Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoord Kamervragen SP en GroenLinks over optieregelingen

Datum nieuwsfeit: 07-06-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
MINISTERIE FIN

www.minfin.nl

MIN FIN:ANTWOORDEN OP KAMERVRAGEN OVER OPTIEREGELINGEN

PERSBERICHTNR. 00/129 Den Haag 7 juni 2000

ANTWOORDEN OP KAMERVRAGEN VAN SP EN GROEN LINKS OVER OPTIEREGELINGEN

Hieronder volgen twee series Kamervragen over optieregelingen. Eerst komen de vragen van de SP en daarna de vragen van Groen Links.

Vragen Marijnissen (SP) dd 3 mei 2000:


1.

Heeft u kennis genomen van het artikel 'Elsevier-top kan met opties driekwart miljard verdienen'?
Kloppen de beschreven feiten?

2.

Voldoet het nieuwe optiestelsel van Reed Elsevier, bestaande uit een regulier optieprogramma, aangevuld met een extra optieregeling voor veertig topmanagers en daarboven nog een extra optieregeling voor 'een beperkt aantal managers' aan de kwalificatie 'onevenredige verrijking' die u deelt in het zogenaamde lijsttrekkersdebat op 22 april 1998?
3.

Voldoet het optiestelsel van Reed Elsevier aan de gedragscode die in augustus 1999 door VNO-NCW is gepubliceerd? Zo ja, is dit de reden om het positieve oordeel over deze gedragscode dat u op 27 augustus 1999 gaf te herzien? Zo neen, bent u bereid om bij VNO-NCW aan te dringen op het trekken van consequenties uit de schending van de gedragscode?

4.

Ziet u aanleiding in deze nieuwe optieregeling om uw uitspraak 'De overheid heeft ook de taak om hier normstellend op te treden' om te zetten in concrete maatregelen tegen 'exhibitionistische zelfverrijking'?

ANTWOORDEN :


1. t/m 4.

Ik heb kennis genomen van het in de vraag bedoelde artikel.

De wettelijke kaders betreffende optieregelingen zijn opgenomen in de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995) en het Burgerlijk Wetboek (BW). Zo bevat artikel 46 van de Wte 1995 het verbod op het gebruik van voorwetenschap en bevat het BW de bepalingen betreffende de bevoegdheden van de verschillende organen binnen een onderneming en de regels inzake de verslaggeving.

Binnen deze wettelijke kaders staat het de onderneming vrij om opties toe te kennen aan personeel en bestuurders. Opties kunnen een instrument zijn om de langdurige betrokkenheid van bestuurders en werknemers bij de onderneming te vergroten en bestuurders en werknemers aan te zetten tot een maximale inzet in het belang van de onderneming. Daarnaast kunnen optieregelingen, zeker in een internationale omgeving waarin veel Nederlandse ondernemingen zich begeven, een belangrijk instrument zijn om management en personeel aan te trekken en te behouden. Dit is in het belang van de vennootschap als geheel. Terughoudendheid past dan ook ten aanzien van het introduceren van regelgeving die beperkingen stelt aan optieregelingen.

De toegenomen openheid waarmee ondernemingen rapporteren over optieregelingen voor bestuurders heeft geleid tot een verbeterd inzicht in de omvang van dergelijke regelingen en tot een brede maatschappelijke discussie omtrent de aanvaardbaarheid van deze beloningsvorm. Het bedrijfsleven onderkent dit belang ook zelf: VNO-NCW en NCD hebben op 27 augustus 1999 een samenstel van terzake geldende aanbevelingen gedaan. Deze aanbevelingen zien onder meer op de bij toekenning van opties te volgen procedure (transparantievereisten en belangenafweging) en de vormgeving van een optieregeling (minimale looptijd, koppeling aan prestaties).

Over de omvang van de thans vigerende optieregelingen in het bedrijfsleven spreekt het kabinet geen oordeel uit. Eerder is al duidelijk gemaakt dat het kabinet de opvatting deelt dat in zijn algemeenheid met het oog op het behoud van evenwichtige sociaal-economische verhoudingen ook bij bijzondere beloningen proportionaliteit en terughoudendheid geboden is, zeker in de nationale verhoudingen. In dit licht worden de aanbevelingen van VNO/NCW en NCD door het kabinet positief gewaardeerd. Zoals reeds aangekondigd in de kabinetsreactie van 10 mei 1999 op het rapport van de Monitoring Commissie Corporate Governance (Peters II) wordt daarnaast wetgeving voorbereid waardoor transparantie omtrent de bezoldiging en het effectenbezit van de bestuurders in de jaarrekening verplicht wordt voorgeschreven.

Binnen het hierboven geschetste wettelijk kader en het Nederlandse stelsel van corporate governance ligt het niet op de weg van de overheid een oordeel te geven over individuele optieregelingen. De belangenafweging en besluitvorming terzake vindt plaats binnen de onderneming door de terzake bevoegde organen, mede tegen de achtergrond van de (internationale) maatschappelijke omgeving waarin de onderneming opereert. De voorgenomen wetgeving zal het besluitvormingsproces binnen de onderneming op dit punt en de daarbij behorende verantwoording versterken.

Evenmin ligt het op de weg van het kabinet om individuele optieregelingen van geval tot geval te toetsen op naleving van een door het bedrijfsleven zelf overeengekomen stelsel van aanbevelingen. De indruk bestaat overigens dat de in de vraag bedoelde optieregeling past binnen de kaders van de aanbevelingen van VNO-NCW en NCD. Onder meer geldt dat de betrokken managers slechts voordeel kunnen ontlenen aan de optieregeling indien gedurende een reeks van jaren een bovengemiddelde prestatie ten bate van de onderneming geleverd wordt. Ook het gegeven dat het hier om een sterk internationaal georiënteerde onderneming gaat, waarvan het merendeel van de topmanagers in het buitenland werkzaam is, moet bij de beoordeling en waardering van de regeling in ogenschouw genomen worden.

Vragen van Rosenmoller en Vendrik (Groen Links) dd 17 mei 2000:


1.

Heeft het kabinet kennisgenomen van het artikel 'De Nederlandse optimythe: geen kosten, geen risico.s'?

2.

Deelt u de inschatting dat het Nederlandse bedrijfsleven momenteel op grote schaal bestuurders beloont met opties zonder adequate dekkingsplannen op te stellen?

3.

Deelt u de mening dat het Nederlandse bedrijfsleven door deze handelwijze grote risico.s kan lopen en voor miljarden guldens schade kan lijden?
4.

Deelt u de mening dat het onjuist is dat het bedrijfsleven geen dekkingsplannen opstelt? Zo ja, overweegt u regelgeving om dit alsnog te bevorderen?

5.

Deelt u de mening dat bedrijven in alle gevallen over de financiele risico.s, die verband houden met verstrekking en (gebrek aan) afdekking van opties in het jaarverslag dienen te rapporteren?
6.

Overweegt u derhalve wetswijziging in de richting van regels met betrekking tot de verslaglegging in het jaarverslag en de jaarrekening, om meer duidelijkheid te krijgen over kosten en risico.s van optieplannen?

7.

Zo neen, acht u de wijze waarop ondernemingen omgaan met het financieel afdekken van optieplannen voor werknemers en het geven van informatie over de kosten en eventuele risico.s voor het bedrijf, de werknemers en de aandeelhouders, adequaat?

8.

Deelt u de mening dat 'het gebrek aan eenduidigheid, transparantie en regulering op het terrein van opties het risico voor ondernemingen vergroot op het plegen van strafbare feiten'? Zo neen, waarom niet?
9.

Is heden ten dage nog steeds sprake van 'exhibitionistische zelfverrijking' onder de top van het Nederlandse bedrijfsleven?

10.

Deelt u de mening dat de gesignaleerde werkwijze opnieuw een indicatie biedt dat de zelfverrijking nu ook exuberante vormen heeft aangenomen waartegen stelling genomen dient te worden?


11.

Deelt u de mening dat in Nederland zich een 'graaicultuur' ontwikkelt die niet navolgenswaardig is en die voorts het pleidooi van het kabinet voor een verantwoorde loonontwikkeling ondergraaft? Op welke manier denkt u op deze ontwikkeling te reageren?

12.

Bent u bereid om opnieuw de Nederlandse top van het bedrijfsleven aan te spreken op hun werkwijze inzake de beloning van bestuurders en uw krachtige publieke stellingname terzake op enigerlei wijze te herhalen?


13.

Deelt u de mening dat een wetsvoorstel inzake het openbaar maken van topinkomens een instrument is in het beteugelen van al te uitbundige beloningspraktijken? Wanneer kan de Kamer een daartoe strekkend wetsvoorstel tegemoet zien?


14.

Deelt u de mening dat de heersende cultuur en handelwijze rond opties een indicatie is dat de Raad van Commissarissen onvoldoende tegenwicht biedt want voornoemde praktijken goedkeurt? Zo neen, waarom bent u van opvatting dat de huidige Raad goed functioneert?

15.

Is u bekend of en in welke mate commissarissen zelf beloond worden middels optieprogramma.s? Zo neen, bent u bereid dit op korte termijn te onderzoeken en de Kamer van de resultaten daarvan in kennis te stellen?

ANTWOORDEN:


1. t/m 7.

Ik heb kennis genomen van het in de vraag bedoelde artikel.

Voor een schets van het huidig wettelijk kader met betrekking tot de in de vraagstelling aangesneden problematiek wordt verwezen naar de beantwoording van de vragen van het lid Marijnissen.

Binnen het toepasselijke wettelijk kader wordt de beslissing om ter dekking van toekomstige optieverplichtingen over te gaan tot inkoop van eigen aandelen dan wel tot de uitgifte van extra aandelen in Nederland overgelaten aan de onderneming. Het is aan de onderneming zelf om de voor haar meest wenselijke kapitaalstructuur te bepalen. Inkoop van eigen aandelen kan hierbij wenselijk zijn, maar is niet altijd rationeel. Een onderneming die net een beroep op de kapitaalmarkt heeft gedaan zal het geld op korte termijn beter kunnen gebruiken voor benodigde expansie van de bedrijfsactiviteiten. Regelgeving op dit punt is niet wenselijk.

De mogelijke financiële consequenties uit hoofde van een optieregeling komen, net zoals overigens bij andere beloningsvormen, voor rekening van de onderneming en dus uiteindelijk ook van de aandeelhouders. Bij opties kan zich dit uiten in verwatering van hun aandeel, dan wel, in geval van inkoop van eigen aandelen, in een uitgaande kasstroom uit de onderneming. In het licht van de vermindering van de asymmetrie tussen de belangen van bestuur en personeel enerzijds en die van de aandeelhouders anderzijds, kan het toekennen van optierechten aan bestuur en personeel ook vanuit het perspectief van de aandeelhouders evenwel gewenst zijn.

Uit hoofde van artikel 28h van het Fondsenreglement van Amsterdam Exchanges zijn beursgenoteerde ondernemingen verplicht om de inkoop van eigen aandelen terstond openbaar te maken. Met het oog op de transparantie in de richting van de aandeelhouder is het echter gewenst dat bedrijven daarnaast ook in hun jaarverslaggeving openheid betrachten ten aanzien van optieregelingen en de daarmee samenhangende financiële gevolgen. De belangrijkste bepalingen van een optieregeling moeten controleerbaar zijn voor belanghebbenden. Dit geldt in het bijzonder voor optieregelingen ten behoeve van de bestuurders van een onderneming. De Raad voor de Jaarverslaggeving heeft een drietal ontwerp-richtlijnen gepubliceerd over de toekenning van rechten op eigen aandelen aan bestuurders, over de toekenning van rechten op eigen aandelen aan het overige personeel en over het vermelden van de potentiële verwatering van de winst per aandeel. Vastgesteld moet echter worden dat in menig jaarverslag de openheid op deze laatste twee punten nog onvoldoende is. Hieraan zal het kabinet dan ook, mede in het licht van de discussie over de toepassing van internationale verslaggevingsstandaarden in Nederland, bij de verdere ontwikkeling van de wetgeving inzake de verslaggeving aandacht moeten schenken.

8.

De opvatting dat de huidige regelingen het risico voor ondernemingen op het plegen van strafbare feiten vergroten (waarbij gedoeld wordt op overtredingen van het verbod op het gebruik van voorwetenschap) wordt niet gedeeld. Het verbod op het gebruik van voorwetenschap is niet van toepassing indien een beroep kan worden gedaan op artikel 1, onder c, van het Besluit van 17 december 1998, houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 46, vierde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Stb. 1998, 717). Deze uitzondering ziet met name op de noodzakelijke inkoop van aandelen om te kunnen voldoen aan een bestaande leveringsverplichting. De onderneming moet de noodzaak van deze inkoop aan kunnen tonen en mag niet meer aandelen inkopen dan benodigd ter dekking van de optieregeling. Hierbij is het niet van belang of deze inkooptransactie gelijktijdig met, direct volgend op, dan wel geruime tijd na de toekenning van de personeelsoptie plaatsvindt. Mits de bedoelde noodzaak voor de inkoop kan worden aangetoond, is derhalve geen sprake van een overtreding van het verbod van artikel 46 Wte 1995.

9. t/m 13.
Voor de beantwoording van deze vragen wordt verwezen naar de beantwoording van de vragen van het lid Marijnissen.

14. en 15.
De bevoegdheid tot het houden van toezicht op het beleid van het bestuur en de algemene gang van zaken in de vennootschap en de met haar verbonden onderneming komt toe aan de raad van commissarissen (BW 2:140). De vaststelling van de bezoldiging van bestuurders (inclusief opties) vindt in principe plaats door de algemene vergadering van aandeelhouders (BW2: 135). In de praktijk is deze bevoegdheid in Nederland via statutaire bepalingen veelal toegekend aan de raad van commissarissen of aan een ander orgaan. In mijn brief aan de Tweede Kamer van 23 november 1998 (Kamerstukken II 1998/99, 26 302, nr. 1) is reeds aangegeven dat de feitelijke uitoefening van en verantwoording over het huidige controlemechanisme door de raad van commissarissen met betrekking tot het verlenen van goedkeuring aan optieregelingen moet worden versterkt.

Zoals bij de beantwoording van de vragen van het lid Marijnissen is aangegeven wordt op dit moment wetgeving voorbereid die zal verplichten tot transparantie in de jaarrekening omtrent de bezoldiging van bestuurders. Dit zal de verantwoording over de uitgevoerde controle door de raad van commissarissen versterken. Voorts zou, teneinde in ieder geval de schijn van belangenverstrengeling te vermijden, de beloning van commissarissen zelf te allen tijde onafhankelijk van zowel het resultaat als de beurswaarde behoren te worden vastgesteld. Bezoldiging van commissarissen in de vorm van opties komt in de praktijk overigens slechts sporadisch voor en wordt over het algemeen terecht bekritiseerd. Naar verwachting zal deze praktijk als gevolg van de voorgenomen wetgeving die tot openheid terzake verplicht, nog verder afnemen.

Woordvoerder: drs. F.F.M. Kemperman
tel.: 070- 342 8236


07 jun 00 16:56

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie