Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief GSI inzake standpunt maatschappelijke positie Chinezen

Datum nieuwsfeit: 25-04-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

brief min gsi inzake standpunt over de maatschappelijke p ositie van chinezen in nederland

Gemaakt: 12-5-2000 tijd: 13:42


26800 VII Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2000
Nr. 40 Brief van de minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 25 april 2000

Met de brief van 10 juni 1999 (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties-99-685), hebben de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en ik aan u het onderzoeksrapport “De maatschappelijke positie van Chinezen in Nederland” toegestuurd. Bij die gelegenheid is toegezegd dat het kabinet u zijn standpunt over de uitkomsten van het onderzoek zal laten weten.

Naar aanleiding van het vorenstaande bied ik u hierbij mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport het kabinetsstandpunt over de maatschappelijke positie van Chinezen in Nederland aan.

DE MINISTER VOOR GROTE STEDEN- EN INTEGRATIEBELEID,

R.H.L.M. van Boxtel


1. Inleiding.
In opdracht van de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken (BiZa), is in 1988 onderzoek gedaan naar de situatie van de Chinese gemeenschap in Nederland. Daaruit bleek dat zich bij die categorie niet dié achterstanden voordeden die kenmerkend zijn voor de doelgroepen van het integratiebeleid. De prognose was dat de geconstateerde problemen van tijdelijke aard zouden zijn. Op basis daarvan werd in de regeringsreactie geconcludeerd, dat de Chinezen niet onder het integratiebeleid minderheden behoefden te worden gebracht. Met instemming van de Tweede Kamer besloot het Kabinet tot het treffen van een aantal maatregelen in de vorm van verruiming van bestaande faciliteiten ten gunste van de Chinese gemeenschap. Deze verruiming betrof: · mogelijkheden tot het volgen van cursussen Nederlands in het kader van de regeling basiseducatie volwassenen; · subsidiëring van landelijke Chinese organisaties ten behoeve van hulpverlenings- en voorlichtingsactiviteiten; · verruiming van de middelen van de tolkencentra ten behoeve van de verbreding van de dienstverlening van deze centra aan Chinezen; · ondersteuning van het onderwijs in eigen taal en cultuur (via de Chinese scholen). Door signalen uit de Chinese gemeenschap is in 1995 vanuit de Ministeries van Volksgezondheid Welzijn en Sport(VWS) en Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK) aan het Instituut voor Sociologisch Economisch Onderzoek (ISEO) opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de maatschappelijke positie van Chinezen in Nederland. Het eindrapport daarvan is in juli 1999 aan de Tweede Kamer aangeboden. Daarbij werd een Kabinetsstandpunt in het vooruitzicht gesteld. Deze nota bevat dat standpunt.

2. De conclusies van het ISEO-onderzoek.
Het aantal Chinezen in Nederland bedraagt ca. 48.000. Het merendeel is afkomstig uit de Volksrepubliek China en uit Hongkong. Daarnaast is een groep van ca. 6.000 personen afkomstig uit o.m. Taiwan, Singapore en Macao. De groei van het aantal Chinezen in Nederland is zeer gering. De Chinese gemeenschap kent weinig onderlinge samenhang en woont verspreid over Nederland.
Wat betreft de onderwijspositie zijn de Chinezen over het geheel genomen hoger opgeleid dan Marokkanen en Turken, maar minder hoog dan Surinamers en Antillianen en autochtonen. Die tussenpositie kan worden verklaard door het bijzonder lage opleidingsniveau van de eerste generatie dat slechts gedeeltelijk wordt gecompenseerd door het veel hogere opleidingsniveau dat de tweede generatie heeft behaald in vergelijking met de andere allochtone bevolkingscategorieën. De opmerkelijk hoge huidige participatie qua niveau en aandeel in het volledige dagonderwijs toont aan dat de Chinezen beter dan de andere bevolkingsgroepen de onderwijsachterstand inlopen.

Over het geheel genomen is de arbeidsmarktparticipatie van Chinezen hoger dan die van Turken en Marokkanen, maar lager dan die van de andere groeperingen inclusief de autochtonen. Een uitsplitsing naar leeftijd laat zien dat de participatie van 25 tot 45 jarige Chinezen zeer hoog is en dat het aandeel 45 tot 65 jarige deelnemers aan de arbeidsmarkt zelfs het hoogst is van alle categorieën. Het gemiddelde participatiecijfer wordt evenwel omlaag getrokken door jongeren tot 25 jaar door hun hoge onderwijsdeelname. Het werkloosheidspercentage onder Chinezen steekt gunstig af bij dat van Turken en Marokkanen, ligt een fractie lager dan bij Surinamers en Antillianen, maar is dubbel zo hoog als dat van autochtonen. Niettemin is, vergeleken met het vorige decennium, de werkloosheid onder Chinezen nu beduidend lager. De werkloosheid treft vooral oudere koks en slecht Nederlandssprekend bedienend personeel. Uit de ISEO-gegevens blijkt dat de arbeidsmarktpositie van Chinezen redelijk gunstig is. De problemen die zich voordoen, zijn gerelateerd aan de wankele positie van de Chinese horeca, waarin 4/5 van de Chinezen (vooral de eerste generatie) werkt.

De markt voor ondernemingen in deze bedrijfstak heeft een verzadigingspunt bereikt. In deze branche heerst een felle concurrentiestrijd. Men probeert zich staande te houden door het product zo laag mogelijk geprijsd aan te bieden. Daarvoor worden de loon- en productiekosten gedrukt (meer dan eens door illegalen in te zetten), vindt ontduiking van de CAO plaats en wordt regelmatig het Nederlandse systeem van wet- en regelgeving overtreden. Het personeel in de Chinese Horeca is laag opgeleid, heeft werkervaring die zich beperkt tot deze sector en spreekt gebrekkig Nederlands. De kans op werk buiten de sector is klein. De marktpositie van de meeste familie- en kleine bedrijven (met een bedrijfsvoering zoals hierboven geschetst) is kwetsbaar. De bedrijfsresultaten van de helft van de Chinese restaurants liggen onder de Nederlandse minimumnormen; in feite zijn zij onrendabel. De kloof tussen de kleine en traditioneel werkende bedrijven en de grote, vaak gemoderniseerde, gespecialiseerde bedrijven is het laatste decennium gegroeid. De tendens van vervroegde uitstroom en een geringe instroom van de tweede generatie leidt tot een nog hogere werkdruk bij personeel, ondernemer en zijn familie. De weinige vrije tijd komt de participatie in de samenleving niet ten goede.

Vooral de eerste generatie Chinezen participeert slechts in geringe mate in de Nederlandse samenleving. Oorzaken zijn een zeer gebrekkige beheersing van het Nederlands, het cultuurverschil tussen Chinezen en de omgeving en een arbeidsverleden dat naast de Nederlandse samenleving is gesitueerd. Er is nauwelijks contact met autochtonen en (door spreiding over het land) weinig contact met andere Chinezen. De kennis van voorzieningen en van rechten is gering. Oudere Chinezen hebben voorkeur voor roulerend inwonen bij de kinderen of wonen in groepsverband met andere Chinezen. De tweede generatie spreekt aanzienlijk beter Nederlands, kent de Nederlandse samenleving en participeert daarin meer. Mede door hun goede opleidingsniveau zijn zij veel minder gericht op de Chinese horeca en zijn daar dientengevolge veel minder afhankelijk van.


3. Overwegingen.
Vastgesteld kan worden dat de problematiek ten aanzien van de Chinese bevolkingsgroep zich vooral voordoet op de gebieden van: de arbeidsmarkt en arbeidsomstandigheden (3.1.), de taal (3.2.), de ouderen (3.3.) en de criminaliteit (3.4.).

3.1. Arbeidsmarkt en arbeidsomstandigheden.
Het doorvoeren van innovatie en modernisering in Chinese restaurants blijkt veelal noodzakelijk. Echter, evenals in andere sectoren van bedrijvigheid, speelt de overheid daar geen directe rol bij. De Chinese gemeenschap bezit een unieke kennis en ervaring op het gebied van ondernemen. In dat verband is het belang dat het rijk, in het kader van het grote stedenbeleid, aan gemeenten middelen ter beschikking heeft gesteld voor verbetering en stimulering van het “etnisch ondernemerschap”. De gemeenten bepalen op welke doelgroepen activiteiten worden gericht. Activiteiten zouden zich kunnen richten op verbeteren van professionaliteit in de Chinese horeca, in samenwerking met de betreffende ondernemersorganisaties. Wat betreft de arbeidsomstandigheden in de horeca in het algemeen, is tussen de sociale partners en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) een intentieverklaring overeengekomen om binnen uiterlijk een jaar tot een convenant te komen met maatregelen voor verbetering van arbeidsomstandigheden. Inmiddels is een nulmeting gestart van de risicogroepen en de bestaande Arbo-maatregelen in de horeca. Voorts wordt onderzoek gedaan naar haalbare maatregelen die werkdruk voorkomen en overbelasting vaststellen. Op basis van de uitkomsten van de nulmeting en het onderzoek zullen de met sociale partners overeengekomen maatregelen ter voorkoming van werkdruk en een plan van aanpak voor de implementatie op ondernemingsniveau in het convenant worden neergelegd. De Arbeidsinspectie ziet toe op de naleving van de gemaakte afspraken, die ook tot een verbetering van de arbeidsomstandigheden in de Chinese horeca moeten leiden. Tegen die achtergrond heeft de Arbeidsinspectie in samenwerking met de Chinese werkgeversorganisatie (Chineko) een aantal voorlichtende activiteiten uitgevoerd, waaronder de productie van voorlichtingsmateriaal in het Chinees en een tweetal themabijeenkomsten. De Minister van SZW zal de Arbeidsinspectie verzoeken na te gaan of er in verband met het te sluiten convenant onder de Chinese horecaondernemers behoefte bestaat aan extra voorlichtingsactiviteiten.
De Chinese gemeenschap heeft voorgesteld om in personeelstekorten te voorzien door het aantrekken van personeel uit China en/of asielzoekers. Hierover zij het volgende opgemerkt. Het Kabinet voert een restrictief toelatingsbeleid voor werknemers uit het buitenland en meent dat men zich eerst en vooral dient te richten op het beschikbare arbeidspotentieel in Nederland.


3.2. Taal.
Een substantieel aantal, met name oudere, Chinezen beheerst de Nederlandse taal niet of nauwelijks. Onvoldoende beheersing van het Nederlands komt ook bij andere etnische minderheden veelvuldig voor. Het Kabinet heeft onlangs aan een 42-tal (grote)steden middelen beschikbaar gesteld voor de zogenaamde inburgering van oudkomers. In eerste instantie zijn deze middelen bedoeld voor taalonderwijs gericht op positieverbetering van werklozen en op ondersteuning van opvoeders. Deze middelen kunnen op verschillende manieren worden ingezet. Deze maatregelen moeten uiteindelijk uitmonden in een flexibel aanbod van Nederlands als tweede taal.
Allochtone leerlingen kunnen in principe in aanmerking komen voor onderwijs in allochtone levende talen (Oalt). Daarbij kan voor de moedertaal worden gekozen. De gemeenteraad stelt door een behoeftepeiling onder de ouders het Oalt-aanbod vast, binnen de financiële grenzen. Daardoor moet het tot keuzes komen, ook al omdat wachtgelden van leraren, als gevolg van wisselende keuzes in onderwijsaanbod, voor rekening van de gemeenten komen. Ruimte voor nieuwe taalgroepen, waaronder het Chinees, ontstaat dus langs wegen van geleidelijkheid. Chinezen wonen verspreid over het land; samenwerking tussen gemeenten vindt voor het Oalt nauwelijks plaats. De Minister van Onderwijs Cultuur & Wetenschappen (OC&W) heeft de ontwikkeling van leermiddelen Chinees ondersteund. Een knelpunt bij de Chinese scholen is dat de Chinese docenten vaak niet voldoen aan de vereisten om in aanmerking te komen voor Oalt-subsidie, zoals het voldoende beheersen van het Nederlands. Als Chinese leerkrachten aan alle vereisten voldoen, kunnen zij in de komende jaren vacatures vervullen in het uit Oalt-middelen bekostigde Chinese taalonderwijs. Overigens zijn de subsidiemogelijkheden voor nieuwe taalgroepen verruimd, door de uitbreiding van het Oalt-budget met f. 10 miljoen structureel.


3.3. Ouderen.
De economische positie van Chinese ouderen laat veelal te wensen over. Voorts zien zij zich geconfronteerd met communicatieproblemen, in verband met zowel taal als cultuur. Voorlichting, informatie en verkenningen naar “het praktisch leren van Nederlands” en naar overdraagbaarheid van het project “Chinese ouderen thuis” moeten resulteren in het verminderen van de problemen van Chinese ouderen. Onder Chinese ouderen bestaat behoefte aan specifieke zorgvoorzieningen. Het Kabinet beoogt geen identiteitsgebonden intramurale zorginstellingen. Eerder denkt het aan het vormen van clustering binnen bestaande zorginstellingen. Gemeenschappelijke woonvormen op lokaal niveau zijn een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Naast het bovengenoemde moet de aandacht gevestigd worden op initiatieven vanuit de Chinese gemeenschap. Zo functioneert “De Chinese Brug” zelfstandig in een Haagse wijk als ontmoetingsplaats en wijkcentrum voor zelfstandig wonende Chinese en niet-Chinese ouderen.

3.4. Criminaliteit.
De onderzoekers constateren dat de criminaliteit die de Chinese gemeenschap treft veelal zijn oorsprong vindt in mensensmokkel vanuit China. Voor het bestrijden van mensensmokkel is de Taskforce Mensensmokkel sinds begin 1999 operationeel. Voorts is vermeldenswaardig dat in 1997 binnen het kernteam Rotterdam-Rijnmond het Expertisecentrum Zuidoost Azië (ZOA) is opgericht. Eén van de problemen waarmee het ZOA, en de Nederlandse politie in het algemeen, bij de bestrijding van deze vormen van criminaliteit kampt, is het gebrek aan informatie vanuit de Zuidoost Aziatische gemeenschap; de aangiftebereidheid bij slachtoffers van een misdrijf is van groot belang. Om aangiftes zo goed mogelijk te kunnen afhandelen is afgesproken dat regiokorpsen die worden geconfronteerd met criminaliteit gepleegd door Zuidoost Aziaten en daarvoor zelf over onvoldoende kennis en expertise beschikken, de hulp van het Expertisecentrum ZOA kunnen inroepen. Het Kabinet neemt het Chinese verzoek om een landelijk aangiftepunt bij de politie voor Chinezen niet over; een dergelijk punt bestaat voor geen enkele groepering. Wel is het bereid te bemiddelen in contact tussen de Chinese vertegenwoordiging en het ZOA, waarbij het ZOA zijn functie kan toelichten. In de afgelopen 3 jaar is, in samenwerking tussen het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing en Horeca Nederland, tweemaal een folder uitgebracht, bestemd voor alle Chinese restaurants in Nederland. Daarin staat informatie over hoe te handelen bij een overval of bij afpersing. Een (nieuwe) landelijke voorlichtingsactie heeft op dit moment geen toegevoegde waarde.

4. Overleg tussen de Staatssecretaris van VWS, de Minister voor GSI en de Chinese gemeenschap in Nederland. Bij de voorbereiding van dit Kabinetsstandpunt hebben de genoemde bewindslieden op 2 november 1999 en op 17 februari 2000 overleg gevoerd met de Chinese gemeenschap. De Chinese gemeenschap heeft tijdens de overleggen de wens tot opname als doelgroep van het integratiebeleid minderheden uitgesproken. Daardoor zou deelnemen aan het Landelijk Overleg Minderheden (LOM) mogelijk worden en zou - door deze “erkenning” - een verhoogde kans ontstaan op het honoreren van subsidieaanvragen door lokale overheden en andere subsidieverstrekkers. Van Chinese zijde is tevens naar voren gebracht dat men van oordeel is dat een aantal van de problemen niet op lokaal niveau oplosbaar is. Daarbij gaat het om: · Problemen die samenhangen met de verzadigde markt voor de Chinese horeca zoals: De arbeidsomstandigheden. De angst voor criminaliteit van illegale ex-werknemers, de lage aangiftebereidheid van misdrijven vanuit de bedrijfstak en het Chinese voorstel om een landelijk aangiftepunt voor Chinezen op te richten. · Problemen op taalgebied, zoals: Een slechte beheersing van de Nederlandse taal. Jongeren die de Chinese taal niet machtig zijn. Het verkrijgen van subsidie voor Oalt. · De ouderen: Het isolement waarin oudere Chinezen verkeren. Weinig kennis over zorgvoorzieningen. Onvoldoende op hen toegesneden woonvormen. · Het gemis aan kader voor (zelf-)organisaties. · Gokverslaving.


5. Conclusies.
Het ISEO-rapport komt tot de conclusie dat als op grond van de sociaal-economische positie een rangorde van achterstand wordt aangelegd, de Chinese bevolkingsgroep zich als geheel in het midden van de vijf allochtone groeperingen bevindt. Alle vijf bevinden zich in een achterstandsituatie ten opzichte van de autochtonen. De achterstand van de Chinezen ten opzichte van autochtonen is in zijn algemeenheid kleiner dan van Turken en Marokkanen, maar groter dan van Surinamers en Antillianen. Evenwel, wanneer de eerste generatie Chinezen wordt vergeleken met de tweede generatie ontstaat een aanzienlijk gedifferentieerder beeld. De onderwijsmarktpositie van de eerste generatie is aanzienlijk slechter dan die van de tweede generatie. Bij de tweede generatie kan in dit opzicht worden gesproken van een grote sprong voorwaarts, waardoor haar positie sneller dan andere groeperingen die van de autochtonen benadert. De gesignaleerde achterstandpositie blijkt derhalve met name voor de eerste generatie Chinezen te gelden. Zij zijn vooral wat betreft het onderwijsniveau en de sociale participatie vergelijkbaar met Marokkanen en Turken.
Geconstateerd kan worden dat de Chinese bevolkingsgroep in het afgelopen decennium een gunstige ontwikkeling heeft doorgemaakt op in ieder geval de terreinen van het onderwijs en de arbeidsmarkt: de tweede generatie doet het goed. Een cumulatie van problemen die kenmerkend is voor de doelgroepen van het integratiebeleid minderheden kan niet worden vastgesteld. Gelet op deze positieve ontwikkeling dient het gevoerde beleid te worden voortgezet. De huidige positie bevestigt de zelfredzaamheid van deze groepering. Het vorenstaande brengt het Kabinet tot de conclusie dat er onvoldoende aanleiding is om de Chinese gemeenschap in Nederland op te nemen als doelgroep van het integratiebeleid minderheden.

Dat neemt niet weg dat het Kabinet van oordeel is dat een aantal aspecten van de woon- en leefsituatie van Chinezen extra aandacht vraagt. De Staatsscretaris van VWS wil gaarne met Chinese organisaties in gesprek over thema's die de zorg en het welzijn raken, zoals bijvoorbeeld Chinese ouderen, zelforganisaties en gokverslaving. Wat de ouderen betreft zou in dat gesprek onder andere kunnen worden doorgesproken over de mogelijkheid om Chinese vrouwen die geen werk hebben, maar wel graag willen werken mogelijk aan de slag kunnen in de zorg. Bezien zou moeten worden of daarvoor een programma is te formuleren. Verder is een belangrijk punt het in gezamenlijkheid verkennen van de mogelijkheden om hetgeen reeds beschikbaar is op grotere schaal te verspreiden, c.q. op maat te snijden voor de Chinese gemeenschap. Het NIZW kan daarbij een intermediare rol spelen. Daarnaast is de Staatssecretaris bereid om de positie van Chinese ouderen in het overleg met de zorgsector mee te nemen.

Voorts is de Minister voor GSI bereid om gemeenten en provincies te verzoeken zich meer te willen openstellen voor subsidieaanvragen vanuit de Chinese bevolkingsgroep. Dit omdat zij lokaal doorgaans als een kleine groep wordt gezien, die daardoor niet altijd als probleemgroep wordt ervaren.

Om ook over de Chinese woon- en leefsituatie van gedachten te kunnen wisselen zal de Minister van GSI 1 á 2 maal per jaar met de vertegenwoordiging van de Chinese gemeenschap overleg voeren. Ten einde de vertegenwoordiging van de Chinese gemeenschap in staat te stellen om als gesprekspartner en aanspreekpunt voor de rijkoverheid te fungeren is het Kabinet bereid om ter ondersteuning enige jaren financiële middelen ter beschikking te stellen. De vertegenwoordiging van de Chinese gemeenschap toonde zich tijdens het overleg van 17 februari 2000 verheugd met de door het Kabinet geboden instrumenten en toezeggingen. Dat laat echter onverlet dat zij graag gezien had volledig erkend te worden.

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie