Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag overleg implementatie actieplan life sciences

Datum nieuwsfeit: 20-04-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Verslag algemeen overleg inzake implementatie actieplan life sciences
Gemaakt: 26-4-2000 tijd: 12:7


1


25518 Op innovatie gerichte clustervorming in de marktsector
nr. 21 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 20 april 2000

De vaste commissie voor Economische Zaken<1> heeft op 5 april 2000 overleg gevoerd met minister Jorritsma-Lebbink van Economische Zaken over de brief van 9 februari 2000 inzake implementatie actieplan Life sciences (25518, nr. 20).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Mevrouw Wagenaar (PvdA) noemde het een goede zaak dat het actieplan Life sciences nu concrete uitwerking krijgt. Zolang echter de integrale beleidsnota biotechnologie van het kabinet nog niet verschenen is en door de Kamer behandeld, ontbreekt het aan duidelijke randvoorwaarden. Zij wilde dan ook gewaarborgd zien dat projecten waarvoor in de tussentijd gelden worden uitgekeerd, niet in strijd zullen zijn met die randvoorwaarden, hetgeen betekent dat er nu geen onomkeerbare stappen dienen te worden gezet.

Jammer vond mevrouw Wagenaar het dat in de brief van de minister geen aandacht wordt besteed aan samenwerking met grote bedrijven, bijvoorbeeld in de vorm van matching funds of door starters gebruik te laten maken van onbenutte octrooien. Zij had bezwaar tegen de uitvoering door NWO van de regeling voor het zaaikapitaal, want zij zag NWO als weinig innovatief, opkomend voor gevestigde belangen en niet geneigd aanvragen van in deeltijd werkende vrouwelijke wetenschappers te honoreren. Het was haar indruk dat de verdeling van gelden onder NWO zal gaan via het conservatieve hooglerarenmodel en dat jonge onderzoekers niet genoeg stimulans zullen krijgen een eigen bedrijf te beginnen. Zij verzocht om betere waarborgen voor vrouwelijke starters en bepleitte dat startende bedrijven, naast begeleiding op technisch-wetenschappelijk gebied, ook aanspraak kunnen maken op bedrijfseconomische begeleiding.

Mevrouw Wagenaar bepleitte stimulering van octrooiaanvragen door starters. Zij kon zich voorstellen dat daartoe, eventueel op een breder terrein dan alleen biotechnologie, bij het bureau voor de industriële eigendom een startersdesk wordt ingesteld van waaruit er tevens samenwerking met de universiteiten kan zijn. Bij een volledig door een marktpartij te trekken start-upparticipatiefonds zou haars inziens het zicht op de besteding van de betreffende overheidsgelden kunnen worden versluierd. Wat dat betreft gaf zij de voorkeur aan een PPS-constructie, teneinde zowel zeggenschap, als vooral ook inzicht te behouden. Zij wees er voorts op dat geld niet de enige stimulans is voor innovatie. Zo wordt in de Verenigde Staten gedurende een aantal jaren marktexclusiviteit verleend aan bedrijven die geneesmiddelen ontwikkelen voor een beperkte patiëntengroep. Heeft de minister in dit verband nog aandacht gegeven aan het instrument van de prijsvraag, zoals toegepast in Duitsland?

Mevrouw Wagenaar verzocht om een jaarlijkse rapportage aan de Kamer over het voorgaande. Met inachtneming van hetgeen zij had opgemerkt over het vooralsnog ontbreken van randvoorwaarden, vond zij wel dat daar waar enthousiasme bestaat, mensen aan de slag moeten kunnen gaan. Zij benadrukte echter dat voorzover het daarbij gaat om twijfel oproepende zaken als genetische manipulatie, inzet van proefdieren en dergelijke, voorzichtigheid bij de honorering van aanvragen is geboden.

Mevrouw Voûte-Droste (VVD) had uitgezien naar de concretisering van de plannen om met name jonge starters in de biotechnologie te faciliëren. De biotechnologie kan een belangrijke bijdrage leveren aan bijvoorbeeld de voedselvoorziening, zij het dat daarbij voldaan moet worden aan randvoorwaarden op het punt van voedselveiligheid en volksgezondheid. Kan de minister in dit verband zeggen wanneer de integrale beleidsnota biotechnologie van het kabinet verschijnt? Deze kan betrokkenen -- starters, investeerders -- duidelijkheid verschaffen over wat wel en niet wordt toegestaan op het gebied van biotechnologie. Voorkomen moet worden dat er intussen rechtsonzekerheid ontstaat voor hen die bepaalde investeringen op dit gebied hebben gedaan. Deze duidelijkheid is ook een voorwaarde voor het welslagen van het actieplan. Daar tegenover staat dat er voor consumenten duidelijkheid dient te zijn over producten (etiketteringsvoorschriften, certificering). Voortschrijdend inzicht en geavanceerde meetapparatuur kunnen ertoe leiden dat eerst wel geaccepteerde zaken later schadelijk voor de volksgezondheid worden bevonden, maar juist dat inzicht maakt dat er uiterst zorgvuldig wordt gehandeld in Nederland, zo ten aanzien van genetisch gemodificeerd voedsel (een term waaraan zij de voorkeur gaf boven het negatief klinkende "genetisch gemanipuleerd voedsel").

In de voorgenomen samenstelling van het platform life sciences, waardoor een deskundige en gezaghebbende oordeelsvorming wordt gewaarborgd, kon mevrouw Voûte zich vinden. Zij onderkende dat het kunnen beschikken over hoogwaardige laboratoriumruimte een groot knelpunt vormt voor starters. Nagegaan dient te worden of een dergelijke faciliteit zich in het kader van de incubators laat realiseren, maar het zou ook kunnen zijn dat universiteiten de eigen laboratoriumruimte ter beschikking blijven stellen, eventueel als onderdeel van een incubator en met de daarbij behorende vergoeding voor de universiteit. Als wetenschappers die van universitaire laboratoriumruimte gebruik maken, vervolgens besluiten ondernemer te worden, kan dan voorzien worden in een daarop afgestemde regeling inzake het gebruik van faciliteiten? Is er al gereageerd op de oproep in de Staatscourant betreffende het indienen van incubatorvoorstellen?

In het belang van het welslagen van het actieplan achtte mevrouw Voûte het van belang dat meer in het algemeen wordt ingegaan op de vraag waar de knelpunten liggen die hebben geleid tot een achterstand van Nederland op het punt van octrooiaanvragen. Het platform heeft de mogelijkheid om nationaal en ook internationaal contacten te leggen en zo kennisuitwisseling te bewerkstelligen: kan de minister aangeven welke landen daarbij voor Nederlanden kansen bieden? Is bijvoorbeeld met Israël, waar veel knowhow aanwezig is, een internationale samenwerking mogelijk?

Mevrouw Van der Hoeven (CDA) memoreerde dat vorig jaar, bij de bespreking van het actieplan, een aantal voorwaarden zijn gesteld voor de implementatie ervan. Het kwam haar voor dat daar op een aantal punten niet aan wordt voldaan, nu ook de integrale beleidsnota biotechnologie van het kabinet nog niet is verschenen. In het kader van het congres over biotechnologie, georganiseerd door de Amerikaanse ambassade, heeft een aantal betrokken bewindslieden opvattingen kenbaar gemaakt in de pers, waarvan de strekking was dat de ontwikkelingen op het gebied van biotechnologie in Nederland zelfs moeten worden versterkt om te voorkomen dat Nederland achter gaat lopen, al was de minister van Landbouw daar iets genuanceerder in. Hierbij ontbrak echter de mening van de minister van VROM. Onduidelijk is nu of de voornemens in het actieplan sporen met de opvattingen van de minister van VROM, respectievelijk met de integrale nota. Dit betekent onduidelijkheid voor de Kamer, voor de burgers en voor startende ondernemers.

Het lijkt erop dat hier een beleid ontwikkeld wordt zonder dat sprake is van een toetsingskader zoals de toegezegde integrale nota dit dient te bieden, ook in ethisch en moreel opzicht. Welk kader wordt nu gehanteerd bij het toetsen van de aanvragen van starters? Het gaat niet alleen om een afweging op het niveau van het departement van Economische Zaken, te weten de bedrijfsmatige of commerciële haalbaarheid, maar er zijn bredere, dit departement overstijgende aspecten aan de orde, aspecten waar ook de maatschappelijke discussie inzake biotechnologie over gaat. Kan de minister garanderen dat er met het actieplan geen zaken in gang worden gezet die straks moeten worden teruggedraaid? De huidige stand van zaken noopte de CDA-fractie tot de opstelling dat financiële steun alleen kan worden toegekend aan onomstreden projecten, passende in bestaande wetgeving.

Over de concrete uitvoering van het actieplan merkte mevrouw Van der Hoeven op dat ervoor gewaakt dient te worden dat het platform life sciences aanleiding geeft tot het ontstaan van een bureaucratie; het platform dient waar dit maar mogelijk is te streven naar samenwerking. De uitvoering van de regeling zaaikapitaal, waarbij NWO wordt betrokken, gaf haar andermaal de vraag in waaraan precies wordt getoetst bij de beoordeling van projectvoorstellen. Is het niet aan te bevelen om, als het daarbij gaat om bedrijfseconomische aspecten, ook een organisatie als Senter erbij te betrekken? Waarom is ervoor gekozen de projectgebonden financiële ondersteuning aan de kennisinstelling toe te kennen en niet rechtstreeks aan de onderzoeker die een bedrijf wil opzetten? Heeft het financiële consequenties, als er niet binnen twee jaar een businessplan van de onderzoeker ligt en is twee jaar wel een haalbare termijn?

Gegeven de relatief beperkte middelen die voor de incubators beschikbaar zijn, bepleitte mevrouw Van der Hoeven dat steeds wordt nagegaan of daarbij gebruik gemaakt kan worden van reeds aanwezige infrastructuur bij een kennisinstelling of een groot bedrijf en dat eventuele nieuwbouw zoveel mogelijk daarop dient aan te sluiten. Is het wel juist dat bij aanschaf van onderzoeksapparatuur het de kennisinstelling is die de financiële ondersteuning krijgt en eigenaar wordt van de apparatuur, waarna de starter er tegen een marktconform tarief gebruik van mag maken? Immers, op het moment dat betrokkene zelfstandig een bedrijf begint, komt hij of zij voor een gigantische investering te staan; die overgang dient goed geregeld te worden.

Mevrouw Van der Hoeven had begrepen dat het actieplan als zodanig een bedrag van zo'n 100 mln. omvat dat in zijn totaliteit, zij het via allerlei kanalen, uiteindelijk als steun naar startende ondernemers gaat. Betekent dit niet dat het actieplan moet worden aangemeld bij de Europese Unie? Het benutten van "slapende" octrooien, met name door nieuwe bedrijven, vormt al jaren een punt van discussie, niet alleen op het onderhavige terrein. Op welke manier ziet de minister kans om juist met die "slapende" octrooien wat te doen in het kader van het actieplan?

De heer Ter Veer (D66) gaf aan dat D66 zich had bekend tot de nieuwe economie, waarin ICT en biotechnologie een doorslaggevende rol spelen. Zijn fractie was dan ook zeer ingenomen met de brief van de minister, alsook met de uitspraken van bewindslieden in het kader van de conferentie waaraan mevrouw Van der Hoeven refereerde. In tegenstelling tot mevrouw Van der Hoeven meende de heer Ter Veer dat het kabinet daarbij duidelijk kleur heeft bekend. Na vijftien jaar weinig vruchtbare discussie over wat kon en mocht in de biotechnologie, is nu sprake van voortgang, hetgeen op zich gelegenheid biedt tot bijsturing. Het actieplan zelf en de 100 mln. die in dat kader ter beschikking komt, zag de heer Ter Veer als welkome sturingsinstrumenten waar nu ervaring mee kan worden opgedaan.

Wat betreft de samenstelling van het platform life sciences benadrukte de heer Ter Veer de aanwezigheid daarin van octrooideskundigen. Hij memoreerde dat minister Jorritsma er, bij haar recente bezoek aan Boston, van Amerikaanse zijde op is gewezen dat de dure en tijdrovende procedures voor patenten een handicap vormen voor de Europese biotechindustrie. Heeft de minister wat dat betreft geen spijt van het door Nederland bij het Europese Hof in Luxemburg aangetekende verzet tegen implementatie van de betreffende Europese richtlijn? Is het geen tijd af te zien van voortzetting van deze procedure?

Naar aanleiding van de regeling zaaikapitaal vroeg de heer Ter Veer naar de samenwerkingsrelatie met de publieke kennisinstituten, respectievelijk de universiteiten. Kan langs deze weg bijvoorbeeld een verder reikend perspectief worden geboden aan AIO's die promotieonderzoek doen? Hoe kunnen de onmisbare maar dure faciliteiten voor onderzoek op het terrein van genetische modificatie (GGO-laboratoria) zo efficiënt mogelijk worden gebruikt? Een starter zal onvoldoende middelen hebben om dergelijke apparatuur in een eigen laboratorium te installeren. Kortom, hoe kan een zo goed mogelijke samenwerking met bestaande kennisinstituten tot stand worden gebracht?

De heer Ter Veer had het in het kader van de zaaikapitaalregeling niet begrepen op een "deskundigencommissie" met verregaande bevoegdheden bij de beoordeling van startersprojecten. De geschiedenis laat zien dat briljante ontdekkingen aanvankelijk omstreden kunnen zijn. Hoe verwacht de minister tot een zodanige opzet van deze commissie te komen dat ook projecten die misschien briljant zijn maar in eerste instantie niet als zodanig worden onderkend, de kans krijgen die ze verdienen?

Met betrekking tot de incubators signaleerde de heer Ter Veer een lastige draaischijfsituatie voor de starter bij de verzelfstandiging van zijn of haar project en de overgang vanuit kennisinstelling of universiteit. Hoe zit het bijvoorbeeld met de patenteerbaarheid van het product en hoe is daarbij de verhouding met de universiteit? Kosten zullen bijvoorbeeld vergoed moeten worden waar ze daadwerkelijk gemaakt zijn en dat geldt ook voor de verdeling van de revenuen. Is er voorts in alle fasen van de gang van onderzoek naar product voldoende toezicht op de naleving van voorschriften in het kader van milieuwetgeving en de daarbij horende vergunningverlening?

Antwoord van de regering

De minister onderkende dat aan biotechnologie, respectievelijk life sciences in den brede, economisch en maatschappelijk steeds meer belang toekomt. Zij was zich daar eens temeer van bewust na haar recente bezoek aan Boston. Voorkomen moet worden dat Nederland, van oudsher een belangrijk biotechnologieland, op achterstand wordt gezet, mede vanwege een te gering aantal startende bedrijven in deze sector. Het ligt dan voor de hand te proberen in elk geval in dit laatste verbetering aan te brengen door te zorgen voor goede startvoorwaarden. Hiertoe kan aansluiting worden gezocht bij de uitstekende kennisinfrastructuur in Nederland, alsmede bij de hier aanwezige bedrijvigheid met biotechnologische kenmerken. Hierop zijn de samenhangende actielijnen uit het actieplan ook gericht.

Het team dat belast is met de oprichting van het platform life sciences, aan te duiden als Biopartner in oprichting, is begin februari aan de slag gegaan. Er wordt projectmanagementondersteuning verleend door een consultant; de website en de telefonische helpdesk zijn in de lucht; er is een advertentie voor een directeur geplaatst en de procedure voor de formele oprichting van Biopartner is in gang gezet. De grote bedrijven zijn betrokken geweest bij de voorbereiding van het actieplan en zij zijn nadrukkelijk in Biopartner vertegenwoordigd. De doelgroep van het actieplan zijn echter de starters. De bedoeling is dat via Biopartner straks de nieuwe bedrijven gemakkelijk in contact kunnen komen met het netwerk van bestaande grote bedrijven, waardoor samenwerkingsrelaties kunnen ontstaan, bijvoorbeeld op het gebied van de verschaffing van venture capital. Biopartner zal ook het netwerk voor de octrooibenutting verzorgen, waarbij gebruik kan worden gemaakt van kennis die bij het bureau voor de industriële eigendom aanwezig is.

Het zou mooi zijn als universiteiten een breed georiënteerde octrooihelpdesk zouden opzetten, aldus de minister. Belangrijker nog leek het haar, als universiteiten wat meer waarde zouden hechten aan patentverwerving door onderzoekers in plaats van alleen te letten op wetenschappelijke publicaties. Zowel zijzelf, alsook haar collega van OCW probeerde gehoor te vinden bij de universitaire wereld voor deze benadering. Echter, universiteiten zijn autonome instellingen en aandacht voor octrooien is ook een kwestie van cultuur. Het was haar bekend dat een paar (technische) universiteiten inmiddels deze richting op zijn gegaan. Er zijn evenwel nog veel faculteiten die dit niet nodig achten. De minister wilde nagaan of zij samen met haar collega van OCW hierover een notitie aan de Kamer zou kunnen zenden, voorafgaande aan een verdere stap richting universiteiten. Zij zegde toe hierbij aandacht te geven aan een eerder door de Kamer op dit punt aangenomen motie van mevrouw Van der Hoeven. De minister wilde niet terugkomen op de nu bij het Hof te Luxemburg ingestelde en door een brede Kamermeerderheid gesteunde beroepsprocedure tegen de betreffende EU-richtlijn. Zij wees er daarbij op dat het in beroep gaan niet betekent dat ontkomen kan worden aan de verplichting tot implementatie van de richtlijn.

De minister deelde mee dat over de voorwaarden waaronder NWO met de uitvoering van de regeling zaaikapitaal zal worden belast, inmiddels overeenstemming is bereikt. Zij was voornemens de aan het adres van NWO geuite kritiek over te brengen en te vragen welk beleid NWO daar nu in voert, teneinde te bezien -- als de geuite kritiek nog steeds opgaat -- hoe NWO het op een andere manier kan aanpakken. Zij wees op een paar belangrijke redenen om in dezen voor NWO te kiezen in plaats van voor Senter: het gaat om zaaikapitaal voor mensen die nog in de onderzoeksfase zitten en er is een hechte relatie van NWO met universiteiten en onderzoekers. NWO heeft voorts ervaring opgebouwd met het eigen stimuleringsprogram innovatief geneesmiddelenonderzoek en ondernemerschap (Stigon); op deze wijze kan een goede afstemming verkregen worden tussen Stigon en de regeling zaaikapitaal. Er komt een commissie van externe deskundigen, belast met de beoordeling van projecten, ook in bedrijfseconomisch opzicht. De samenstelling van deze commissie zal multidisciplinair zijn; zij moet een gezaghebbend oordeel kunnen geven, waarbij haar leden gebonden zullen zijn aan geheimhouding omtrent de inhoud van projecten. Er is voorzien in bedrijfseconomische begeleiding van starters door zogenoemde bedrijfscoaches uit het veld; daar speelt het platform life sciences een belangrijke rol in. Nagegaan wordt in hoeverre Senter een praktische rol kan vervullen en deskundigheid kan inbrengen.

Het is niet zo dat de kennisinstelling alléén de ondersteuningsaanvraag doet in het kader van de regeling zaaikapitaal: onderzoeker en kennisinstelling vragen gezamenlijk aan. Bedacht zij dat het bij de regeling zaaikapitaal nog niet over de ondernemersfase gaat. De ondernemersfase komt hier voort uit basisonderzoek, leidende tot de ontwikkeling van toepassingen; dit in tegenstelling tot de gang van zaken bij informatietechnologie, in het kader van het twinningproject. Als wordt overgegaan naar de incubator, waar de onderzoekers echte starters worden, dient de middelentoewijzing op een andere manier te geschieden. Het risico van mislukking is aanwezig; met name in de eerste twee jaar, de periode van het zaaikapitaal, zal er wel eens een afvaller zijn. Voorzover er nog kans op succes aanwezig is ná het verstrijken van die periode van twee jaar, zullen betrokkenen hun eigen weg moeten vinden, want dan houdt deze vorm van financiële ondersteuning op. Het is van belang dat de kennisinstelling een actieve rol speelt in de voortgang van projecten. Daarbij is sprake van kruisbestuiving, in die zin dat ondernemerschap de universiteit in komt. Zeker op het terrein van biotechnologie is het tegenwoordig belangrijk voor een universiteit om uit te stralen ook nieuwe ondernemers af te leveren: dit kan bevorderlijk zijn voor het aantal studenten dat kiest voor die universiteit.

Overstappende naar de actielijn betreffende de incubators, meldde de minister dat het eerste voorstel naar aanleiding van de oproep in de Staatscourant inmiddels binnen is; het is afkomstig van Amsterdam. Zij verwachtte binnenkort nog meerdere voorstellen. Het was haar opvatting dat incubators niet altijd in een nieuw gebouw gevestigd behoeven te worden. Wegens gebrek aan universitaire laboratorumfaciliteiten zullen ook incubators eigen laboratoriumfaciliteiten nodig kunnen hebben. Wel zullen universiteiten willen nagaan, uit een oogpunt van efficiënte middelenbesteding, of er in dezen sprake kan zijn van facility sharing.

Ook bij de vierde actielijn, ondersteuning bij de aanschaf van onderzoeksapparatuur, speelt facility sharing een rol, in die zin dat starters gezamenlijk laboratoriumfaciliteiten ter beschikking krijgen. De door Mibiton te hanteren leidraad voor deze startersfaciliteit verkeert nog in het stadium van voorbereiding. Uitgangspunt is om te proberen met een zo klein mogelijke investering een zo groot mogelijk resultaat te bereiken, waar mogelijk met behulp van een combinatie van faciliteiten. In dit verband was de minister nieuwsgierig naar de voorstellen die hier zullen worden gedaan, ervan uitgaande dat de voorstellen die het meest efficiënt van bestaande zaken gebruik maken en zoveel mogelijk toegevoegde waarde weten te creëren op basis van de laagste investeringen, de interessantste zijn. Het fondsbeheer in het kader van het start-upparticipatiefonds, de vijfde actielijn, zal binnen één of twee weken Europees worden aanbesteed.

De minister had gekeken naar de aanpak in het kader van de Duitse prijsvraag en geconstateerd dat de hierbij gevolgde regionale insteek voor de Nederlandse markt maar in beperkte mate nuttig kan zijn. Iets daarvan is terug te vinden in het actieplan waar het betreft de actielijn van de incubators, want daarbij wordt geprobeerd een koppeling tot stand te brengen met regionale kenniscentra, hetgeen ook een regionaal aanjaageffect heeft op starters. Zij wees erop dat de Duitse regionale overheden meer mogelijkheden hebben, ook financieel, voor eigen acties op dit gebied. In Nederland geldt een landelijke benadering, die overigens wel enige concurrentie tussen universiteiten bevordert.

Toen de minister kwam met het actieplan life sciences, wist zij nog niet dat er een integrale beleidsnota biotechnologie diende te komen. Het is de Kamer die heeft gevraagd om deze integrale nota, nadat de minister het initiatief tot het actieplan had genomen. Deze volgorde mag niet uit het oog worden verloren. Gepland is dat de integrale nota in mei in de ministerraad aan de orde komt. Het uitbrengen van deze nota zal de duidelijkheid over het kabinetsstandpunt inzake biotechnologie ten goede komen, al vormt ook het actieplan life sciences reeds een kabinetsstandpunt, mede gedragen door de minister van LNV. De inzet zal zijn dat biotechnologie alle kansen dient te krijgen binnen heldere en werkbare wettelijke kaders, ondersteund door goede voorlichting en met behoud van keuzevrijheid. Het is niet zo dat er op dit moment geen ethisch of moreel kader zou zijn, want te dien aanzien kan verwezen worden naar reeds bestaande wettelijke regelingen waaraan ondernemingsactiviteiten getoetst worden. Daarop zal worden ingegaan in de integrale beleidsnota biotechnologie om te zien of er inconsistenties in zitten, maar op voorhand kon de minister melden dat dit nauwelijks het geval is. Als er in het kader van de integrale nota wijzigingen in beleid of in wet- en regelgeving komen, dan zullen ook starters daaraan moeten voldoen.

Gegeven het bestaande wettelijke kader, is er geen reden om nu niet te starten met het actieplan. Daarbij dient het vanzelfsprekend te gaan om projecten die binnen de huidige wetgeving passen. In die zin kan er geen sprake zijn van omstreden projecten, aldus de minister, noch van projecten waarop in het kader van de integrale beleidsnota biotechnologie zou moeten worden teruggekomen. Twijfel of een project in de toekomst nog wel zal mogen, betekent bij voorbaat een negatieve economische indicatie; de kans dat zo'n project er door zou slippen de komende tijd, is buitengewoon klein. Hoewel de periode tot aan het verschijnen van de integrale nota relatief kort is, kan het niet zo zijn dat elk project nu maar moet wachten. Het is voorts een misverstand te menen dat alle biotechnologische projecten samenvallen met onderzoek naar genetische modificatie, want biotechnologie is veel breder. Genetische modificatie is overigens op een aantal terreinen geaccepteerd. Het belangrijkste terrein waarop er, wereldwijd, politieke discussie over is, is dat van de voedselvoorziening. Daar moeten heldere uitspraken over komen en die zullen ook een dezer maanden door het kabinet gedaan worden.

De voor het start-upparticipatiefonds gekozen opzet, de combinatie met private investeerders, vloeit mede voort uit eerder opgedane ervaringen met de financiering van startende ondernemingen. Er gelden duidelijke voorwaarden voor de fondsbeheerder, zoals beschreven in de brief, opdat de zaken controleerbaar zullen zijn; eigen investeringen van de fondsbeheerder zijn niet toegestaan. De minister was voornemens de Kamer eenmaal per jaar op de hoogte te houden van de stand van zaken.

Wat betreft de internationale samenwerking merkte de minister op dat er met Israël al goede contacten op het terrein van biotechnologie zijn. Biopartner zal ook het internationale netwerk stimuleren voor starters en andere betrokkenen, en Israël is daarbij een goede kandidaat, naast andere landen. Zij wees er voorts op dat alle actielijnen door haar ministerie waren gecontroleerd met het oog op hun eventuele aanmelding in Brussel in het kader van de verlening van staatssteun. De conclusie is dat hier geen sprake is van dergelijke steun aan ondernemingen en dat de overheid als marktinvesteerder handelt. Voorzover zich een voordeel voor ondernemingen voordoet, valt dit onder de de-minimisregeling van maximaal 100.000 euro per onderneming voor een periode van drie jaar. Het betekent dat er geen sprake is van staatssteun volgens de EU-regels en dan is melding niet nodig.

Nadere gedachtewisseling

Mevrouw Wagenaar (PvdA) sloot niet uit dat bij de behandeling van de integrale beleidsnota biotechnologie kan blijken dat de Kamer een andere opvatting heeft dan het kabinet. De Kamer moet er dan ook van uit kunnen gaan dat er geen onomkeerbare zaken plaatsvinden, zaken die als twijfelachtig kunnen worden beschouwd of zich niet verdragen met het voortschrijdend inzicht. Als er wordt getwijfeld, is voorzichtigheid op zijn plaats. Zij meende dit thans zo te kunnen vaststellen en hoopte dat het niet nodig was er een motie over in te dienen. Desgevraagd onderkende zij dat voorzover biotechnologische procédés vergunningsplichtig zijn, deze vergunningen op zich omkeerbaar zijn doordat zij kunnen worden ingetrokken. Echter, er is dan al wel een proces in gang gezet dat beter niet in gang gezet had kunnen worden, in die zin ook dat een starter is gestimuleerd en dat er middelen ter beschikking zijn gesteld voor een project waar inmiddels anders over wordt gedacht.

Mevrouw Wagenaar kondigde aan dat haar fractie binnenkort een pamflet uitbrengt over "consumer concerns", consumentenzorgen, waarin wordt ingegaan op voedselveiligheid en met name op de vraag hoe op een zorgvuldige manier om te gaan met het vraagstuk van genetisch gemanipuleerd voedsel. Zij verkoos deze terminologie boven de gedepolitiseerde aanduiding "genetisch gemodificeerd", gegeven juist de zorgen bij consumenten in Nederland op dit punt. Haar fractie deelde die zorgen en vond dat die serieus moeten worden genomen, hetgeen ook tot uitdrukking dient te komen in het taalgebruik. Zij was verheugd over de toezegging van de minister om met de collega van Onderwijs naar het onderwerp octrooien te kijken en daar de Kamer over te berichten.

Wat betreft de rol van NWO wilde mevrouw Wagenaar de zekerheid hebben dat niet dezelfde criteria worden gehanteerd als bijvoorbeeld bij Pionieraanvragen. Zij wilde voorts de garantie dat het niet zo zal zijn dat hoogleraren de beschikkingsmacht over de toegekende bedragen krijgen, waardoor zij die naar eigen inzicht onder hun staf kunnen verdelen, vaak mensen uit het buitenland die op AIO-plaatsen zijn binnengehaald. Op die wijze wordt niet het beoogde onderzoekspotentieel in Nederland gekweekt; daartoe is een andere aanpak nodig dan via de huidige universiteitscriteria en het hooglerarenmodel.

Mevrouw Voûte-Droste (VVD) meende dat als het actieplan zorgvuldig wordt uitgevoerd, op de wijze waarop het nu door de minister is toegelicht, dit een stimulans zal zijn voor innovatieve starters in Nederland. De concurrentietoets gaf al aan hoe noodzakelijk het is voor Nederland om aandacht aan innovatie te geven. In dit verband verzocht zij de minister om de Kamer een update te doen toekomen van de achterstand die Nederland heeft op het gebied van octrooien.

Mevrouw Van der Hoeven (CDA) wees er met betrekking tot het onderwerp octrooien op dat door de vorige minister van Economische Zaken een beleid in gang is gezet om met name bekendheid te geven aan datgene wat er ligt bij het bureau voor de industriële eigendom. Zij meende te kunnen constateren dat er aan dit beleid nog wel iets valt te verbeteren en verzocht de minister er een nieuwe impuls aan te geven, teneinde te zorgen dat er daadwerkelijk met dit intellectuele bezit iets gedaan wordt.

Hoewel het gaat om onderzoekers die startende ondernemers willen worden, aldus mevrouw Van der Hoeven, wordt er door NWO projectgebonden financiële steun aan de instellingen verleend, waardoor deze financiële ondersteuning niet persoonsgebonden is. Zij was van oordeel dat het persoonsgebonden element meer nadruk dient te krijgen in de steunverlening, ook om te voorkomen dat het geld wordt verdeeld via traditionele lijnen. Zij hoopte dat tot de voorwaarden waaronder NWO de middelen kan verdelen, mede behoort dat er contact met Senter is om zo de mogelijkheid van een andere benadering te hebben, naast die van NWO.

Mede tegen de achtergrond van het nog niet bekend zijn van de inhoud van de integrale beleidsnotitie biotechnologie, benadrukte mevrouw Van der Hoeven dat bij twijfel omtrent een project, acceptatie ervan dient uit te blijven. Het past niet bij de integrale nota om in het kader daarvan zaken te moeten terugdraaien. Indien dit een reeds gestarte onderneming treft, zullen er financiële consequenties zijn. Een dergelijke ontwikkeling, waarbij er als gevolg van gewijzigd beleid claims van gestarte ondernemers kunnen komen, dient te worden voorkomen. Ten slotte wilde zij weten in hoeverre onderzoek dat in het kader van het actieplan wordt aangevraagd, vergunningsplichtig is.

De heer Ter Veer (D66) vond dat technologische topinstituten (TTI's) in het kader van het actieplan ook beschouwd dienen te worden als publieke kennisinstellingen zoals universiteiten. Kan de minister bevestigen dat voor TTI's uit dien hoofde dezelfde procedure geldt bij het in aanmerking komen voor de verschillende actielijnen?

Met betrekking tot de ethisch-politieke beoordeling van de biotechnologie maakte de heer Ter Veer zijn collega's van de ChristenUnie een compliment voor het van die zijde gepubliceerde boekje "Toetsen en begrenzen". Hierin staat een voortreffelijke samenvatting van hetgeen in het parlement op dit punt allemaal is vastgesteld. Er blijkt uit dat er al heel veel bestaande regelgeving is, zodat er geen reden is om het actieplan met koudwatervrees tegemoet te treden.

De minister kon zich aansluiten bij deze laatste woorden van de heer Ter Veer. Zij zou het jammer vinden, als van dit algemeen overleg de suggestie zou uitgaat alsof er grote problemen dreigen. Bij 99% van alles wat er omgaat op het terrein van de life sciences, verwachtte de minister geen enkele twijfel en geen enkel probleem. Biotechnologie is op vele terreinen een geaccepteerde zaak in Nederland. Er is veel wetgeving op van toepassing, die volstrekt helder is en ook niet zal wijzigen. Voorkomen moet worden dat het nieuwe beleid het imago meekrijgt dat er niets kan in Nederland. Er kan heel veel in Nederland, juist doordat er voor heel veel zaken keurige regelingen zijn.

Zodra er twijfel omtrent een projectvoorstel is, zullen de kansen ervan binnen het actieplan nihil zijn. Instellingen, noch private financiers zullen erin geïnteresseerd zijn daarin te investeren. Evenmin zal er dan een positief advies op een desbetreffende aanvraag komen, aldus de minister. In die zin is er sprake van waarborgen dat zich, ook in de aanloop naar de integrale beleidsnota biotechnologie, geen ongewenste ontwikkelingen of problemen zullen voordoen. Zij constateerde wat dat betreft geen grote verschillen van mening in dit algemeen overleg en had er vertrouwen in dat de Kamer zal kunnen instemmen met het goede beleid dat straks in de kabinetsnota aan de Kamer zal worden voorgelegd.

De minister bevestigde dat door NWO niet dezelfde criteria zullen worden gehanteerd als bij Pionier; bij Pionier is sprake van puur wetenschappelijke criteria en hier gaat het om commerciële criteria, namelijk of het onderzoeksproject kan uitmonden in een op de markt te brengen product. Dat is hetgeen waarop wordt beoordeeld. NWO bepaalt niet zelf de criteria, maar is de uitvoerende instantie die zich te houden heeft aan de gestelde voorwaarden. Overigens geeft NWO er blijk van de lijn in te willen zetten waarbij onderzoek gekoppeld wordt aan ondernemerschap. De minister ging ervan uit dat ook de TTI's bij het actieplan betrokken kunnen worden, bijvoorbeeld waar het betreft een TTI-voeding.

De minister meende dat een overzicht op het punt van octrooien wordt gegeven in een de Kamer bekend rapport van Booz, Allen & Hamilton. Voorzover daarin niet het gehele terrein bestreken wordt, zegde zij toe de Kamer er separaat over te informeren. Overigens vormt staatssecretaris Ybema het aanspreekpunt, als het gaat om acties terzake van octrooien. De minister herhaalde haar toezegging in dezen om met de collega van OCW te bespreken hoe op het onderhavige vlak gezamenlijk iets richting Kamer en universiteiten kan worden ondernomen.

De voorzitter van de commissie,

Biesheuvel

De griffier van de commissie,

Tielens-Tripels


1 Samenstelling:

Leden: Blaauw (VVD), Biesheuvel (CDA), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Leers (CDA), Voûte-Droste (VVD), ondervoorzitter, Van Zuijlen (PvdA), M.B. Vos (GroenLinks), Rabbae (GroenLinks), Marijnissen (SP), Hessing (VVD), Giskes (D66), Crone (PvdA), Van Dijke (RPF/GPV), Van Walsem (D66), Hofstra (VVD), Wagenaar (PvdA), De Boer (PvdA), Verburg (CDA), Stroeken (CDA), Ravestein (D66), Geluk (VVD), Van den Akker (CDA), Blok (VVD), Hindriks (PvdA)

Plv. leden: Snijder-Hazelhoff (VVD), Atsma (CDA), Kalsbeek (PvdA), Wijn (CDA), Klein Molekamp (VVD), Schoenmakers (PvdA), Van der Steenhoven (GroenLinks), Vendrik (GroenLinks), Poppe (SP), Kamp (VVD), Van den Berg (SGP), Kuijper (PvdA), Van Middelkoop (RPF/GPV), Schimmel (D66), Van Baalen (VVD), Herrebrugh (PvdA), Smits (PvdA), Schreijer-Pierik (CDA), Van der Hoeven (CDA), Bakker (D66), Van Beek (VVD), De Haan (CDA), Udo (VVD), Hamer (PvdA), Koenders (PvdA)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie