Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Unie van Waterschappen: Uniebulletin nr. 82

Datum nieuwsfeit: 30-04-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Unie van Waterschappen

UNIEBULLETIN

Uniebulletin nr. 82, april 2000



1. ALGEMEEN

a. Benoemingen

Mevrouw M.M. Kool, voorzitter van Waterschap Reest en Wieden, is benoemd tot lid van het algemeen bestuur en tot lid van de Uniecommissie algemeen bestuurlijke aangelegenheden en de Uniecommissie communicatie. De heer drs. P.H. Schoute, dijkgraaf van het Hoogheemraadschap van Delfland, is benoemd tot lid van het algemeen bestuur en tot lid van de Uniecommissie algemeen bestuurlijke aangelegenheden en de Uniecommissie waterketens en emissies. Als plaatsvervangende leden van het algemeen bestuur zijn benoemd de heer J. Slingeland namens het Hoogheemraadschap van de Krimpenerwaard, de heer A.P. de Leeuw namens het Waterschap Het Scheldekwartier en de heer A.P. Noordermeer namens het Waterschap De Brielse Dijkring.
De heer mr. J.R. van Dijk, secretaris-directeur van het Waterschap Regge en Dinkel, is aangewezen om als derde persoon namens de Unie van Waterschappen zitting te nemen in de Evaluatiecommissie Waterschapswet.
b. Rapport: 'Een bestuursschouw van het Waterschap'

Recentelijk is het rapport 'Een bestuursschouw van het waterschap' verschenen. Het rapport is in opdracht van het IPO geschreven onder leiding van de heer prof.dr. Th.A.J Toonen (hoogleraar bestuurskunde te Leiden). In samenwerking met Ernst & Young Consulting. Het rapport betreft een preadvies waarover het IPO nog een bestuurlijk standpunt dient te bepalen. Het kan beschouwd worden als een element in de bredere discussie over het toekomstige waterbeheer. Deze discussie wordt namelijk niet alleen waterschapsintern gevoerd. Naar verwachting wordt de standpuntbepaling over het rapport najaar 2000 door het IPO afgerond. Zodoende kunnen dan het rapport van de Commissie Togtema, de rapporten inzake de bestuurssamenstelling en de bevindingen van de Commissie waterbeheer 21e eeuw in samenhang worden behandeld. Het rapport onderschrijft het bestaansrecht van het waterschap als functionale waterbe-heerder in ons land. Het kiest daarbij nadrukkelijk voor de lijn dat het waterschap een mede-overheid is en daarmee dus niet alleen een uitvoeringsorganisatie behoort te zijn. Met name de plaats van het functioneel bestuur in relatie tot het algemeen bestuur is wezenlijk en dient goed in wetgeving te worden verankerd. De samenwerking tussen provincie, gemeenten en waterschappen dient verstevigd te worden. Het rapport formuleert een agenda voor de toekomst van het waterbestuur:


1. in de eerste plaats moeten provincies, waterschappen en gemeenten tot een gedeelde visie komen over de identiteit van waaruit zij als overheden met elkaar wensen te werken. Een codificatie hiervan is gewenst (bijvoorbeeld in de vorm van een bestuursakkoord);
2. de bestuurssamenstelling van de waterschappen moet als belangengroependemocratie nader worden uitgewerkt vanuit de gedachte van externe democratisering. Het huidige model zit al in de goede richting;

3. geïnvesteerd moet worden in nadere vormgeving van de beleidsvierhoek (relatie waterschap - gemeenten, relatie waterschap - provincie, relatie provincie - gemeenten, relatie watersector provincie - andere sectoren provincie). De inrichting van deze verhoudingen stelt zeker zo veel eisen aan het provinciale apparaat als aan de waterschappen.
Provincie en waterschappen moeten de discussie over waterbestuur uit de competentiesfeer halen en naar meer strategisch niveau tillen. Dit gezien alle ontwikkelingen die op hen afkomen (onder andere Europa). Op 22 maart jl. is een eerste bestuurlijke conferentie over het rapport 'Een bestuursschouw van het waterschap' gehouden. Bestuurders uit de waterschapswereld waren hierbij breed vertegenwoordigd. Vanuit de waterschappen is positief op het rapport gereageerd. Ook vanuit IPO-kring zijn positieve geluiden over het rapport vernomen. Besluitvorming in IPO-verband dient echter zoals gezegd nog plaats te vinden. In Unieverband is een werkgroep (Werkgroep bestuurssamenstelling onder voorzitterschap van de heer Van der Vliet, vice-voorzitter van de Unie) ingesteld die zich bezighoudt met een meer concrete uitwerking van een mogelijk nieuwe vorm van bestuurssamenstelling voor de waterschappen. Naar verwachting zal de werkgroep haar advies voor de zomer 2000 afronden.

Nadere informatie bij de heer drs. B.W. Raven, telefoon 070-3519812.

c. Ontwikkeling missie Uniebureau

Binnen het Uniebureau wordt in het kader van de strategische beleidsbepaling gewerkt aan de formulering van een missie voor de komende jaren. Door middel van een korte steekproef zijn enkele leden en externe partners gepolst; voorts hebben de beleidsafdelingen en het MT van het Uniebureau zich over de gewenste strategie gebogen. Zowel de meer strategische en beleidsbeïnvloedende (Haagse) aspecten van de Unietaak, als de dienstverlenende en adviserende taak in relatie tot de leden komen in de conceptmissie terug. Voorts worden de te prioriteren beleidsonderwerpen in de missie benoemd. Op korte termijn zal de concept-missie met het DB en later met AB worden besproken, opdat het een richtlijn kan worden voor de Unie-activiteiten in de komende jaren.

Nadere informatie bij de heer A.B. Blase, telefoon 070-3519775.

d. Water is overal

Waterbeheer heeft steeds meer te maken met ruimte. Voor natuurlijke watersystemen is meer ruimte nodig. Voor opvang van te veel water is ruimte nodig. Ook bij aanleg van nieuwe stedelijke gebieden moet vroegtijdig aandacht worden besteed aan het waterbeheer. Naast het lopende overleg over riolering en overstorten tussen gemeente en waterschap zal het contact tussen gemeente en waterschap in de komende jaren alleen maar toenemen. Onderwerpen die hierbij aan de orde komen zijn: het stedelijk waterbeheer, de locatiekeuze en inrichting van nieuwe gebieden, de grondwaterproblematiek en de koppeling van riolering en waterzuivering.

Deze deels nieuwe onderwerpen van overleg tussen gemeente en waterschap hebben ook te maken met de verantwoordelijkheden van de waterschappen en de gemeenten en provincies op het gebied van het waterbeheer. De Unie van Waterschappen is daarom bezig om een nieuw beleidskader op te stellen waarin antwoord moet worden gegeven op de volgende vragen die op dit moment in de praktijk leven:


* op welke wijze kan de ordenende functie van water worden vorm gegeven?

* welke taken zijn te onderscheiden op het gebied van grondwaterbeheer en welke overheid is waarvoor verantwoordelijk?
* welke taken liggen er in het stedelijk waterbeheer voor de gemeente en het waterschap?

* wat behoort tot het stedelijk watersysteem?
* hoe moet worden omgegaan met achterstallig onderhoud?
* wie draagt de kosten van aan te leggen waterinfrastructuur in nieuwe stedelijke gebieden?

* wie betaalt de aanleg en inrichting van baggerdepots?
* hoe kan de negatieve beïnvloeding van het watersysteem door de waterketen worden verminderd?

* wat is de toekomst van het zuiveringsbedrijf?
De ad hoc-Commissie Vervolg Water centraal bereidt hierover een rapport voor. De komende maanden zal op basis van dit concept-rapport binnen de Unie van Waterschappen discussie plaatsvinden over de beantwoording van deze vragen. Dit moet leiden tot een gezamenlijke taakopvatting van de waterschappen. Vervolgens wil de Unie van Waterschappen deze voorstellen bespreken met de andere partijen in het waterbeheer, met name de gemeenten (VNG) en de provincies (IPO). Uiteindelijk moet dit leiden tot afspraken over de verantwoordelijkheden en taken van de diverse partijen. Dit zal een verdere stimulans moeten geven aan de samenwerking tussen waterschap en gemeente.

Nadere informatie bij de heer ing. H. Kraaij, telefoon 070-3519846.

e. Waterbeheer 21e eeuw

Het project Waterbeheer 21e eeuw komt met rasse schreden in zijn beslissende fase terecht. De uitgezette onderzoeken worden op dit moment afgerond en de rapportages daarover zijn aan het projectteam uitgebracht. De commissie heeft haar opzet voor het eindadvies aan de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de voorzitter van de Unie verder verfijnd. Er zal een beknopt advies komen met daarbij een achtergrondrapport. Dat advies wordt op 6 september uitgebracht. Daarnaast heeft de commissie gesignaleerd dat niet alleen het waterhuishoudkundig systeem op zich centraal dient te staan, minstens zo belangrijk is het maatschappelijk systeem. Met dat laatste doelt de commissie op de problematiek rond de wijze waarop de maatschappij omgaat met water en wateroverlast. Dit zowel wat betreft burgers als bestuur. Een in het oog springend aspect daarbij zal de relatie tussen ruimtelijke inrichting en water zijn. Zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin.
In het waterhuishoudkundig systeem staan de twee deelsystemen centraal. Het hoofdsysteem met daarvoor drie belangrijke studies die hun weerslag op de uitkomsten van WB21 niet zullen missen: Ruimte voor de rivier, Waterhuishouding in het Natte Hart (WIN) en de Integrale verkenning benedenrivieren (IVB). Daarnaast is er de aandacht voor de regionale systemen. Een belangrijk aspect hierbij is de studie naar de normering voor de regionale waterhuishouding. Daarmee wordt beoogd de eisen waaraan de regionale waterhuishouding zou moeten voldoen in beeld te brengen. Met de systematiek die daarvoor wordt ontwikkeld kan de beheerder dan tevens een beoordeling van zijn watersystemen opstellen en de mogelijkheden voor verbeteringen analyseren.
Tijdens de vergadering van het algemeen bestuur van de Unie op 10 maart jl. heeft projectdirecteur prof. Bussink een toelichting gegeven op de werkzaamheden. Tijdens de vergadering kwamen de hiervoor genoemde punten eveneens aan de orde. Inmiddels heeft de Unieklankbordgroep WB21 haar vierde bijeenkomst gehad. Daar zijn meer in detail de vorderingen van project besproken. Met name de relatie tussen het hoofd en regionale watersysteem en de verschillende keuzes in de normering voor de regionale waterhuishouding kwamen aan de orde. Ook is een toetsingskader voor het beoordelen van de uitkomsten van het project WB21 opgesteld. Dit toetsingskader zal in de april-vergadering van het dagelijks bestuur worden vastgesteld.

Nadere informatie bij de heer ir. C. van Bladeren, telefoon 070-3519827.

f. Evaluatie millenniumaanpak

Begin 2000 werd de evaluatie van de aanpak van het millenniumprobleem afgerond. Het evaluatierapport is aan het algemeen bestuur in maart aangeboden en gaf geen aanleiding tot discussies. Wel zal het rapport worden voorgelegd aan de Uniecommissie algemeen bestuurlijke aangelegenheden en de Tijdelijke Uniecommissie rampen- en ongevallenbestrijding. Dit laatste omdat veel conclusies en aanbevelingen die zijn gericht op crisismanagement.

In het kader van de evaluatie is onder alle waterschappen een enquête gehouden die een belangrijke basis vormde voor het evaluatierapport. Vervolgens is het rapport in het overleg met regiocoördinatoren besproken en op enkele punten gewijzigd en aangevuld.

De algemene conclusie is dat van een succesvolle aanpak kan worden gesproken. Bij de millenniumovergang zijn geen dingen fout gegaan, terwijl bij waterschappen in de testfase wel degelijk 'bugs' zijn ontdekt, waardoor bijvoorbeeld zuiveringsinstallaties totaal zouden uitvallen.

Buiten het feit dat tijdens de millenniumwisseling geen ernstige complicaties zijn opgetreden, is ook in andere opzichten de millenniumaanpak door de meeste waterschappen als zeer succesvol ervaren. De start was wat stroef, omdat veel waterschappen de bemoeienis van de Unie als te zwaar beleefden. Veel betrokkenen vonden dat er sprake was van overkill. In de eerste maanden van 1999 werd dit beeld genuanceerd en zijn de waterschappen en het projectteam van de Unie van Waterschappen gezamenlijk aan het werk gegaan. Als snel bleek dat het projectteam van de Unie een toegevoegde waarde had. Vooral de projectstructuur waarin in regio's werd samengewerkt werd als belangrijk ervaren. Een van de aanbevelingen in het evaluatierapport is om deze projectstructuur met regio's ook eventueel in de toekomst te gebruiken bij wat grootschaliger projecten.

Tussen Unie en waterschappen werd in het project veelal via e-mail gecommuniceerd en werd een afzonderlijke Internetsite ingericht. In het algemeen is dit door de betrokkenen bij de waterschappen als goed ervaren. De snelheid van deze elektronische media was handig in een project waarin juist tijd een kritische succesfactor was.

De belangrijkste sporen in het millenniumproject waren enerzijds dat van reparatie en anderzijds alles rondom crisismanagement en afstemming in de keten. Door het ontwerpen van noodplannen is de kennis van in welke opzichten waterschappen kwetsbaar zijn, toegenomen. Vooral de afhankelijkheid van energie heeft een grote rol gespeeld. Het feit dat de energieleveranciers pas in een vrij laat stadium publiceerden wat redelijkerwijs kon worden verwacht, was voor de waterschappen heel lastig.

Door het afstemmen van deze noodplannen in de keten, zijn, waar dat nog niet was geschied, veel contacten gelegd met andere betrokkenen in het waterbeheer en in de sfeer van openbare orde en veiligheid. Voor alle nieuwe ontwikkelingen die in het kader van crisismanagement worden ingezet, is het millenniumproject een belangrijke opstap geweest.

Nadere informatie bij mevrouw mr. A.J. Buisman, telefoon 070-3519865.

g. Wereld Water Forum en Fair

Van 16 tot en met 22 maart is in Den Haag het tweede Wereld Water Forum en de Wereld Water Fair gehouden. De Unie van Waterschappen heeft tijdens het forum een middagdeel van het programma georganiseerd waarin werd gesproken over de organisatie van regionaal en functioneel waterbeheer. Door een aantal Nederlandse inleiders werden stellingen gepresenteerd die betrekking hadden op de organisatie van het waterbeheer. Onderwerpen die aan de orde kwamen waren: decentralisatie van het waterbeheer, betrokkenheid van belanghebbenden, financiering en internationale samenwerking. Op de door de Nederlandse inleiders ingebrachte stellingen werd door collegae uit Egypte, Pakistan en Suriname gereageerd. De belangrijkste conclusies waren dat decentral isatie van het waterbeheer een leidend principe zou moeten zijn. Hierbij dient rekening gehouden te worden met lokale, sociale en culturele factoren. Betrokkenheid van belanghebbenden is een belangrijke voorwaarde voor goed waterbeheer. Ook hier geldt dat de wijze van het betrekken afhankelijk is van de belanghebbenden met name lokale factoren. Tot slot werd algemeen onderschreven dat waterbeheerders een eigen financieringstelsel moeten hebben, direct gerelateerd aan de betrokken belangen. Tijdens de discussie werd duidelijk dat het uitwisselen van informatie met collega-waterbeheerders uit het buitenland zinvol kan zijn. Het middagdeel werd bezocht door ca. 225 mensen afkomstig uit de hele wereld.

Op de fair had de Unie een stand ingericht waarin het werk van de waterschappen werd gepresenteerd. Op de fair werd ook de nieuwe CD-ROM van de Unie van Waterschappen gepresenteerd, zowel Nederlands- als Engelstalig. Er was ruime belangstelling vanuit binnen- en buitenland voor het werk van de waterschappen. Veel van de gestelde vragen hadden betrekking op de organisatievorm en de financiering van het stelsel.

Nadere informatie bij de heer dr.ir. A.G. Segeren, telefoon 070-3519826.

World Water Forum en diffuse bronnen

Op 21 maart vond er op de Fair van het World Water Forum een discussie plaats over de problematiek van diffuse emissies. Dit werd geïllustreerd met de aanpak van emissies uit de landbouw. De zaal was goed gevuld, met 60 geïnteresseerden, waarvan naar schatting 15 uit het buitenland. Siebe Schaap gaf een inleiding over de Nederlandse landbouw en de maatregelen die getroffen worden om emissies van bestrijdingsmiddelen en nutriënten terug te dringen. De uitvoeringspraktijk rond de AMVB Open Teelt stond daarbij centraal. Giuseppe Bendoricchio van de Universiteit van Padua hield vervolgens een inleiding over het beleid om de diffuse lozingen (voor een belangrijk deel van de landbouw) in de lagune van Venetië terug te dringen. Voor een grondige discussie onder leiding van Paul van Erkelens was er te weinig tijd, maar interessant was dat de regio 250 miljoen euro (Italiaans overheidsgeld) te besteden heeft in drie jaar tijd, onder de vlag van 'Venetië verbeteren', zonder dat de Europese Unie beperkingen oplegt vanwege concurrentievervalsing. De Italianen zijn bereid een Nederlandse delegatie te ontvangen voor een nadere toelichting en een verkenning ter plaatse.

Nadere informatie bij de heer drs. A.J.H. van Breemen, 070-3519761.

h. Aanbieding Oefenmodule Waterschap

Op 10 februari 2000, 's middag, is in het Internationaal Perscentrum Nieuwspoort te Den Haag door de heer Wind de Oefenmodule Waterschap aangeboden aan de Staatsecretarissen van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Verkeer en Waterstaat, de heer De Vries respectievelijk mevrouw De Vries, alsmede aan de voorzitter van de Unie van Waterschappen.

De oefenmodule is in opdracht van het Ministerie van BZK en de Unie van Waterschappen ontwikkeld door het Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding (NIBRA). Het NIBRA is bij de ontwikkeling begeleid door een klankbordgroep, onder voorzitterschap van de heer Wind, dijkgraaf van het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden. De klankbordgroep bestond uit deskundigen uit het veld van de rampenbestrijding (waterschappen, gemeenten, provincies, brandweer en de Ministeries van BZK en van V&W). Het NIBRA is bij de ontwikkeling bijgestaan door een redactiecommissie, deze bestond uit de rampenbestrijdingscoördinatoren van een aantal waterschappen. De door het NIBRA ontwikkelde oefeningen zijn ten slotte getest door twee gebruikerstestgroepen.

De Oefenmodule Waterschap maakt deel uit van de Handleiding OEFENEN - Samenwerking is noodzaak, die wordt uitgegeven door het Ministerie van BZK. De oefenmodule bevat vijftien op hoofdlijnen beschreven voorbeeldoefeningen voor vijf onderscheiden rampscenario's. De oefeningen verschillen qua schaalgrootte van een eenvoudige basisoefening voor een onderdeel van de waterschapsorganisatie tot een grootschalige oefening van staf en operationele eenheden, waarbij alle disciplines een rol spelen. Vier van de vijftien oefeningen zijn volledig uitgeschreven tot zogenaamde raamwerkoefeningen.

De heer Wind refereerde in zijn aanbiedingstoespraak aan de aanbevelingen van de Commissie Hermans, tot meer en beter oefenen, en aan het werk van de Werkgroep Putmans die een helder modulair opleidingstraject hebben ontwikkeld. Aan beide is thans verder uitvoering gegeven. Een consortium van opleidingsinstituten onder leiding van het NIBRA verzorgt de opleidingen. Nu is er dan ook de Oefenmodule Waterschap. Na een korte uiteenzetting over de totstandkoming van de oefenmodule en een woord van dank aan allen die daaraan hebben meegewerkt, benadrukte de heer Wind dat het voor de waterschappen zaak is om er voor te zorgen dat alle betrokken geledingen binnen de organisatie goed worden opgeleid. Van belang is dat dit gezamenlijk gebeurt met de andere bij de rampenbestrijding betrokken overheden en instanties. Oefenen is een vak apart. De heer Wind bepleite dan ook dat er een pool van ervaren oefenleiders komt om de waterschappen bij het oefenen bij te staan.

De heer De Vries stelde in zijn dankwoord dat het gezamenlijk in ontvangst nemen van de oefenmodule de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de bestrijding van natte rampen symboliseert. Alleen met het gebruik van de oefenmodule zijn we er volgens de heer De Vries niet. Andere inspanningen door andere partners en uiteindelijk de samenwerking van die partners zal moeten leiden tot een optimale voorbereiding op het voorkómen en bestrijden van rampen. Na afloop van de uitreiking is afgesproken binnenkort een bestuurlijk overleg te entameren.

Mevrouw De Vries refereerde in haar dankwoord aan een aantal knelpunten in het crisismanagement. Eén van de belangrijkste is het onderlinge contact tussen betrokken organisaties. Zowel de samenwerking binnen de functionele keten (waterschap, provincie, Minister van V&W), als de samenwerking tussen de functionele en de algemene keten (gemeente, provincie, Minister van BZK) behoeven verbetering. Een aantal initiatieven wordt daartoe reeds genomen. Zo is er een wetsvoorstel in voorbereiding om een aantal hiaten in de wetgeving voor de bestrijding van natte rampen te dichten. De bevoegdheden van de waterbeheerders onder buitengewone omstandigheden, die thans versnipperd in diverse wetten zijn geregeld, worden in één wet duidelijk vastgelegd. Tevens wordt met het Ministerie van BZK bezien hoe in de Wet rampen en zware ongevallen een betere afstemming tussen de gemeentelijke rampenbestrijding en de rampenbestrijding door waterbeheerders kan worden bewerkstelligd.

De heer Segers verwees in zijn dankwoord naar de natte calamiteiten die zich de afgelopen jaren hebben voorgedaan en de evaluatie van de wateroverlast in noord en oost Nederland van 1998 door het Crisis Onderzoeksteam. De Unie van Waterschappen heeft de aanbevelingen van het COT opgepakt en een Uniecommissie ingesteld die als opdracht heeft er voor te zorgen dat er daadwerkelijk initiatieven genomen worden om er voor te zorgen dat de waterschappen beter op calamiteiten zijn voorbereid. De commissie heeft direct na haar instelling de samenwerking met andere betrokkenen in het veld van de rampenbestrijding ge-zocht, zodat inmiddels is voorzien in een permanente vertegenwoordiging in de commissie van de Ministeries van BZK en van V&W. Daarmee zij nog eens onderstreept dat de bestrijding van natte rampen een gezamenlijke verantwoordelijkheid van overheden betreft.

Nadere informatie bij de heer mr. I. poortvliet, telefoon 070-3519798.




2. WATERKERINGEN

a. Financiering waterkeringszorg

In het laatste bestuurlijk overleg over de financiering van de waterkeringszorg is afgesproken dat het Rijk toekomstige investeringen voor zijn rekening neemt en dat de waterschappen het beheer en onderhoud van de primaire waterkeringen voor hun rekening nemen. Op dit moment is er veelvuldig ambtelijk overleg om de regeling verder uit te werken en bijvoorbeeld een overgangsregeling en de juiste omschrijving van beheer en onderhoud te definiëren. Doordat uiteindelijk ook een wetswijziging noodzakelijk is om op een andere wijze de financiering te regelen zal een definitieve invoering nog even op zich laten wachten.

b. Voortgang Deltaplan Grote Rivieren

Op het moment van schrijven zijn we druk bezig met de 12e voortgangsrapportage van het Deltaplan Grote Rivieren. In grote lijnen komt het er op neer dat een groot percentage van de projecten tijdig gereed zal zijn, maar voor een paar projecten wordt het spannend. Met man en macht wordt getracht de termijnen te halen. Maar onteigeningen en procedures bij de Raad van State laten zich niet dwingen.

c. Ruimte voor de Rivier

Eind februari zijn de rapporten Ruimte voor Rijntakken en Integrale Verkenning Benedenrivierengebied aan de staatssecretaris aangeboden. Tevens werd toen de discussienotitie gepresenteerd met in dit rapport, in de bijlage, de inmiddels beroemde 'calamiteitenpolders'. De media hebben dit onderwerp uitgebreid belicht, er werd echter niet bij verteld dat calamiteitenpolders uitsluitend ingezet gaan worden wanneer men te maken heeft met bovenmaatgevende afvoeren van de grote rivieren. Dat het 'zomaar' onder water zetten van een aantal gebieden op onbegrip van burgers en bestuurders stuitte was zeer begrijpelijk. In overleg met de Werkgroep waterkeringen en de projectorganisatie Deltaplan Grote rivieren wordt thans een reactie op de discussienotitie opgesteld. De discussienotitie zal onder andere in de Stuurgroep Deltaplan Grote Rivieren ter sprake komen.

d. Kust

Eind april zou de derde Kustnota beschikbaar moeten gaan komen voor inspraak. Hoewel de waterschappen zitting hebben in zowel de projectgroep als in de klankbordgroep is het de vraag wat er van de inbreng van de waterschappen over is gebleven. Het lijkt er op dat het Rijk de touwtjes in handen heeft genomen. De kustbeherende waterschappen zullen in elk geval een reactie op de derde Kustnota geven en zonodig een eigen beleid moeten gaan ontwikkelen rond de kust en de daarbij behorende waterkeringen.

Nadere informatie bij de heer ing. C.J.G. Langelaan, telefoon 070-3519830.




3. WATERHUISHOUDING

a. Risicovolle overstorten

In het vorige nummer van het Uniebulletin (nr. 81, januari 2000) is reeds melding gemaakt van baggerperikelen bij risicovolle overstorten. Inmiddels heeft de Unie een rapportage opgesteld van risicovolle overstorten op regionale wateren. Deze rapportage is opgesteld op basis van een enquête onder de waterkwaliteitsbeheerders. De conclusie en aanbevelingen van het rapport waren onderdeel van discussie in een algemeen overleg van de Tweede Kamer met de Staatssecretarissen van LNV en van V&W op 10 februari jl. over het actieprogramma waterkwaliteit en diergezondheid. Zoals bekend is dit actieprogramma in de zomer van 1998 aangeboden aan de Tweede Kamer. Van de negen actiepunten in dit programma ligt er een aantal op het bordje van de rijksoverheid. Voor één van de actiepunten, te weten saneringsprogramma's voor risicovolle overstorten, is de Unie trekker. Genoemde rapportage is hiervan de uitwerking. Ook de DHV-methodiek waarmee risicovolle overstorten kunnen worden vastgesteld, maakt onderdeel uit van het actieprogramma.
Uit het algemeen overleg bleek dat de Kamer ontevreden is over de voortgang van de sanering van risicovolle overstorten. De inspanningen van waterschappen en gemeenten werden als onvoldoende beschouwd. Uiteindelijk zijn drie moties ingediend, waarvan één is aangenomen (van Middelkoop c.s.), één is aangehouden (Meijer c.s.) en één is verworpen (Poppe). In de motie van Middelkoop dringt de Kamer aan op het:

* met voorrang saneren van risicovolle overstorten;
* informeren van betrokkenen over de aanwezigheid van dergelijke overstorten; en

* de Kamer voor deze zomer opnieuw informeren.
Door de Staatssecretaris van LNV is toegezegd dat risicovolle overstorten uiterlijk in 2002 moeten zijn gesaneerd.
In de motie Meijer verzoekt de Kamer de regering te bewerkstelligen dat de verantwoordelijke overheden (lees: waterschappen en gemeenten) boeren schadeloosstellen voor de kosten van alternatieve maatregelen in geval de waterkaliteit niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor veedrenking. De Staatssecretaris van V&W heeft de Kamer deze motie ontraden. Binnenkort zal hierover opnieuw overleg plaatsvinden.
Het rapport van de Unie is inmiddels aan de leden-waterschappen toegezonden. De Unie beveelt aan in het maatwerkoverleg (rioleringsoverleg met gemeenten) de sanering van risicovolle overstorten aan de orde te stellen en te bewerkstelligen dat de sanering uiterlijk in 2002 zal gebeuren. LTO-Nederland heeft aangegeven behoefte te hebben aan overleg over de risicovolle overstorten. LTO zal de regionale LTO's stimuleren om op korte termijn regionale bijeenkomsten te organiseren met gemeenten en waterkwaliteitsbeheerders om elkaar te informeren en elkaars plannen te vernemen.

Nadere informatie bij de heer ir. F. Folkertsma, telefoon 070-3519848.

b. AMvB open teelten en veehouderij

Milieukeur

Op maandag 3 april 2000 heeft er bestuurlijk overleg tussen de Stichting Milieukeur en de Unie van Waterschappen plaatsgevonden over het verzoek van Milieukeur om voor een aantal Milieukeurgewassen een smallere teeltvrije zone te hanteren. De Unie heeft gelet op de milieuprestaties (middelengebruik, milieubelasting, praktijkcijfers) alsmede de controlemogelijkheden aangegeven de waterschappen positief te adviseren om voor de teelt van consumptieaardappelen een teeltvrije zone van 87,5 cm en, in individuele gevallen, voor de teelt van peen dit jaar een smallere zone (75 cm) toe te staan.

Handhaving teeltvrije zone

Zowel het bestuur van de Unie als de LTO zijn van mening dat reeds dit jaar op de teeltvrije zone gehandhaafd moet worden. Dit schept duidelijkheid naar de telers. De boeren die geen teeltvrije zone aanhouden worden dan niet beloond (zij kunnen meer verbouwen) ten opzichte van de boeren die wel een teeltvrije zone aanhouden. Daarnaast zijn de LTO en de Unie van mening dat de agrariërs al lang tevoren op de hoogte zijn van de noodzaak van een dergelijke zone.
In de vergadering van het algemeen bestuur van de Unie is deze handhavingslijn onder de aandacht van de waterschappen gebracht. Eind april zal een aantal exemplaren van het handhavingsprotocol voor de Open teelten en veehouderij aan de waterkwaliteitbeheerders worden toegezonden. Indien u meedere exemplaren wenst kunnen die bij de afdeling verzending (de heer Van Leeuwen, telefoon 070-3519765) worden besteld.
Droge sloten en verdrogingsbestrijding

Vanuit diverse gewestelijke land- en tuinbouworganisaties wordt de waterbeheerders verzocht duidelijkheid te geven over droge sloten waarvan het peil ten behoeve van de verdrogingsbestrijding wordt opgezet. Bij het opstellen van de AMvB is deze problematiek nadrukkelijk aan de orde geweest en is er in de nota van toelichting uitvoerig aandacht aan besteed. Vuistregel is dat er een teeltvrije zone moet worden aangehouden als sloten tussen 1 april en 1 oktober water bevatten. Dit geldt ook voor sloten waar het waterpeil is opgezet en die daardoor niet langer meer droog zijn.

Voorlichting

Begin mei worden de sectorspecifieke brochures over de AMvB Open teelten bij de waterschappen afgeleverd.

Nadere informatie bij de heer dr. P.J.R. de Vries, telefoon 070-3519834.

c. NMP4

Het Nationaal Milieubeleidsplan 4 bevindt zich momenteel in de fase van het genereren van ideeën voor oplossingen voor de hardnekkig problemen die in het NMP4 aan de orde zullen zijn, bijvoorbeeld voor de problematiek van de diffuse bronnen en de uitsttoot van CO2. Aan de hand van gedefinïeerde maatschappelijke beleidsopgaven stelt een aantal interdepartementale werkgroepen hiervoor notities op. Mogelijke oplossingen worden beoordeeld tegen het licht van een paar toekomstscenario's. Als uitersten worden daarbij gehanteerd een sterk overheidsgereguleerd toekomstscenario voor 2030 versus een door de individuele vrijheid van burgers en ondernemers bepaalde maatschappij in 2030.
De Unie heeft op 23 februari jl. een advies uitgebracht aan de projectleider van het NMP4 over een aantal mogelijke oplossingsrichtingen voor enkele door de Unie gesignaleerde hardnekkige problemen.
Nadere informatie bij de heer drs. A.J.H. van Breemen, telefoon 070-3519761.

d. Verduurzaamd hout

Op 26 januari jl. is een ledenbrief verzonden aan de waterschappen met een advies over de aanscherping van het beleid van met koperhoudende verduurzamingsmiddelen verduurzaamd hout. De aanleiding hiervoor was het voornemen van de Commissie Toelating Bestrijdingsmiddelen (CTB) om per 1 januari 2000 de toelating van koperhoudende impregneermiddelen voor alle toepassingen met uitzondering van bepaalde toepassingen binnenshuis te beëindigen. Dit verbod is na politiek beraad uitgesteld tot 14 mei 2000. In de brief wordt ook ingegaan op het besluit van het CTB dat er vanaf 1 oktober 1999 geen gecresoteerd hout meer in Nederland mag worden geproduceerd voor toepassing in de Nederlandse waterbouw en in direct contact met (grond)water. Daarnaast zijn er twee importverboden van gecreosoteerd en gewolmaniseerd hout voor de niet langer toegelaten toepassingen in voorbereiding.
In de ledenbrief is onterecht gesteld dat de beëindiging van de toelating van houtverduurzamingsmiddelen op basis van steenkoolteerdestillaat (cresosootolie, carbolineum) ook geldt voor toepassingen in de grond. De teksten van het CTB waren op dit punt onduidelijk en zijn recentelijk aangepast. Overigens heeft dit gegeven geen consequenties voor het interimbeleid gecreosoteerd hout (mei 1996), omdat dit uitsluitend betrekking heeft op toepassingen in contact met (grond)water.
Nadere informatie bij mevrouw ir. P.I. Eckstein, telefoon 070-3519832.

e. Onderzoek toekomst Gewenste Grond- en Oppervlaktewater Regime

In de vierde Nota Waterhuishouding is het actiepunt opgenomen dat de provincies uiterlijk in 2002 gebiedsdekkend het Gewenste Grond- en Oppervlaktewater Regime hebben vastgesteld (GGOR). Voor de waterschappen is het GGOR een belangrijk hulpmiddel om invulling te geven aan de watersysteembenadering en integraal waterbeheer. Met het GGOR worden grond- en oppervlaktewater en de kwaliteit en kwantiteit daarvan in onderlinge samenhang bezien. Daarnaast leidt de methodiek tot afstemming tussen waterbeheer en ruimtelijke ordening.
Het GGOR kan uitgedrukt worden in termen als gewenste grondwaterstand, gewenste kwelstromen en gewenste kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater. Om een GGOR te kunnen vaststellen zullen voor de verschillende functies eerst de sectorale wensbeelden moeten worden geformuleerd (Optimale Grond- en Oppervlaktewater Regime). Vervolgens wordt de interactie tussen deze sectorale wensbeelden en de haalbaarheid van de wensbeelden bepaald. Deze fase leidt tot afgewogen wensbeelden voor een gebied (het Gewenste Grond- en Oppervlaktewater Regime). Over het GGOR zijn nog veel vragen. Zo is nog niet duidelijk wie het GGOR opstelt, vaststelt en implementeert, noch wat de relatie is met strategische plannen zoals het waterhuishoudingsplan, het streekplan, het milieubeleidsplan en de operationele instrumenten zoals het bestemmingsplan en het waterbeheersplan van het integraal waterbeheer. Daarnaast speelt de vraag op welk schaalniveau het GGOR moet worden vastgesteld.
Om deze vragen te beantwoorden zijn het Ministerie van V&W, het IPO, het RIZA, de STOWA en de Unie van Waterschappen een gezamenlijk onderzoeksproject gestart naar de bestuurlijk-juridische verankering van het GGOR. Bij de uitvoering van het project worden provincies, gemeenten en waterschappen nadrukkelijk betrokken.

Nadere informatie bij mevrouw drs. B. Botman, telefoon 070-3519842, en de heer drs. B.W. Raven, telefoon 070-3519812.

f. Ruimtelijke Ordening en water

Er is op initiatief van de Unie een eerste bijeenkomst georganiseerd tussen de departementen die aan de vijfde Nota schrijven (VROM, LNV, en V&W provincies en waterbeheerders) met als doel te komen tot teksten voor de vijfde Nota. Uit het overleg kwam naar voren dat er al veel teksten her en der in diversen nota's en rapporten zijn verwoord en er in het land vele ideeën leven over de relatie van ruimte en water. Om deze ideeën te kanaliseren is besloten om een of meerdere bijeenkomsten met waterschappen te organiseren, enerzijds om de initiatieven in de diverse regio's over het voetlicht te brengen. Deze bijeenkomsten zullen in mei 2000 gehouden worden.

Nadere informatie bij de heer dr. P.J.R. de Vries, telefoon 070-3519834.




4. WATERSCHAPSFINANCIËN

a. Uniform Aanbestedingsreglement

Het Uniform Aanbestedingsreglement (UAR) regelt de verhouding tussen opdrachtgevers en aannemers in de precontractuele fase van een bouwproject. Het UAR is van toepassing op iedere aanbesteding waartoe de Rijksoverheid besluit, maar wordt ook veelvuldig toegepast door waterschappen en provinciale en gemeentelijke overheden. Medio 1998 is een concept voor een nieuw aanbestedingsreglement opgesteld door overheidsopdrachtgevers en opdrachtnemers. Dit concept-UAR 1998 is totstandgekomen onder leiding van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) en is reeds besproken met ambtenaren van de Europese Commissie. Het nieuwe UAR vervangt de bestaande voorschriften op het gebied van de bouw als het vigerende UAR 1986 en de UAV. Hoewel de tekst van het nieuwe UAR reeds lange tijd gereed is, is het nog niet in werking getreden. Er vindt nog discussie plaats over de teksten met betrekking tot de positie van de aannemers en onderaannemers. Naar verwachting zal het nieuwe UAR (inmiddels omgedoopt tot het UAR 2000), niet eerder dan in april a.s. worden getekend door de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu. Drie maanden na ondertekening van het UAR zal het definitief in werking treden. Na publicatie van het nieuwe UAR in de Staatscourant zal het Uniebureau de leden zo spoedig mogelijk hiervan in kennis stellen.

Nadere informatie bij de heer drs. R.J. Admiraal, telefoon 070-3519868.

b. Drempelbedragen Europees aanbesteden

Op 1 januari 2000 zijn de nieuwe drempelwaarden voor overheidsopdrachten vastgesteld. De aanbestedingsrichtlijnen voor leveringen, werken en diensten schrijven voor dat de drempelbedragen om de twee jaar worden aangepast aan de koersontwikkelingen. De drempelbedragen zijn als volgt vastgesteld:

Drempelbedragen met ingang van 1 januari 2000 (alle bedragen exclusief BTW)

Richtlijn Inhoud Publieke Rijk sector (excl. Rijk) Werken Opdrachten aan ƒ ƒ 11.018.550,-- niet-aanbestedende diensten, 11.018.550,-- (5.000.000 waaraan de opdrachtgever meer (5.000.000 euro) dan 50% subsidie verleent euro)
Overige opdrachten ƒ ƒ 11.807.815,-- 11.807.815,-- (5.000.000 SDR) (5.000.000 SDR)
Leveringen Alle ƒ 472.312,-- ƒ 307.003,-- (200.000 SDR) (130.000 SDR) Diensten Opdrachten aan ƒ 440.742,-- ƒ 440.742,-- niet-aanbestedende diensten, (200.000 euro) (200.000 euro) waaraan de opdrachtgever meer
dan 50% subsidie verleent.
Be-paalde diensten die staan
aangegeven in bijlagen IA cat.
5 en 8 van Richtlijn 92/50/EG
en alle diensten uit bijlage
1B van die richtlijn
Overige opdrachten ƒ 472.312,-- ƒ 307.003,-- (200.000 SDR) (130.000 SDR)
Nadere informatie op europa.eu.int/comm/dg15/en/publproc/index.htm of bij de heer drs. R.J. Admiraal, telefoon 070-3519868.

c. Beheer en onderhoud BBP-systematiek voor bedrijfsvergelijking

Als spin off van het BBP-pilotproject (1994-1998) is een set afspraken ontwikkeld voor het uitvoeren van bedrijfsvergelijkingen door en voor waterschappen. Deze kunnen tevens een belangrijke functie hebben als basis voor de opzet van de BBP-beleids- en beheerinstrumenten van individuele waterschappen. De Unie heeft zich ten doel gesteld te zorgen dat zo veel mogelijk systemen voor bedrijfsvergelijking van waterschappen geënt worden op het BBP en probeert het BBP dan ook zo goed mogelijk opgenomen te krijgen in de diverse systemen.
Na afronding van het BBP-project is voor de verdere ontwikkeling van de BBP-systematiek aan het eind van 1998 in Unieverband de 'Beheerorganisatie onderlinge vergelijking op basis van BBP' opgericht. Deze beheerorganisatie bestaat uit een stuurgroep, de bestaande Uniewerkgroep bedrijfseconomisch beheer, en vijf subwerkgroepen die bezig zijn met het beheer en onderhoud aan de verschillende aspecten van de BBP-systematiek. In de beheerorganisatie participeren ongeveer 60 medewerkers van circa 40 waterschappen.
In het voorjaar van 1999 zijn de subwerkgroepen aan de slag gegaan met als opdracht in 1999 een totale evaluatie van de BBP-systematiek van bedrijfsvergelijking uit te voeren; inclusief het tot een oplossing brengen van een aantal knelpunten. Voorts hebben de subwerkgroepen enkele vraagstukken meegekregen die de afgelopen jaren omtrent de BBP-systematiek naar boven waren gekomen. Nadat de meeste subwerkgroepen de nodige tijd hadden geïnvesteerd in het op hetzelfde kennisniveau brengen van de leden met betrekking tot BBP en de plaats van bedrijfsvergelijking daarbinnen, zijn zij zich met veel enthousiasme aan de eigenlijke opdracht gaan wijden. Zowel naar aanleiding van een verzoek van de stuurgroep als door eigen inbreng van de leden hebben in de subwerkgroepen fundamentele discussies plaatsgevonden over de BBP-productenstructuur voor bedrijfsvergelijking. Deze discussies draaiden vooral om de vraag wat de optimale manier van bedrijfsvergelijking voor waterschappen is: is dit, conform de huidige presentatie van de BBP-producten, een taakgerichte manier of moet dit een meer productgerichte manier van vergelijking worden? Dit naast de discussies over verbeteringen van de productstructuur.
Na de uitspraak van de stuurgroep in oktober 1999 dat de zogenaamde (functionele, integrale) productgerichte presentatie leidend moet worden hebben de subwerkgroepen een groot aantal voorstellen tot verbetering van de BBP-structuuur ontwikkeld. Op basis hiervan heeft de stuurgroep in december 1999 een groot aantal besluiten over verbetering van de structuur kunnen nemen. De structuur is echter nog niet definitief door de stuurgroep vastgesteld.
Het voorgaande betekent dat de taakopdracht niet binnen de oorspronkelijk gestelde tijd is afgerond en dat de Unie de waterschappen aan het begin van dit jaar geen geheel herzien systeem voor de bedrijfsvergelijking op basis van BBP heeft kunnen presenteren. Er ligt momenteel wel een goed onderbouwd voorstel tot de wijziging van de BBP-productenstructuur op tafel. Maar over de invulling van de structuur, dat wil zeggen het definiëren van de producten en het benoemen van de vergelijkingskenmerken (zoals prestatie-indicatoren, kengetallen en kwaliteitskenmerken) alsmede een bij de nieuwe structuur behorende systematiek van kostentoerekening hebben nog nauwelijks discussies plaatsgevonden. Deze discussies worden de komende maanden gevoerd. De stuurgroep heeft de subwerkgroepen gevraagd te proberen de discussies voor de aanstaande zomerperiode af te ronden. In het aanstaande najaar wil de Unie een workshop organiseren over de invulling van de BBP-structuur. Na de verwerking van de resultaten daarvan kan de Unie de waterschappen aan het begin van het jaar 2001 het nieuwe systeem aanbieden. Dit systeem kunnen de waterschappen vervolgens gebruiken bij de voorbereidingen van de meerjarenramingen 2002-2006 en de begroting voor het jaar 2002.
Bij brief van 16 februari jl. (kenmerk 861 FPB/RC) zijn de waterschappen over het bovenstaande geïnformeerd.

Nadere informatie bij de heer ir. J.W.C. Dekking, telefoon 070-3519859.

d. Afstemming actuele systemen bedrijfsvergelijking

Momenteel zijn drie initiatieven van bedrijfsvergelijking voor waterschappen actueel. Het Unieproject bedrijfsvergelijking zuiveringsbeheer, de Begrotingsvergelijking van de Vereniging van Directeuren van Waterschappen (VDW) en de Benchmark Bedrijfsvoering Waterschappen van Deloitte & Touche. In diverse gremia is de afgelopen maanden gediscussieerd over de samenhang en verschillen tussen deze initiatieven. Omdat daarbij bleek dat er onduidelijkheid bestaat over: de (verschillende) doelstellingen van de systemen; over het feit dat en de wijze waarop deze systemen op elkaar worden afgestemd en over de rol van de Unie in de verschillende projecten, heeft de Unie de waterschappen bij brief van 22 maart jl. (kenmerk 1546 FPB/EK) over deze onderwerpen geïnformeerd. Samengevat kan de inhoud van deze brief als volgt worden weergegeven.

Wat betreft de rol van de Unie geeft de brief aan dat de Unie al weer enkele jaren veel tijd steekt in het op elkaar afstemmen van initiatieven en het uniformeren van de basisuitgangpunten voor bedrijfsvergelijking. Deze uitgangspunten liggen vast in de BBP-systematiek, waarover in de voorgaande bijdrage van dit bulletin een en ander is gezegd. Vanzelfsprekend is de BBP-systematiek gebruikt als basis voor het opzetten van het Unieproject 'Bedrijfsvergelijking zuiveringsbeheer', dat in 1998 is gestart en waarover later in dit bulletin meer wordt gemeld. Het tweede initiatief waarover de Uniebrief een en ander schrijft is de Begrotingsvergelijking. Dit is een product van de Beraadsgroep Bedrijfsvergelijking van de VDW, waarmee jaarlijks de beleidsterreinen en belangrijkste elementen uit de begrotingen en meerjarenramingen van de deelnemende waterschappen worden vergeleken en worden geanalyseerd. De vergelijking richt zich met name op het vergelijken van de kosten voor de extern gerichte taken en producten. Medio april werd de laatste hand gelegd aan de Begrotingsvergelijking 2000.
De Benchmark Bedrijfsvoering Waterschappen (BBW) is de opvolger van de Vergelijkende BudgetAnalyse (VBA-systeem). Het BBW baseert zich op de Balanced Scorecard systematiek en bevat tevens als nieuwe elementen ten opzichte van het VBA dat er naast een vergelijking van de realisatie tussen waterschappen ook een vergelijking van de eigen realisatie met streefwaarden en van de realisatiegraad van waterschappen onderling plaatsvindt. Een ander nieuw element is dat het BBW niet ophoudt met een analyse van verschillen tussen waterschappen, maar uitmondt in verbetervoorstellen voor de deelnemers.
De Unie probeert de drie genoemde initiatieven zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen; niet alleen qua vraagstelling, maar ook wat betreft het aspect dat waterschappen bepaalde gegevens maar eenmaal behoeven aan te leveren terwijl deze gegevens voor meerdere systemen worden gebruikt.
De brief van de Unie geeft vervolgens aan dat de drie systemen elk een eigen, specifieke functie voor het bestuur en management van waterschappen hebben. De Begrotingsvergelijking is een snelle en globale, waterschapsbrede vergelijking van het ambitieniveau en de daaruit voortvloeiende kosten die met name voor het topmanagement en bestuur interessant is. Het BBW is een diepgaander waterschapsbrede vergelijking van de eigen realisatie met die van andere waterschappen, van eigen realisatiecijfers met streefwaarden en van de eigen realisatiegraad met die van andere waterschappen die uitmondt in voorstellen ter verbetering van de effectiviteit en efficiëntie van de bedrijfsvoering voor de twee hoogste managementlagen. De Bedrijfsvergelijking zuiveringsbeheer is een systeem voor de externe verantwoording door het bestuur en de verbetering van de bedrijfsvoering voor het management van één specifiek taakonderdeel van waterschappen die door het diepgaande karakter naar verwachting tot de best onderbouwde verbetervoorstellen zal leiden. De brief sluit af met de opmerking dat het naar de mening van het Uniebureau voor waterschappen waardevol is aan meer dan één systeem gelijktijdig mee te doen, mits de doelstellingen en mogelijkheden van de systemen goed worden onderkend.

Nadere informatie bij de heer drs. R.J. Admiraal telefoon 070-3519868, of de heer ir. J.W.C. Dekking, telefoon 070-3519859.

e. Stand van zaken Bedrijfsvergelijking Zuiveringsbeheer

Op vrijdag 21 januari jl. werd de tweede studiemiddag van het project bedrijfsvergelijking zuiveringsbeheer gehouden. De middag stond in het teken van de presentatie van de ontwikkelde kritische succesfactoren en kengetallen voor de vergelijking van de prestaties van het zuiveringsbeheer. De dag werd bijgewoond door meer dan 100 deelnemers, waarvan circa 10% tot de bestuurlijke doelgroep behoorde. Een verslag van deze studiedag is verschenen in het Waterschap en op de Internetsite van het project (www.uvw.nl/bedrijfsvergelijking/).

Na deze studiedag is de methodiek verder ontwikkeld en donderdag 16 maart jl. heeft de Stuurgroep bedrijfsvergelijking zuiveringsbeheer de methodiek vastgesteld. De planning van het project ziet er als volgt uit:

Periode Activiteit

September 1999–maart
2000 Ontwikkelen van de methodiek
April 2000 Pilot voor de toepassing bij een waterkwaliteitsbeheerder

Mei 2000–juli 2000 Toepassing van de methodiek bij de deelnemers aan de eerste tranche

Juli 2000–september
2000 Evaluatie eerste tranche
Oktober 2000–januari Toepassing van de definitieve 2001 bedrijfsvergelijking

Januari 2001–maart 2001 Rapportage en afsluiting van het project

Nadere informatie bij de heer drs. R.J. Admiraal, telefoon 070-3519868.




5. INFORMATISERING EN AUTOMATISERING

Uniecongres 'informatievoorziening' is meer dan informatief

Het is alweer twee jaar geleden dat de Unie van Waterschappen voor het laatst een congres over informatievoorziening organiseerde. Tussen 1998 en 2000 ligt een wereld van verschil. Toen was Internet een net opkomend fenomeen, nu is het een gegeven. Maar niet alleen de 'gereedschappen' veranderden, ook de denkwijze. Een voorzichtig zoeken maakte plaats voor een bijna algemene acceptatie. Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties introduceerde zelfs een subsidieregeling voor Bestuurlijke informatievoorziening op Internet. Informatievoorziening is echter meer dan Internet, meer dan een activiteit voor systeembeheerders en medewerkers. Bestuurders zullen in toenemende mate te maken krijgen met informatievoorziening, een must voor modern bestuur. De Unie pakte daarom de draad weer op en organiseert wederom een congres over informatievoorziening.

Heel vaak blijkt dat mensen op de werkvloer anders tegen informatievoorziening aankijken dan het management. Bestuurders beleven dat ook weer anders. Met andere woorden: 'we spreken elkaars taal niet'. En met een digitale toekomst is dat wel noodzakelijk. De opkomst van Internet, e-mail, multimedia etc. is niet meer te stuiten. Ook binnen de sector Water moet je wel goed geïnformeerd blijven om aan deze ontwikkelingen het hoofd te kunnen bieden.
En hoe kun je dat beter doen dan een congres over informatievoorziening te organiseren voor alle lagen in de organisatie: bestuur, management, voorlichters, systeembeheerders, gebruikers. 's Morgens een plenair gedeelte in de grote theaterzaal van 't Spant en aansluitend parallelsessies. 's Middags ruimte voor discussie met als doel te horen of we elkaars taal wel spreken. Tot slot zal Gerard van Vliet op z'n eigen wijze met alle deelnemers discussiëren, een verbaal spektakel. Verstaan we elkaar wel???

De gehele dag is er de bedrijvenmarkt. De lunch is in de vorm van een buffet zodat er ruim tijd overblijft om de verschillende bedrijven te bezoeken, of met elkaar in gesprek te gaan.
En .... heeft u er wel eens bij stil gestaan hoeveel informatie we opnemen zonder dat we het zelf weten, informatie in de vorm van geluiden. Niek Boes heeft er een theatershow omheen gemaakt. Het vormt de afsluiting van het congres.

Tijdens een hapje en een drankje kunnen we nog even napraten.

We hopen dat u met heel veel 'spraakmakende' bagage naar huis gaat.

En wilt u alvast wat voorinformatie, bezoekt u dan de speciale congressite www.uvw.nl/informatiecongres

Nadere informatie bij de heer ing. H.P.J.M. ter veen, telefoon 070-3519855.




6. FISCAAL-JURIDISCHE ZAKEN

a. Stand van zaken Wet WOZ

Een belangrijk aandachtspunt in het kader van de evaluatie van de Wet WOZ is de kostenverdeelsleutel. Waterschappen dragen voor 30 procent in deze kosten bij. Het aandeel van het Rijk en van de gemeenten bedraagt respectievelijk 30 procent en 40 procent. De waterschappen zijn unaniem van oordeel dat deze kostenverdeelsleutel dringend aanpassing behoeft. Ook de Waarderingskamer was reeds eerder tot de conclusie gekomen dat een onderzoek naar aanpassing van de verdeelsleutel gerechtvaardigd is. Inmiddels heeft op 16 maart jl. bestuurlijk overleg plaatsgevonden over de verdeelsleutel tussen de Staatssecretaris van Financiën en de betrokken partijen. De Unie heeft in dat overleg het standpunt ingenomen dat de verdeelsleutel meer in overeenstemming zou moeten worden gebracht met de opbrengstverhoudingen. Dit betekent dat het waterschapsaandeel substantieel omlaag zou moeten worden gebracht. In de tweede plaats heeft de Unie de staatssecretaris gewezen op de enorme stijging van de jaarlijkse kosten en in dat verband verzocht om mogelijkheden te bezien die een verlaging van deze kosten kunnen bewerkstelligen. Afgesproken is dat concrete mogelijkheden op dit terrein op korte termijn zullen worden onderzocht. Op 1 mei 2000 zal opnieuw een bestuurlijk overleg tussen partijen plaatsvinden.
Het algemeen overleg in de Tweede Kamer met de Staatssecretaris van Financiën over de evaluatie van de Wet WOZ is uitgesteld van 29 maart tot 11 mei a.s.

Voor meer informatie over de evaluatie van de Wet WOZ kunt u contact opnemen met de heer mr. R.J.J. Lazaroms, telefoon 070-3519850 of mevrouw mr. V.M. Anches, telefoon 070-3519820.

b. Stand van zaken eindrapport Commissie onderzoek financiering

Het dagelijks bestuur van de Unie van Waterschappen bereidt momenteel het conceptstandpunt met betrekking tot het in oktober jl. gepubliceerde eindrapport van de Commissie onderzoek financiering voor. In de vergadering van het algemeen bestuur van de Unie van Waterschappen van 17 maart jl. is afgesproken dat in zijn vergadering van juni a.s. een voorlopig standpunt zal worden besproken. In september kan dan het definitieve standpunt worden bepaald. Maandag 15 mei a.s. vindt een workshop plaats, waarbij de leden van het algemeen bestuur van de Unie van Waterschappen discussiëren over de belangrijkste stellingen uit het eindrapport. Vrijdag 9 juni a.s. zal een voorlopig standpunt in de vergadering van het algemeen bestuur worden besproken. Dit voorlopig standpunt zal dan ook in samenhang met de uitkomsten van de Commissie Toonen worden besproken. De leden van het algemeen bestuur kunnen na deze vergadering het voorlopig standpunt bespreken met hun besturen. Daarna zal het concept-standpunt eventueel worden besproken met de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat. Vrijdag 8 september a.s. kan dan het definitieve standpunt worden vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur. Dit standpunt kan dan worden besproken in samenhang met de uitkomsten van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw die op 5 september worden gepresenteerd.

Nadere informatie bij de heer mr. H.J.M Havekes, telefoon 070-3519818, of de heer drs. R.J. Admiraal, telefoon 070-3519868.




7. UNIEPERSONEEL EN CAO WATERSCHAPPEN

In de arbeidsvoorwaardenovereenkomst 1999-2002 is voorzien in invoering van de 37-urige werkweek per 1 januari 2001.

In de CAO is er door de werkgeversdelegatie voor gekozen de invulling van de arbeidsduurverkorting bij de waterschappen zelf te laten plaatsvinden. Hierbij ging men ervan uit dat invulling van de ADV in overleg met de OR ook voor de organisatie voordelen kan opleveren. Belangrijk hierbij is te bekijken op welke manier de arbeidsinzet goed afgestemd kan worden op de bedrijfsprocessen.

De invoering van de 37 uur is een aanleiding om een ruil tot stand te brengen en daarmee te komen tot een evenwichtige afweging van belangen van medewerkers en van de organisatie. Deze ruil houdt in dat het waterschap zoekt naar een invulling van de 37-urige werkweek die zowel voor werknemers (vrije tijd) als voor de werkgevers (afstemming van werkweek op bedrijfsproces) aantrekkelijk is. Criteria die hierbij gehanteerd kunnen worden zijn: efficiency, organisatorische haalbaarheid, klantvriendelijkheid, kosten herbezetting, gezondheid, verhouding reistijd-werktijd, verhouding privé en werk, herkenbare vrije tijd.

De eerste vier zijn vooral criteria die uitgaan van de organisatie. De laatste drie zijn vooral van belang voor de werknemer.

Het is raadzaam om voor de gesprekken met de OR een voorkeur uit te spreken voor een bepaald model. Differentiatie per afdeling kan daarbij noodzakelijk zijn. De modellen hieronder zijn geordend aan de hand van de functie die zijn kunnen vervullen.

Bij de berekening van de ADV-uren per jaar is uitgegaan van 48 weken in een jaar. Dit is de vuistregel die door veel waterschappen wordt gehanteerd. Het aantal op te nemen uren verlof of ADV is afhankelijk van de door de medewerker feitelijk te werken uren op een dag dat verlof of ADV wordt opgenomen.

Stabiel:

* 5*8 plus 144 uur ADV, inplanning op basis van de keuze van de werknemer
* 5*8 plus 144 uur ADV, inplanning op basis van de keuze van de werknemer ingekaderd door eisen aan de afdeling of het bedrijfsonderdeel
* 5*8 plus 144 uur ADV, ingeroosterd

* 5*8 plus 144 uur, deels ingeroosterd, deels vrij op te nemen (de 'mengvorm')

Met deze modellen verandert er weinig aan de gangbare werktijden. De werkdag blijft 8 uur lang. Door de gemiddelde werktijd van 37 uur vanaf 2001 ten opzichte van 38 uur thans, vindt meer ADV-opbouw plaats. Al naar gelang de omvang van de reeds bestaande problemen op het gebied van de bezetting kan voor een meer of minder stringente vorm van inplanning van de ADV-uren worden geopteerd.

Varianten op dit 'stabiele' thema zijn modellen waarbij de ADV-uren binnen een of twee weken, worden opgenomen:

* 5*8 & 4*8:30, eenmaal in de twee weken een dag vrij. Dit kan een vaste dag zijn, of een variabele

* 4*8 & 1*5 of 4*8:15 & 1*4, eenmaal per week een dagdeel vrij
* 4*8 & 1*5 of 4*8:15 & 1*4, iedereen op hetzelfde moment vrij (sluiting van het kantoor)

Verlenging dagelijkse werktijd:

* 4*9 & 5*9 plus 168 uur ADV (vrij, ingekaderd, ingeroosterd of mengvorm)
* 5*9 plus 384 uur ADV (vrij, ingekaderd, ingeroosterd of mengvorm)
Wensen ten aanzien van het optimale gebruik van de productiemiddelen kunnen leiden tot de gedachte de werkdagen zo lang mogelijk te maken. Bovenstaande modellen geven hieraan invulling.

Seizoenspatroon:

* 5*6 in rustige tijd en 5*9 in drukke tijd plus 24 uur ADV (vrij, ingekaderd, ingeroosterd of mengvorm)

* 5*7 in rustige tijd en 5*9 in drukke tijd plus 144 uur ADV (vrij, ingekaderd, ingeroosterd of mengvorm)

* 5*9 het hele jaar door plus 384 uur ADV op te nemen dan wel in te roosteren in de rustiger tijden (eventueel een deel vrij op te nemen)
Met name in de buitendiensten, maar wellicht ook in de binnendiensten, zijn bij sommige waterschappen seizoenspatronen aanwezig. Dit leidt vaak tot minder-productieve uren gedurende de rustige tijden. Hiervoor kan flexibilisering van de arbeidstijden gedurende het jaar een oplossing zijn. Bovenstaande modellen geven een indicatie van de mogelijkheden op dit gebied.

Piek in de week:

* 3*9 & 2*5 (geen ADV-opbouw)

* 3*9 & 2*6 plus 96 uur ADV (vrij, ingekaderd, ingeroosterd of mengvorm)
* 2*9 & 3*6:20 (geen ADV-opbouw)

* 2*9 & 3*7 plus 96 uur ADV (vrij, ingekaderd, ingeroosterd of mengvorm)
Bij sommige afdelingen zou wellicht sprake kunnen zijn van piekpatronen in een week. Bijvoorbeeld aan de directiestaf waarbij het gewenst is dat zij op de 'vergaderdagen' de hele dag aanwezig zijn. Of een afdeling repro die bijvoorbeeld op een vaste dag in de week veel post moet uitsturen en daardoor op die dag steevast overwerkt.

Efficiënte uren:

* 5*7:24 (geen ADV-opbouw)

* 5*7:48 plus 96 uren (vrij, ingekaderd, ingeroosterd of mengvorm)
De wens tot zuinigheid bij herbezetting kan aanleiding geven tot bovenstaande modellen. Hierbij wordt per dag een dermate klein aantal minuten minder gewerkt dat de daling in productiviteit wellicht nihil te noemen is.

Vrije modellen:

* werknemer is totaal vrij (als het gemiddelde maar op 37 uur uitkomt)
* werknemer is vrij in de keuze tussen de modellen
* werknemer is vrij maar moet rekening houden met een aantal bloktijden
* 4*9, alleen mogelijk bij individuele keuze voor 36 uur (geen opbouw ADV). Let wel: er is geen individueel recht op toepassing van dit model bij een keuze voor 36 uur!

Bij deze modellen worden niet de bedrijfsprocessen voorop gesteld maar de wensen van de werknemers. Indien het gewenst wordt geacht een aanvulling te bieden op de arbeidsvoorwaarden, is het denkbaar dat voor deze modellen wordt gekozen.




8. COMMUNICATIE

Lezersonderzoek Het Waterschap

Door bureau Intomart is recentelijk in opdracht van de Unie van Waterschappen een onder-zoek uitgevoerd naar het oordeel van de lezers over het tijdschrift 'Het Waterschap', dat door de Unie wordt uitgegeven. Voor het onderzoek is circa 10% van de lezers bevraagd. Uit de uitkomsten van het onderzoek blijkt dat de lezer over het algemeen een positief beeld heeft over zowel de hoofdartikelen als de diverse rubrieken en dat er een grote lezer-bladbinding bestaat.
Een samenvatting van het onderzoek kan worden opgevraagd bij de afdeling Communicatie.

Nadere informatie bij de heer A.B. Blase,telefoon 070-3591775.

CD-ROM

Tijdens het Wereld Water Forum werd een nieuwe CD-ROM in gebruik genomen. Onder de titel 'Waterschappen in Nederland' worden de vele aspecten van het Nederlands regionaal waterbeheer in woord en beeld belicht. Thema's als organisatie, taken, financiering, historie en innovatie komen uitgebreid aan bod. De CD-ROM is goed te gebruiken bij groepspre-sentaties en is tweetalig uitgevoerd, in Engels en Nederlands. Het nieuwe product is aan alle waterschappen toegestuurd (aan de afdelingen Voorlichting).

Nadere informatie bij mevrouw drs. A. Oldersma, telefoon 070-3519736.

Nieuwsbrief

Zoals al eerder aangekondigd is het jaarverslag van de Unie van Waterschappen vervangen door een actuele nieuwsbrief, die vier keer per jaar verschijnt. Het eerste nummer is kort voor het Wereld Water Forum verschenen. De nieuwsbrief is bedoeld voor externe relaties, zoals departementen, provincies, Kamerleden, koepelorganisaties en bureaus. Dit in tegen-stelling tot dit Uniebulletin dat voor de 'interne relaties', dus de leden van de Unie van Wa-terschappen, als informatieblad verschijnt. De inhoud van de nieuwsbrief betreft met name beknopte en toegankelijke informatie over actuele beleidsontwikkelingen.
De nieuwsbrief wordt in een beperkte oplaag ook aan de leden-waterschappen toegestuurd.

Nadere informatie bij mevrouw drs. A. Oldersma, telefoon 070-3519736.




9. UNIEPERSONEEL

Op 1 januari 2000 is mevrouw M.E.S. Dekking-Wensveen weer in dienst getreden, nu als parttime directie-secretaresse. Zij deelt deze functie met mevrouw E.E. Verhoog, die vanaf 1 februari 2000 parttime is gaan werken.

Onze parttime telefoniste/receptioniste mevrouw M.J. Maas-van Dijk heeft het Uniebureau per 1 maart 2000 verlaten. Haar functie is op 1 maart 2000 overgenomen door mevrouw A. Hartogs-Hage. Zij is per 21 februari 2000 in dienst is getreden.

Mevrouw M. Fonville is per 1 februari 2000 aangetrokken als parttime afdelingssecretaresse bij de afdeling Communicatie. Zij is bereikbaar van
9.00 uur tot 15.00 uur.

Per 1 maart 2000 heeft mevrouw Lydia Buysman, beleidsmedewerker bij de afdeling Alge-mene, Juridische en Bestuurlijke Zaken haar werkdagen uitgebreid van drie dagen naar vijf dagen. Zij houdt zich bezig met de juridische aspecten met betrekking tot het waterkwaliteits- en milieubeheer.

Mevrouw drs. S. van Galen, communicatie-adviseur bij de afdeling Communicatie, gaat het Uniebureau per 1 mei 2000 verlaten wegens het accepteren van een functie bij de Algemene Rekenkamer. Zij zal vanaf 1 april niet meer bereikbaar zijn bij de afdeling Communicatie.

Op 1 juni 2000 onstaat een vacature omdat mevrouw N. van Leeuwen-Huizer, financieel medewerker bij het Facilitair Bureau, het Uniebureau gaat verlaten.

Tevens zal per 1 juni 2000 vertrekken mevrouw P.A. Leenaars-de Groot, redactie-assistente van Het Waterschap. Ook zij heeft een andere functie geaccepteerd.

Per 1 juni 2000 ontstaat wegens vertrek van mevrouw A. Jibodh een vacature van archief-medewerkster bij het Facilitair Bureau. Mevrouw Jibodh heeft per die datum een functie aanvaard bij de Gemeente Rijswijk.



reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie