Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Publiek debat over ruimtelijke inrichting van Nederland

Datum nieuwsfeit: 27-04-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CDA

De Hoop Scheffer over de kaart van Nederland na 2010

Publiek debat over toekomstige ruimtelijke inrichting Nederland

Het CDA organiseert op donderdag 27 april in samenwerking met de Haagse Dertigersgroepen in de Kamer van Koophandel te Den Haag een publiek debat over de ruimtelijke inrichting van Nederland na 2010. Aan de hand van stellingen zal door deskundigen van binnen en buiten het CDA gedebatteerd worden over plattelandsvernieuwing, stedelijke vernieuwing, waterbeheer, infrastructuur en wonen. Fractievoorzitter De Hoop Scheffer zal een toespraak houden over de Kaart van Nederland na 2010.

Onlangs presenteerde minister Pronk zijn Startnota Ruimtelijke Ordening 1999. Deze nota vormt de aftrap van de discussie over de ruimtelijke inrichting van Nederland na 2010; een discussie die nog dit jaar moet leiden tot de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Het CDA wil in deze discussie met een herkenbare en eigentijdse visie komen. Vandaar deze bijeenkomst waar deskundigen van binnen en buiten het CDA aan de hand van stellingen met elkaar in debat gaan. De avond wordt geleid door Elco Brinkman, voorzitter Algemeen Verbond Bouwbedrijf (AVVB). Na de aftrap van partijvoorzitter Van Rij en een inleiding door Elco Brinkman start het debat over de deelthemas plattelandsvernieuwing, stedelijke vernieuwing, waterbeheer, infrastructuur en wonen.
Fractievoorzitter De Hoop Scheffer sluit het debat af met een toespraak over de Kaart van Nederland na 2010.

Ten behoeve van de bijeenkomst is door een CDA-werkgroep onder leiding van Frank Kerkhaert de discussienotitie Ruimte voor Nederland Kwaliteitsland geschreven. Deze notitie is vanaf dinsdag 25 april a.s. 11.00 uur af te halen op het CDA-bureau en tevens hieronder te lezen.
Donderdag 27 april, Kamer van Koophandel, Koningskade 30, Den Haag. Tijdstip: 18.30-21.00 uur

Voor meer informatie: CDA-Partijvoorlichting, tel. 070-3424842; 06-22203933 (Joep Mourits)

CDA-discussienotitie t.b.v. een publiek debat op 27 april 2000

Inhoudsopgave


-Brief Marnix van Rij

-Inleiding

-Plattelandsvernieuwing

--Buitengebied

--Landelijk gebied

-Stedelijke ontwikkeling

--In kader: Deltametropool

-Water

-Mobiliteit en infrastructuur

-Wonen

-Aanbevelingen

CDA-debat over Ruimtelijke Inrichting

Beste mensen,

Wil het CDA een eigen bijdrage leveren aan de politiek, dan zal het oog moeten hebben voor de veranderende omstandigheden. Wil het CDA toekomstgericht zijn, dan zal het verder moeten kijken dat de gebruikelijke horizon van vier jaar. Deze woorden uit de inleiding van het Program van Uitgangspunten van het CDA hebben ook anno 2000 nog een hoge actualiteitswaarde. De relevantie van de christen-democratie staat of valt met het naar voren brengen van goed doordachte en uitgewerkte eigen inhoudelijke alternatieven.

Deze alternatieven komen er door debat. Een eigentijds publiek debat, waar jong en oud en mensen van binnen en buiten de eigen kring met elkaar kunnen discussiëren over actuele zaken van nu en vooral ook over de maatschappelijke vraagstukken van de toekomst.

Dit is de reden dat we vorig jaar in het CDA met elkaar gesproken hebben over de preventieve kant van veiligheid en dit jaar over generatiebewust-beleid. Maar, ook in de discussie over de toekomstige ruimtelijke inrichting van ons land moet het CDA met een herkenbare en eigentijdse visie komen.

Het kabinet bereidt een nota voor waarin een blauwdruk wordt gegeven van het Nederland van na 2010. Daarbij gaat het om vragen als: Welke functies moeten de ruimte krijgen op het platteland, welke in de stad en hoe gaan we om met ons waterbeheer? Hoe moet nieuwe infrastructuur vorm krijgen zodat Nederland niet dichtslibt? En, hoe moet worden omgegaan met de behoefte aan meer en ruimere woningen voor verschillende woonmilieus? Dit vraagt keuzes op het gebied van leefbaarheid, duurzaamheid, economische groei en mobiliteit. In deze keuzeafweging moet het CDA zijn inbreng hebben.

Daarom het publieke debat over de Ruimtelijke Inrichting van 27 april
a.s. in de Kamer van Koophandel Haaglanden. Een debat dat georganiseerd wordt door de Haagse christen-democratische Dertigersgroepen Schlemmer en Babylon en het CDA. Ter voorbereiding op dit debat is door een werkgroep onder leiding van Frank Kerckhaert (lid van de directieraad van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten) deze notitie geschreven. Een discussienotitie met aanbevelingen en dus geen manifest met dichtgetimmerde conclusies.

Ik hoop op een vruchtbaar debat op 27 april en een goede discussie in en buiten het CDA over dit belangrijke thema. Na dit publieke debat zal de discussie over de toekomstige inrichting van ons land verder gaan. Zo zal op de najaarspartijraad van het CDA over dit thema verder worden doorgesproken.

Voor verdere informatie over het debat kunt u contact opnemen met Alex Krijger of Giovanni Wouters van het CDA-bureau
((Wouters@bureau.cda.nl)).

Met vriendelijke groet,

Marnix van Rij
partijvoorzitter CDA

Inleiding

Ruimte in Nederland is schaars. Elke plek in ons land heeft een functie: wonen, werken, landbouw, natuur en recreatie, vervoer. Voor al deze functies wordt extra ruimte gevraagd. De verschillende ruimteclaims gaan ver boven de beschikbare ruimte uit. Er moeten dus keuzes worden gemaakt.

In het verkiezingsprogramma 1998-2002 Samenleven doe je niet alleen staan drie doelstellingen op basis waarvan het CDA vindt dat de ruimte moet worden ingericht. Het betreft hier economische, sociale en ecologische doelstellingen. De economische doelstellingen worden onder meer ontleend aan de geografische ligging van Nederland in de Europese delta. De sociale doelstellingen worden bepaald door de wens van de burger te wonen, te werken en te recreëren in een veilige, schone en prettige leefomgeving. Vanuit ecologische oogpunt is het bewaren van de schepping even waardevol als het bewerken ervan.

Om deze doelstellingen na te streven, is het de opdracht het succesvolle concept van Nederland Distributieland dóór te ontwikkelen tot Nederland Kwaliteitsland. Alleen zó kan Nederland optimaal de uitdagingen aan van globalisering, Europese integratie en de informatie- en communicatierevolutie. Nederland Kwaliteitsland is de beste weg naar verdere economische en tevens duurzame groei.

Ruimtelijke ordening moet verder gaan dan het alleen wat bijschaven van zich voordoende ontwikkelingen in de markt van vraag naar en aanbod van ruimte in ons land. Dat komt vooral tot uitdrukking in de structurerende principes die bij de inrichting gehanteerd worden.

Het CDA hanteert een zevental ordeningsprincipes als toets van het nieuwe landelijk ruimtelijk kader:

1. Uitgaan van een drieslag in het ruimtelijke beleid: conserverings-, balans- en intensiveringsgebieden
Conserveringsgebieden zijn door het Rijk aangewezen en beschermde gebieden met bijzondere waarden, waar weinig tot geen ruimte meer is voor uitbreiding van de bebouwing. Balansgebieden zijn gebieden waar ruimte is voor werken en wonen primair voor de eigen bevolking, maar dit wel in balans met natuur en landschappelijke waarden. Provincies hebben bij de concrete inrichting van deze gebieden het voortouw als regionale gebiedsregisseur, waarbij de keuzes door het Rijk slechts getoetst worden op grond van de zorgvuldigheid van het besluitvomringsproces en algemene randvoorwaarden, zoals mobiliteitsbeheersing en het primair benutten van de bestaande capaciteit. Intensiveringsgebieden zijn gebieden waarop volop ruimte wordt geboden aan wonen en werken, uiteraard met inachtneming van de geldende milieuwet-regelgeving. Het Rijk wijst deze gebieden wel globaal aan, formuleert ook randvoorwaarden, maar de concrete keuze van de grote woon- en werklocaties is een zaak van de betrokken lagere overheden in overleg met andere partijen. Hierbij kan het gaan om sterk stedelijke gebieden, maar ook om gebieden met intensieve land- of tuinbouw, zoals in het Westland (glas) en delen van Oost-Brabant (varkenshouderij).

2. Optimaal inzetten van maatschappelijke verantwoordelijkheid Richtinggevende landelijke kaders voor de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling kunnen alleen dan goed ontwikkeld worden indien partners, zoals het bedrijfsleven, de natuur- en milieubeweging, de agrarische sector, maatschappelijke groeperingen en de mede-overheden volop gelegenheid hebben mee te doen.

3. Inzetten op de internationale oriëntatie Niet zozeer de rijksgrenzen als wel de ligging in de Westeuropese delta bepaalt de kaders waarbinnen Nederland moet worden ingericht. Internationale en vooral Europese ontwikkelingen zijn van steeds groter belang, ook voor onze ruimtelijke inrichting. Dit kan leiden tot een krachtiger Nederlandse opstelling in EU-verband (of een deel van de EU) om gewenste ontwikkelingen te stimuleren en ongewenste te voorkomen. Daarnaast noopt de internationale oriëntatie tot goede afstemming en gezamenlijke beleidsvisies op regionaal (Eurregios) alsmede bovenregionaal niveau (bijvoorbeeld Benelux-structuurschets). Vanuit deze internationale oriëntatie kunnen Zuid- en Oost-Nederland als voorland worden gezien.

4. Her- en dubbelgebruik van ruimte gaat boven aanwending van nieuwe ruimte
Gerechtvaardigde claims voor nieuwe ruimte dienen zich te kenmerken door zo efficiënt en zuinig mogelijk gebruik van bestaande ruimte. Om toekomstige generaties niet onnodig te belasten, dienen nu niet de gemakkelijkste keuzes te worden gemaakt. De noodzakelijke verdere ontwikkeling in termen van werkgelegenheid, natuurontwikkeling, agrarische transitie, wonen, infrastructuur en recreatie vragen een voortdurend zoeken naar her- en dubbelgebruik van ruimte alvorens nieuwe ruimte in te nemen.

5. Economische en maatschappelijke veranderingen vragen om flexibiliteit
De globalisering van de economie en de verdere impact van ICT-toepassingen (de opkomst van de Netgeneration en de e-bedrijven) op de samenleving stellen eisen van flexibiliteit aan het ruimtelijk kader.

6. Nieuwe ruimtelijke kaders dienen contrastwerking/differentiatie te ondersteunen
Kenmerkende en waardevolle elementen als rust/drukte, licht/donker, open/gesloten, natuurlijke systemen/grootschalige ingrepen en intensief/extensief gebruik dienen bij de ruimtelijke inrichting te worden versterkt.

7. Stedenbouwkundig ontwerp moet markante plek in ruimtelijk afwegingsproces krijgen
Het accent ligt nu te veel op het ontwerpen van gebouwen. Het bredere concept van de inrichting van de openbare ruimte, dient meer maatgevend te worden.

Vanuit deze ordeningsprincipes wil het CDA een publiek debat voeren over de ruimtelijke inrichting van Nederland na 2010. Daarbij gaat het om de volgende vijf themas: plattelandsvernieuwing, stedelijke ontwikkeling, water, mobiliteit en infrastructuur, en wonen.


1.Plattelandsvernieuwing

Het is wenselijk onderscheid te maken tussen het landelijk gebied, grote delen van Nederland met nog heel wat grotere en kleinere dorpen en stadjes, en het buitengebied, het gebied waar natuur, recreatie en landbouw dominant zijn.

Buitengebied (natuur, recreatie en landbouw)

Ongeveer dertien procent van de grond in Nederland wordt op dit moment in gebruik genomen door bos en natuur. De afgelopen jaren is het oppervlak van bos- en andere natuurgebieden gegroeid en de komende jaren zal dat nog verder toenemen. Het is de bedoeling dat in 2020 twintig procent van Nederland bos- of natuurgebied zijn. De natuur is daarmee de komende jaren de grootste ruimtevrager.

Natuur dient een positie in de samenleving te verkrijgen die vergelijkbaar is met die van cultuur. Er moet een evenwicht gevonden worden tussen zorg voor het verleden, zorg voor het bestaande en zorg voor morgen door vernieuwing. Het Rijk moet daarom beschermde gebieden aanwijzen met bijzondere waarden, de zogenaamde conserveringsgebieden. In deze gebieden is weinig tot geen ruimte voor uitbreiding van de bebouwing. Hierbij kan gedacht worden aan (nieuwe) nationale parken, de Wadden, alsook een aantal gebieden die in cultuur-historisch opzicht bijzonder waardevol en beschermwaardig zijn. Denk bijvoorbeeld aan het Reitdiepgebied in Groningen, dat tot een van de oudste cultuurlandschappen van Noordwest-Europa mag worden gerekend.

Tweederde van de grond in Nederland is in gebruik voor de landbouw. De landbouwsector staat onder druk. Zo nemen de Europese subsidies voor landbouw af. De concurrentie op de wereldmarkt neemt toe. Boeren hebben met steeds strengere milieu-eisen te maken en de consument stelt steeds hogere kwaliteitseisen. De werkgelegenheid in de landbouw neemt al lange tijd af. Steeds meer boeren stoppen met hun huidige agrarische activiteiten of zoeken naar uitbreiding ter aanvulling van het inkomen. Relatief veel jongeren verlaten het dorp of de kern waar ze zijn opgegroeid. Zij zien onvoldoende perspectief om zich blijvend te vestigen in het buitengebied. Het buitengebied moet dan ook aantrekkelijker worden gemaakt voor met name deze jongeren. Zij, veelal boerenzoons of dochters, moeten in het buitengebied de ruimte krijgen om andere, duurzame semi- of niet-agrarische economische activiteiten te ontwikkelen. In veel bestemmings- en/of streekplannen is dit niet toegestaan. Hierbij mag geen sprake zijn van een netto toename van het ruimtegebruik, maar wel vervanging of hergebruik van de bestaande agrarische ruimte. De overheid moet stimuleren dat semi- of niet-agrarische activiteiten in het buitengebied kunnen worden ontwikkeld. Voorwaarde is wel dat deze activiteiten een duurzaam karakter hebben. De economische activiteiten mogen niet milieu- en landschapsbelastend zijn. Dit betekent bijvoorbeeld dat de verkeersstromen in het buitengebied niet sterk mogen veranderen. Te denken valt aan activiteiten als een meubelmakerij, een woonboerderij voor gehandicapten, recreatie (kamperen bij de boer) of activiteiten op het gebied van ICT. Er moet ruimte zijn voor nieuw leven op de boerderij.

Landbouw, natuur en recreatie moeten de hoofdfuncties blijven in het buitengebied, zowel wat betreft grondgebruik, landschap als economische activiteit. Er moet een nieuw evenwicht ontstaan waarbij een duurzame, concurrerende agrarische sector, natuur/recreatie en nieuwe economische bedrijvigheid in onderlinge samenwerking ten volle tot hun recht komen. Daarbij kan het bevorderen of het zonder meer toestaan van een sterke verwevenheid van functies op termijn een verlies aan kwaliteit en kwantiteit betekenen van één of meer van deze functies (verdringing). Gezien de ontwikkelingen op het platteland kunnen in de toekomst niet alle functies tegelijk of in dezelfde omvang worden voortgezet.

Debatstelling nieuw leven op de boerderij?
In het buitengebied, waar landbouw, natuur en recreatie de hoofdfuncties blijven, moeten (vooral ook jonge) ondernemers binnen het bestaande ruimtegebruik de kans krijgen duurzame semi- of niet-agrarische activiteiten te ontwikkelen. Landelijk gebied
Veel dorpen in het landelijk gebied mogen niet uitbreiden. De contour, een lijn om het dorp getrokken, geeft aan binnen welke grenzen verdere ontwikkeling mag plaatsvinden. Buiten de contour mag niet worden uitgebreid. Veelal wil men in de dorpen juist wel enige extra werkgelegenheid en woningbouw ontwikkelen om activiteiten en mensen aan te trekken. Dat schept werkgelegenheid en het is goed voor het behoud van winkels, scholen, openbaar vervoer, enzovoorts. Veel gemeentebesturen en dorpsverenigingen pleiten er dan ook voor om meer ruimte te geven aan de dorpen.

Vanuit een oogpunt van leefbaarheid van het landelijk gebied zou er ruimte moeten zijn voor werken en wonen, primair voor de eigen bevolking. Een vitaal dorp zou niet op slot gedaan mogen worden: in het algemeen is er een sterke behoefte aan enig perspectief op verdere ontwikkeling wat betreft bedrijvigheid, wonen en voorzieningen.

Anderzijds vragen andere belangen juist om een vrij restrictief beleid. Het openhouden van de groene ruimte, het meer regionaal bundelen van voorzieningen teneinde toch een optimaal verzorgingsniveau te kunnen realiseren, het vermijden van onnodige (auto)mobiliteit door wonen en werken bij elkaar te brengen en een meer evenwichtige ontwikkeling van de steden, wijzen in een andere richting.

Er is in het landelijk gebied derhalve een voortdurende spanning tussen bescherming en beheersing en de economisch vitaliteit van het platteland. Die spanning zal op elk overheidsniveau opgelost moeten worden. In een beperkt aantal gevallen zal het Rijk - zoals eerder genoemd - conserveringsgebieden kunnen aanwijzen met bijzondere waarden, waar weinig tot geen ruimte voor uitbreiding van de bebouwing toegestaan is. Hierbij kan gedacht worden aan een aantal kernen die in cultuur-historisch en landschappelijk opzicht bijzonder waardevol en beschermwaardig zijn (beschermde stads- en dorpsgezichten).

Provincies hebben via hun streekplannen de taak om die spanning verder te vertalen in concrete beleidslijnen. Het startpunt daarbij zou moeten zijn dat een dorp of kern niet op slot gedaan mag worden. Het is dan aan de provinciale overheid om, na goed en open overleg met alle betrokkenen, zoals lokale besturen, inwoners en bedrijven, overtuigend aan te geven dat in sommige gevallen andere belangen ertoe moeten leiden dat een restrictiever beleid aangewezen is. Het zich te gemakkelijk beroepen op landelijke richtlijnen past hier niet in. Bemoeienis van het Rijk in deze typisch regionale vraagstukken evenmin. Naarmate de beperking voor ruimtelijke ontwikkeling scherper wordt voorgesteld, zal de bewijslast van de provincie ook zwaarder moeten wegen. Een objectieve en transparante afweging tussen leefbaarheid, economie, natuur en landschap zal voor alle betrokkenen aangegeven dienen te worden.

Op gemeentelijk niveau zal de dan nog aanwezige ruimte om keuzes te maken tussen verschillende kernen op dezelfde gronden moeten zijn gestoeld. Het adagium van de huidige ruimtelijke inrichting, dat zwart/wit kan worden aangeduid als alleen gebundelde ontwikkeling bij sommige kernen, tenzij ......, zou daarom ingewisseld moeten worden voor altijd ruimte voor enige ontwikkeling bij de meeste kernen, tenzij.......

Debatstelling
Voor de leefbaarheid in het landelijk gebied geldt het uitgangspunt: geen enkel dorp mag op slot. Daarom rust er op overheden die een (sterk) restrictief beleid willen voeren, bijvoorbeeld in het Groene Hart, een zware bewijslast.


2. Stedelijke ontwikkeling

Het wordt steeds gewoner dat mensen in de ene stad wonen, in de andere stad werken en zich voor hun activiteiten op verschillende steden oriënteren. De ruimtelijke hoofdstructuur van Nederland zou dan ook meer regionaal vorm moeten krijgen en gebaseerd moeten zijn op vier ruimtelijk-economische regios, te weten:


-In het Noorden het ontwikkelingsconcept A6/A7-corridor.
-In het Oosten de stedelijke verbinding Knooppunt Arnhem-Nijmegen (KAN), Twente, richting Duitsland.

-In het Westen de Deltametropool.

-In het Zuiden de stedelijke regios:

-- Maastricht, Heerlen, richting Duitsland/België.
-- Den Bosch, Tilburg, Eindhoven, richting België (Kempen).
-- Zeeland, Breda, Antwerpen (Rijnscheldedelta).
In deze vier regios moet, voorzover het intensiveringsgebieden betreft, volop ruimte worden geboden aan wonen en werken. Natuurlijk met inachtneming van de geldende milieuwet- en -regelgeving. Zo hebben de grote steden in de Randstad de ambitie om samen te groeien tot een Deltametropool. Een metropool van zes miljoen inwoners die het economisch centrum van Nederland moet worden. Op deze manier kan de Randstad concurreren met grootstedelijke agglomeraties als Londen, Parijs en Berlijn (zie kader). Andere delen van Nederland hebben ook ambities: het Noorden wil een economische impuls, en het Zuiden en Oosten willen meer samenwerken met België en Duitsland. In Europese context kunnen het Zuiden en Oosten als voorland van Nederland worden gezien.

Deze ruimtelijke hoofdstructuur moet worden versterkt. Het is niet de bedoeling dat hierbij van bovenaf ontwikkelingsmodellen/-concepten worden opgelegd. Elke regio moet zich op eigen kracht en naar eigen inzicht kunnen ontwikkelen. Provincies en gemeenten moeten in overleg met maatschappelijke partijen de ruimtelijke vraagstukken in de regio zelf kunnen oplossen. Daarbij worden op nationaal niveau de volgende randvoorwaarden gehanteerd:

1.Het ontwikkelen van een internationaal concurrerend vestigingsmilieu in elke regio.

2.Verdere uitdijing van de Randstad via boven-landsdelige suburbanisatie en de daarbij horende verslechtering van de sociaal-maatschappelijke situatie in de grote steden moet worden tegengegaan. De Deltametropool dient gelegenheid te hebben de eigen groei aan activiteiten op te vangen en te differentiëren in stedelijke, semi-stedelijke en landelijke milieus.
3.Het Oosten en Zuiden vangen eveneens op gedifferentieerde wijze de eigen groei aan economische, stedelijke en landelijke activiteiten op.
4.Het Noorden moet met hoogwaardige openbaar-vervoerverbindingen (Zuiderzeelijn, magneet-zweeftrein) met de Randstad worden verbonden. Hierdoor kunnen de economische ontwikkelingen in deze regio worden gestimuleerd en kan de eigen bevolking worden vastgehouden.
Debatstelling
De vier ruimtelijk-economische regios (in het Noorden, Oosten en Zuiden en de Deltametropool) moeten zich op eigen kracht kunnen ontwikkelen en dienen de gelegenheid te hebben zelf de ruimtelijke vraagstukken op te lossen.

In kader: de Deltametropool

Deltametropool als drijvende kracht voor stedelijke vernieuwing

De ruimtelijke hoofdstructuur van steden is nauw gelieerd aan de hoofdstructuur van ons land, wat zich niet beperkt tot het simplificerend onderscheid stad en platteland. De karakteristieken van stedelijke vernieuwing en landelijke gebieden worden verder versterkt door het ontstaan van een Deltametropool. Het begrip delta staat voor het vruchtbare laagland, ontstaan in het gebied van de monding van de drie grote rivieren, de Rijn, de Maas en de Schelde. Het begrip metropool wordt gehanteerd als aanduiding van een stedelijk complex met een zodanig brede inrichting aan economische, sociale en ecologische potenties dat het als een middelgrote Europese stad in zn totaliteit onderdeel vormt van het globaliserende karakter van wereldsteden. De Europese Unie biedt West-Nederland de gelegenheid nog duidelijker een positie in te nemen als Europees centrum van havenactiviteiten en diensten. De ligging van Nederland aan de noordwestkust van het dichtbevolkte West-Europa is daarvoor onverminderd gunstig. Tegen deze achtergrond wordt gepleit voor de ontwikkeling van een Deltametropool in de wetenschap dat er enkele generaties overheen gaan eer deze metropool tot volle wasdom is gekomen.

Eén van de grote uitdagingen voor de Deltametropool is: Hoe kunnen we het stedelijk milieu van deze metropool versterken waar het gaat om zaken als infrastructuur, wonen, voorzieningen en recreatief groen?

De visie op de Deltametropool als drijvende kracht voor stedelijke vernieuwing is opgebouwd uit vier kwaliteiten.


1. De economische kwaliteit
Het economische kwaliteitsconcept is het eerste deel van de ruimtelijke vernieuwing. Dit deel kenmerkt zich door een intensief en kwalitatief ruimtegebruik voor wonen en leven, werken en bedrijvigheid. Daarnaast door de versterking van sociaal-economische milieus als het stedelijk midden en kleinbedrijf, het industriële havencomplex, het internationale luchthavencomplex, de dienstenstad en de financiële en zakelijke dienstverlening alsmede de verbreding van sociaal-culturele ontmoetingen als kunst, cultuur, uitgaansmogelijkheden en sportvoorzieningen. De omvorming van de losse verzameling in een samenhangend systeem van oude en nieuwe stedelijke centra en van kleine en grote wateren en landschappen schept gunstige voorwaarden tot differentiatie en specialisatie van deze steden in het grotere geheel. Voorts kan de economische kwaliteit worden versterkt als wordt gekozen voor meer gespreide verantwoordelijkheid bij een diversiteit aan economische projecten door middel van zogenaamde publiek-private samenwerkingen.

Het economische programma bestaat uit de vrije markt gecombineerd met (semi-) publieke voorzieningen bijeengehouden door maatschappelijke verbanden. Nederland kan zich als distributieland verbreden tot Nederland Kwaliteitsland met de Deltametropool als kans voor economische betrekkingen. Voor het innemen van een positie als Europese wereldstad is het noodzakelijk dat de Deltametropool op alle genoemde terreinen bedrijven en instellingen huisvest, die op de wereldmarkt als medespeler worden erkend. Een gezonde economie is dan een voorwaarde. Deze opvatting wordt gekenmerkt door sociaal-economische alsmede sociaal-culturele participatie en brede welvaartsdeling door versterking van de middengroepen in de Deltametropool.


2. De sociale kwaliteit

De sociale kwaliteit van de Deltametropool is gebaseerd op de versterking van de solidariteit en gemeenschappen van mensen. Een belangrijk onderdeel hierbij vormt de inrichting van de stad. Pleinen versterken het samenbindend element van de gemeenschap in de stad als centrum van wijk of buurt. Het plein is dan het middelpunt van wat in feite een dorp in de stad is. Vaak wordt gesproken over zogenaamde getto-vorming in steden, bijvoorbeeld in wijken waar veel immigratie-Nederlanders wonen. Het feit dat veel van deze mensen en groepen bij elkaar wonen hoeft geen probleem te zijn. In alle grote steden in de wereld blijkt steeds weer dat mensen met dezelfde achtergrond, nationaliteit of cultuur bij elkaar gaan wonen. Dat is juist gemeenschapsvorming. Een symbiose van respect voor de eigen kring en pluriformiteit. Natuurlijk moeten de basisvoorzieningen goed zijn en moet integratie zoveel mogelijk bevorderd worden, maar uitplaatsing mag geen doel op zich zijn. De buurten met velerlei culturen leveren ook een schat aan cultureel vertier op. Dat is verrijking. Veel winkels en eethuizen in deze buurten kunnen niet overleven wanneer de bewoners verspreid zouden wonen. Dat is juist de kracht. Wel dienen verpaupering, verslonzing en andere vormen van verloedering aandacht. En natuurlijk mogen deze groepen mensen niet van de achterstand overzee terechtkomen in een achterstand hier in Nederland. Hiermee wordt afstand genomen van een cultuuropvatting die waarden en normen reduceert tot individuele opvattingen of tot de persoonlijke levenssfeer in het domein van de publieke zaak. De sociale kwaliteit van de deltametropool dient verscheidenheid te koesteren, waarbij revitalisering van middengroepen in het belang van het sociale kader noodzakelijk is.


3. De ecologische kwaliteit
De ecologische kwaliteit van de Deltametropool heeft als basiscomponent de infrastructuur, de waterhuishouding en de natuurwaarden in de delta.

De infrastructuur is het netwerk van verbindingen in dit ruimtelijk ecologisch concept. De Deltametropool kan pas werkelijkheid worden als wordt erkend dat synergie het bundelen van creativiteit en energie de kracht is die de omvorming van losse steden tot een geheel moet aandrijven. Een structurele verbetering van de onderlinge verbindingen en de onderlinge bereikbaarheid van de diverse meer en minder verstedelijkte delen van de Deltametropool is daartoe een absolute voorwaarde: gedeconcentreerde bundeling.
Er moet een einde komen aan het vruchteloze onderscheid tussen openbaar railvervoer en particulier automobilisme. Het gaat om het elkaar aanvullen en versterken van beide vervoerstypen met oog voor moderne techniek. Er moet gekozen worden voor verregaande integratie van railvervoer en wegvervoer als methode om synergie tussen de diverse stedelijke centra van deze metropool te bevorderen. De Deltametropool kent daartoe een fijn vertakt stelsel van transferia die alle knooppunten van openbaar rail- en wegvervoer goed bereikbaar maakt voor particuliere automobilisten, fietsers en voetgangers. Het Select Systeem voor automobiliteit, dat uitgaat van kiezen om te betalen voor rijden middels betaalstroken, kiezen voor tijd door in de file te staan en het beste alternatief door te kiezen voor hoogwaardig openbaar railvervoer is onlosmakelijk met dit netwerk voor steden verbonden. De sedert 1950 opgelopen achterstand in het stadsregionale openbaar railvervoer dient te worden ingelopen middels onder meer het voor de Deltametropool cruciale metropolitane railvervoer tussen de steden.

De ecologische kwaliteit wordt verder versterkt door het begrip cultuurlandschap in brede zin als natuurwaarden te hanteren. Tot cultuurlandschap behoren dus zowel door mensen beheerde omvangrijke natuurgebieden als de tot in duizenden kleine percelen verkavelde dichtbebouwde stedelijke centra. Er zijn grenzen aan een inrichtingsmodel waarin dunbevolkte delen van dit cultuurlandschap steeds verder worden verdicht en dichtbevolkte delen verder worden verdund. Per saldo leidt dit op den duur tot homogenisering en nivellering van het cultuurlandschap, waarbij natuurlijke en historische verschillen worden geëgaliseerd. Hierbij gaat het om een positieve waardering van verschillen. Er kan en mag contrast zijn tussen stad en land. Op de schaal van de metropool krijgt dit waterrijke cultuurlandschap met landbouw, natuur en openlucht-recreatie als duurzame vormen van grondgebruik de functie van een metropolitaan landschapspark. Dit is een duurzaam systeem van open ruimten binnen het stedelijk complex.


4. De kwaliteit van de stedelijke vernieuwing Steden als concentraties van economische, sociale en ecologische kwaliteiten vervullen economisch-geografisch dan ook een veelzijdige functie: als kweekvijver voor nieuwe bedrijven, als waardevolle gemeenschappen voor nieuwkomers in de stedelijke economie, als revitalisering van de middengroepen, als ecologische zones voor nieuwe vormen van infrastructuur en voor versterking van de natuurwaarden als landschappelijke verbindingen tussen de steden. Al deze functies duiden op de onmisbaarheid van stedelijke vernieuwing met als drijvende kracht de Deltametropool.

Debatstelling
Inzetten op de Deltametropool als drijvende kracht van de Nederlandse economie vereist met het oog op de toekomst:

-De aanleg van een nationale luchthaven in zee
-De aanleg van een tweede Maasvlakte.


3. Water

Nederland is een laag gelegen land in een rivierdelta. Omdat deze ligging vruchtbare grond meebrengt en een gunstige schakel tussen land- en waterwegen vormt, is in de loop van de geschiedenis een goede landbouwstructuur tot stand gekomen en kon Nederland een handelsnatie worden. De positie van water bepaalde de ontwikkeling van ons land. In de loop der eeuwen hebben we steeds meer het water naar onze hand willen zetten. De aanleg van dijken (steeds hoger en hoger), het verbeteren van de waterhuishouding in het landelijk gebied in het kader van ruilverkavelingen, meer en betere gemaalcapaciteit, droogmakerijen, het kanaliseren van riviertjes en beken en het reguleren van het water in de bebouwde omgeving zijn daarvan bekende verschijningsvormen.

Op het terrein van het waterbeheer was het geloof in de maakbaarheid groot. Nederland kent dan ook een lange traditie van strijd tegen het water. In de jaren zeventig kwam er een omslag. De nadelige effecten op het milieu van dit beleid werden zichtbaar. We herinneren ons de discussie over de Oosterscheldedam. Vandaag de dag zijn ook andere schaduwzijden van dit maakbaarheidsgeloof zichtbaar. Het klimaat verandert (meer neerslag in kortere perioden), de zeespiegel stijgt, het grondwater zakt en ingeperkte rivierbeddingen kunnen de hoeveelheid rivierwater soms niet aan. Dit heeft het denken over water veranderd.

Kunnen we eindeloos doorgaan met het verhogen van dijken? Duidelijk is dat het water meer ruimte nodig heeft. Is de ruimtelijke ordening de laatste jaren niet teveel het vormgeven aan gewenste en toch niet tegen te houden ontwikkelingen geweest? We willen én stedelijke uitbreiding, én industrieterreinen aanleggen, én glastuinbouw realiseren, én Betuwelijnen aanleggen én ijsbergsla kunnen telen. Maar, wat betekent dit voor het waterbeheer in de betrokken regio, als de dijken als gevolg van meer rivierwaterafvoer en stijging van de zeespiegel nog hoger moeten worden? Wat zijn de effecten van meer neerslag in kortere tijd in een bebouwde omgeving? Wat zijn de gevolgen voor de natuurlijke waarden in ons land als we te weinig rekening houden met de kwalitatieve aspecten van water? Reeds nu is het meeste oppervlaktewater uit het buitenland afkomstig. Moeten we tot in lengte van jaren overal kunnen blijven bouwen en overal alle gewassen kunnen telen?

Belangrijke ontwikkelingen op waterterrein en het besef dat water zijn eigen wetten kent, dwingen ons om fundamenteel na te denken over de rol die water dient te spelen in de ruimtelijke ordening. Het geloof in de allesomvattende maakbaarheid van de (water)samenleving is tanende. De noodzaak water te beheren en veiligheid te scheppen tegen rivier- en zeewater blijft.

Een duurzame ontwikkeling van ons land vraagt om meer ruimte voor water en meer aandacht voor water in de ruimtelijke ordening. Indien we lering willen trekken uit de fouten die in het verleden zijn gemaakt, zal in ieder geval het bouwen in de uiterwaarden van de rivieren taboe moeten zijn. Verder zal er gekeken moeten worden hoe we het water van overstromende rivieren kunnen opvangen en afvoeren. Vastgelegd moet worden welke laaggelegen gebieden (polders) voor (periodieke) waterberging in aanmerking komen. Deze keuze moet vooral op regionaal/provinciaal niveau worden gemaakt in overleg met de betrokken bewoners. Verder moeten technieken worden ontwikkeld voor ondergrondse wateropslag en meer opvang van het regenwater in woonwijken, bijvoorbeeld in vijvers. Daar staat tegenover dat waterberging goed gecombineerd kan worden met wonen (denk bijvoorbeeld aan drijvende woningen), recreatie en natuurontwikkeling. Daarnaast is het de vraag op welke wijze waterschappen nauwer bij de besluitvorming over toekomstige locaties voor wonen en werken betrokken kunnen worden. In ieder geval moet het ordenend principe van water een grotere rol krijgen bij de toekomstige inrichting van Nederland.

Debatstelling
Een duurzame ontwikkeling van Nederland kan betekenen dat laaggelegen gebieden (polders) bestemd worden voor waterberging gecombineerd met wonen en/of natuur/recreatie.


4. Mobiliteit en infrastructuur

Wil Nederland economisch blijven groeien, zoals de laatste jaren het geval is geweest, dan betekent dat een extra beslag op ruimte. Nieuwe werknemers moeten wel een werkplek hebben èn elke dag met fiets, auto, bus of trein op hun werk komen. Bovendien wonen en werken mensen tegenwoordig niet vaak in dezelfde plaats. Autowegen en spoorwegen worden steeds intensiever gebruikt. De verwachting is dat het personenvervoer tot 2030 met 27 procent stijgt en het aantal autos toeneemt van nu zes miljoen tot acht miljoen in 2030. Verder verwacht men dat het goederenvervoer in 2030 verdubbeld zal zijn en dat de handel via internet explosief gegroeid is. In nagenoeg alle delen van het land zijn er wachtlijsten met bedrijven die een nieuwe locatie zoeken of willen uitbreiden. Het ministerie van Economische Zaken geeft aan dat met name het Zuiden en Westen een tekort aan bedrijventerreinen zal hebben in 2015.

Groeiende mobiliteit is een sociale, recreatieve én economische realiteit. Dit heeft positieve gevolgen in termen van welvaart en ontplooiing. Maar de sterke toename van de mobiliteit heeft ook negatieve gevolgen in de vorm van energieverbruik en klimaatverandering, een explosief toegenomen stedelijk ruimtebeslag en daarmee samenhangende aantasting van de open ruimte, natuur en landschap. Nieuwe productietechnologie, die meer decentraal werken mogelijk maakt, en een samenleving die meer op kennis gericht is, zullen in de verdere toekomst kunnen leiden tot een afname van de behoefte aan transport van vooral goederen. Maar de vergroting van de participatie in de samenleving op het brede gebied van werk, cultuur en recreatie zal de mobiliteit van personen een blijvende impuls geven.

Naast het accepteren van de automobiliteit, moet de groeiende mobiliteit langs de volgende vier stappen in duurzame richting worden geleid. In volgorde van belangrijkheid:

1.Sterke verbetering van het openbaar vervoer dat niet geheel aan de marktwerking wordt overgelaten, maar waar openbare aanbesteding (door middel van concessies) mogelijk is door integratie van verschillende systemen en door investeringen in de stedelijke infrastructuur voor openbaar vervoer, alsmede van duurzame vervoerdragers als water, buizentransport en fietsverkeer.

2.Optimalisering van het gebruik van de bestaande wegen-infrastructuur door verbetering van de verhouding van de variabele kosten van auto en openbaar vervoer ten gunste van het openbaar vervoer, toeritdosering, betaal- en doelstroken.

3.Aanpassing van de bestaande wegeninfrastructuur door verbreding en extra rijstroken.

4. En als laatste de aanleg van nieuwe wegen-infrastructuur, daar waar het voorgaande onvoldoende helpt.

Bij de laatste stap, de aanleg van nieuwe infrastructuur, gelden de volgende uitgangspunten:

-Aanvullende capaciteit aan infrastructuur wordt zoveel mogelijk langs bestaande transportassen bijgebouwd om onnodige nieuwe doorsnijdingen van het landschap te voorkomen.

-Er moeten hoge kwaliteitseisen worden gesteld aan de inpassing van nieuwe infrastructuur in stedelijke alsmede landelijke omgeving. Te denken valt aan tunnels verdiept aanleggen en het voorkomen van geluidshinder.

-Voor de financiering van de extra capaciteit van infrastructuur staan in onderlinge samenwerking aanvullende financieringsbronnen open:
-- overheidsbijdragen

-- gebruikersbijdragen

-- risicodragend kapitaal van particuliere investeerders.
-De overheid kan exploitatie van nationale infrastructuur in ruil voor gebruikersvergoedingen voor een bij concessieovereenkomst bepaalde termijn aan particulieren overlaten, nadat de Tweede Kamer aan een dergelijke overeenkomst goedkeuring heeft gehecht.
-Bij de aanleg van nieuwe infrastructuur wordt openbaar vervoer in het bijzonder in het stedelijk gebied bevorderd. Ondergronds transport, parkeren onder en boven bebouwing, overkapping van infrastructuur, woon- en werkgelegenheden direct bij verkeersknooppunten van openbaar en particulier vervoer en andere vormen van meervoudig ruimtegebruik worden bevorderd. Nieuwe woon- en werklocaties worden alleen nog gebouwd als zij vanaf de aanvang goed bereikbaar zijn met openbaar vervoer. Om dit laatste te kunnen realiseren moeten de huidige (passagiers-)normen voor bijvoorbeeld de aanleg van een nieuw NS-station worden verlaagd. Het Rijk dient zonodig de aanloopverliezen te compenseren.

Gelet op de noodzaak om te voorzien in de fors toenemende behoefte aan ruimte voor wonen, werken en recreëren vooral in (de buurt van) bestaand stedelijk gebied, is een aanmerkelijke financiële impuls voor de totstandkoming van de bijhorende infrastructuur onontkoombaar. Kiezen voor nieuwe, hoogwaardige en duurzame infrastructuur vereist politieke en maatschappelijke bereidheid tot forse investeringen. Deze kostbare duurzame investeringen kunnen gefinancierd worden uit de Rijksbegroting, gelden uit het Fonds Economische Structuurversterking en door middel van publiek-private samenwerking. Immers, alleen dan kan Nederland economisch en duurzaam verder blijven groeien.

Debatstellingen

1.Kiezen voor verdere economische groei met nieuwe, hoogwaardige en duurzame infrastructuur vereist forse investeringen.
2.In de Randstad en dichte stedelijke agglomeraties is een giga-investering vereist in het openbaar vervoer, vergelijkbaar met het metronet in Londen, Parijs en Berlijn.


5.Wonen

De komende dertig jaar moeten er naar schatting nog één tot anderhalf miljoen woningen worden gebouwd. Dit komt doordat het aantal inwoners verder toeneemt en het aantal bewoners per huis verder afneemt. Over twintig jaar woont zeventig procent van de Nederlanders alleen of met zn tweeën. De één- en tweepersoonshuishoudens beschikken over veel vrije tijd en bestedingsruimte. Hun keuzemogelijkheden nemen toe. Gaan ze in het natuurrijke landelijk gebied wonen? Of willen ze juist in de steden wonen, dicht bij de voorzieningen? Hoeveel ruimte dit in beslag gaat nemen hangt af van wat voor soort woningen waar gebouwd worden.

Door een stijgend welvaartsniveau en een gemiddeld hoger opleidingsniveau ontstaat een veelheid van woon- en leefstijlen. De vraag naar kwalitatief betere woningen neemt toe. Mensen willen zowel groter als mooier wonen, met meer persoonlijkheid. Ook de behoefte aan centrumstedelijke woonmilieus (door de groei van het aantal alleenstaanden) alsmede naar landelijke milieus zal sterk toenemen.

Voor de woonmilieus is meer flexibiliteit en ruimte nodig. De huidige woningenvoorraad kan deze vraag niet opvangen. Herstructurering van bestaande wijken zal hoofdzakelijk de oplossing moeten zijn voor deze vraag. De woningenvoorraad in ons land zal met name op lokaal en regionaal niveau met kracht moeten worden geherstructureerd. Deze herstructurering is niet mogelijk binnen de huidige ruimtelijke en financiële randvoorwaarden. Het aanwezige aanbod van woningen is op geen enkele wijze afgestemd op de huidige en toekomstige vraag. Vooral in kwalitatieve zin zijn nog grote tekorten in te lopen, zowel naar voorzieningenniveau als naar woonmilieu.

Daarnaast leidt de veranderde levensloop van mensen, gekenmerkt door een groter aantal levensfasen en meer verscheidenheid aan activiteiten binnen elke levensfase, tot de behoefte aan woningen die voor alle leeftijden geschikt zijn. In Nederland zijn de meeste woningen gebouwd als één- of twee-generatiewoning. Voor veel mensen zou een meer-generatiewoning veel voordelen hebben. Wel moeten privacy, zelfstandigheid en betaalbaarheid gewaarborgd zijn.

Voor alle generaties geldt dat mensen specifieke wooneisen hebben. Het bevorderen van de sociale samenhang betekent dat mensen kunnen blijven wonen in de wijk of buurt, ook als er andere woonbehoeften ontstaan. Het sociale netwerk in een wijk blijft dan in stand. Een wijk waarin jonge gezinnen wonen, samen met ouderen. Contact tussen generaties in de woonomgeving bevordert het begrip over en weer. Eilanden waar òf alleen jongeren òf alleen ouderen wonen moeten te allen tijde worden tegengegaan.

Een wijk of dorp waar meer generaties kunnen (blijven) wonen vraagt naast een gedifferentieerd aanbod van woningen, ook om voorzieningen op wijkniveau. Kleinschalige werkgelegenheid geeft ook een meerwaarde aan het woon- en leefmilieu. Nieuwe wijken moeten vanaf het begin goede openbaar vervoersvoorzieningen hebben. Sportfaciliteiten, scholen, winkels en eerstelijnsgezondheidszorg moeten op wijk- en dorpsniveau in stand blijven. Mensen moeten ook zelf hun verantwoordelijkheid nemen voor de directe woonomgeving, het publieke domein. Initiatieven om gezamenlijk de straat of wijk te verbeteren, wederzijdse hulp over en weer zijn geen zaken die de overheid kan opleggen.

De komende jaren en decennia is er een extra inspanningsverplichting nodig om sociale segregatie (arme/zwarte en rijke/witte wijken) en aantasting van het sociale weefsel in steden en dorpen tegen te gaan. Daarom moet heterogeniteit in woon- en leefmilieus worden nagestreefd, zonder afbreuk te doen aan de keuzevrijheid van mensen die zelf willen bepalen waar en hoe ze wonen. Heterogene woonmilieus kunnen worden bereikt door een meer gevarieerd woningaanbod en een huisvestingsbeleid dat rekening houdt met de samenstelling, lokalisering en verdeling van de woningvoorraad.

Om de ongewenste segregatie tegen te gaan is het verder noodzakelijk dat overheden het stedebouwkundig ontwerp richten op ontmoeting en integratie van mensen in de openbare ruimte, zoals in scholen, sportclubs, muziekverenigingen, werkgelegenheid enz.

Debatstelling
Door een krachtige herstructurering van bestaande wijken moet er een gevarieerder woningaanbod en meer variatie in functies (wonen,werken, recreatie etc.) komen.

Aanbevelingen
Christen-democratische ordeningsprincipes

-Op basis van economische, sociale en ecologische doelstellingen moet de ruimte worden ingericht. Om deze doelstellingen na te streven, is het de opdracht het succesvolle concept van Nederland Distributieland dóór te ontwikkelen tot Nederland Kwaliteitsland. Nederland Kwaliteitsland is de beste weg naar verdere economische en tevens duurzame groei.

-Het CDA hanteert een zevental ordeningsprincipes als toets van het nieuwe landelijk ruimtelijk kader:

1.Uitgaan van een drieslag in het ruimtelijke beleid: conserverings-, balans- en intensiveringsgebieden

2.Optimaal inzetten van maatschappelijke verantwoordelijkheid
3.Inzetten op de internationale oriëntatie

4.Her- en dubbelgebruik van ruimte gaat boven aanwending van nieuwe ruimte

5.Economische en maatschappelijke veranderingen vragen om flexibiliteit
6Nieuwe ruimtelijke kaders dienen contrastwerking/differentiatie te ondersteunen

7.Stedenbouwkundig ontwerp moet markante plek in ruimtelijk afwegingsproces krijgen

Plattelandsvernieuwing (buitengebied en landelijk gebied)
-Het Rijk moet beschermde gebieden aanwijzen met bijzondere waarden, de zogenaamde conserveringsgebieden. In deze gebieden is weinig tot geen ruimte voor uitbreiding van de bebouwing.

-Jonge ondernemers moeten in het buitengebied de ruimte krijgen om andere, duurzame semi- of niet-agrarische economische activiteiten te ontwikkelen.

-Voor de leefbaarheid in het landelijk gebied geldt het uitgangspunt: geen enkel dorp mag op slot, uitgezonderd aangewezen conserveringsgebieden.

Stedelijke ontwikkeling


-De ruimtelijke hoofdstructuur van Nederland zou meer regionaal vorm moeten krijgen en gebaseerd moeten zijn op vier ruimtelijk-economische regios (stedelijke verbindingen in het Noorden, Oosten en Zuiden en de Deltametropool).

-In de vier regios moet voorzover het intensiveringsgebieden betreft - volop ruimte worden geboden aan wonen en werken. Natuurlijk met inachtneming van de geldende milieuwet- en regelgeving.
-Elke regio moet zich op eigen kracht en naar eigen inzicht kunnen ontwikkelen. Lagere overheden moeten in overleg met maatschappelijke partijen de ruimtelijke vraagstukken in de regio zelf kunnen oplossen. Daarbij worden op nationaal niveau de volgende randvoorwaarden gehanteerd:

1.Het ontwikkelen van een internationaal concurrerend vestigingsmilieu in elke regio.

2.Verdere uitdijing van de Randstad via boven-landsdelige suburbanisatie en de daarbij horende verslechtering van de sociaal-maatschappelijke situatie in de grote steden moet worden tegengegaan. De Deltametropool dient gelegenheid te hebben de eigen groei aan activiteiten op te vangen en te differentiëren in stedelijke, semi-stedelijke en landelijke milieus.
3.Het Oosten en Zuiden vangen eveneens op gedifferentieerde wijze de eigen groei aan economische, stedelijke en landelijke activiteiten op.

4.Het Noorden moet met hoogwaardige openbaar-vervoerverbindingen (Zuiderzeelijn, magneet-zweeftrein) met de Randstad verbonden worden teneinde de economische potenties van deze regio te stimuleren zodat de eigen bevolking kan worden vastgehouden en de eigen economische ontwikkelingen worden gestimuleerd.

Water

-Een duurzame ontwikkeling van ons land vraagt om meer ruimte voor water en meer aandacht voor water in de ruimtelijke ordening. Er moeten meer plannen worden gemaakt om langs de rivieren en de kust stroken land te gebruiken voor waterberging. Dit betekent dat sommige laaggelegen gebieden (polders) worden opgeofferd aan het water. Daar staat tegenover dat waterberging goed gecombineerd kan worden met wonen, recreatie en natuurontwikkeling.

Mobiliteit en infrastructuur

-Naast het accepteren van de automobiliteit, moet de groeiende mobiliteit langs de volgende vier stappen in duurzame richting worden geleid. In volgorde van belangrijkheid:

1.Sterke verbetering van het openbaar vervoer dat niet geheel aan de marktwerking wordt overgelaten, maar waar openbare aanbesteding mogelijk is door integratie van verschillende systemen en door investeringen in de stedelijke infrastructuur voor openbaar vervoer, alsmede van duurzame vervoerdragers als water, buistransport en fietsverkeer.

2.Optimalisering van het gebruik van de bestaande wegen-infrastructuur door verbetering van de verhouding van de variabele kosten van auto en openbaar vervoer ten gunste van het openbaar vervoer, toeritdosering, betaal- en doelstroken.

3.Aanpassing van de bestaande wegeninfrastructuur door verbreding en extra rijstroken.

4.En als laatste de aanleg van nieuwe wegen-infrastructuur, daar waar het voorgaande onvoldoende helpt.

-Kiezen voor nieuwe, hoogwaardige en duurzame infrastructuur vereist politieke en maatschappelijke bereidheid tot forse investeringen. Deze kostbare duurzame investeringen kunnen gefinancierd worden uit de Rijksbegroting, gelden uit het Fonds Economische Structuurversterking en door middel van publiek-private samenwerking. Immers, alleen dan kan Nederland economisch en duurzaam verder blijven groeien.
Wonen

-De woningenvoorraad in ons land zal met name op lokaal en regionaal niveau met kracht moeten worden geherstructureerd. Deze herstructurering is niet mogelijk binnen de huidige ruimtelijke en financiële randvoorwaarden.

-In Nederland zijn de meeste woningen gebouwd als één- of twee-generatiewoning. Voor veel mensen zou een meer-generatiewoning veel voordelen hebben. Wel moeten privacy, zelfstandigheid en betaalbaarheid gewaarborgd zijn.

-Kleinschalige werkgelegenheid geeft ook een meerwaarde aan het woon- en leefmilieu. Nieuwe wijken moeten vanaf het begin goede openbaar vervoersvoorzieningen hebben.

-Heterogene woonmilieus kunnen worden bereikt door een meer gevarieerd woningaanbod en een huisvestingsbeleid dat rekening houdt met de samenstelling, lokalisering en verdeling van de woningvoorraad.
Ruimte voor Nederland Kwaliteitsland is geschreven door de werkgroep Ruimtelijke Inrichting:

Pieter van Geel
Ineke Giezeman
Frank van den Heuvel
Frank Kerckhaert (voorzitter werkgroep RI)
Alex Krijger (eindredactie)
Gerd Leers
Willem Peek
Sjaak van der Tak
Joost Verheijen
Giovanni Wouters (redactie)

De werkgroepleden bedanken onder meer de volgende personen voor hun inhoudelijke bijdrage en commentaar:

Nanda Ammerlaan-Oosterlaan
Dick van Hemmen
Rein van der Kluit
Jan Willem Straatsma
Pieter Tulner


Aanzet voor standpuntbepaling inzake staatkundige vernieuwing

Een werkgroep onder leiding van Jos Houben heeft, in opdracht van het Partijbestuur, een aanzet gegeven voor een standpuntbepaling van de partij inzake staatkundige vernieuwing. Het Partijbestuur ziet graag dat de Partijraad op 13 mei a.s. zich uitspreekt over dit onderwerp. Maar voordat het zover is, wil het Partijbestuur ook Afdelingen de ruimte geven om te reageren. De reacties zullen worden verwerkt in het voorstel dat het Partijbestuur aan de Partijraad voorlegt. Tot uiterlijk 15 april a.s. kunt u reageren op de Standpuntbepaling. Uw reactie kunt u sturen naar: CDA-sector politiek bestuur, Postbus 30453, 2500 GL Den Haag, fax. 070-3603635; email: (Partijontwikkeling@bureau.cda.nl)



Aanzet voor standpuntbepaling CDA m.b.t. staatkundige vernieuwing

Voorwoord

In november 1999 presenteerde een commissie onder leiding van prof.mr.dr. A. Postma, ontstaan uit een initiatief van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA, de Bestuurdersvereniging en de partij, de discussienotitie Naar een vitale democratie; een christen-democratische verkenning van de relatie burger en overheid Themas als de positie van de Eerste Kamer, het correctief referendum, de plaats en betekenis van politieke partijen en de ministeriële verantwoordelijkheid staan volop in de publieke belangstelling. Onlangs presenteerde de Staatscommissie Dualisme en Lokale Democratie (Commissie Elzinga) haar eindrapport. Op basis van deze bijdragen en de uitkomsten van de naar aanleiding van het rapport van de Commissie Postma gehouden conferentie heeft een werkgroep onder leiding van Mr. J.A.M.L. Houben (burgemeester van Tubbergen) een aantal voorstellen geformuleerd ter bespreking in de afdelingen. Een permanente en gestuctureerde inspanning van het CDA, ook in de toekomst, om de vitale democratie verder inhoud te geven is immers geboden.

Inleiding

In een parlementaire democratie gaat het in essentie om het afwegen van belangen van mensen op basis van het recht en gerechtigheid. De gerechtvaardigde belangen van burgers en hun instellingen vragen met andere woorden om inpassing in het algemeen belang. Het is een gegeven dat burgers veelal en vaak terecht hun eigen belang nastreven. Het is de traditionele en principiële taak van de overheid om alle deelbelangen integraal af te wegen en samen te smeden tot het algemeen belang en als zodanig daar een (maatschappelijke) meerwaarde aan te geven.

De rol van de overheid en van de parlementaire democratie is veranderd door trends als de internationalisering, individualisering, liberalisering (minder overheid, meer markt); door de ontwikkeling van de informatie en communicatietechnologie, de media en de groei die non-gouvernementele organisaties hebben doorgemaakt.

Integriteit en loyaliteit

Een vitale democratie staat of valt bij een visie op de toekomstige inrichting van de samenleving. Daarbij is een stevige inbreng van de volksvertegenwoordiging en van politieke partijen essentieel. Zij vertegenwoordigen als het ware de morele houding die nodig is om het algemene belang te behartigen. Dat vraagt een volksvertegenwoordiging die in staat gesteld wordt om zich een beeld te vormen van de maatschappelijke vraagstukken die op dit moment en in de nabije toekomst spelen en van de gewenste maatschappij van morgen. Daar moeten zij de nodige toerusting voor hebben. Het vraagt ook om volksvertegenwoordigers met overtuigingskracht. Staatsmanschap drukt die kracht uit. Daarbij gaat het in essentie om het vermogen burgers te betrekken bij de rechtsstaat en zijn waarden en bij de afwegingen die gemaakt moeten worden om die rechtsstaat te onderhouden. Integriteit, een competente politieke houding zijn daarbij even belangrijk als het vermogen om mensen aan te spreken.

De politiek vraagt om volksvertegenwoordigers en politici die niet met de rug maar met het gezicht naar burgers staan. Politiek en publieke afwegingen vragen om competente en integere volksvertegenwoordigers. Ambtenaren zijn er vooral voor beleidsvoorbereiding, voor de uitvoering en voor min of meer gebonden beslissingen. Integriteit en loyaliteit dienen kenmerken van de bekleder van het publieke ambt te zijn. Om die vitale democratie te versterken zijn aanpassingen nodig in de sfeer van, stijl, toerusting en op onderdelen inderdaad ook- structuren.

Stijl

De wijze waarop politici en bestuurders omgaan met het politieke bestel is van groot belang voor het functioneren van het systeem als geheel. Politiek heeft ook alles te maken met een stelsel van waarden en normen (cultuur) en rolopvattingen die ten grondslag liggen aan de wijze waarop openbare functies worden vervuld. Welke eisen mogen aan politici en bestuurders ten aanzien van het uitoefenen van hun functie worden gesteld? In de eerste plaats moeten zij integer zijn bij het behartigen van publieke belangen, dat wil zeggen dat zij zich houden aan bepaalde normen zoals rechtschapenheid, eerlijkheid en onomkoopbaarheid. Daarnaast brengt het vervullen van een openbare functie het in het openbaar afleggen van verantwoording voor handelingen of het nalaten daarvan met zich mee. Politici en bestuurders kunnen in ons staatsbestel worden aangesproken op hun eigen gedrag of voor handelingen van degenen die onder het bereik van de politieke verantwoordelijkheid vallen (ambtenaren). Een derde eis is die van betrouwbaarheid, dat is de mate waarin het politieke handelen vertrouwen en geloofwaardigheid opwekt. Daaronder vallen ook begrippen als voorspelbaarheid van het overheidsoptreden, het nakomen van beloften en afspraken, consistentie en rechtszekerheid. Een vierde eis die aan bekleders van openbare functies wordt gesteld is gezag. Openbare functies zijn met een bepaald gezag bekleed, op grond van de wet of door de wijze waarop publieke functionarissen met een zeker overwicht optreden. Gezag, dat overigens verworven moet worden, veronderstelt ook respect van anderen voor openbare functies en degenen die deze functies bekleden. Een vijfde en laatste eis is dat politici in staat moeten zijn om visies te ontwikkelen en uit te dragen en op basis daarvan zullen zij richting moeten kunnen geven aan een samenleving.

De huidige discussie over de politieke verantwoordelijkheid wordt te veel gevoerd in termen van aansprakelijkheid, bevoegdheden en taken van politieke gezagdragers. Het begrip verantwoordelijkheid verdient aanvulling in termen van ingetogenheid, waarbij een positief waardeoordeel wordt uitgedrukt of een karaktertrek van iemand wordt geschetst. Een verantwoordelijk politicus is een persoon met verantwoordelijkheidsbesef, hetgeen wijst op het serieus nemen van taken en plichten, op weloverwogen optreden en het zich rekenschap geven van de gevolgen van het handelen. Deze rolopvatting van politieke gezagdragers is van grote betekenis voor het functioneren van het politieke bestel. Een cultuur waarbinnen plaats is voor een sorrydemocratie doet afbreuk aan het gezag van het openbaar bestuur en is op termijn schadelijk voor het vertrouwen van de burgers in het openbaar bestuur.

Politieke partijen vervullen een bijzondere rol bij de publieke meningsvorming.
Politieke partijen kunnen bij uitstek zorgdragen voor het integrale kader waarbinnen belangenafwegingen uiteindelijke dienen plaats te hebben.

Het is de taak van de politieke partijen om:

Aan hun platform-, integratie- en aggregatie- functie daadwerkelijk inhoud te geven.

Bij te dragen aan publieke discussie en opinievorming

Burgers actief te betrekken bij de belangenafweging, door goede communicatie, ook met moderne middelen.

De politieke boodschap helder te profileren.

Goede kandidaten te selecteren en te faciliteren.

Toerusting:

Betere ondersteuning van fracties van volksvertegenwoordigende lichamen ten einde hen in staat te stellen informatie te verzamelen en onderzoek te doen, bijvoorbeeld in de vorm van een onderzoeksbureau of meer personele ondersteuning is noodzakelijk. Hierdoor kan de controlerende functie van de volksvertegenwoordiging worden versterkt.

Het verdient aanbeveling dat sociale partners afspraken maken om in CAOs een terugkeerregeling op te nemen voor werknemers die (tijdelijk) een vertegenwoordigende functie willen vervullen. Is sprake van een parttime functie dan zouden de mogelijkheden voor vrijstelling door de werkgever kunnen worden verruimd.

Een betere honorering van Raads en Statenleden is wenselijk zodat desgewenst een voltijdbaan naast de vertegenwoordigende functie kan worden omgezet in een deeltijdfunctie

Structuur:

I Met betrekking tot het Kiesstelsel

1 Het CDA blijft voorstander van het handhaven van het beginsel van evenredige vertegenwoordiging. Wijzigingen worden bepleit die een meer rechtstreekse relatie tussen kiezer en gekozene "bevorderen". Belangrijk is dat het stelsel doorzichtig blijft en te hoge kiesdrempels worden voorkomen. Voor de verkiezingen van de Tweede Kamer moet onderzoek worden gedaan naar de mogelijkheid van de invoering van een gemengd stelsel (districten/landelijk), waarbij de ene groep (75 leden) op landelijk niveau wordt gekozen, terwijl de andere groep (75 leden) via een aantal districten worden gekozen. Daarbij moeten de volgende voorwaarden in het oog worden gehouden:

Het beginsel van evenredigheid moet blijven gelden

De pluriformiteit (Nederland als land van minderheden) moet gewaarborgd blijven.

2 Door een aanpassing van het partijreglement zal de partij bij de kandidaatstelling reeds dwingend kunnen voorzien in voldoende voor de regio's herkenbare kandidaten.

3 Zo snel mogelijk moet stemmen via internet, telefoon etc. mogelijk worden gemaakt. Ook moet er meer gebruik worden gemaakt van stembureaus op NS stations en andere plaatsen waar veel publiek komt. Mits met voldoende waarborgen (o.a. handhaving collectiviteit verkiezingen en onafhankelijkheid van individu) omkleed dienen mogelijkheden van elektronische stemmen en vormen van opiniepeilingen door gebruikmaking van ICT zoveel mogelijk te worden bevorderd. Democratie is niet vrijblijvend. Kiezers hebben een eigen verantwoordelijkheid om met dat democratisch goed zorgvuldig om te gaan. Een gang naar de stembus hoort daarbij. Experimenten die er opgericht zijn de kiezer beter te faciliteren om aan de verkiezingen deel te nemen, moeten kunnen worden aangegaan.

4 Gemeenten en provinciën zijn volwaardige democratische lichamen. De politiek moet problemen kunnen oplossen met democratische instrumenten als de mogelijkheid van tussentijdse verkiezingen. Onderzocht wordt binnen de staatrechtelijke grenzen of het creëren van de mogelijkheid om Provinciale Staten en Gemeenteraden te ontbinden (op eigen verzoek) en het derhalve houden van tussentijdse verkiezingen voor hen een goede democratische aanvulling kan zijn.

II Met betrekking tot de positie van de Eerste Kamer 5 De kwaliteit van de wetgeving wordt van groot belang geacht voor het gezag van de Staten Generaal. De Eerste Kamer blijft een essentieel onderdeel van de Staten-Generaal. Haar taak is primair gelegen in de toetsing van wetgeving aan de Internationale, Europese en Nationale voorschriften en aan algemene beginselen van recht en behoorlijke wetgeving. De Eerste Kamer zal in het bewaken van de juridische kwaliteit van de wetgeving toegevoegde waarde moeten hebben. Door het scherp bewaken van de kwaliteit van de wetgeving zal de Eerste Kamer ook een rol vervullen in het tegengaan van ongewenste juridificering van het openbaar bestuur.

6 In dat licht kan het verlenen van een beperkte bevoegdheid aan de Eerste Kamer om wetsvoorstellen terug te zenden naar de Tweede Kamer een belangrijk instrument zijn. Bij gebruikmaking van dit recht zal de Eerste Kamer ook de gronden moeten aangeven, welke aanleiding hebben gegeven om van deze bevoegdheid gebruik te maken. Bij de wettelijke regeling van het terugzendingsrecht wordt bezien hoe vormgegeven kan worden aan het leggen van een verband tussen het gebruiken van het terugzendrecht en juridische gebreken van voorliggende wetsvoorstellen. Het veto-recht van de Eerste Kamer blijft gehandhaafd.

7 De Eerste Kamer mag geen politieke doublure zijn van de Tweede Kamer. Haar functie zit vooral in reflectie en toetsing van de kwaliteit van de wetgeving. Directe binding van de Eerste Kamer aan het regeerakkoord wordt door het CDA dan ook afgewezen.

III Met betrekking tot het Gemeentelijke en Provinciaal Bestel

8 Het CDA blijft voorstander van handhaving in 't algemeen van het huidige stelsel van drie "open" bestuurslagen met autonome en medebewindstaken en bevoegdheden. Binnen dat stelsel past een gematigd duale ontwikkeling, waar het betreft de rollen en verhouding tussen de organen van provincies en gemeenten. Met een belangrijk deel van de analyses en een aantal aanbevelingen van de Staatscommissie Dualisme en lokale democratie kan dan ook worden ingestemd. (Voor provincies geldt in grote lijn hetzelfde als voor de gemeente). Dit geldt met name voor:

a) Een betere en duidelijke verhouding in rollen en bevoegdheden van het College van B&W en de Gemeenteraad. De verdeling van taken en bevoegdheden tussen College en Gemeenteraad op grond van het onderscheid "Bestuur" en "Regelgeving" verschaft evenwel dan een werkbare en duidelijke verdeling, indien er gekomen kan worden tot goede definities van "bestuur" en "regelgeving".

b) Het beter toerusten van de Gemeenteraad met controlemiddelen, waaronder het recht van informatie; initiatief en interpellatie. Het instellen - al dan niet via samenwerking tussen gemeenten - van een lokale Rekenkamer en Ombudsfunctie. Verplichte Rapportages over klachten, kwaliteits- en integriteitsbeleid.

c) Het recht van onderzoek kan een versterking zijn van de controlemogelijkheden van de Gemeenteraad. Indien het recht wordt ingevuld in de volle kracht van een enquêterecht dan dient daarbij inzicht gegeven te worden in o.a. de volgende dringende vragen:

Professionaliteit van het onderzoek (wie of welke instantie voert het onderzoek uit?)

Reikwijdte (wie kunnen aan het onderzoek worden onderworpen?)

Omvang dwangmiddelen

Neutraliteit

Heldere meerderheidsbesluitvorming in de Raad

d) De versterking van de positie van de burgemeester.

e) Vergroting eigen belasting gebied.

9 Als belangrijke basisvoorwaarde om dit stelsel goed te doen functioneren en burgers breed te betrekken bij het maatschappelijke debat is decentralisatie van taken van eminent belang. In de Grondwet zal worden bepaald dat de regering de decentralisatie van taken naar provincies en gemeenten bevordert volgens bij de wet te stellen regels.

10 Als een gemis in de studie van de Staatscommissie wordt ervaren een diepgaandere beschouwing over differentiatie in het takenpakket van gemeenten. Het CDA acht met handhaving van een homogene hoofdinrichting van het gemeentelijk bestel een beperkte differentiatie in het takenpakket van gemeenten in verband met hun schaalgrootte toelaatbaar.

Gemeenteraad

11 Het CDA acht het noodzakelijk dat de Gemeenteraad als volksvertegenwoordiging herkenbaar blijft. Dit moet tot uiting komen in de controlemiddelen van de Raad en een ruime en proactieve toepassing van de vertrouwensregel door het bestuur. De belangrijkste besluiten moeten dan ook in de Raad blijven worden genomen, c.q. aan de orde komen. De Gemeenteraad dient als Volksvertegenwoordiging ook beleidsvormend en proactief te zijn en derhalve de hoofdlijnen van het beleid te bepalen.

Wethouder

12 Het CDA staat een ontkoppeling van het wethouderschap van het lidmaatschap van de Gemeenteraad voor. Wel vindt het CDA dat de wethouder politiek herkenbaar en traceerbaar moet blijven. Dat betekent in beginsel dat de wethouder door en uit de Raad verkozen dient te worden. Uit de notitie van de Bestuurdersvereniging Oorzaken winst/verlies Gemeenteraadsverkiezingen 1998; analyse en conclusies blijkt dat de rekrutering van lokale en provinciale bestuurders meer problemen oplevert. Indien deze ontwikkeling zich voortzet dan dient de benoeming van een wethouder van buiten de Raad mogelijk te zijn. Het College van B&W dient in beginsel een collegiaal College te zijn dat bestuurt op basis van door de Raad gekozen politieke uitgangspunten. Het CDA acht dit ook van belang met het oog op de politieke stabiliteit in een gemeente. <

IV Burgemeester

13 Zich medebaserend op het belangrijke gegeven dat de burgers en de samenleving het van grote waarde achten, zoals ook aangegeven door de genoemde Staatscommissie, dat de burgemeester een zekere zelfstandige en "boven" de partijen staande positie heeft en behoudt, blijft het CDA kiezen voor een burgemeester die bij Koninklijk Benoemingsbesluit wordt aangesteld.

14 Het CDA acht het passend dat de invloed van de gemeenteraad op de benoeming wordt versterkt. De gedachte van de Staatscommissie om de gemeenteraad het recht te verlenen ter zake van de benoeming van de burgemeester aan de Kroon een "openbare aanbeveling" te doen - en volgens de wijze die de Staatscommissie voorstelt - wordt door het CDA een goed middel gevonden. Wel zal de Gemeenteraad de ruimte moeten hebben om naar eigen inzicht ook te kunnen kiezen voor een meervoudige openbare aanbeveling. Het feit van benoeming van de burgemeester door de Kroon dient wel toegevoegde waarde te hebben en te houden. De Kroon zal moeten toezien - ook via de Commissaris der Koningin - op de kwaliteit en de integriteit van de kandidaten en zal de aanbeveling moeten kunnen toetsen aan een (beperkt) aantal objectieve, vooraf bekende, vaststaande criteria, zoals bijv. spreiding mannen en vrouwen, wachtgeldverplichtingen en personeelsbeleid. Het gewicht van de Commissaris van de Koningin dient vooral tot uiting te komen in het voortraject. De Commissaris van de Koningin zal in de toegeleiding van de kandidaten naar de vertrouwenscommissie/Gemeenteraad hebben zorg te dragen, dat kandidaten geselecteerd zijn, die kwalitatief goed zijn, integer en die voldoen aan de door de Kroon gestelde en vooraf bekende objectieve criteria.

15 Het CDA wijst de burgemeestersstemming af. Deze gedachte verdraagt zich niet met het toekennen van materiële betekenis aan een benoeming door de Kroon.

16 Het CDA vindt differentiatie in de aanstellingswijze zoals de Staatscommissie die voorstelt niet passen in het vigerende en door het CDA in het algemeen aangehangen stelsel van drie open bestuurslagen. Indien in bepaalde en beperkte gebieden (bijv. de vier grote steden: G4) besloten moet worden tot een wezenlijke andere verhouding tussen de bestuurslagen dan wel een wezenlijk ander stelsel, dan zal ook de verhouding tussen de bestuurs- en vertegenwoordigende / controlerende organen opnieuw aan de orde moeten kunnen komen. In dat kader zal ook de aanstelling van de burgemeester opnieuw aan de orde komen, al dan niet rechtstreeks gekozen.

CDA volksvertegenwoordigers en CDA bestuurders

17 Het CDA wil actieve en gemotiveerde mensen die vanuit christen-democratisch perspectief een vertegenwoordigende functie vervullen, vanuit het besef verantwoordelijkheid te willen nemen voor de inrichting en besturing van de samenleving. Deze maatschappelijke betrokkenheid en gevoel voor de samenleving gaan samen met een eigen wijze van invulling, van open ogen, duidelijke taal en heldere visies. Daarbij hoort een grote betrokkenheid bij mensen en besluitvorming.


Den Haag, 22 maart 2000

Hoofdinleiding dr. H.C.O.R. Ruding op vrijdag 31 maart in Den Haag

Conferentie Springen naar de markt - over rol financiële sector in Ontwikkelingssamenwerking

Springen naar de markt - De rol van de financiële sector in de Ontwikkelingssamenwerking is het thema van de conferentie die vrijdag 31 maart a.s. plaatsvindt in het Koninklijk Instituut van Ingenieurs, (Prinsessegracht 23) te Den Haag. dr. H.O.C.R. Ruding (oud-minister van Financiën vice-president Citicorp) verzorgt een hoofdinleiding over een nieuwe aanpak van de officiële ontwikkelingshulp. Dit is de tweede conferentie in een reeks over Ontwikkelingssamenwerking in de 21-ste eeuw.

Begin 1999 presenteerde het ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking de landenbrief; een herzien voorstel voor bilaterale hulp. Hulp van overheid tot overheid wordt beperkt tot een klein aantal landen waarmee een structurele relatie wordt onderhouden. Het CDA vindt dat er gezien de veranderde omstandigheden een structurele herbezinning nodig is. Daarom organiseert de Eduardo Frei Stichting (Stichting voor Internationale Samenwerking van het CDA) met steun van de NCDO en in samenwerking met de CDA-werkgroep Internationale Samenwerking en het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA een reeks van conferenties over dit onderwerp. De startbijeenkomst vond 10 december 1999 plaats.

De tweede- conferentie in Den Haag op vrijdag 31 maart a.s. wordt om 17.00 uur geopend door dagvoorzitter drs. P. Bukman (oud-minister voor Ontwikkelingssamenwerking, voorzitter van de CDA-werkgroep Internationale Samenwerking). Daarna spreekt dr. H.C.O.R. Ruding over een nieuwe aanpak van de officiële ontwikkelingshulp (ODA). Vervolgens vindt er een discussie plaats met een panel dat bestaat uit dr. H.C.O.R. Ruding, drs. J. Brüning (vice-voorzitter CNV), drs. K. Vendrik (Tweede Kamerlid GroenLinks) en dr. H.F.M. Wierema (Afdeling finance Cordaid). Dagvoorzitter Bukman sluit de conferentie om 20.15 uur af.

In 2000 zijn er nog twee conferenties. Op 23 juni is sociale cohesie en maatschappij-opbouw in ontwikkelingslanden het onderwerp. De voormalig staatssecretaris voor ontwikkelingssamenwerking van België, de heer dr. R. Moreels, zal dan de hoofdinleiding verzorgen. De reeks wordt afgesloten met een slotconferentie najaar 2000.

Voor meer informatie: CDA-Partijvoorlichting, telefoon 070-3424842; 06-53225950

De toespraak van dr. H.C.O.R. Ruding is vanaf heden beschikbaar bij de Afdeling Voorlichting,



13 MAART 2000

Voorstel PARTIJ-ONTWIKKELING

Een aanzet voor een eigentijds verenigingsbeleid

Een commissie onder leiding van Koos Jansen (lid Dagelijks Bestuur) heeft in opdracht van het Partijbestuur voorstellen opgesteld over de ontwikkeling van het CDA. Het Partijbestuur heeft de plannen aan de Afdelingen voorgelegd met het verzoek te reageren. De reacties van de Afdelingen worden verwerkt in het Voorstel partij-ontwikkeling. Dit voorstel zal het Partijbestuur uiteindelijk aan de Partijraad van 13 mei ter besluitvorming voorleggen.
Tot uiterlijk 16 april a.s. kunt u reageren op het voorstel. Uw reactie kunt u sturen naar CDA-Sector Politiek Bestuur, Postbus 30453, 2500 GL Den Haag; fax. 070-3603635; email:
(Partijontwikkeling@bureau.cda.nl)

Introductie

Het CDA is een volkspartij die zich richt tot de gehele bevolking en er op gericht is zo veel mogelijk mensen te betrekken bij de inrichting van onze samenleving. Die gerichtheid op betrokkenheid komt ook tot uitdrukking in onze naam: de Christen-democratie doet een appèl op mensen.
Sinds de oprichting in 1980 heeft de partij zich met regelmaat gebogen over de vraag hoe die doelstelling zo goed mogelijk gerealiseerd kan worden, rekening houdend met interne en externe ontwikkelingen op die momenten. Aan de hand van verschillende rapporten, zoals Appèl en Weerklank, Herkenbaar en Slagvaardig, Politieke Partij Nieuwe Stijl,
e.a., hebben talloze partijleden zich bezonnen op deze vraag. Het is goed om onszelf die vraag ook in de toekomst te blijven stellen. Ook de staatscommissie Dualisme en Locale Democratie (de commissie Elzinga) roept politieke partijen op zich te bezinnen op de vraag hoe burgers meer bij besluitvorming betrokken kunnen worden. Het jaar 2000, waarin de partij 20 jaar bestaat, is voor het bestuur een uitgelezen moment om het gesprek daarover te stimuleren zich daarbij realiserend dat stimuleren van betrokkenheid nog meer een kwestie is van cultuur en mentaliteit, dan van, hoe belangrijk deze ook zijn, structuren en statuten. Het partijbestuur heeft eind 1999 een tweetal commissies ingesteld die zich bezighouden met deze vraagstukken. Ten eerste de Commissie Staatkundige Vernieuwing, die beleidsvoorstellen over staatkundige vernieuwing voorbereidt. Ten tweede de Commissie Partijontwikkeling. Deze richt zich op de vraag hoe een eigentijds, 21steeeuws CDA als volksbeweging optimaal gestalte kan krijgen. De Commissie Partijontwikkeling presenteert het onderstaande voorstel als een startschot van de gezamenlijke beantwoording van die vraag; het startschot van een proces waarbij alle belangstellenden en leden betrokken kunnen worden. Juist om die procesmatige aanpak te benadrukken is gekozen voor de term Partijontwikkeling.

Alle leden en afdelingen worden van harte uitgenodigd om hun ideeën, suggesties en opmerkingen over partijontwikkeling kenbaar te maken aan de commissie. De partijraad zal vervolgens op 13 mei 2000 formeel een besluit nemen over het onderstaande voorstel om het proces van partijontwikkeling in gang te zetten. Reacties die voor 16 april 2000 zijn toegezonden aan de commissie kunnen nog in het voorstel verwerkt worden. Reacties kunnen gestuurd worden naar de Commissie Partijontwikkeling, postbus 30453, 2500 GL Den Haag; fax 070-3503635; e-mail (Partijontwikkeling@bureau.cda.nl)

Doel en achtergronden van partijontwikkeling


1. Op weg naar het vijfde lustrum wil het CDA zich blijven ontwikkelen tot een volksbeweging die uitnodigt en ruimte geeft aan talent, belangstelling, betrokkenheid en deskundigheid van de leden van de vereniging, mede in relatie tot de samenleving. Het CDA wil een vereniging zijn waarin ieder verenigingslid telt en waarin regionale en lokale aspecten goed tot hun recht komen. Er zou daarom nog beter nagegaan moeten worden wat geïnteresseerden en (potentiële) leden verwachten van het CDA als politieke vereniging.

2. Binnen en in de omgeving van het CDA zijn vele, pluriforme platforms, discussiegroepen en overleggen actief. Het CDA wil de betekenis van de gedachtevorming van deze ontmoetingen beter tot uitdrukking brengen in politiek denken en handelen. Dit vergt goede communicatie tussen leden, vrijwilligers, bestuurders en volksvertegenwoordigers.


3. Het CDA wil de ruimte geven aan flexibele individuele vormen van betrokkenheid en beschikbaarheid van zijn leden. Er zullen daarom voorstellen ontwikkeld moeten worden voor verschillende vormen van lidmaatschappen en bindingen met de partij om concreet vorm te geven aan de partij als netwerkorganisatie.


4. Het CDA wenst bij het proces van partijontwikkeling de structuur- maar vooral ook de cultuuraspecten van de partij te betrekken.

5. Hiertoe wil het CDA vanuit alle geledingen van de partij een actieprogram opstellen. Over belangrijke onderdelen van dit program zal in de komende partijraden verslag gedaan worden en besluitvorming plaatsvinden. Het project Partij-ontwikkeling kent 3 fasen, t.w.
1. voorbereiding en vaststelling van de resolutie Partijontwikkeling (t/m 13 mei 2000)

2. opstelling en uitvoering actieprogram (voorjaars-Partijraad 2001)
3. verdere ontwikkeling en implementatie van een structureel verenigingsbeleid (vanaf 2001).


6. Het partijbestuur heeft een voorlopige commissie ingesteld die het proces van Partij-ontwikkeling zal stimuleren en organiseren. De commissie krijgt haar definitieve samenstelling na de partijraad van mei aanstaande.
Deze Commissie Partijontwikkeling kent de volgende samenstelling: Koos Janssen (voorzitter), Meindert Stolk, Ciel Meewis, Berna Yilmaz, Leon Frissen, Bert Westerink en Gerben Karssenberg.

Een Appèl

7. De CDA-partijraad doet een appèl op ALLE leden, geledingen en gelieerde organisaties van het CDA om deel te nemen aan het proces van partijontwikkeling en mee te doen aan een partijbrede discussie over de vraag hoe het CDA als verenigingsorganisatie moet worden vormgegeven om optimaal te kunnen fungeren als een ontmoetingsplaats voor leden, kiezers en sympathisanten van de Christen-democratie.
Enkele richtinggevende voorstellen:

8. Er zal meer en op gestructureerde wijze onderzocht moeten worden wat de overwegingen zijn waarom mensen lid worden van een politieke partij en wat zij van de partij verwachten. Ook de mening van leden die geen actieve rol in de partij vervullen zal nadrukkelijk bij het proces moeten worden betrokken. Differentiaties in het lidmaatschap stellen mensen in staat zelf keuzes te maken over de wijze waarop zij hun betrokkenheid invulling willen geven.


9. De verenigingsactiviteiten moeten nog meer gericht zijn op de ondersteuning van de locale en regionale afdelingen. De Academie voor Vrijwilligers en de ontwikkeling van de Diversiteitsaudit zijn daar goede en zinvolle voorbeelden van. Ook moeten er nieuwe moderne vormen ontwikkeld worden voor politieke activiteiten en bijeenkomsten. Het scholingswerk van het Steenkampinstituut wordt in staat gesteld actief inhoud te geven aan dergelijke nieuwe impulsen die de basis van de partij, de lokale afdelingen, kunnen versterken.
10. Vergroten van betrokkenheid en ruimte bieden aan talent vereist een eigentijds en structureel Human Resource-beleid. Er wordt een speciale commissie ingesteld die dit beleid gaat ontwikkelen. Ook het Steenkampinstituut zal hier nauw bij betrokken worden.

11. In verband met een aantal formele bevoegdheden zal de organisatiestructuur tot op zekere hoogte gerelateerd zijn aan de staatkundige structuur van ons land. Daarnaast zal er echter veel meer ruimte moeten komen om andere gremia en structuren te creëren Voorbeelden hiervan zijn de Regionale Strategische Beraden, BIN (het netwerk voor jonge bestuurders) en de platforms die zich op bepaalde themas richten. De partij moet daar flexibel en adequaat op in kunnen spelen.

12. De verkiezing van de partijvoorzitter en nader te bepalen andere vacatures, vinden altijd plaats op basis van een meervoudige voordracht.

13. Nagegaan wordt op welke wijze en bij welke onderwerpen een algemene ledenraadpleging ingezet wordt.

14. In het kader van Partij-ontwikkeling worden voorstellen ontwikkeld om in alle geledingen van de partij meer gewicht toe te kennen aan inbreng en stemrecht van individuele leden (ofwel uitwerking van het beginsel one-man-one-vote), onder meer op partijraad en partijcongres..

15. Onderzocht wordt hoe de mogelijkheden van Informatie- en Communicatietechnologie (ICT) gebruikt kunnen worden om de betrokkenheid en participatie van leden te vergroten.

Besluit
De CDA-partijraad in vergadering bijeen op 13 mei 2000 besluit om het proces van partijontwikkeling in te zetten zoals hierboven is omschreven en alles in het werk te stellen om zo veel mogelijk (potentiële) leden bij dit project te betrekken. De richtinggevende voorstellen moeten worden uitgewerkt en worden aangevuld met andere voorstellen die het project nader concretiseren

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie