Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Geding over instellen Inspectie Verkeer en Waterstaat

Datum nieuwsfeit: 27-04-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Gerechtshof Amsterdam


GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

BESCHIKKING
van 27 april 2000 in de zaak met het rekestnummer 174/2000 OK van:
DEPARTEMENTALE ONDERNEMINGSRAAD MINISTERIE VAN VERKEER EN WATERSTAAT ,
te dezen vertegenwoordigd door zijn voorzitter G.J. de Jong, gevestigd te 's-Gravenhage,
VERZOEKER
,

advocaat : mr L.C.J. Sprengers,
procureur : mr E. Unger,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN (DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT) ,

gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERDER
,

advocaat : mr A.G. Castermans,
procureur : mr L.P. Broekveldt.


1. Het verloop van het geding


1.1 Verzoeker, hierna ook de DOR te noemen, heeft bij op 21 februari
2000 onder voormeld nummer ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties beroep ingesteld tegen "het besluit, vernomen op 21 januari 2000, tot het instellen van één Inspectie Verkeer en Waterstaat voor het Departement Verkeer en Waterstaat, zoals dat is genomen door verweerder".

1.2 De DOR heeft de Ondernemingskamer verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren dat verweerder, verder ook de Staat, de minister of de ondernemer te noemen, bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet tot voormeld besluit heeft kunnen komen, hem de verplichting op te leggen dit besluit in zijn geheel in te trekken en om alle gevolgen van het besluit ongedaan te maken.


1.3 Bij op 17 maart 2000 onder voormeld nummer ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met producties heeft de Staat de verzoeken van de DOR bestreden en de Ondernemingskamer verzocht de verzoeken van de DOR af te wijzen.


1.4 De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van 30 maart
2000. De advocaten van partijen hebben de standpunten van partijen nader toegelicht, ieder aan de hand van een aan de Ondernemingskamer overgelegde pleitnota.


1.5 Bij die gelegenheid heeft de DOR aan de Ondernemingskamer het subsidiaire verzoek gedaan om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voorwaardelijk te verklaren:

a) dat de Staat bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid kan besluiten tot het instellen van een Inspectie Verkeer en Waterstaat met alle daarbij behorende facetten, voor het geval de Staat daartoe zou besluiten op enig moment zonder voorafgaand advies conform artikel 25 lid 1 Wet op de ondernemingsraden (WOR) aan de DOR te vragen over zowel de hoofdlijnen alsmede de implementatie van dit (voorgenomen) besluit;

b) dat de Staat gehouden is, voor het geval zich op enig moment de situatie zoals omschreven onder a) zal voordoen, het alsdan genomen besluit geheel in trekken en alle gevolgen van het besluit ongedaan te maken.


1.6 Ter gelegenheid van de behandeling ter terechtzitting heeft de Staat een beroep op niet ontvankelijkheid van de DOR gedaan wegens overschrijding van de in artikel 26 lid 2 WOR genoemde termijn.

1.7 De stukken van het geding, waaronder voormelde pleitnota's, gelden als hier ingelast.


2. De vaststaande feiten


2.1 De DOR is in de zin van de WOR te beschouwen als een groepsondernemingsraad die ingesteld is voor het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en de daaronder vallende diensten, waarvoor een ondernemingsraad (OR) is ingesteld.


2.2 Het Ministerie van Verkeer en Waterstaat kent als inspecties die zich bezighouden met de handhavingstaken waarmee het Ministerie belast is de Rijksluchtvaartdienst (RLD), de Rijksverkeersinspectie (RVI), de Scheepvaartinspectie (SI), de Rijksdienst voor Radiocommunicatie (RDR) en Rijkswaterstaat. Iedere Inspectie, met uitzondering van Rijkswaterstaat, valt onder de verantwoordelijkheid van een directeur-generaal. De directeuren-generaal vormen tezamen het Inspectieberaad.


2.3 Binnen het Ministerie was reeds langere tijd een discussie gaande over de directie over en de positionering van de inspecties.

2.4 Op 30 juni 1999 heeft de bestuursraad van het Ministerie besloten om, door een ambtelijke werkgroep, een onderzoek te laten verrichten naar de versterking en positionering van de inspecties in relatie tot de minister, door uitwerking van enkele varianten, waarvan positionering van inspecties los van de desbetreffende directeuren-generaal er één was, en voorts een afweging te maken van de varianten mede op basis van de verkenning van externe invloeden en ontwikkelingen.


2.5 De werkgroep heeft haar eindrapport op 7 oktober 1999 gepresenteerd. In het rapport wordt een voorkeur uitgesproken voor de variant B, waarin de inspecties RVI, SI en RLD (Luchtvaart Uitvoering en Handhaving) onafhankelijk van de directoraten-generaal worden ondergebracht onder één leiding, in de persoon van één inspecteur-generaal. Het rapport dient "als doorkijk" voor de andere diensten.


2.6 Het eindrapport is bij brief van 13 oktober 1999 aan de DOR toegezonden ter bespreking op de overlegvergadering van 28 oktober
1999.


2.7 Tijdens de overlegvergadering van 28 oktober 1999 heeft een voorlopige bespreking van het rapport plaatsgevonden.

2.8 Op 15 november 1999 is het rapport in de ministerstaf van het Ministerie besproken en is ingestemd met de hoofdrichting en aanbevelingen van het onderzoek en met het gereed maken van een brief van de minister inzake de visie op de toekomst van de Verkeer en Waterstaat-inspecties, met het oog op verzending aan de ministerraad en de Tweede Kamer.


2.9 Bij brief van 16 november 1999 heeft de secretaris-generaal van het Ministerie de DOR op de hoogte gebracht van de besluitvorming van
15 november 1999 in de ministerstaf. In de brief staat onder meer dat in de brief aan de Tweede Kamer zal worden aangegeven dat bij de uitwerking de medezeggenschap in acht zal worden genomen, dat in het voorjaar 2000 een ontwerp op hoofdlijnen van de nieuwe inspectie Verkeer en Waterstaat zal worden ontwikkeld en dat de secretaris-generaal verwacht dit ontwerp van de nieuwe organisatie in mei 2000 aan de DOR te kunnen voorleggen voor advies.

2.10 Op 2 december 1999 heeft een overlegvergadering plaatsgevonden.

2.11 Op 21 januari 2000 heeft de ministerraad besloten de minister van Verkeer en Waterstaat te machtigen de hiervoren in 2.8 bedoelde brief aan de Tweede Kamer te zenden.


2.12 In een persbericht van Intranet van Verkeer en Waterstaat van 21 januari 2000 is opgenomen dat de ministerraad op voorstel van de minister van Verkeer en Waterstaat op 21 januari 2000 toegestemd heeft medio 2000 een Inspectie Verkeer en Waterstaat in te stellen.

3. De gronden van de beslissing


3.1 De Staat heeft -overigens voor het eerst bij gelegenheid van de behandeling van deze zaak ter terechtzitting- aangevoerd dat de DOR wegens overschrijding van de in artikel 26 lid 2 WOR genoemde termijn in zijn verzoeken niet ontvankelijk is.


3.2 De Staat heeft daartoe aangevoerd dat het besluit waartegen het beroep zich richt niet door de ministerraad op 21 januari 2000 is genomen maar door de minister(staf)/de bestuursraad van het Ministerie op 15 november 1999. Het verzoekschrift, ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen op 21 februari 2000, zou in dat geval te laat zijn.


3.3 Dienaangaande geldt in de eerste plaats het volgende. De advocaat van de Staat heeft ter terechtzitting desgevraagd verklaard dat in de ministerraad voornemens die een minister aan de Tweede Kamer ter kennis wenst te brengen inhoudelijk plegen te worden besproken en dat het niet ondenkbaar is dat de ministerraad onder omstandigheden zijn goedkeuring aan enig voornemen onthoudt en dat dus ook in het onderhavige geval de ministerraad zijn goedkeuring aan het zenden van de hiervoren in 2.8 bedoelde brief door de minister van Verkeer en Waterstaat aan de Tweede Kamer zou hebben onthouden. Daaruit moet woren afgeleid dat het besluit waartegen de DOR opkomt mede -op 21 januari 2000- door de ministerraad is genomen en aldus een definitieve status heeft verkregen, althans dat met het oog op de beantwoording van de vraag wanneer in verband met de ontvankelijkheid van het onderhavige verzoekschrift voor de DOR de termijn als bedoeld in artikel 26 lid 2 WOR niet eerder aanvangt dan nadat voormelde bespreking in de ministerraad heeft plaatsgevonden. Op die gronden is de DOR derhalve ontvankelijk in zijn verzoek.


3.4 Dat is, voorts, niet anders indien omtrent het vorenoverwogene anders zou moeten worden geoordeeld. Niet is gebleken dat de Staat langer dan een maand vóór 21 februari 2000 aan de DOR op de voet van artikel 25 lid 5 WOR schriftelijk van het thans bestreden besluit kennis heeft gegeven. De brief van de ondernemer van 16 november 1999 en de mededeling in de overlegvergadering van 2 december 1999 kunnen niet, ook niet in onderling verband en samenhang, als zodanig worden aangemerkt. Immers, in de brief van 16 november 1999 wordt de indruk gewekt dat -slechts- sprake is van een beleidsvoornemen en niet van een concreet, reeds genomen besluit. In de overlegvergadering van 2 december 1999 heeft de secretaris-generaal bij de DOR verder in die zin een verkeerde indruk gewekt doordien hij tegenover hetgeen omtrent het adviesrecht door de DOR aan de orde werd gesteld heeft geantwoord dat een brief aan de Tweede Kamer in voorbereiding was en dat "dit niet het goede moment (was) om advies te vragen aan de DOR" en dat "het formele adviesmoment" pas begin mei 2000 zou liggen. Mede omdat de secretaris-generaal -toen- niet althans niet -voldoende- duidelijk heeft laten weten dat zijns inziens aan de DOR geen of slechts een beperkt adviesrecht zou toekomen, geven bedoelde brief en bedoelde mededeling dan ook niet de vereiste duidelijkheid om het begin van de beroepstermijn te markeren.


3.5 Waar aannemelijk is dat de DOR eerst door het persbericht van 21 januari 2000 van de werkelijke status van de besluitvorming op de hoogte is gekomen en hem redelijkerwijze niet euvel valt te duiden dat hij zich die status niet eerder heeft gerealiseerd, geldt dan ook dat de termijn als bedoeld in artikel 26 lid 2 WOR niet eerder dan op die datum is aangevangen en dat hij ten tijde van de indiening van het onderhavige verzoekschrift nog niet was verstreken. De DOR kan derhalve in zijn verzoek worden ontvangen.


3.6 Wat de stelling van de Staat betreft dat niet sprake is van een besluit in de zin van artikel 25 lid 1 WOR maar -slechts-van een beleidsvoornemen en dat het ingestelde beroep om die reden, immers als prematuur moet worden afgewezen, geldt het volgende. De gedachtevorming aan de kant van de ondernemer houdt in dat een nieuwe functie wordt geschapen in de persoon van een inspecteur-generaal. Anders dan in het thans vigerende stelsel, waarin de verschillende inspecties verantwoording afleggen aan de directeur-generaal onder wie zij vallen, komen in het nieuwe stelsel de inspecties hiërarchisch te ressorteren onder de inspecteur-generaal aan wie zij aan verantwoording schuldig zijn. Er moet van worden uitgegaan dat die gedachte voor de ondernemer niet -verder- ter discussie staat. Aldus is sprake van een reeds genomen besluit tot een belangrijke wijziging in de organisatie en de verdeling van de bevoegdheden, dat voldoende concreet is en waarvan de gevolgen, mede in verband met de te nemen maatregelen, voldoende bepaalbaar zijn, een en ander als bedoeld in artikel 25 lid 1 WOR. Derhalve is de DOR ook in zoverre ontvankelijk in het onderhavige verzoek.


3.7 De Staat heeft zich tenslotte op het standpunt gesteld dat de verzoeken van de DOR moeten worden afgewezen omdat het besluit valt onder het zogeheten "politiek primaat". Dienaangaande geldt het volgende. Ter voorbereiding op de besluitvorming die in deze zaak aan de orde is, is in het eindrapport Onderzoek Inspecties Verkeer en Waterstaat van 7 oktober 1999 van het Ministerie aangegeven welke doelstelling aan de te realiseren reorganisatie ten grondslag ligt, kort samengevat van de strekking dat de ministeriële verantwoordelijkheid voor het functioneren van de onderscheiden inspecties -weer of beter- volledig tot haar recht kan komen, dat zowel binnen het Ministerie als daarbuiten meer duidelijkheid zou gaan ontstaan omtrent het functioneren van de onderscheiden inspecties en dat het vertrouwen van de samenleving in een adequaat functioneren van de onderscheiden inspecties zou -kunnen- toenemen. In het rapport zijn wat de reorganisatie betreft drie varianten onder ogen gezien waaromtrent moet worden vastgesteld dat zij alle passen in de met de reorganisatie van de inspecties beoogde doelstelling. Dat blijkt onder meer uit de bewoordingen in het rapport dat zij alle drie inhouden "wat in ieder geval moet".


3.8 Tegen die achtergrond draagt noch de keuze voor een van de varianten op zichzelf genomen -verder- bij aan de realisering van de doelstelling noch doet zij daar op zichzelf genomen aan af. Dat betekent dat het bij het maken van een keuze -slechts- gaat om een beslissing van intern-organisatorische aard in dier voege dat het gaat om een keuze omtrent de vraag hoe binnen het Ministerie aan de aan het Ministerie opgedragen taken organisatorisch vorm wordt gegeven. Het maken van die keuze en mitsdien het nemen van de in dit geding door de DOR bestreden beslissing heeft dan ook geen betrekking op een publiekrechtelijke vaststelling van een taak van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, waarin die keuze immers niet treedt. Evenmin kan worden gezegd dat het aangevochten besluit in enig opzicht betrekking heeft op het beleid ten aanzien van de -in materiële wetgeving- aan het Ministerie toebedeelde taken. Daaraan doet niet af dat de keuze en daarmee het bestreden besluit plaatsvindt in het kader van een splitsing tussen enerzijds beleid en anderzijds uitvoering en handhaving. De uitvoering van in wetgeving in materiële zin aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat opgedragen taken is bij die keuze op zichzelf ook niet aan de orde. Gesteld noch gebleken is immers dat de uitvoering van die taken ten gevolge van het besluit op enige wijze een wijziging ondergaat.


3.9 Al het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het in dit geding bestreden besluit adviesplichtig is. Nu advies aan de DOR niet is gevraagd, is het besluit -reeds daarom- kennelijk onredelijk. De primiare verzoeken dienen derhalve te worden toegewezen. Aan de subsidiaire verzoeken wordt derhalve niet toegekomen.

5. De beslissing

De Ondernemingskamer:

verklaart dat de Staat bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen;

legt de Staat de verplichting op om het besluit in zijn geheel in te trekken en om alle gevolgen van het besluit ongedaan te maken.

Deze beschikking is gewezen door mr Willems, voorzitter, mr Ten Kley en mr Visser, raadsheren, prof. dr Van Hoepen RA en drs Appelo RA, raden, in tegenwoordigheid van mr De Vries, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 27 april 2000 door Mr Ten Kley, in tegenwoordigheid van Mr de Vries, griffier.

coll.:

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie