Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Nota Nieuwe uitvoeringsstructuur sociale zekerheid

Datum nieuwsfeit: 27-04-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Nieuwe uitvoeringsstructuur voor sociale zekerheid en reïntegratie

Samenvatting

Inhoudsopgave:


1. Inleiding

2. Beoordelingskader uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen en overwogen alternatieven

2.1 Beoordelingskader uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen
2.2 De overwogen alternatieven

3. De keuze van het kabinet:
publieke claimbeoordeling, uitkeringsverzorging en premie-inning private reïntegratie

3.1 Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen (UWV)
3.2 Reïntegratie

3.2.1 Reïntegratie van zieke en arbeidsgehandicapte werknemers
3.2.2. Reïntegratie van WW-uitkeringsgerechtigden
3.2.3 Reïntegratie van bijstandsgerechtigden en niet-uitkeringsgerechtigden

3.2.4 De nieuwe reïntegratiemarkt

3.3 Het Landelijk instituut voor Werk en Inkomen (LIWI) en de Centra voor Werk en Inkomen (CWI's)

3.4 Regionale platforms

4. Raad voor Werk en Inkomen

5. De cliënten

6. Inzet van informatie- en communicatietechnologie (ICT)
7. Toezicht

8. Financiële aspecten en kosten en baten
9. Gefaseerde overgang en verantwoording aan de Tweede Kamer
9.1 De veranderorganisatie

9.2 Overzicht wetgevingsproces in het kader van SUWI
9.3 Verantwoording over de voortgang van het project aan de Tweede Kamer

Voetnoten

info: Veranderingsmanagers SUWI bekend

samenvatting

Het kabinet heeft een nieuw voorstel ontwikkeld voor de uitvoering van de sociale zekerheid. Op een aantal onderdelen is het voorstel zoals dat is gedaan in de SUWI-nota van maart 1999 en waarvoor in de Tweede Kamer brede steun bleek te bestaan, gehandhaafd. Het gaat hier om de inrichting van de Centra voor Werk en Inkomen, om de taken van gemeenten, om de verdergaande marktwerking op het terrein van de reïntegratie en om de privatisering van het reïntegratiedeel van Arbeidsvoorziening.
Op enkele essentiële onderdelen echter, hebben het commentaar van de uitvoeringsinstellingen en de kritiek van de Kamer geleid tot ingrijpende aanpassingen van het eerdere voorstel. Dit geldt in het bijzonder de eerder voorgestelde verdeling van verantwoordelijkheden over het publieke en het private domein en de gevolgen die dat heeft voor de beoordeling van het individuele recht op een uitkering en de mogelijkheden voor beleidsmatige aansturing van de uitvoering van de sociale verzekeringen.
Achtergrond
Met de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 werd het opdrachtgeverschap voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen overgeheveld van de sociale partners naar het Lisv. Daarbij bleef de vraag openstaan in hoeverre marktwerking en concurrentie in de uitvoering mogelijk en wenselijk is, onder de randvoorwaarden dat beleidsmatige aansturing mogelijk blijft en de aanspraken van verzekerden te allen tijde tot hun recht komen en niet blootstaan aan commerciële invloeden.
In het Regeerakkoord 1998 is daartoe een modus neergelegd waarin de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen werd verdeeld over publieke en private instanties. Dit concept is vervolgens uitgewerkt in de SUWI-nota van maart 1999. In die nota werd het spanningsveld tussen concurrentie aan de ene kant en publieke waarborgen aan de andere kant duidelijk zichtbaar. Reële concurrentie vraagt om zo weinig mogelijk belemmeringen voor het verrichten van taken en voor toetreding tot de markt. Tegelijk werd duidelijk dat met name de beoordeling van het recht op een uitkering (claimbeoordeling) en de handhaving en opsporing van wetsovertredingen, werkzaamheden bevatten die naar hun aard publiek bepaald zijn en die geheel los dienen te staan van commerciële belangen en invloeden. Het kabinet koos daarom in de SUWI-nota voor een deels publieke en deels private uitvoering van de in de wet neergelegde publieke taken. Daarbij realiseerde het kabinet zich dat dit gevolgen zou hebben voor de werkprocessen en tot personele verschuivingen zou leiden. Om deze gevolgen tot het uiterste te beperken werd gekozen voor het zogenoemde loodsmodel, waarin de claimbeoordeling wordt verricht door medewerkers van de publieke Centra voor Werk en Inkomen, maar de feitelijke uitvoering plaatsvindt bij de private uitvoeringsinstellingen.

Knelpunten
Over de SUWI-nota is in juni 1999 in de Tweede Kamer een indringend debat gevoerd. Daarbij kwam een groot aantal knelpunten aan de orde. Geconstateerd werd dat de voorgestelde verdeling van de verantwoordelijkheid over publieke en private instanties zou leiden tot een groot aantal extra overdrachtsmomenten. Behalve meer bureaucratie, afnemende klantvriendelijkheid en hogere uitvoeringskosten, betekent dit dat de beheersbaarheid van het gehele uitvoeringsproces in het gedrang komt. Ook in het loodsmodel, zo bleek, zouden ingrijpende en kostbare reorganisaties moeten plaatsvinden. Het leggen van de verantwoordelijkheid voor de claimbeoordeling bij de Centra voor Werk en Inkomen zou leiden tot veel grotere personele verschuivingen dan aanvankelijk voorzien. De voorgestelde verdeling van verantwoordelijkheden bleek nog meer bezwaren op te roepen. De verdeling van samenhangende taken over CWI's en uitvoeringsinstellingen zou het uitoefenen van toezicht en beleidsmatige aansturing problematisch maken. Ook kleeft aan de uitvoering van werknemersverzekeringen door commerciële partijen het risico dat persoonsgegevens voor andere doeleinden worden gebruikt dan waarvoor ze zijn verkregen. Dat vraagt om uitgebreide regelingen voor bescherming van de privacy, die echter de beoogde marktwerking weer kunnen belemmeren.
Premie-inning, claimbeoordeling en uitkeringsverzorging publiek; reïntegratie privaat
De kritiek op de SUWI-nota van maart 1999 is voor het kabinet aanleiding geweest voor een fundamentele heroverweging van de voorgestelde toedeling van verantwoordelijkheden in de uitvoering van de werknemersverzekeringen. Daarbij staat het voor het kabinet vast dat de huidige structuur niet lang meer kan blijven bestaan. De huidige situatie - die een overgangsfase is - kenmerkt zich door vele schijven en (bestuurs)lagen en door allerlei beperkingen die aan uitvoeringsinstellingen worden gesteld. Dat maakt dat er momenteel noch sprake is van reële concurrentie in een marktomgeving, noch van goede mogelijkheden voor beleidsmatige aansturing. Een aantal alternatieve modellen is overwogen, variërend van een meer publieke uitvoering tot een verdergaande privatisering. Elk van die varianten is beoordeeld op effectiviteit van preventie, reïntegratie en inkomensbescherming; klantgerichtheid; doelmatigheid; waarborging van wetsconforme toewijzing van individuele aanspraken, handhaving en bescherming van persoonsgegevens; reorganisatielasten; mogelijkheden voor beleidsmatige aansturing; en mogelijkheid voor effectief toezicht. Ten aanzien van alle onderzochte private modellen is de conclusie dat de onafhankelijke claimbeoordeling extra overdrachtsmomenten in de behandeling van individuele gevallen onvermijdelijk maakt. De modellen zijn ondoorzichtig voor de cliënt en creëren een risico van inbreuk op de privacy van de cliënt. De verantwoordelijkheidsverdeling is onhelder, hetgeen toezicht en beleidsmatige aansturing bemoeilijkt. Ten aanzien van de onderzochte publieke modellen waarin concurrentie in de uitvoering wordt beoogd, is de conclusie dat onvoldoende uitzicht bestaat op volwaardige concurrentie in de zin van betere dienstverlening en lagere uitvoeringskosten. Voorzover in deze publieke modellen toch nog enige concurrentie zou ontstaan, leidt dit tot spanningen ten aanzien van de objectieve claimbeoordeling en de premie-inning, waardoor (opnieuw) onderbrekingen in de werkprocessen en extra dossieroverdrachten noodzakelijk zijn.
Het kabinet is, na bestudering van de alternatieve modellen, tot de conclusie gekomen dat de uitvoering van de werknemersverzekeringen zich niet verdraagt met marktwerking en concurrentie. Een model waarin één publieke instantie verantwoordelijk is voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen, voldoet aan de belangrijkste eisen die aan een uitvoeringsorganisatie worden gesteld. Het biedt de meeste waarborgen voor een uitvoering van de werknemersverzekeringen overeenkomstig de bedoelingen van de wetgever. De integrale verantwoordelijkheid voor de uitvoering toewijzen aan één organisatie voorkomt versnippering en mogelijke afwenteling van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het kabinet stelt daarom voor dat de uitvoering van de premie-inning, de claimbeoordeling en de uitkeringsverzorging wordt opgedragen aan één publiekrechtelijke organisatie, het Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen (UWV). De reïntegratie van werklozen en arbeidsongeschikten wordt toevertrouwd aan private reïntegratiebedrijven opdat zoveel mogelijk gebruik kan worden gemaakt van het aanbod en de dynamiek van de markt.

Publieke uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen Het kabinet is van oordeel dat de keuze voor publieke uitvoering van de werknemersverzekeringen grote voordelen heeft ten opzichte van de eerdere SUWI-nota en de onderzochte alternatieve modellen. Met één uitvoeringsorgaan blijft de logische samenhang in de werkprocessen intact en wordt dossieroverdracht tussen verschillende instanties voorkomen. Ook de bestuurlijke helderheid en eenvoud is ermee gediend. De verantwoordelijkheden zijn helder gescheiden. Partijen kunnen beter op hun verantwoordelijkheid worden aangesproken. Door het verdwijnen van bestuurlijke tussenlagen kan de politieke verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen beter worden waargemaakt. Het onderbrengen van de premie-inning, claimbeoordeling en uitkeringsverzorging in één organisatie vereenvoudigt het toezicht aanzienlijk. Het op termijn samenvoegen van de vijf bestaande uitvoeringsorganisaties biedt ook uitzicht op kostenbesparing door schaalvergroting. Mogelijkheden hiertoe doen zich in het bijzonder voor op het gebied van ICT en financieel beheer en in de benutting van de schaarse deskundigheid van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen.
Een overheidsorganisatie heeft niet de (externe) doelmatigheidsprikkels die voortvloeien uit concurrentieverhoudingen. Er moet veel zorg worden besteed aan de vormgeving van de nieuwe uitvoeringsorganisatie om er een dynamisch en efficiënt bedrijf van te maken dat voldoende aandacht heeft voor de sectorspecifieke aspecten. Ervaringen bij sommige overheidsorganisaties wijzen uit dat toepassing van moderne managementtechnieken en strikte budgettering kunnen zorgen voor hoogwaardige, klantgerichte dienstverlening en kostenbewaking. ‘Benchmarking' zal worden ingezet om de doelmatigheid te bevorderen. Daarnaast zijn er mogelijkheden tot prestatievergelijking tussen de regionale organisatie-onderdelen. Bedrijvenpanels en voorzieningen op het gebied van cliëntenparticipatie, zullen bevorderen dat organisatie en werkwijze van het UWV worden afgestemd op de verschillende cliënten.
Reïntegratie
Een deel van de werkzoekenden slaagt er niet in om op eigen kracht werk te vinden. Voor hen zijn extra inspanningen nodig, bijvoorbeeld in de vorm van reïntegratietrajecten (scholing, werkervaringsplaatsen e.d.). In opdracht van de daarvoor meest aangewezen partijen zullen de reïntegratiewerkzaamheden worden uitgevoerd door private reïntegratiebedrijven. Aan deze reïntegratiebedrijven zullen nog nader uit te werken kwaliteitseisen worden gesteld. Bij het sluiten van contracten voor reïntegratietrajecten moet de hoofdrol worden gespeeld door (vertegenwoordigers van) werkgevers en werknemers. Werkgevers en werknemers hebben op dit moment al een belangrijke verantwoordelijkheid bij het voorkómen van ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid van werknemers. Werkgevers moeten daarom ook hun verantwoordelijkheid kunnen dragen voor de terugkeer van de betrokken werknemers.

Reïntegratie van zieke en arbeidsgehandicapte werknemers Inzake de reïntegratie van zieke en arbeidsgehandicapte werknemers, kunnen werkgevers, werknemers en hun vertegenwoordigende organisaties, zelf bepalen op welk niveau zij het meest efficiënt en effectief als contractant van reïntegratiebedrijven kunnen optreden: op bedrijfsniveau, CAO-niveau of brancheniveau. Het opdrachtgeverschap is altijd bipartiet: werkgevers met instemming van werknemers, dan wel sociale partners. In de Wet uitbreiding loondoorbetalingsverplichting bij ziekte en in de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, zijn financiële stimulansen neergelegd om ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid terug te dringen.
Op bedrijfsniveau is de werkgever verantwoordelijk voor het afsluiten van contracten met het reïntegratiebedrijf. Dit gebeurt met instemming van zijn ondernemingsraad (OR), personeelsvertegenwoordiging of bij het ontbreken hiervan met instemming van de belanghebbende werknemers. Als het dienstverband wordt verbroken -meestal na twee jaar ziekte- wordt het UWV verantwoordelijk voor de reïntegratie. De werkgever kan er ook voor kiezen (met instemming van OR of personeelsvertegenwoordiging) om langer verantwoordelijk te blijven voor de reïntegratie. Dit is mogelijk tot uiterlijk zes jaar na de eerste ziektedag; daarna neemt het UWV de verantwoordelijkheid voor de reïntegratie over. Een uitzondering geldt voor ondernemingen met minder dan tien werknemers. Hier gaat de verantwoordelijkheid voor de reïntegratie na het einde van het dienstverband in principe over op het UWV, tenzij het UWV positief reageert op een verzoek van de werkgever om langer verantwoordelijk te blijven. Voorwaarde daarbij is dat de werkgever een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging heeft ingesteld en dat die heeft ingestemd met het verzoek van de werkgever om het opdrachtgeverschap te behouden.

Op CAO-niveau kunnen afspraken worden gemaakt over reïntegratie, die bindend zijn voor de leden van de contracterende organisaties van werkgevers en werknemers. CAO-afspraken gaan boven afspraken op ondernemingsniveau. Het staande beleid ten aanzien van algemeen verbindend verklaren is op deze afspraken van toepassing (zoals dat ook van toepassing is op het afsluiten van contracten met arbodiensten). CAO-afspraken over de inhoud van de contracten kunnen algemeen verbindend worden verklaard. CAO-afspraken waarin specifiek één of meer te contracteren reïntegratiebedrijven worden aangewezen, kunnen in principe niet algemeen verbindend worden verklaard, tenzij de CAO een met waarborgen omklede dispensatieclausule bevat. In dat geval kan de individuele werkgever - met instemming van de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging - kiezen voor een ander reïntegratiebedrijf. Op brancheniveau kunnen individuele werkgevers gezamenlijk contracten sluiten met reïntegratiebedrijven, uiteraard met instemming van hun ondernemingsraden of personeelsvertegenwoordigingen.

Zieke en arbeidsgehandicapte werknemers die niet tevreden zijn over de reïntegratiemogelijkheden die de werkgever hun biedt, kunnen het UWV een second opinion vragen. Het UWV stelt subsidies beschikbaar voor de reïntegratie van arbeidsgehandicapte werknemers in het kader van de Wet op de reïntegratie arbeidsgehandicapten (REA). Het gaat om subsidies voor bijvoorbeeld het aanpassen van de werkplek. Ook reïntegratiebedrijven kunnen subsidies krijgen voor het financieren van reïntegratietrajecten voor arbeidsgehandicapte werknemers. Door de werkgever verantwoordelijk te maken voor het sluiten van een contract met een reïntegratiebedrijf ontstaat een volledige aansluiting tussen preventie, ziekteverzuimbegeleiding en reïntegratie tijdens het eerste ziektejaar en de WAO-periode daarna. Arbodiensten en reïntegratiebedrijven zullen vermoedelijk nauw gaan samenwerken, zo niet fuseren, en er hoeft geen overdracht van dossiers meer plaats te vinden.

Reïntegratie van WW-uitkeringsgerechtigden
Voor WW-gerechtigden, van wie door het CWI is vastgesteld dat ze niet binnen zes maanden op eigen kracht een baan vinden, is een reïntegratietraject nodig, bijvoorbeeld in de vorm van bij- of omscholing. Omdat de band met de oude werkgever is verbroken, kiest het kabinet ervoor in beginsel het UWV te belasten met het afsluiten van reïntegratiecontracten voor werklozen. Tevens kunnen werkgevers en werknemers een belangrijke rol spelen bij de reïntegratie van WW-gerechtigden. Zeker in tijden van spanning op de arbeidsmarkt, waarin bedrijven en sectoren moeilijk in hun personeelsbehoefte kunnen voorzien, zal bij hen belangstelling bestaan om aan de reïntegratie van werklozen mee te werken. Daarbij kunnen ook eigen gelden worden ingezet, bijvoorbeeld uit de Opleidings- en Ontwikkelingsfondsen. Als er afspraken op cao-niveau worden gemaakt over het inzetten van eigen middelen voor de reïntegratie van WW-gerechtigden, worden de cao-partijen contractpartner van het reïntegratiebedrijf. Het UWV heeft in dat geval een toetsende rol omdat het hierbij ook gaat om het inzetten van publieke middelen.

Reïntegratie van bijstandsgerechtigden en niet-uitkeringsgerechtigden De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de reïntegratie van bijstandsgerechtigden en niet-uitkeringsgerechtigden en sluiten hiertoe contracten met private reïntegratiebedrijven.
Gemeenten zullen worden gestimuleerd om een effectief reïntegratiebeleid te voeren. Hiervoor ontvangen zij geld uit het Fonds werk en inkomen (FWI), dat thans wordt ontwikkeld. Bij de reïntegratie van mensen zonder uitkering hebben de gemeenten geen direct financieel voordeel. Er wordt immers niet op een uitkering bespaard als iemand zonder uitkering aan werk wordt geholpen. Om te waarborgen dat gemeenten zich ook voor deze mensen voldoende inspannen, zal het hiervoor aan de gemeenten beschikbaar te stellen geld alleen voor deze doelgroep mogen worden uitgegeven.
Reïntegratiemarkt
In het nieuwe concept is een belangrijke rol weggelegd voor arbodiensten en reïntegratiebedrijven. Werkgevers zijn op grond van de Arbeidsomstandighedenwet nu reeds verplicht zich bij te laten staan door een arbodienst voor het uitvoeren van onder meer de risico-inventarisatie en
-evaluatie en de verzuimbegeleiding, waarin inbegrepen de reïntegratie bij dezelfde werkgever. Als gevolg daarvan is een private markt ontstaan voor arbodienstverlening. Werkgevers worden in het nieuwe voorstel meer in algemene zin verantwoordelijk voor de reïntegratie (eventueel ook bij een andere werkgever) van hun zieke en arbeidsgehandicapte werknemers. Verwacht mag worden dat reïntegratiebedrijven een breed pakket van reïntegratie-activiteiten zullen aanbieden voor zieken en arbeidsgehandicapten, geïntegreerd met arbodienstverlening, en voor WW-gerechtigde, ABW-gerechtigde en niet-uitkeringsgerechtigde werklozen. Het is aannemelijk dat ook gespecialiseerde reïntegratiebedrijven zich zullen aandienen. De reïntegratietrajecten worden naar verwachting gefinancierd door een mengvorm van inspannings- en resultaatfinanciering. Deze vorm van financiering, tesamen met de tucht van de markt, zal de kwaliteit van dienstverlening van arbodiensten en reïntegratiebedrijven alleen maar bevorderen.

Sociale partners
In het licht van deze nieuwe constellatie heeft het kabinet opnieuw overwogen op welke wijze de sociale partners en de vertegenwoordigers van de gemeenten optimaal kunnen worden betrokken bij de totstandkoming en de uitvoering van het arbeidsmarktbeleid en het socialezekerheidsbeleid. Het kabinet is van mening dat het instellen van een Raad voor Werk en Inkomen de beste mogelijkheid biedt om de betrokkenheid van sociale partners en gemeenten te realiseren.

Bestuurlijke inrichting

Raad voor Werk en Inkomen
De Raad voor Werk en Inkomen (RWI) analyseert ontwikkelingen op het gebied van sociale zekerheid, arbeidsmarkt en reïntegratie en stelt jaarlijks ten behoeve van de minister een kader op met concrete voorstellen voor de vormgeving van dit beleid. Dit kader omvat ook voorstellen voor de omvang en verdeling van de publieke reïntegratiemiddelen en de vergoedingen die voor reïntegratietrajecten beschikbaar worden gesteld. De RWI ontwikkelt daarnaast de criteria op grond waarvan sectorale, regionale en bedrijfsinitiatieven op het gebied van reïntegratie gesubsidieerd kunnen worden. De minister stelt de criteria vast in een ministeriële regeling. De RWI beoordeelt ingediende initiatieven en kent de subsidies toe. Een nog aan te wijzen publieke instantie toetst de rechtmatigheid van de beslissingen van de RWI, keert de subsidies uit en houdt toezicht op de besteding ervan. Tenslotte adviseert de RWI de minister over wet- en regelgeving op het gebied van werk en inkomen en over specifieke onderwerpen, zoals over knelpunten op de arbeidsmarkt, de aansluiting tussen lokaal en sectoraal arbeidsmarktbeleid en de arbeidsdeelname van bijzondere groepen. De RWI wordt samengesteld uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van werkgevers, vertegenwoordigers van werknemers en vertegenwoordigers van gemeenten, onder leiding van een onafhankelijke door de minister benoemde voorzitter.
Het Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen (UWV) Het UWV verzorgt de uitvoering van de werknemersverzekeringen, dat wil zeggen de premie-inning, de claimbeoordeling en de uitkeringsverzorging. Daarnaast wordt het UWV verantwoordelijk voor de reïntegratie van al degenen die geen eigen werkgever (meer) hebben. Het zal het UWV worden toegestaan om, als de sociale partners daarom verzoeken, bovenwettelijke uitkeringen te verzorgen en bovenwettelijke premies te innen als de regelingen een semi-collectief karakter hebben en aansluiten op de wettelijke regelingen. Een nader wettelijk kader zal hiervoor worden gecreëerd. Het UWV is een publiekrechtelijke organisatie in de vorm van een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO). Voor die vorm is gekozen om beleid te scheiden van uitvoering. De minister is verantwoordelijk voor de beleidsvorming en het toezicht, de beslissingen over individuele gevallen worden genomen door het UWV. Een hoofddirectie zorgt voor de dagelijkse leiding en de inhoudelijke aansturing van het UWV. Een raad van toezicht, bestaande uit onafhankelijke, door de minister benoemde leden, is belast met het interne bestuurlijk toezicht en stelt beleidsplan, begroting, jaarrekening en jaarverslag vast, die ter goedkeuring worden voorgelegd aan de minister.

Gemeenten
De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Algemene bijstandswet en de reïntegratie van bijstandsgerechtigden en van werkzoekende niet-uitkeringsgerechtigden.

Het Landelijk Instituut voor Werk en Inkomen (LIWI) De Centra voor Werk en Inkomen worden aangestuurd door het Landelijk Instituut voor Werk en Inkomen (LIWI), dat tevens verantwoordelijk is voor de uitvoering van onder meer de Wet Arbeid Vreemdelingen en de Wet SAMEN. Het LIWI verricht op verzoek van de minster van SZW een uitvoeringstoets op voorgenomen wet- en regelgeving op het gebied van werk en inkomen, voorzover de uitvoering daarvan aan het LIWI wordt opgedragen. Het LIWI is, net als het UWV, een publiekrechtelijke organisatie in de vorm van een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO). Een hoofddirectie zorgt voor de dagelijkse leiding en de inhoudelijke aansturing, inclusief de aansturing van de regionaal gespreide CWI's. Een raad van toezicht, bestaande uit onafhankelijke leden door de minister benoemd, is belast met het interne bestuurlijk toezicht en stelt beleidsplan, begroting, jaarrekening en jaarverslag vast, die ter goedkeuring worden voorgelegd aan de minister.

Centra voor Werk en Inkomen (CWI's)
De Centra voor Werk en Inkomen worden het primaire loket voor alle WW-gerechtigde, bijstandsgerechtigde en niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekenden. De belangrijkste activiteiten van CWI's zijn het aanbieden van publieke arbeidsbemiddeling, de inschrijving van de cliënt, het verzamelen en toetsen van de gegevens ten behoeve van de WW- of ABW-uitkering en het bepalen van de kansen van de cliënt op de arbeidsmarkt (indeling in fase 1, 2, 3 of 4). Cliënten die direct beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt (fase 1) wordt door het CWI arbeidsbemiddeling aangeboden. Voor de overige cliënten (fase 2 t/m fase 4) wordt een reïntegratie-advies opgesteld, waarna ze worden overgedragen aan het UWV of aan de gemeente voor het verzorgen van de uitkering en het in gang zetten van de reïntegratie. Om een klantvriendelijke en efficiënte werkwijze te realiseren, zal worden bevorderd dat het UWV, de gemeentelijke sociale dienst, maar ook uitzendbureaus, reïntegratiebedrijven en arbodiensten op de lokatie van het CWI vertegenwoordigd zijn. Voorzover het de arbeidsbemiddeling betreft, neemt het CWI de adviserende en ondersteunende taken over die momenteel worden verricht door het arbeidsbureau. Met het inrichten van een nationale sollicitantenbank en een nationale vacaturebank kunnen de Centra voor Werk en Inkomen niet alleen diensten verrichten voor werkzoekenden maar ook voor werkgevers met vacatures.

Cliënten
Voor werknemers die werkloos worden, is het CWI de instantie waar zij terecht kunnen voor arbeidsbemiddeling en de aanvraag van een uitkering. Zieke werknemers hebben in de eerste plaats te maken met de eigen werkgever als het gaat om begeleiding en reïntegratie. De feitelijke begeleiding en reïntegratie van werknemers die ziek worden, gebeurt door een arbodienst of reïntegratiebedrijf. Cliënten die het niet eens zijn met het aangeboden traject - waarin ook de rechten en plichten zijn vastgelegd van cliënt en reïntegratiebedrijf - kunnen bij het UWV een ‘second opinion' vragen. Uiterlijk na een jaar na de eerste ziektedag moet de werknemer worden gekeurd door het UWV om het recht op een WAO-uitkering vast te stellen. Afhankelijk van de keuze van de werkgever wordt het UWV na twee jaar of na zes jaar verantwoordelijk voor de reïntegratie van de WAO-gerechtigde werknemer. Om de cliëntenparticipatie te bevorderen, dienen het UWV en het LIWI elk een landelijke cliëntenraad in te stellen met adviserende bevoegdheden. Persoonlijke begeleiding van elke cliënt in de vorm van ‘case management' - één contactpersoon die de cliënt de weg wijst, met wie de cliënt overlegt en zaken doet en die ook de contacten onderhoudt met het reïntegratiebedrijf - zal bij gemeenten het UWV in een reële behoefte voorzien.

Regionale platforms
Er komen regionale platforms waarin - naast één of meerdere Centra voor Werk en Inkomen - gemeenten, UWV en vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers deelnemen. Ook andere partijen kunnen deelnemen zoals reïntegratiebedrijven, uitzendbureaus, Regionale Opleidingscentra e.d. De regionale platforms houden zich bezig met afstemming, consultatie en advisering aangaande regiospecifieke (arbeidsmarkt)vraagstukken; de afstemming van regionale beleids- en middelencoördinatie en het bevorderen van een sluitende dienstverlening aan werkzoekenden. Het platform is een overlegorgaan en heeft geen bestuurlijke taken en verantwoordelijkheden.
Toezicht
Het College toezicht sociale verzekeringen houdt toezicht op de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de werknemersverzekeringen door het LIWI en het UWV. De minister van SZW is belast met het toezicht op de gemeentelijke uitvoering van de ABW, de WSW en de WIW.

Gefaseerde overgang
De invoering van de nieuwe uitvoeringsstructuur is een ingrijpend proces. Het onderdeel van de huidige Arbeidsvoorzieningorganisatie dat de arbeidsbemiddeling verzorgt, wordt ondergebracht in het op te richten LIWI, waarvan de CWI's deel uitmaken. Het reïntegratie-onderdeel wordt geprivatiseerd en zal gaan werken in concurrentie met andere aanbieders van reïntegratie-activiteiten. De uitvoeringsorganisaties die momenteel de werknemersverzekeringen uitvoeren, worden losgemaakt uit de holdings waarvan ze deel uit maken en uiteindelijk samengevoegd tot één organisatie. De taken van het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen worden grotendeels bij het UWV ondergebracht. Voor het begeleiden van het gehele invoeringsproces zal een veranderingsorganisatie worden ingesteld, die er ook voor moet zorgen dat de reguliere werkzaamheden adequaat kunnen worden voortgezet. Voor de invoering van de nieuwe structuur moet een groot aantal wetten worden gewijzigd. Gezien de omvang van de hele wetgevingsoperatie zal de invoering gefaseerd tot stand komen. Invoering van de belangrijkste onderdelen van de nieuwe Structuur Uitvoering Werk en Inkomen (UWV, LIWI, CWI's, Raad voor Werk en Inkomen) zal waarschijnlijk niet eerder dan 1 januari 2002 plaatsvinden.
Bij de uitvoering van de voornemens van het kabinet zal de grootst mogelijke zorgvuldigheid moeten worden betracht. Tijdens dat proces moet bovendien de kwaliteit van dienstverlening door de uitvoeringsorganisatie gewaarborgd zijn. Alle betrokkenen moet tijdig in de voornemens worden gekend en in de gelegenheid worden gesteld zich daarover uit te spreken. Gezien de belangrijke personele consequenties van de voorstellen voor het LISV, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, de gemeenten en de uitvoeringsinstellingen, zullen de ondernemingsraden van deze organisaties door hun besturen in de gelegenheid worden gesteld om advies uit te brengen conform artikel 25 van de Wet op de ondernemingsraden.


Zie voor de volledige tekst het origineel op http://www.minszw.nl/Documenten/Nieuws/notapub/000124.htm.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie