wettelijke taak? (blz. 25)

Antwoord

Het gepubliceerde rapport is het eerste van een meerjarig onderzoeksprogramma. De Rekenkamer merkt op dat het onderzoek het karakter van een verkenning heeft en dat nog niet alle departementen volledig en met dezelfde diepgang in het onderzoek zijn betrokken. Aangekondigd is dat het onderzoek bij VROM en V&W in het komende jaar zal worden uitgevoerd.

22.

Wat doet het kabinet met de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer die op bladzijde 28 van het rapport worden gedaan? (blz. 28)

Antwoord

Bij de beantwoording van de vragen 7, 11 en 12 is op verschillende aanbevelingen ingegaan. De aanbeveling over een rijksbrede toezichtsvisie en over uitbreiding van de ontwerp-Kaderwet ZBOs heeft het kabinet in haar bestuurlijke reactie (bijlage 1 van het rapport) uitvoerig beargumenteerd en daarin aangegeven dat dit niet voor de hand ligt gezien de differentiatie in toezicht en bestuur, en dat de Kaderwet aan deze differentiatie recht probeert te doen.

De conclusies en aanbevelingen van de Rekenkamer en de lopende ontwikkelingen bij het Rijk kunnen als volgt worden samengebracht:
* Verantwoordelijkheden van de betrokken organisaties
Gegeven het feit dat RWT-en op afstand van de overheid zijn geplaatst is de uitvoering en verantwoording van de activiteiten van RWT-en primair een verantwoordelijkheid van die organisaties zelf. In het kader van good governance is er een ontwikkeling gaande in het bedrijfsleven en bij de overheid om gedrag en activiteiten tegenover de belanghebbenden in de maatschappij te verantwoorden en daarbij de gewenste transparantie te betrachten. Voor organisaties zoals de RWT-en die bekostigd worden met publiek geld, is deze transparantie ook nodig, waarbij verantwoording over rechtmatigheid en doelmatigheid belangrijke criteria zijn in de bedrijfsvoering. Het spreekt vanzelf dat de betrokken minister bij het ontwikkelen van zijn toezichtsvisie rekening houdt met de mate waarin de RWT-en zelf erin geslaagd zijn hieraan vorm te geven.


* Sturings- en toezichtsrelaties

Voor de verantwoordelijkheid van een minister voor een RWT is de besturingsfilosofie binnen een bepaald beleidsterrein cruciaal. Als onderdeel van de besturingsfilosofie kunnen taken en verantwoordelijkheden bewust op afstand zijn geplaatst, bijv. bij de scheiding van beleid en uitvoering. Dit betekent dat de verdeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden binnen een beleidsterrein, een belangrijk referentiekader is voor de structurering van toezicht en verantwoording. De diepgang van de ministeriële verantwoordelijkheid en de daarvan afgeleide toezichtsvisie is dan bepalend voor de in te richten toezichtarrangementen. De grote diversiteit in relaties in organisaties die buiten de overheid wettelijke taken uitvoeren brengt met zich mee dat de sturingsrelatie voor elk beleidsterrein of sector op maat moet worden ingericht. In dit verband is het naar de mening van het kabinet niet mogelijk om te streven naar een rijksbrede toezichtsvisie.
Het streven naar good governance -goed bestuur- houdt in dat alle betrokkenen zich -binnen hun verantwoordelijkheden- bewust dienen te zijn van de samenhang tussen de elementen waaruit governance bestaat: sturen, beheersen, daarop toezicht houden en verantwoorden.


* Verantwoording door ministers over RWT-en
Uiteindelijk gaat het om de vraag hoe ministers zich verantwoorden over de wijze waarop het aansturings- en toezichtsarrangement met betrekking tot RWT-en functioneert. Hiervoor kan worden aangesloten bij hetgeen in de regeringsnota VBTB reeds is opgenomen. Daarin staat vermeld dat het departementale jaarverslag inzicht biedt in de wijze waarop invulling is gegeven aan de realisering van de beleidsdoelstellingen door de RWT-en. In het geval van bijzonderheden met betrekking tot de aansturing en het toezicht op het functioneren van een zelfstandig bestuursorgaan wordt hiervan melding gemaakt in de bedrijfsvoeringsparagraaf. Daarbij wordt tevens aangegeven welke acties daaromtrent door het ministerie zullen worden ontplooid.


* Verantwoording over rechtmatigheid

De RWT-en die zich nog onvoldoende verantwoorden over de besteding/inning van publieke gelden zullen plannen van aanpak voor verbeteringstrajecten moeten ontwikkelen, zodat ministers zich in hun toezichtsfunctie een oordeel over de rechtmatigheid kunnen vormen. Dit is een verantwoordelijkheid van het kabinet en daardoor van elke minister voor de RWT-en die binnen zijn beleidsterrein werkzaam zijn. De belangrijkste witte vlekken zijn de sector wettelijke ziektekostenverzekeringen (voorzien wordt dat de rechtmatigheid vanaf 2001 wel zal worden verantwoord) en de tariefgefinancierde RWT-en.
Daar waar de verantwoording door RWT-en doorgaans geschiedt met behulp van een verklaring van de accountant, zal moeten worden gewaarborgd dat deze verklaring zich ook uitstrekt tot de rechtmatigheid. Voor de ministers die binnen hun beleidsterrein rechtspersonen hebben belast met wettelijke taken die op een andere wijze zijn gefinancierd is het in de meeste gevallen nodig in het toezicht extra aandacht te besteden aan de vraag of voldoende zekerheid kan worden verkregen over de rechtmatigheid van de besteding van financiële middelen voor de aan derden opgedragen wettelijke taken.


* Verantwoording over financieel beheer

Ook hier zijn verbeteringstrajecten noodzakelijk bij RWT-en. De eisen van ordelijkheid en controleerbaarheid zijn basiseisen waaraan het financieel beheer moet voldoen en een noodzakelijke voorwaarde voor goed bestuur en de eisen van transparantie die tegenwoordig aan voor het publiek werkzame organisaties worden gesteld. In deze te ontwikkelen sturings- en toezichtstrajecten zal ook oog moeten zijn voor adequate afspraken met betrekking tot verbetering van het financieel beheer van RWT-en, waaronder is begrepen een goede administratieve organisatie, scheiding publieke taken en private activiteiten, passende aandacht voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik.

Afhankelijk van de door de verschillende ministers op de diverse beleidsvelden geformuleerde toezichtsvisies kunnen ministers waar gewenst de eis stellen dat RWT-en zelf in de bedrijfsvoering uitgangspunten formuleren die de kwaliteit van het financieel beheer/bedrijfsvoering kunnen waarborgen. Deze uitgangspunten zullen er op gericht moeten zijn dat voor het beheer van publieke gelden gelijkwaardige uitgangspunten gelden als voor de rijksoverheid opdat daarmee de ordelijkheid en controleerbaarheid wordt gewaarborgd.

Verder zullen waar nodig maatwerk-afspraken en -regelingen worden gemaakt om voldoende zekerheid te verkrijgen dat aan de eisen van financieel beheer en bedrijfsvoering tegemoet wordt gekomen door RWT-en.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie