Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Ministerie Financien: Vrijstelling overdrachtsbelasting

Datum nieuwsfeit: 02-05-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: Vrijstelling overdrachtsbelasting art. 15 lid1 q WBR



Besluit van 2 mei 2000, nr. VB 1999-2604.

De Plaatsvervangend Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Bij resolutie van 7 februari 1973, nr B72/23.101 onderdeel 3, PW 18.239, heb ik, nadat mij gebleken was dat de toepassing van de vrijstelling van overdrachtsbelasting van artikel 15, lid 1, q Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) in bepaalde gevallen tot onbevredigende resultaten kon leiden, goedgekeurd dat landerijen die bij een ruilverkavelingsakte aan de verkrijger zijn toegedeeld, geacht worden voor de eis van vijfjarig bezit in de plaats te zijn getreden van door de verkrijger in de ruilverkaveling ingebrachte landerijen.

De overweging hierbij was dat het onverkort vasthouden aan de formeel gestelde eis van het vijfjarig bezit in die gevallen tot onbillijke gevolgen zou leiden.

Gebleken is dat zich een soortgelijk probleem kan voordoen in gevallen dat de verkrijger de (huidige) landerijen van zijn landbouwbedrijf (daaronder begrepen de als kweek- of teeltmiddel gebruikte ondergrond van glasopstanden) verkregen heeft in het kader van een gefacilieerde hervestiging van het landbouwbedrijf als bedoeld in de vrijstelling van artikel 15, lid 1, t WBR, die ingevoerd is per 1 januari 1996.

Die verkrijger kan dan bij latere aankopen vijf jaar lang geen beroep doen op de vrijstelling van artikel 15, lid 1, q WBR door de eis van “vijfjarig bezit”.

Gelet op de overwegingen in het hierboven genoemde geval van ruilverkaveling ben ik bereid om, onder voorwaarden, een tegemoetkoming in de verschuldigde overdrachtsbelasting te verlenen op die latere verkrijging van landerijen.

Hiertoe keur ik goed, met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, dat de landerijen die op grond van een hervestiging van het landbouwbedrijf als bedoeld in artikel 15, lid 1, t WBR met toepassing van dat artikel vrij van overdrachtsbelasting zijn verkregen, geacht worden voor de eis van vijfjarig bezit in de plaats te zijn getreden van de door de verkrijger in het kader van die hervestiging afgestane landerijen.

Deze goedkeuring brengt met zich mede, dat de vrijstelling van art. 15, lid 1, q WBR bij latere aankopen toepassing kan vinden, mits uiteraard aan de overige vereisten van dat artikel voldaan wordt.

De verkregen oppervlakte is slechts vrij voor zover die - eventueel tezamen met verkrijgingen binnen een tijdsverloop van vijf jaar door dezelfde verkrijger - niet groter is dan de kleinste van


1. de oppervlakte van de afgestane landerijen die de huidige verkrijger reeds langer dan vijf jaren in het zgn. herkomstgebied had, dan wel

2. de oppervlakte van de landerijen die de verkrijger bij hervestiging met toepassing van artikel 15, lid 1, onderdeel t WBR verkreeg.
Voor de naburigheidseis is en blijft uiteraard relevant de ligging van de huidige, bij hervestiging verkregen landerijen.

In de hierna opgenomen voorbeelden is er, tenzij anders vermeld, steeds van uitgegaan dat de oppervlakte van de (oude) landerijen tenminste vijf jaren in eigendom was, dat op de hervestiging art. 15, lid 1, t WBR van toepassing was, dat sprake is van gelijke grondprijzen en dat bij de betreffende aankoop (buiten de 13 maands-termijn) aan de overige vereisten van art. 15, lid 1, q WBR wordt voldaan.

Voorbeelden:


a. Afgestane landerijen groot 12 ha; bij hervestiging verkregen landerijen groot 10 ha. Nieuwe verkrijging 15 ha landerijen: daarvan vrij met toepassing van deze resolutie 10 ha en belast 5 ha.
b. A heeft in 1990 een bedrijf met 20 ha landerijen gekocht en in 1997 10 ha bijgekocht waarop de vrijstelling van 15, lid 1, q WBR van toepassing was. In 1999 staat hij alle landerijen af (30 ha, waarvan 20 ha meer dan 5 jaar) en verkrijgt bij hervestiging een bedrijf met 25 ha landerijen. In 2001 koopt hij 22 ha naburige landerijen. 10 ha is al “gebruikt” voor de toepassing van art. 15, lid 1, q WBR. Voor de toepassing van de resolutie blijft over 20 - 10 = 10 ha en belast is 12 ha.

Dit besluit kan overeenkomstig worden toegepast indien bij de verkrijging krachtens hervestiging ex art. 15, lid 1, t WBR een te belasten verschil in heffingsgrondslag overblijft. Dit uiteraard slechts indien en voor zover (ook) overigens aan de vereisten van art. 15, lid 1, q WBR wordt voldaan. Ook hier geldt de “het kleinste van de twee oppervlakten”-regel.

Het met toepassing van de resolutie vrijgestelde gedeelte telt mee bij de zgn. samenvoeging (verkrijgingen binnen vijf jaar).

Voorbeelden:


c. Afgestane landerijen groot 20 ha met een grondprijs agrarische bestemming van

f 20.000, totale waarde f 400.000 (maar een hogere verkoopprijs!). Bij hervestiging
verkregen landerijen groot 25 ha à f 25.000, totale waarde f 625.000. Hiervan is
vrijgesteld met toepassing van onderdeel t: f 400.000, dat wil zeggen 16 ha. Er zou
dus 9 ha à f 25.000 belast zijn. Voor de toepassing van de resolutie is beschikbaar de
kleinste van twee oppervlakten (20 en 16 ha) is 16 ha. De 9 ha kan met toepassing
van de resolutie dus onbelast worden verkregen.

c. Uitgaande van voorbeeld c wordt binnen 5 jaar verkregen 15 ha à f 30.000. Voor de toepassing van de resolutie is (nog steeds) beschikbaar de kleinste oppervlakte = 16 ha. De resolutie is reeds gebruikt voor 9 ha. Met toepassing van de resolutie kan nu alsnog 16 - 9 = 7 ha onbelast worden verkregen. Te belasten blijft 15 - 7 = 8 ha.
d. Afgestane landerijen groot 20 ha met een grondprijs agrarische bestemming van

f 20.000, totale waarde f 400.000 (maar een hogere verkoopprijs!). Bij

hervestiging verkregen een bedrijf groot 40 ha à f 25.000, totale waarde f 1.000.000;
hiervan is vrijgesteld met toepassing van onderdeel t f 400.000, d.w.z. 16 ha. Er zou
dus 24 ha à f 25.000 belast zijn. Voor de toepassing van de resolutie is beschikbaar de
kleinste van 20 en 16 = 16 ha. Er kan dus 16 van de 24 ha met toepassing van de
resolutie onbelast worden verkregen. Te belasten blijft 24 - 16 = 8 ha.
Ik heb aanleiding gevonden om de bevoegdheid inzake vorenbedoelde toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (de hardheidsclausule) te mandateren aan de Belastingdienst/Registratie en successie.

Aan de tegemoetkoming op grond van deze resolutie worden steeds de voorwaarden verbonden dat:


1. belanghebbende bij de betreffende eenheid van de Belastingdienst een schriftelijke verklaring indient, welke inhoudt dat hij zich op het standpunt stelt dat de verkrijging is aan te merken als één waarop de vrijstelling van artikel 15, lid 1, q WBR is toegepast, en

2. belanghebbende tevens een schriftelijke verklaring indient, welke inhoudt dat hij zich verbindt de belasting die op grond van dit Besluit niet verschuldigd is geworden dan wel teruggegeven is, alsnog te voldoen indien de afgestane landerijen niet binnen een termijn van 6 jaar buiten het kader van een landbouwbedrijf zijn aangewend.

Laatstgenoemde voorwaarde is ingegeven door het volgende. De mogelijkheid bestaat dat de vrijstelling wegens hervestiging wordt teruggenomen indien de afgestane landerijen niet binnen een termijn van 6 jaar buiten het kader van een landbouwbedrijf zijn aangewend (zie art. 5 van de Regeling vrijstelling hervestiging landbouwbedrijven, Regeling van 21 februari 1996, nr. WV95/995M, Stcrt.39). Daarmee ontvalt ook de grond voor de faciliteiten als genoemd in dit Besluit. Immers, de aanvankelijk gefacilieerde ”hervestiging” blijkt alsdan een “gewone” verkrijging. Dan telt voor de verkrijger alleen de periode van bezit van zijn huidige landerijen.

Aan de tegemoetkoming op grond van deze resolutie wordt voorts steeds de bepaling verbonden dat zij vervalt, voor zover met betrekking tot het op grond van deze beschikking niet geheven bedrag aanspraak op vermindering van overdrachtsbelasting, zoals ingevolge de artikelen 9 lid 4 en 13 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, mocht worden gemaakt.

Overdrachtsbelasting, waarvan de betaling op grond van dit Besluit achterwege had kunnen blijven, komt desgevraagd voor teruggaaf in aanmerking.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie