Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Toespraak Van Boxtel bij congres 'De gedroomde stad'

Datum nieuwsfeit: 27-04-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Toespraak minister Van Boxtel bij congres "De gedroomde stad; samenwerken in de wijk", Diemen
Een toespraak bij het onderwerp Grotestedenbeleid
27 april 2000
"De gedeelde verantwoordelijkheid"
Economisch schijnt de zon en ook de steden in Nederland profiteren daar sterk van. Was er in de jaren tachtig nog sprake van hoge werkloosheid, als we de laatste jaren kijken naar de grote steden, dan zien we dat daar de werkloosheid voortdurend gedaald is, zelfs meer dan de nationale afname. Ook de werkloosheid in de achterstandwijken is in veel steden scherper gedaald dan het stedelijk gemiddelde. Het stedelijke productiemilieu heeft dan ook duidelijk aan kracht gewonnen.
Ondanks dat het beter gaat met de steden, zijn we er nog lang niet en blijft alertheid geboden. In bepaalde wijken stapelen de problemen zich op en versterken ze elkaar. Het doel: een complete, veilige en leefbare stad waarin alle burgers gelijke kansen hebben, is nog lang niet gerealiseerd, zoals ook blijkt uit de cijfers van het vorige week verschenen Jaarboek Grotestedenbeleid
1999. Met de ondertekening eind vorig jaar van de convenanten tussen het Rijk en de 25 betrokken steden zijn we een nieuwe fase van het Grotestedenbeleid ingegaan: namelijk van de ontwikkelingsfase naar de uitvoeringsfase. Kortom: de gedroomde stad werkelijkheid laten worden.
De basis voor de stadsconvenanten vormden de door de steden opgestelde meerjarige ontwikkelingsprogrammas. Zoals u weet gaat het in het Grotestedenbeleid niet om een geïsoleerde benadering. Het gaat om een samenhangende aanpak van maatregelen op economisch, fysiek en sociaal terrein. Het benutten van het economisch potentieel op wijkniveau en het stimuleren van de economische participatie van bewoners vergt namelijk niet alleen ver- en herbouw van woningen. Het vergt ook de aanwezigheid van bedrijvigheid in of nabij de wijk, een veilige en schone openbare ruimte, groen- en andere voorzieningen die de leefbaarheid verbeteren. Het vraagt ook inspanningen om een tekort aan zelfredzaamheid van bewoners op te heffen, op het gebied van bijvoorbeeld opleiding, werk, inkomen, sociale en culturele vaardigheden. Kortom: de inzet van maatregelen op veel fronten tegelijk, maar ook door veel betrokken partijen. Want partnerschap en structurele samenwerking tussen bestuurders, maatschappelijke organisaties, burgers en - niet op de laatste plaats - het bedrijfsleven is een essentiële voorwaarde voor het welslagen van het Grotestedenbeleid.
Het hele voorbereidingstraject van de stadsvisies en meerjarige ontwikkelingsprogrammas is in samenspraak met de lokale belanghebbenden in de publieke en de private sector doorlopen. Die samenwerking was voor velen aan het begin van het traject een onbekend fenomeen. Daarmee moest ervaring worden opgedaan. Het Rijk heeft dat proces faciliterend ondersteund, mede door het organiseren van regionale bijeenkomsten onder de titel "De ondernemende stad". Het bleek dat in nog teveel steden de netwerken van ondernemers en van stadsbestuurders en ambtenaren geheel verschillend zijn. Met "De ondernemende stad" is vooral gewerkt aan dwarsverbanden tussen deze verschillende netwerken. De gebrekkige samenwerking tussen bedrijven en gemeenten is in nagenoeg alle steden genoemd als knelpunt, waaraan de komende tijd gewerkt moet worden en waarover ook afspraken zijn gemaakt. Onderwerpen voor samenwerken liggen voor een belangrijk deel op het vlak van aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt en op bereikbaarheid. Ook andere onderwerpen zijn relevant gebleken, zoals lokale veiligheid, en werkgelegenheid voor kwetsbare groepen.
Bij dit laatste punt, het aan de slag krijgen van meer mensen uit kwetsbare groepen, wil ik even stilstaan. De ongekende economische groei stelt ons voor problemen. Aan de ene kant kunnen bedrijven amper de vraag aan, terwijl er een tekort is aan gekwalificeerd personeel. Het midden- en kleinbedrijf kampt bijvoorbeeld met
150.000 vacatures, vooral in de commerciële, technische, administratieve en ICT-richting. Maar aan de andere kant staat tegenover deze hoogconjunctuur een aanzienlijk reservoir aan onbenutte arbeidskrachten. De afroming van minder moeilijk plaatsbare werklozen heeft tot gevolg dat de harde kern van bijstandsuitkeringsgerechtigden een steeds groter deel uit gaat maken van de bestanden in de grote steden. Bovendien concentreert deze groep zich voornamelijk in de achterstandswijken. Is in het algemeen de bereidheid tot werken bij werklozen groot, in sommige gevallen is de animo daartoe een stuk minder. Dat heeft allerlei oorzaken, waaronder de armoedeval: met werk op minimumloonniveau en daarboven vervallen verschillende inkomensondersteunende maatregelen. Daarom zal werk moeten leiden tot perspectief op financiële verbetering. Maar ook dan kunnen mensen soms geen lust tot werken hebben. Als alle positief stimulerende maatregelen niet helpen, zal in die gevallen een stringentere en daadwerkelijke toepassing van boetes en kortingen op uitkeringen als enige weg overblijven.
Vanuit mijn positie als minister die zich met de integratie van minderheden bezig houdt, zal het u niet verbazen dat vooral de werkloosheid onder etnische minderheden mij grote zorgen blijft baren. Deze is namelijk nog altijd zon vier keer zo hoog als onder autochtonen en dat geldt ook voor de hoger opgeleide tweede generatie etnische minderheden. Ik heb bewondering voor die ondernemers die - vaak op onorthodoxe wijze - forse inspanningen leveren om hun personeels- bestand een afspiegeling te laten zijn van hun verzorgingsgebied of klantenpotentieel. Uit het werkbezoek van Hare Majesteit de Koningin aan allochtone ondernemers in Amsterdam en Rotterdam, dat ik vorige maand mocht begeleiden, bleek bijvoorbeeld dat "training on the job" en het aangaan van inventieve samenwerkingsverbanden met onder meer opleidingsinstellingen en politie, goede resultaten op leveren. Eén ding weten we zeker: de aantallen etnische minderheden zullen in alle grote steden groeien. Gezamenlijk zullen we vorm moeten geven aan dat beleid én de uitvoering daarvan.
Niet voor niks is afgelopen week in de Kamer het Integratiedebat gevoerd. Belangrijk onderdeel hiervan was de inburgering, van zowel nieuwkomers als van mensen die al langer in Nederland wonen, de zogenaamde oudkomers.
Want als het gaat om integratie staat inburgering centraal! Inburgering is de eerste stap naar integratie. Het geeft mensen dat wat zij nodig hebben om aan het werk te kunnen en om hun kinderen voldoende begeleiding te geven in hun schoolloopbaan. Inburgering is voor zowel de eerste als de tweede generatie etnische minderheden van cruciaal belang.
In de voortgangsrapportage inburgering die ik twee weken geleden aan de Kamer heb gezonden heb ik helaas moeten constateren dat de inburgering nog niet zo soepel loopt als zou moeten. Geld is daarbij niet het eerste probleem. Organisatie en samenwerking tussen instellingen des te meer. De gemeenten, als centrale regievoerder, moeten afspraken maken met de verschillende uitvoerders: de educatie-instellingen, Arbeidsvoorziening, etc. En het gaat ook hier om prestatie-afspraken. De uitvoerders moeten duidelijke eisen aan elkaar stellen en elkaar daar ook op kunnen afrekenen.
Om een kwaliteitsslag te kunnen maken wordt binnen een paar weken een Taskforce opgericht. Deze heeft tot taak alle uitvoerders: gemeenten, de educatie-instellingen, Arbeidsvoorziening èn het bedrijfsleven te ondersteunen om inburgering tot een succes te maken.
Want ook het bedrijfsleven kan bij inburgering een grote rol spelen. Werkgevers zitten te springen om werkkrachten. Zij bieden nieuwkomers werk en dat merken we bij inburgering: mensen vallen uit omdat zij de cursus Nederlands niet kunnen combineren met een full-time baan of met werken in ploegendienst.
Dat baart zorg. Want, hoewel ik natuurlijk tevreden ben dat mensen snel aan de slag kunnen trek ik wel een les uit het verleden: mensen zonder goede opleiding of zonder een goede beheersing van het Nederlands staan als eersten weer op straat als het economisch slechter gaat.
Er zijn natuurlijk oplossingen: taal- en werkstages of het werk combineren met het leren van Nederlands op de werkvloer. Daar zijn programmas voor en er is ervaring mee opgedaan. Maar om dat voor elkaar te krijgen heb ik uw hulp nodig. U krijgt de mensen die u nodig heeft maar u moet hen wel de kans geven zich te ontwikkelen. Daar hebben zij profijt van maar u ook, op de korte maar ook op de langere termijn.
De Taskforce, die op korte termijn aan de slag gaat, kan u daarbij van dienst zijn.
In dat verband is het ook goed om te melden dat de minister van SZW en ik vorige week met vertegenwoordigers van MKB-Nederland, het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening een convenant hebbben afgesloten voor een forse instroom van etnische minderheden in het MKB. Het gaat daarbij om op korte termijn werk te bieden aan in totaal 20.000 etnische minderheden door een forse gezamenlijke inspanning van Arbeidsvoorziening en de branches, bovenop de al bestaande afspraken.
Het versterken van de wijkeconomie en de aanpak van de langdurige werkloosheid, vooral onder etnische minderheden nemen in alle meerjarige ontwikkelingsprogrammas van de steden een belangrijke plaats in. Een sterke wijkeconomie draagt bij aan de sociale en economische zelfredzaamheid van de bewoners in de aandachtsgebieden en aan het zelfherstellend vermogen van deze wijken. Het hebben van werk is het belangrijkste integratie-instrument dat we kennen. Werk geeft het leven van mensen structuur, onafhankelijkheid, nieuwe contacten en netwerken.
Hoewel de steden op vele fronten maatregelen nemen om de mismatch tussen vraag en aanbod te verminderen, blijkt uit de analyse van de ontwikkelingsprogrammas dat de spin-off van de economische groei naar achterstandsgroepen en- wijken de komende periode nog meer aandacht behoeft. Beter inzicht in de kennis en vaardigheden van werkzoekenden, en inzicht in de behoefte aan gekwalificeerd personeel in de (groei)sectoren is daarbij essentieel. Dat betekent ook het beter betrekken van het bedrijfsleven bij op- en toeleidingstrajecten in groeisectoren met groot tekort aan arbeidskrachten. Initiatieven en experimenten in deze regio, bijvoorbeeld in de horeca en in call-centers, verdienen uitbreiding naar andere sterk groeiende sectoren met grote personeelstekorten.
Als ondernemers kansen zien om de economie van wijken te versterken, dan zullen zij dat zeker niet laten. Die kansen moeten in het algemeen wel gecreëerd worden. Het ArenA-initiatief in Amsterdam Zuid-Oost en de stichting van de ArenA-Academie voor Dienstverlenende Beroepen zijn succesvolle voorbeelden. Ook heeft de bouw van het stadion een zee van ruimte geschapen voor parkeerplaatsen die maar beperkt worden benut. Dat bleek voor ondernemers een kans om in de directe omgeving een vestiging te starten. Ook de korte afstand tot de Bijlmer geeft extra mogelijkheden om verschillende doelgroepen te bereiken. Zo kan door een combinatie van publieke en private inspanningen synergie worden verkregen.
Bedrijven kunnen op verschillende manieren bijdragen aan de gsb-doelstellingen. Niet alleen via hun directe opereren op de verschillende markten, waaronder de arbeidsmarkt, maar zeker ook door bij te dragen aan de verdere organisatie van ondernemers in de stad. In veel gevallen wordt de stem van de ondernemer niet gehoord, omdat hij voor externe contacten te weinig tijd kan vrijmaken. Daar is op zich alle begrip voor, maar: "In het donker zien ze je niet, als je zwijgt dan horen ze je niet..." Deze Nederpop-boodschap is ook een les aan ondernemers in de stad. Veel gemeenten kennen hun ondernemers namelijk niet. Contacten worden gelegd met de Kamers van Koophandel en
ondernemersverenigingen, maar vooral in aandachtswijken zijn ondernemers slecht georganiseerd. Door ondernemers zelf niet te betrekken bij de gedachtenwisselingen wordt concreet commitment van die ondernemers niet bereikt. Het is dus voor ondernemers zelf van belang dat zij zich beter gaan organiseren. Dat kan op allerlei verschillende niveaus, afhankelijk van de belangen die op het spel staan: op straat-, buurt-, wijk of stadsniveau. Alleen georganiseerde ondernemers weten dat hun stem doorklinkt. Voor gemeenten is het van belang de goede signalen te krijgen, zeker als gewerkt wordt op een zo gevoelige schaal als de buurt of de wijk. Dat mag ze dus ook wel wat waard zijn. Gemeenten kunnen veel doen aan verbetering van de organisatiegraad van ondernemers, maar het gebeurt in het algemeen nog te weinig.
De aard en de kwaliteit van de communicatie tussen stad en organisaties moet en kan beter. Nog teveel wordt op enkelvoudige wijze een probleem of een aanpak gecommuniceerd, waar nu toch heel bruikbare stukken in de vorm van stadsvisies en meerjarige ontwikkelingsprogrammas liggen die de communicatie in een breder kader kunnen plaatsen. Deze nieuwe vormen van communicatie openen nieuwe mogelijkheden om problemen aan te pakken. We moeten nu doorpakken. Ook in de uitvoeringsfase en misschien wel juist dan, is productieve samenwerking noodzakelijk om de verschillende doelstellingen te halen. Immers de resultaten komen ten goede aan iedereen, niet alleen aan de bewoners of aan de instellingen, maar ook aan de bedrijven en ondernemers. Immers de steden zijn zich meer dan ooit bewust van de noodzaak om kwaliteit te bieden in hun dienstverlening naar de bedrijven toe. Dat blijkt onder meer uit de Benchmark gemeentelijk ondernemingsklimaat die onlangs in opdracht van het ministerie van Economische Zaken is afgerond en op grond waarvan de steden vòòr 1 mei kwantitatieve doelen zullen formuleren.
Een onderwerp dat de komende jaren zijn stempel zal drukken op de uitvoering van de convenanten is het gebruik van ICT. In de ontwikkelingsprogrammas is daaraan nog relatief weinig aandacht geschonken. Sterker nog: er is geen visie door de steden geformuleerd over het gebruik van ICT-mogelijkheden om het Grotestedenbeleid over de hele linie te versterken. Dit was voor mij een belangrijke aanleiding om eind maart de commissie "ICT en de stad" in te stellen, de commissie Cerfontaine, zoals genoemd naar haar voorzitter. Op deze plaats doet het mij ook genoegen u te melden dat de heer Zwarts bereid is gevonden deel te nemen aan deze commissie.
De toepassing van ICT in de stad biedt veel aanknopingspunten voor economische en sociale structuurversterking van stadswijken. Kijkende naar de talrijke initiatieven op ICT-gebied door de verschillende overheden, zou het mij niet verbazen als het sociale domein extra aandacht verdient. Op economisch, ruimtelijk en vervoersgebied lopen al vele initiatieven, de commissie zou kunnen bezien hoe deze initiatieven door de grote steden maximaal kunnen worden benut.
In dit hele veranderingsproces mag één aspect niet onderbelicht blijven, namelijk de noodzakelijke investering in menselijk kapitaal. Deelneming aan en betrokkenheid bij de kennissamenleving eist dat alle burgers gelijke kansen hebben als het gaat om de toegang tot de elektronische snelweg. Kennis van ICT, toegang tot het Internet en daar de weg weten is bijna onontbeerlijk geworden voor iemand die volop wil meedraaien in de samenleving. Daarin past ook mijn initiatief voor de Digitale trapveldjes om die mensen - die niet automatisch via hun werk, opleiding of sociale netwerk in aanraking komen met de mogelijkheden van Internet - die mogelijkheid ook te bieden.
Het is duidelijk dat het Rijk en de steden het nodige al doen op ICT-gebied. Toch is het gewenst om, onder andere door de inspanningen van de commissie ICT en de Stad, in het Grotestedenbeleid de ICT-ontwikkelingen een strategische plaats te geven.
Het resultaat van het werk van de Commissie wil ik graag gebruiken bij een internationale conferentie van 5 tot en met 7 september te Den Haag. Samen met de Gemeente Den Haag organiseren wij deze conferentie. De opzet is dat als resultaat duidelijk wordt wat een overheid kán en móet doen in dit verband. Én op welke terreinen de grote steden hun responsieve en anticiperende kracht moeten inzetten, om duurzaam te voldoen aan de eisen die in de 21e eeuw worden gesteld aan een stad waar het goed wonen, werken en leven is. Met andere woorden: wat moeten steden doen om niet alleen compleet en vitaal, maar ook digitaal te worden. Brede toepassing van ICT is voor mij een belangrijk onderdeel van de gedroomde stad, waar we met de steden en het bedrijfsleven samen aan moeten blijven werken, dus ook hier geldt een gedeelde
verantwoordelijkheid!
Ik dank u voor uw aandacht.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie