Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoord op kamervragen sociale zekerheid en arbeidsmarkt

Datum nieuwsfeit: 21-04-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

lijst van vr-antw voorlopige rekening 1999

Gemaakt: 21-4-2000 tijd: 15:38


27 031 Voorlopige Rekening 1999

nr. 3 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 21 april 2000

De vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid* heeft de volgende vragen aan de regering voorgelegd naar aanleiding van de voorlopige rekening sociale zekerheid en arbeidsmarkt (nr. 2) en daarop de volgende antwoorden ontvangen.

VRAGEN

(De bladzijdeverwijzing ziet op 27 031 nr. 2)

(blz. 1)


1.

Kan bij de voorjaarsnota expliciet aangegeven worden wat de ramingsveronderstellingen zijn bij de diverse SZW-regelingen en hoe deze veronderstellingen zich verhouden tot de nieuwe economische inzichten van het CEP 2000?

(blz. 2)


2.

Hoe verhoudt zich de uitspraak dat de voornaamste oorzaak voor de lage uitgaven in 1999 de sterker dan verwachte daling van de werkloosheid is, met deze voorlopige rekening, waarbij geen aanleiding gezien wordt om de uitgavenramingen in de premiegefinancierde sector bij te stellen? Kan daarnaast een algemene toelichting gegeven worden bij de zinsnede dat er geen aanleiding bestaat om de uitgavenramingen in de premiegefinancierde sector bij te stellen?


3.

Wat is de toegevoegde waarde van een Voorlopige Rekening SZA, indien de uitgangspunten voor de ramingen na de Najaarsbrief SZA niet worden gewijzigd?

(blz. 3)


4.

Kan een uitsplitsing gemaakt worden van de uitgaven bij het Gemeentelijk Werkfonds : welk deel van de lagere uitgaven kan verklaard worden door de minder dan verwacht gerealiseerde dienstbetrekkingen en hoe veel door de te laat ingeleverde declaraties? Om hoe veel minder dienstbetrekkingen gaat het? Wat zijn de oorzaken van het te laat inleveren van declaraties? Is de verwachting voor het jaar 2000 dat gemeenten hun declaraties opnieuw te laat zullen leveren? Kan de regering een overzicht verschaffen van de gemeenten die in het laatste kwartaal niet tijdig hun declaraties hebben ingediend voor het Gemeentelijk Werkfonds?


5.

Er wordt in deze Voorlopige Rekening geen melding gemaakt van het niet besteden van REA-gelden. De ambities die zijn geformuleerd binnen REA zijn 50.000 trajecten per jaar, waarvan er 15.000 tot plaatsingen moeten leiden. Kan een geactualiseerde stand van zaken worden gegeven?


6.

Kan een uitsplitsing gegeven worden van de lagere uitgaven binnen de I/D-banen : welk deel van de lagere uitgaven kan verklaard worden door de minder dan verwacht bezette banen en hoe veel door de te laat ingeleverde declaraties? Wat wordt bedoeld met `dit' in de verklaring dat de groei in het aantal gerealiseerde banen naar `dit' niveau langzamer plaatsvindt dan verwacht?


7.

De 58,3 miljoen gulden hogere uitgaven ABW worden deels verklaard door een tegenvallend beroep op de financiering loopbaanonderbreking. Kan een verklaring hiervan worden gegeven nu de trage opstartfase is gepasseerd?


8.

Wat is de oorzaak van het tegenvallende beroep op de WIK?


9.

Kan uitleg worden gegeven over de toeslagen ABW? Kan hierbij de uitkomst van het onderzoek naar de onderbenutting in de Toeslagenwet worden betrokken (onderzoek SZW, najaar 1999)?


10.

Wat zijn de oorzaken van de lagere uitgaven bij de WAJONG?


11.

Waaruit bestaan de overboekingen naar andere departementen in het kader van arbeidsomstandigheden?


12.

Er is een meevaller ontstaan door het niet tijdig indienen van hun declaraties bij het Gemeentelijk Werkfonds en bij de ID-banen door gemeenten is een meevaller ontstaan. Heeft

dit als gevolg dat er voor het jaar 2000 een even grote tegenvaller optreedt, of is hier sprake van een structurele overschrijding van de jaargrens?


13.

Bij de ontvangsten wordt een meevaller voor de Algemene Bijstandswet gemeld die het gevolg is van de afrekening van de jaaropgaves ABW van gemeenten over 1998.

Betekent dit dat gemeenten in eerste instantie over 1998 teveel ABW-uitgaven hebben gedeclareerd bij het Rijk? Wat is de oorzaak van de te hoge declaraties van gemeenten?


14.

In de toelichting bij de post I/D Banen staat dat een van de oorzaken van de lagere uitgaven is dat niet alle plaatsen aan het einde van het jaar waren bezet. Wat is hiervan de oorzaak? Welke maatregelen zullen worden genomen om volledige bezettingsgraad te realiseren? Bovendien wordt aangegeven dat er in 1999 meer goedkopere banen dan duurdere waren en dat dit voornamelijk zal zijn veroorzaakt doordat er meer werknemers zijn uitgestroomd dan werd verwacht. Wat wordt bedoeld met voornamelijk? Hoeveel personen zijn er dan uitgestroomd in 1999?


15.

Wanneer worden de WIK en de regeling loopbaanonderbreking geëvalueerd en welke maatregelen worden genomen om het beroep op deze regelingen te doen toenemen?

(blz. 4)


16.

Waarom is de vermogensnorm van het AOW-fonds verlaagd?


17.

De premie-inkomsten bij de volksverzekeringen waren in 1999 1 miljard hoger dan verwacht.

Hoeveel waren deze premie-inkomsten hoger dan nodig?

Welke conclusies trekt de regering uit deze meevaller m.b.t. de hoogte van de premies?


18.

Het vermogen van de centrale en decentrale fondsen sociale verzekeringen bedroeg per 31 december 11,4 miljard, terwijl de norm op
6,9 miljard lag.

Welke conclusies trekt de regering uit dit overschot m.b.t. de hoogte van de premies?

(Algemeen)


19.

Waarom is de technische mutatie op de post `anticumulatie WSW' van
60,3 miljoen (27031 nr. 1, blz. 44) niet terug te vinden op de Voorlopige Rekening Sociale zekerheid en Arbeidsmarkt (27031. nr. 2)?

20.

Waardoor is het, in vergelijking met de gegevens over inkomsten en uitgaven in enge zin

in de brief van de minister van Financiën, niet mogelijk om tamelijk betrouwbare gegevens te verstrekken over de premie-inkomsten en vermogenspositie van de sociale zekerheid op dit moment? Valt dit terug te voeren op een verschil in administratieve systemen of zijn er andere oorzaken?

De voorzitter van de commissie,

Terpstra

De griffier van de commissie,

Van Dijk

ANTWOORDEN

Vraag 1

Kan bij de voorjaarsnota expliciet aangegeven worden wat de ramingsveronderstellingen zijn bij de diverse SZW-regelingen en hoe deze veronderstellingen zich verhouden tot de nieuwe economische inzichten van het CEP 2000?

Antwoord 1

In de Voorjaarsbrief SZA 2000 zal aan de hand van de macro-economische uitgangspunten uit het Centraal Economisch Plan 2000 (CEP 2000) een raming worden gepresenteerd van de uitgaven van de budgetdisciplinesector sociale zekerheid en arbeidsmarkt voor het jaar
2000. Deze uitgangspunten van het CEP 2000 worden dus volledig overgenomen. Ook worden de meest recente uitvoeringsgegevens en de besluitvorming over de begrotingsuitvoering 2000 verwerkt in de uitgavenramingen. De Voorjaarsbrief SZA 2000 kunt u begin mei tegemoet zien.

Vraag 2

Hoe verhoudt zich de uitspraak dat de voornaamste oorzaak voor de lage uitgaven in 1999 de sterker dan verwachte daling van de werkloosheid is, met deze voorlopige rekening, waarbij geen aanleiding gezien wordt om de uitgavenramingen in de premiegefinancierde sector bij te stellen? Kan daarnaast een algemene toelichting gegeven worden bij de zinsnede dat er geen aanleiding bestaat om de uitgavenramingen in de premiegefinancierde sector bij te stellen?

Antwoord 2

In de Brief voorlopige rekening wordt in tabel 1 melding gemaakt van de lagere uitgaven in de sector sociale zekerheid en arbeidsmarkt ten opzichte van de Sociale Nota 1999 (september 1998). Deze uitgaven vallen over geheel 1999 circa 1,1 miljard mee, waarvan circa 0,6 miljard sociale verzekeringen en circa 0,4 miljard begrotingsgefinancierde sociale zekerheid. Deze ontwikkeling is voornamelijk het gevolg van de sterker dan verwachte daling van de werkloosheid. Deze meevaller was al verwerkt in de Najaarsbrief SZA
1999 (november 1999).

De voorlopig gerealiseerde stand 1999 wordt voor de premiegefinancierde uitgaven grotendeels gebaseerd op de januarinota's van het Lisv en de SVB, waarin een actualisatie wordt gegeven van de ramingen ten opzichte van de oktobernota's van deze instanties. In de januarinota's waren de uitgaven voor 1999 nagenoeg niet aangepast. Op basis van deze informatie was er derhalve geen aanleiding de uitgavenramingen voor 1999 in de premiegefinancierde sociale zekerheid ten behoeve van de Brief voorlopige rekening 1999 bij te stellen ten opzichte van de Najaarsbrief SZA.

Vraag 3

Wat is de toegevoegde waarde van een Voorlopige Rekening SZA, indien de uitgangspunten voor de ramingen na de Najaarsbrief SZA niet worden gewijzigd?

Antwoord 3

De toegevoegde waarde van de Brief voorlopige rekening is dat de ramingen voor de premie- en begrotingsgefinancierde sociale zekerheid op basis van de gerealiseerde uitgaven worden geactualiseerd ten opzichte van de Najaarsbrief sza, dit ondanks de ongewijzigde macro-economische uitgangspunten (de MEV 2000 van het CPB). Voor de premiegefinancierde sociale zekerheid gaven de laatste inzichten van de uitvoeringsinstellingen en de SVB dit keer geen aanleiding om de uitgavenramingen voor deze regelingen aan te passen (zie ook antwoord op vraag 2). Voor de begrotingsgefinancierde sociale zekerheid zijn de uitgaven ondanks de ongewijzigde macro-economische uitgangspunten, op basis van deze realisatiecijfers met 0,2 miljard aangepast.

De Brief voorlopige rekening geeft dus een zo actueel mogelijk beeld van de uitgaven in het voorgaande jaar op basis van de op dat moment beschikbare realisatiecijfers.

Vraag 4

Kan een uitsplitsing gemaakt worden van de uitgaven bij het Gemeentelijk Werkfonds : welk deel van de lagere uitgaven kan verklaard worden door de minder dan verwachte gerealiseerde dienstbetrekkingen en hoe veel door de te laat ingeleverde declaraties? Om hoe veel minder dienstbetrekkingen gaat het? Wat zijn de oorzaken van het te laat inleveren van declaraties? Is de verwachting voor het jaar 2000 dat gemeenten hun declaraties opnieuw te laat zullen leveren? Kan de regering een overzicht verschaffen van de gemeenten die in het laatste kwartaal niet tijdig hun declaraties hebben ingediend voor het Gemeentelijk Werkfonds?

Antwoord 4

Van de 93 miljoen lagere uitgaven bij het Werkfonds wordt 80 miljoen veroorzaakt door het lager aantal gerealiseerde dienstbetrekkingen dan begroot en 13 miljoen door te laat ingeleverde declaraties. Ten opzichte van de Najaarsbrief zijn circa 3400 minder dienstbetrekkingen gerealiseerd dan verwacht.

De oorzaken bij gemeenten voor de te laat of foutief ingeleverde declaraties zijn niet eenduidig aan te geven. SZW heeft een handhavingsbeleid geformuleerd dat gericht is op heldere termijnen en vormvoorschriften. Dit handhavingsbeleid zal naar verwachting met ingang van september 2000 wordt geëffectueerd. De verwachting is dat als gevolg van dit beleid gemeenten hun declaraties tijdig en juist zullen indienen.

Een overzicht van de gemeenten die hun derde kwartaaldeclaratie over
1999 niet tijdig hebben ingediend kan worden aangeleverd, maar dit vergt in verband met de benodigde zorgvuldigheidsvereisten meer tijd.
Vraag 5

Er wordt in deze Voorlopige Rekening geen melding gemaakt van het niet besteden van REA-gelden. De ambities die zijn geformuleerd binnen REA zijn 50.000 trajecten per jaar, waarvan er 15.000 tot plaatsingen moeten leiden. Kan een geactualiseerde stand van zaken worden gegeven?

Antwoord 5

Wat betreft het aantal in gang te zetten trajecten heeft het Lisv voor
1999 dezelfde taakstelling geformuleerd als gold voor 1998, namelijk
50.000 trajecten. Hiervan waren er ultimo december 1999 45.000 gerealiseerd. Hierbij zij de kanttekening geplaatst dat de uitvoeringsinstellingen GUO en Uszo nog in deze cijfers ontbreken. Guo heeft nog geen cijfers opgeleverd. De cijfers van Uszo omtrent het aantal ingekochte trajecten zijn nog niet voldoende betrouwbaar om in de tellingen mee te nemen. Dit in aanmerking nemend is de verwachting gerechtvaardigd dat de taakstelling van 50.000 in gang te zetten trajecten gerealiseerd zal worden.

Het aantal gerealiseerde plaatsingen is in 1999 uitgekomen op 18.090. Dit cijfer is overigens exclusief plaatsingen bij de uitvoeringsinstellingen GUO en SFB. Van het GUO zijn de cijfers over plaatsingen in geheel 1999 nog niet beschikbaar, van het SFB zijn de cijfers over het vierde kwartaal 1999 nog niet beschikbaar

Het plaatsingsresultaat van 18.090 is aanzienlijk meer dan de nagestreefde 15.000 plaatsingen per jaar. Dat komt omdat in het aantal van 18.090 ook werkhervatting bij de oude werkgever en het door de arbeidsgehandicapte zelf vinden van een nieuwe arbeidsplaats (weliswaar met inzet van een REA-instrument) als plaatsingen zijn meegeteld.

Overigens moet ook bedacht worden dat een groot aantal bemiddelingstrajecten nog lopen. Het aantal plaatsingen kan derhalve nog oplopen.

In budgettair opzicht is er inderdaad géén sprake van niet besteden van REA-gelden. Het Lisv heeft de initiële raming van uitgaven van REA-fonds voor 1999 (629 miljoen) opwaarts bijgesteld tot 755 miljoen. Dit houdt voor een belangrijk deel verband met hogere lasten verbonden aan de inkoop van bemiddelingstrajecten.

Vraag 6

Kan een uitsplitsing gegeven worden van de lagere uitgaven binnen de I/D-banen : welk deel van de lagere uitgaven kan verklaard worden door de minder dan verwacht bezette banen en hoe veel door de te laat ingeleverde declaraties? Wat wordt bedoeld met `dit' in de verklaring dat de groei in het aantal gerealiseerde banen naar `dit' niveau langzamer plaatsvindt dan verwacht?

Antwoord 6

De 44,3 miljoen die in totaal minder is uitgegeven dan geraamd bestaat uit de volgende onderdelen;

Circa 23 miljoen wordt veroorzaakt doordat er verhoudingsgewijs meer banen zijn bezet waar een lager subsidiebedrag voor geldt.

Circa 15 miljoen kan toegeschreven worden aan een lagere bezetting van de banen dan begroot.

Circa 6 miljoen wordt veroorzaakt doordat een aantal gemeentelijke declaraties niet tijdig is ontvangen.

Met het woord `dit' in de verklaring dat de groei in het aantal gerealiseerde banen langzamer plaatsvindt dan verwacht wordt gerefereerd naar `alle plaatsen' in diezelfde zin. Hiermee wordt het totaal aantal voor 1999 aan de gemeenten toegekende banen bedoeld (31.170).

Vraag 7

De 58,3 miljoen gulden hogere uitgaven ABW worden deels verklaard door een tegenvallend beroep op de financiering loopbaanonderbreking. Kan een verklaring hiervan worden gegeven nu de trage opstartfase is gepasseerd?

Antwoord 7

De Wet financiering loopbaanonderbreking is in 1999 van kracht geworden. In dat jaar is het aantal gebruikers van deze wet sterk achtergebleven bij de verwachtingen. Naar het zich laat aanzien wordt dit tegenvallende gebruik onder meer veroorzaakt door de onbekendheid met de regeling, de beperkende werking van de vervangingseis en de hoogte van de vergoeding. De resultaten van een evaluatie van de wet zullen in mei aan de Tweede Kamer ter beschikking worden gesteld.

Vraag 8

Wat is de oorzaak van het tegenvallende beroep op de WIK?

Antwoord 8

Er zijn twee redenen te noemen voor de lagere realisatie van de Wik.

Ten eerste is de WIK is in 1999, als een nieuwe regeling, in werking getreden. Bij het opstellen van de begroting 1999 is verondersteld dat
5.700 personen gebruik zouden maken van de Wik. De omvang van de doelgroep en de mate waarin deze doelgroep gebruik zou gaan maken van de WIK was van te voren moeilijk in te schatten. Er was beperkte informatie over de omvang van de doelgroep en geen informatie over de werking van vergelijkbare regelingen. Eind 1999 bleek uit cijfers van het Voorzieningsfonds voor kunstenaars dat ruim 4500 personen zich voor deze regeling hebben aangemeld.

Een tweede oorzaak van de lagere uitgaven voor de Wik is dat het beroep op de regeling meer geleidelijk op gang is gekomen dan verwacht.

Vraag 9

Kan uitleg worden gegeven over de toeslagen Abw? Kan hierbij de uitkomst van het onderzoek naar de onderbenutting in de Toeslagenwet worden betrokken (SZW, oktober 1999)?

Antwoord 9

In de Abw zijn voor personen van 21 tot 65 jaar de bijstandsnormen afgeleid van het wettelijk minimumloon. Voor gehuwden is deze norm gelijk aan 100% van het wettelijk minimumloon; voor alleenstaande ouders 70% en voor alleenstaanden 50%.

Alleenstaande ouders en alleenstaanden komen voor een toeslag van maximaal 20% van het wettelijk minimumloon in aanmerking. De hoogte van deze toeslag wordt door gemeenten bepaald en is afhankelijk van het feit of de alleenstaande ouder of de alleenstaande de noodzakelijke kosten van het bestaan met een ander kan delen.

Indien op het adres van de alleenstaande ouder of de alleenstaande niet een andere persoon zijn hoofdverblijf heeft, is de gemeente verplicht de maximale toeslag te verlenen.

Het onderzoek naar de onderbenutting van de Toeslagenwet (TW) heeft geen relatie met de toeslagen in de Abw. De toeslagen in het kader van de TW worden toegekend aan uitkeringsgerechtigden op grond van de ZW, WW, WAO, WAZ, Wajong of Wamil.

Vraag 10

Wat zijn de oorzaken van de lagere uitgaven bij de WAJONG?

Antwoord 10

De realisatie van de uitkeringen Wajong komt volgens de voorlopige rekening 3,8 miljoen hoger uit dan het vermoedelijk beloop. De realisatie van de uitvoeringskosten komt 15,3 miljoen lager uit. Verwacht werd dat het Lisv nog een deel van de uitvoeringskosten 1998 in 1999 bij SZW zou declareren. Dit is echter niet gebeurd.

Vraag 11

Waaruit bestaan de overboekingen naar andere departementen in het kader van arbeidsomstandigheden?

Antwoord 11

Het betreft de volgende twee overboekingen:

Een overboeking van 1,7 miljoen naar het Ministerie van Economische Zaken als bijdrage in de kosten van het Interdepartementale programma "Technologie en Samenleving". Het betreft een bijdrage voor de onderdelen "Reïntegratie van mensen met een arbeidshandicap" en "Preventie arbeidsongeschiktheid".

Een overboeking van 2,5 miljoen naar het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij als bijdrage van SZW in de openingsbalans van de "Commissie voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen", die per 1 januari 2000 als zelfstandig orgaan opereert.

Vraag 12

Er is een meevaller ontstaan door het niet tijdig indienen van hun declaraties bij het Gemeentelijk Werkfonds en bij de ID-banen door gemeenten. Heeft

dit als gevolg dat er voor het jaar 2000 een even grote tegenvaller optreedt, of is hier sprake van een structurele overschrijding van de jaargrens?

Antwoord 12

Zowel bij de ID-banen als bij de Wiw waren er gemeenten die hun declaraties, die nodig zijn om voorschotten te kunnen verstrekken of gedane uitgaven te vergoeden, te laat of foutief hebben ingediend. Hierdoor is in 1999 minder voor deze regelingen uitgegeven dan verwacht. Na ontvangst van de declaraties zullen de uitgaven echter alsnog moeten worden verricht. Dit leidt dus tot extra uitgaven in
2000 (een «tegenvaller»). Er is hier geen sprake van een (reguliere) structurele overschrijding van de jaargrens. Als gemeenten de declaraties op tijd indienen, treedt dit effect namelijk niet op.
Vraag 13

Bij de ontvangsten wordt een meevaller voor de Algemene Bijstandswet gemeld die het gevolg is van de afrekening van de jaaropgaves ABW van gemeenten over 1998. Betekent dit dat gemeenten in eerste instantie over 1998 teveel ABW-uitgaven hebben gedeclareerd bij het Rijk? Wat is de oorzaak van de te hoge declaraties van gemeenten?

Antwoord 13

De meevaller in de ontvangsten is niet opgetreden omdat gemeenten teveel hebben gedeclareerd, maar vloeit voort uit de door SZW gehanteerde bevoorschottingssystematiek. De te veel of te weinig bevoorschotte bedragen worden in de loop van het jaar telkens verrekend met de voorschotten voor volgende kwartalen. Alleen bij de overgang van het vierde kwartaal naar het eerste kwartaal van het volgende jaar mag dit volgens de comptablitietsvoorschriften niet en wordt het te veel bevoorschotte bedrag als ontvangst geboekt. Te lage voorschotten leiden bij overschrijding van de jaargrens tot hogere uitgaven in het nieuwe jaar.

Vraag 14

In de toelichting bij de post I/D Banen staat dat een van de oorzaken van de lagere uitgaven is dat niet alle plaatsen aan het einde van het jaar waren bezet. Wat is hiervan de oorzaak? Welke maatregelen zullen worden genomen om volledige bezettingsgraad te realiseren? Bovendien wordt aangegeven dat er in 1999 meer goedkopere banen dan duurdere waren en dat dit voornamelijk zal zijn veroorzaakt doordat er meer werknemers zijn uitgestroomd dan werd verwacht. Wat wordt bedoeld met voornamelijk? Hoeveel personen zijn er dan uitgestroomd in 1999?

Antwoord 14

Ultimo 1999 is 96 % (circa 30.000) van het aantal beschikbare plaatsen bezet. De reden waarom 4% van de beschikbare banen niet was bezet, is enerzijds de vacatieduur (de tijd die zit tussen het vacant worden van een baan en het voorzien in deze vacature) en anderzijds dat vooral de kleinere gemeenten de achterstand die zij aan het begin van 1999 ten opzichte van de grotere gemeenten hadden, minder snel hebben ingelopen dan is verondersteld. Er zal te allen tijde sprake blijven van een vacatieduur, zeker met de nieuwe doelstelling om te komen tot een toename van de door- en uitstroom op ID-banen. Door deze vacatieduur zal het nimmer mogelijk zijn om een volledige bezettingsgraad te realiseren. Maatregelen hiertoe worden dan ook niet overwogen.

Met het woord `voornamelijk' in de verklaring van het relatief grotere aandeel van de goedkopere banen wordt bedoeld dat de hogere uitstroom de voornaamste oorzaak is voor het ontstaan van een groter segment goedkopere banen. In 1999 zijn circa 4.600 werknemers uitgestroomd.

Vraag 15

Wanneer worden de WIK en de regeling loopbaanonderbreking geëvalueerd en welke maatregelen worden genomen om het beroep op deze regelingen te doen toenemen?

Antwoord 15

De WIK wordt 3 jaar na inwerkingtreding geëvalueerd op effectiviteit en doeltreffendheid. Het gebruik van de regeling geeft op dit moment geen aanleiding om maatregelen te nemen die het beroep op de regeling vergroten (zie ook het antwoord op vraag 8).

De resultaten van een evaluatie van de wet financiering loopbaanonderbreking zullen in mei aan de Kamer ter beschikking worden gesteld. Op basis van deze evaluatie zal het kabinet een besluit nemen over de te nemen maatregelen.

Vraag 16

Waarom is de vermogensnorm van het AOW-fonds verlaagd?

Antwoord 16

De verlaging van de vermogensnorm voor het AOW-fonds hangt samen met een geleidelijke verschuiving van betaaldata naar de 23e van de maand. Omdat de SVB de uitkeringen later in de maand betaalt, kan het AOW-fonds gemiddeld genomen met minder geld toe.

Vraag 17

De premie-inkomsten bij de volksverzekeringen waren in 1999 1 miljard hoger dan verwacht.

Hoeveel waren deze premie-inkomsten hoger dan nodig?

Welke conclusies trekt de regering uit deze meevaller m.b.t. de hoogte van de premies?

Vraag 18

Het vermogen van de centrale en decentrale fondsen sociale verzekeringen bedroeg per 31 december 11,4 miljard, terwijl de norm op
6,9 miljard lag.

Welke conclusies trekt de regering uit dit overschot m.b.t. de hoogte van de premies?

Antwoord 17 en 18

Ten tijde van de Sociale Nota 2000 werd voor 1999 een voordelig saldo tussen inkomsten en uitgaven van de gezamenlijke sociale-zekerheidsfondsen (exclusief zorg) voorzien van ruim 3½ miljard (waarvan 1½ miljard bij de volksverzekeringen). Door genoemde meevaller in de premie-inkomsten bij de volksverzekeringen loopt het geraamde exploitatie-overschot op tot ruim 4½ miljard. Rekening houdend met een `toegestaan' exploitatie-verschot bij het AOW-fonds van ongeveer 1 ½ miljard (als uitvloeisel van de koopkrachtmaatregelen uit het voorjaar 1998) kan achteraf worden gesteld dat de premie-inkomsten voor 1999 ongeveer 3 miljard hoger zijn uitgekomen dan was voorzien. Het aanwezige vermogen ligt ultimo 1999 eveneens 4½ miljard boven de norm (het verschil tussen 11,4 en 6,9).

In de Sociale Nota 2000 (p.135) is opgemerkt dat dit vermogensoverschot ultimo 1999 in 2000 verder zal oplopen. De exploitatie en vermogenspositie van deze fondsen zal bij de begrotingsvoorbereiding 2001 en 2002 nader worden bezien.

Vraag 19

Waarom is de technische mutatie op de post `anticumulatie WSW' van
60,3 miljoen (27031 nr. 1, blz. 44) niet terug te vinden op de Voorlopige Rekening Sociale zekerheid en Arbeidsmarkt (27031. nr. 2)?
Antwoord 19

In de Brief voorlopige rekening (27031 nr. 2) wordt een toelichting gegeven op de netto relevante uitgavenbijstellingen. Technische mutaties - zoals de in de vraag genoemde 60,3 miljoen `anticumulatie WSW' worden niet expliciet benoemd aangezien deze niet relevant voor de toetsing aan het uitgavenkader zijn. In de Voorlopige rekening van de minister van Financiën (27031 nr. 1) zijn zowel de relevante als de niet relevante uitgavenbijstellingen benoemd.

Vraag 20

Waardoor is het, in vergelijking met de gegevens over inkomsten en uitgaven in enge zin

in de brief van de minister van Financiën, niet mogelijk om tamelijk betrouwbare gegevens te verstrekken over de premie-inkomsten en vermogenspositie van de sociale zekerheid op dit moment? Valt dit terug te voeren op een verschil in administratieve systemen of zijn er andere oorzaken?

Antwoord 20

Dit valt terug te voeren op een verschil in administratieve systemen. De rijksbegroting luidt op kasbasis terwijl het baten-lasten-stelsel van de fondsen op transactiebasis werkt. De transactiecijfers komen met enige vertraging beschikbaar zodat in de Voorlopige Rekening nog geen definitief beeld kan worden gepresenteerd.


1) Samenstelling:

Leden:

Plv. leden:

Terpstra (VVD), voorzitter

Biesheuvel (CDA)

Schimmel (D66)

Kalsbeek-Jasperse (PvdA)

Van Zijl (PvdA)

Bijleveld-Schouten (CDA)

Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter

Kamp (VVD)

Essers (VVD)

Van Dijke (RPF)

Bakker (D66)

Visser-van Doorn (CDA)

De Wit (SP)

Harrewijn (GL)

Van Gent (GL)

Balkenende (CDA)

Smits (PvdA)

Verburg (CDA)

Bussemaker (PvdA)

Spoelman (PvdA)

Orgü (VVD)

Van der Staaij (SGP)

Santi (PvdA)

Wilders (VVD)

Snijder-Hazelhoff (VVD)

E. Meijer (VVD)

Van Ardenne-van der Hoeven (CDA)

Giskes (D66)

Hamer (PvdA)

Van der Hoek (PvdA)

Dankers (CDA)

Kortram (PvdA)

Blok (VVD)

Van Blerck-Woerdman (VVD)

Van Middelkoop (GPV)

Van Vliet (D66)

Stroeken (CDA)

Marijnissen (SP)

Vendrik (GL)

Rosenmöller (GL)

Mosterd (CDA)

Schoenmakers (PvdA)

Eisses-Timmerman (CDA)

Wagenaar (PvdA)

Middel (PvdA)

Weekers (VVD)

Van Walsem (D66)

Oudkerk (PvdA)

De Vries (VVD)

Klein Molekamp (VVD)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie