Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag ECOFIN-raad EU

Datum nieuwsfeit: 08-05-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Raad van de Europese Unie

2258. Raad - ECOFIN Press Release: Brussels (08-05-2000) - Press: 141 - Nr: 8204/00


8204/00 (Presse 141)

(OR. en)

PERSMEDEDELING

Onderwerp :


2258e zitting van de Raad

- ECOFIN -

Brussel, 8 mei 2000

Voorzitter:

de heer Pino MOURA

Minister van Financiën en Economische Zaken van de Portugese Republiek

INHOUD

DEELNEMERS


*

BESPROKEN PUNTEN

EURO-11 - VERKLARING


*

STEUN AAN MONTENEGRO


*

UITVOERING VAN HET STABILITEITS- EN GROEIPACT


- GEACTUALISEERD STABILITEITSPROGRAMMA VAN OOSTENRIJK


*

GLOBALE RICHTSNOEREN VOOR HET ECONOMISCH BELEID


*

PRIORITEITEN VOOR DE BEGROTING 2001


*

RICHTLIJN BETREFFENDE DE SANERING EN DE LIQUIDATIE VAN

KREDIETINSTELLINGEN


*

NIEUWE BTW-STRATEGIE


*

TOEKOMSTIG PRESIDENTSCHAP VAN DE EBRD


*

ZONDER DEBAT AANGENOMEN PUNTEN

ECOFIN


-

Eigenmiddelenbesluit - aanneming van een gemeenschappelijke beleidslijn *

-

Europese Centrale Bank - verhoging van de externe reserves en kapitaalverhoging *

-

Verbetering van de beheers- en financiële procedures *
-

Verbetering van de behandeling van de speciale verslagen van de Rekenkamer *

HANDELSVRAAGSTUKKEN


-

Antidumping - Polen, Tsjechische Republiek en Hongarije *
-

Antidumping - Belarus, Rusland en Oekraïne *
-

Antidumping - Japan *

-

Antisubsidie - Australië, Indonesië en Taiwan *
LANDBOUW


-

Bescherming van planten tegen schadelijke organismen *
BENOEMINGEN


-

Comité van de Regio's *

Voor meer informatie: tel. 02/285.84.15 of 02/285.68.08

DEELNEMERS

De regeringen van de lidstaten en de Europese Commissie waren als volgt vertegenwoordigd:

België:

de heer Didier REYNDERS

minister van Financiën

Denemarken
:

mevrouw Marianne JELVED

minister van Economische Zaken

de heer Michael DITHMER

staatssecretaris van Economische Zaken

Duitsland:

de heer Hans EICHEL

minister van Financiën

de heer Caio KOCH-WESER

staatssecretaris, ministerie van Financiën

Griekenland
:

de heer Yiannos PAPANTONIOU

minister van Economische Zaken en Financiën

Spanje
:

de heer Rodrigo de RATO y FIGAREDO

tweede vice-minister-president en minister van Economische Zaken en Financiën

Frankrijk
:

de heer Laurent FABIUS

minister van Economische Zaken, Financiën en Industrie

Ierland
:

de heer Charlie McCREEVY

minister van Financiën

Italië
:

de heer Vincenzo VISCO

minister van de Schatkist, van Begroting en van Economische Planning

de heer Ottaviano DEL TURCO

minister van Financiën

Luxemburg
:

de heer Jean Claude JUNCKER

minister-president, minister van Financiën, minister van Arbeid en Werkgelegenheid

de heer Henri GRETHEN

minister van Economische Zaken

de heer Luc FRIEDEN

minister van de Schatkist en van Begroting

Nederland
:

de heer Gerrit ZALM

minister van Financiën

Oostenrijk
:

de heer Karl-Heinz GRASSER

minister van Financiën

Portugal
:

de heer Joaquim PINA MOURA

minister van Financiën en Economische Zaken

de heer António NOGUEIRA LEITE

staatssecretaris van de Schatkist en van Financiën

Finland
:

de heer Sauli NIINISTÖ

vice-minister-president en minister van Financiën

Zweden
:

de heer Bosse RINGHOLM

minister van Financiën

Verenigd Koninkrijk
:

mevrouw Melanie JOHNSON

economisch secretaris van de Schatkist


* * *

Commissie:

de heer Frits BOLKESTEIN

lid

mevrouw Michaele SCHREYER

lid

de heer Pedro SOLBES MIRA

lid


* * *

Secretariaat-generaal van de Raad
:

de heer Javier SOLANA

secretaris-generaal en hoge vertegenwoordiger voor het GBVB


* * *

Overige deelnemers
:

de heer Christian NOYER

vice-president van de Europese Centrale Bank

de heer Philippe MAYSTADT

president van de Europese Investeringsbank

de heer Jean LEMIERRE

voorzitter van het Economisch en Financieel Comité

de heer Norman GLASS

voorzitter van het Comité voor Economische Politiek

EURO-11 - VERKLARING

De Euro-11 ministers en het lid van de Commissie evenals de president van de Europese Centrale Bank huldigen de opvatting dat de economische groei in het eurogebied zeer robuust is; het aantal banen neemt gestaag toe. Het blijft de voornaamste bekommernis van de ECB voor niet-inflatoire groei te zorgen. De ministers zullen voortvarend doorgaan met het op orde brengen van de overheidsfinanciën en met de structurele hervormingen die moeten uitmonden in een kenniseconomie met volledige werkgelegenheid, overeenkomstig het door de bijzondere Europese Raad van Lissabon uitgezette beleid, en aldus het groeivermogen van onze economieën zullen stimuleren.
In dit verband delen wij allen de zorg over het huidige niveau van de euro, dat geen weerspiegeling vormt van de sterke economische basis van het eurogebied.


*


* *

STEUN AAN MONTENEGRO

De Raad aanhoorde secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger Javier SOLANA die met aandrang pleitte voor uitzonderlijke financiële steun voor Montenegro overeenkomstig de successieve conclusies van de Raad Algemene Zaken en de Europese Raad van Lissabon, waarna hij zich boog over twee voorstellen van Commissielid SOLBES, het ene betreffende een gift van 20 miljoen euro uit de Gemeenschapsbegroting en het andere betreffende garanties voor EIB-leningen ten bedrage van 50 miljoen euro.

Na het debat concludeerde de voorzitter dat de Raad principieel kon instemmen met de toekenning van uitzonderlijke financiële steun aan Montenegro ten bedrage van in totaal 20 miljoen euro, te verstrekken in ten minste twee tranches. In ruil voor die steun zal Montenegro bepaalde voorwaarden op macro-economisch en structureel vlak in acht moeten nemen, en met name meer transparantie in zijn overheidsfinanciën moeten betrachten. Een deel van de steun (5%) zal in de vorm van technische bijstand worden verstrekt. De begrotingskredieten die hiervoor zullen worden uitgetrokken, moeten worden gevonden binnen rubriek 4 van de financiële vooruitzichten; aan het plafond van die rubriek mag niet worden getornd.

De Commissie is verzocht om de Raad van volgende week daartoe een formeel voorstel voor te leggen. De Raad heeft reeds besloten dat hij het Europees Parlement zal verzoeken zijn advies via de spoedprocedure te verstrekken. De Raad heeft het Comité van permanente vertegenwoordigers gevraagd het nodige te doen om het besluit met bekwame spoed formeel aangenomen te krijgen.

Met betrekking tot het leningselement van de voorstellen heeft de Raad de EIB verzocht om samen met de Commissie na te gaan hoe de bank kan inspringen, zodat hij dit aspect in de volgende Raadszitting opnieuw in beschouwing kan nemen.

UITVOERING VAN HET STABILITEITS- EN GROEIPACT


- GEACTUALISEERD STABILITEITSPROGRAMMA VAN OOSTENRIJK

De Raad heeft het geactualiseerd stabiliteitsprogramma van Oostenrijk besproken en het onderstaande advies aangenomen.
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid, en met name op artikel 5, lid 1 en lid 2,

Gelet op de aanbeveling van de Commissie,

Na raadpleging van het Economisch en Financieel Comité,

HEEFT HET VOLGENDE ADVIES UITGEBRACHT:

Op 8 mei 2000 heeft de Raad het geactualiseerde stabiliteitsprogramma van Oostenrijk voor de periode 2000-2003 besproken. De Raad stelt met tevredenheid vast dat de nieuwe Oostenrijkse regering ondanks de betrekkelijk korte beschikbare tijd in staat was om een geactualiseerd programma in te dienen dat is gebaseerd op de ontwerp-begroting voor
2000 en dat gedetailleerde informatie geeft over de verwachte ontwikkeling van de macro-economische en budgettaire aggregaten tot het einde van het programma. De Raad juicht het toe dat de in het oorspronkelijke stabiliteitsprogramma opgenomen doelstellingen inzake het tekort in 1998 en 1999 werden gehaald. De groei lag in de periode
1998-1999 echter boven de trendmatige groei, hoewel hij iets lager was dan in het oorspronkelijke stabiliteitsprogramma werd verwacht. De Raad betreurt het dan ook dat in deze periode geen verdere vooruitgang werd geboekt op het gebied van de begrotingsconsolidatie. Voorts stelt de Raad vast dat de schuldquote, die nog steeds boven de referentiewaarde van 60% ligt, in 1999 is toegenomen.
Het geactualiseerde programma voorziet in een daling van het begrotingstekort van de algemene overheid van 2,0% van het BBP in 1999 tot 1,3% van het BBP in 2003, terwijl de bruto schuldquote in dezelfde periode naar verwachting zal afnemen van 64,9% tot 61,2% van het BBP. Deze prognoses zijn gebaseerd op een macro-economisch scenario volgens welk de groei geleidelijk zal dalen van de huidige cyclische top van
2,8% tot 1,9% in 2003, zodat de gemiddelde jaarlijkse groei 2,5% zal bedragen, hetgeen iets hoger is dan de trendmatige groei. Gezien de huidige goede vraag- en aanbodomstandigheden in de Oostenrijkse economie en het gunstige externe klimaat, is de Raad van oordeel dat dergelijke groeiprognoses haalbaar zijn zonder dat de inflatoire druk toeneemt, zoals in het programma wordt aangenomen.
De Raad stelt vast dat de nieuwe Oostenrijkse regering de in het oorspronkelijke programma tot 2002 opgenomen doelstellingen voor het begrotingssaldo van de algemene overheid heeft gehandhaafd. De Raad betreurt het echter dat de doelstelling om voor de bruto geconsolideerde schuld de referentiewaarde van 60% van het BBP te bereiken, met drie jaar is uitgesteld tot 2005. De Raad wijst erop dat hij in zijn advies met betrekking tot het oorspronkelijke programma(
1) heeft aanbevolen om een meer ambitieuze consolidatie van de overheidsfinanciën na te streven. De Raad erkent dat begrotingsconsolidatie moeilijker is geworden door het besluit van de vorige regering inzake een ingrijpende hervorming van de inkomstenbelasting en de gezinstoelagen, dat in 2000 in werking treedt. De Raad stelt evenwel vast dat het geactualiseerde programma, om de kosten van deze hervorming te kunnen dragen, in belangrijke mate gebruik maakt van eenmalige maatregelen in elk van de door het programma bestreken jaren. De Raad benadrukt dat de noodzakelijke duurzame verlaging van het overheidstekort niet kan worden verwezenlijkt door deze maatregelen. Voorts is de Raad van oordeel dat zonder deze maatregelen het beoogde overheidstekort op middellange termijn volgens het geactualiseerde stabiliteitsprogramma niet volledig voldoet aan de vereisten van het stabiliteits- en groeipact, omdat het onvoldoende veiligheidsmarge biedt om te voorkomen dat het tekort de referentiewaarde van 3% van het BBP overschrijdt in geval van een conjuncturele recessie.

De Raad dringt er derhalve bij de Oostenrijkse regering op aan om de doelstellingen inzake het tekort bij de volgende actualisering van het programma naar beneden bij te stellen. Voorts verzoekt de Raad de Oostenrijkse regering om terug te keren tot haar oorspronkelijke doel om voor de schuldquote uiterlijk in 2002 de referentiewaarde van 60% van het BBP te bereiken. Om een dergelijke herziening voor te bereiden moet de Oostenrijkse regering in 2000 streven naar een beter resultaat op het gebied van het tekort, in het bijzonder wanneer de groei hoger blijkt dan verwacht. Alle overheidsniveaus moeten betere begrotingsresultaten boeken dan gepland. Aan de begroting voor 2001 moet speciale aandacht worden besteed. Met name de eenmalige maatregelen ter verhoging van de ontvangsten, waarvan de verwezenlijking van de doelstellingen inzake het tekort afhankelijk is, moeten vanaf 2001 worden vervangen door permanente maatregelen, in de eerste plaats besparingen op de uitgaven. In dat verband merkt de Raad op dat de statistische verwerking van de verkopen van onroerend goed momenteel nog wordt onderzocht door Eurostat. Bovendien moeten eventuele extra uitgaven of verdere beperkingen van de ontvangsten, inclusief die welke in het programma zijn voorzien voor de periode vanaf 2001, afhankelijk worden gemaakt van uitgavenbesparingen op andere gebieden.

De Raad is van oordeel dat voor het bereiken van duurzame consolidatie van de overheidsfinanciën brede structurele hervormingen, zoals in het programma beschreven, essentieel zijn. Met name de beoogde hervormingen van de overheidssector en de sociale uitkeringen en transferten moeten vastberaden ter hand worden genomen. Voorts moeten in het kader van de komende onderhandelingen over de financiële compensatieregeling tussen de federale regering en de deelstaten inspanningen worden geleverd om de bevoegdheden voor belastingen en uitgaven beter op elkaar af te stemmen.

De Raad juicht de in het programma opgenomen structurele hervormingen toe, omdat zij van essentieel belang zijn voor de noodzakelijke verbetering van de werking van de product- en arbeidsmarkten. De algemene richting van deze hervormingen lijkt juist en in overeenstemming met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en de Gemeenschap. De Raad moedigt de Oostenrijkse regering aan deze hervormingen vastberaden uit te voeren.

GLOBALE RICHTSNOEREN VOOR HET ECONOMISCH BELEID

De Raad hield een oriënterend debat over de globale richtsnoeren voor het economisch beleid (GREB) voor 2000 en over conclusies aangaande de organisatie van toekomstige werkzaamheden betreffende de opstelling van deze richtsnoeren. Het uitgangspunt voor het debat werd gevormd door het verslag van de Commissie over de uitvoering van de GREB 1999 en de aanbeveling van de Commissie voor de GREB 2000, die zij op
11 april heeft aangenomen.

In zijn presentatie betoogde Commissielid SOLBES dat het verslag over de uitvoering van de GREB 1999 gezien moet worden als onderdeel van het proces van bewaking van en toezicht op de mate waarin de aanbevelingen effectief worden opgevolgd en daardoor ook als bijdrage tot het formuleren van de nieuwe aanbevelingen. Met betrekking tot de GREB 2000 beklemtoonde hij de continuïteit van het proces maar ook de belangrijke wijzigingen waarmee de conclusies van de top van Lissabon in beleid worden vertaald. De GREB zijn dan ook steeds meer toegespitst op de middellange- en langetermijngevolgen van structureel beleid, op hervormingen die het groeivermogen van de economie, de werkgelegenheid en de sociale samenhang stimuleren en op de overgang naar een kenniseconomie.

Voorts heeft de Raad nota genomen van rapporten van de voorzitters van het EFC en de EPC over de respectieve werkzaamheden van deze comités met betrekking tot de GREB.

Na afloop van het debat constateerde de voorzitter dat de Raad met voldoening kennis had genomen van het verslag over de uitvoering van de GREB 1999 en de aanbeveling van de Commissie voor de GREB 2000 als een geschikte basis voor de verdere werkzaamheden had bestempeld. De Raad verzocht het EFC en de EPC hun bijdragen in het licht van het debat van heden bij te stellen zodat de Raad zich in zijn zitting op
5 juni kan uitspreken over het ontwerp van GREB 2000, in overeenstemming met artikel 99 van het Verdrag en de daaraan gehechte verklaring (nr. 3). Zij zouden daarbij tevens rekening moeten houden met de eventuele bijdragen van de Raad in andere samenstellingen en met een initiatiefresolutie van het Europees Parlement, mits die bijtijds wordt toegezonden.

De Raad heeft voorts inhoudelijk de conclusies over de organisatie van de toekomstige werkzaamheden goedgekeurd, die het EFC met het oog op de opstelling van de GREB heeft voorbereid om die werkzaamheden vlot te doen verlopen met volledige inachtneming van het Verdrag. Deze conclusies strekken er in het bijzonder toe te bevestigen dat de Raad Ecofin bij de opstelling en de uitvoering van de GREB een coördinerende spilfunctie vervult en soepel samenwerkt met andere Raadsformaties. De Raad kwam overeen om die conclusies op te nemen in de GREB 2000 die op 5 juni zullen worden aangenomen.

PRIORITEITEN VOOR DE BEGROTING 2001

De Raad aanhoorde een presentatie van mevrouw SCHREYER, lid van de Commissie, over de prioriteiten die ten grondslag liggen aan het op
10 mei 2000 door de Commissie vast te stellen voorontwerp van begroting. Mevrouw SCHREYER beklemtoonde dat deze begroting zal stroken met de vereiste begrotingsdiscipline en overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Lissabon in het bijzonder banengroei, midden- en kleinbedrijf en onderzoek op het oog zal hebben.

Op het stuk van de externe uitgaven gaf mevrouw SCHREYER een toelichting op het voorstel van de Commissie tot aanpassing van de financiële vooruitzichten voor het tijdvak 2000-2006, dat mede bestaat in een herprogrammering van rubriek 4 (extern beleid) om daarin in het bijzonder een programma voor samenwerking met de landen van de Balkan op te nemen, dat tot 5,5 miljard euro kan kosten.

Het voorstel behelst dat het programma voor samenwerking met de landen van de Balkan, behalve uit de thans reeds in rubriek 4 voor dat doel uitgetrokken middelen, gefinancierd wordt via:


- een herschikking binnen rubriek 4 ten bedrage van 1,4 miljard euro en


- een verhoging van het maximum voor die rubriek met 300 miljoen euro per jaar gedurende het tijdvak 2001-2006 (in het totaal
1,8 miljard euro), waarbij het totale bedrag van de financiële vooruitzichten ongewijzigd blijft. Voor 2001 en 2002 wordt het optrekken van het maximum voor rubriek 4 gecompenseerd door een verlaging van het plafond van rubriek 1 (landbouw).
Daarnaast werd voorgesteld om 20 miljoen euro over te brengen van rubriek 4 naar rubriek 7 (toetreding) voor Cyprus en Malta.

Over de financiële gevolgen van de administratieve hervorming van de Commissie verklaarde mevrouw SCHREYER voorts dat de Commissie vooralsnog niet om extra ambten denkt te vragen maar haar doelstellingen hoofdzakelijk door herschikking van ambten zal trachten te bereiken. Wanneer in september 2000 de resultaten van een evaluatie van haar personeelsbehoeften beschikbaar zullen zijn, zal de Commissie een nauwkeuriger raming voorleggen.

De Raad hield een oriënterend debat, voornamelijk over het Commissievoorstel betreffende het bovenbedoelde programma voor samenwerking met de landen van de Balkan, waaruit bleek dat de lidstaten er in dit stadium niet voor voelen de financiële vooruitzichten aan te passen en dat er in elk geval eerst een grondige raming van de behoeften dient plaats te vinden.

RICHTLIJN BETREFFENDE DE SANERING EN DE LIQUIDATIE VAN

KREDIETINSTELLINGEN

De Raad heeft een politiek akkoord bereikt over zijn gemeenschappelijk standpunt inzake een richtlijn van de Raad en het Europees Parlement betreffende de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen. Nu tussen Spanje en het Verenigd Koninkrijk overeenstemming is bereikt over de behandeling van Gibraltar met betrekking tot de territoriale werkingssfeer van de richtlijn, zijn de laatste beletselen opgeruimd voor de aanneming van dit belangrijke internemarktinstrument door de Raad.

Met het richtlijnvoorstel, dat in 1986 voor het eerst door de Commissie aan de Raad werd voorgelegd, wordt beoogd:


- te zorgen voor wederzijdse erkenning van saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures in de gehele Gemeenschap, waarbij deze maatregelen en procedures worden toegepast overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat van herkomst, behoudens andersluidende bepaling in de richtlijn;

- bepalingen in te voeren ter bescherming van de schuldeisers met woonplaats in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst;

- informatieprocedures tussen de autoriteiten van de betrokken lidstaten vast te stellen;


- duidelijk te maken welk recht in bepaalde specifieke gevallen van toepassing is, bijvoorbeeld in verband met onroerend goed.
Sinds die eerste indiening is de tekst aanzienlijk gewijzigd, onder meer om rekening te houden met de inmiddels vastgestelde financiële wetgeving (Richtlijn 89/646/EEG (tweede richtlijn banken) Richtlijn 94/19/EG (depositogarantiestelsels), Richtlijn 98/26/EG (definitief karakter van afwikkeling) en Richtlijn 2000/12/EG) (gecodificeerde richtlijn betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen) en met de lopende werkzaamheden inzake het voorstel betreffende de sanering en de liquidatie van verzekeringsmaatschappijen en inzake de verordening betreffende insolventieprocedures.

Het voorstel berust op het principe dat liquidatie van een kredietinstelling geschiedt volgens de beginselen van eenheid en universaliteit, die vereisen dat de administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst als enige bevoegd zijn en dat hun beslissingen in alle andere lidstaten worden erkend en de gevolgen sorteren die krachtens het recht van de lidstaat van herkomst daaraan worden toegekend, zonder enige formaliteit, behoudens andersluidende bepaling in de richtlijn.

In artikel 23 voorziet de richtlijn in een uitzondering van die algemene regel. In de daar beschreven gevallen worden de gevolgen van saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures op bepaalde overeenkomsten en rechten beheerst door het recht dat op deze overeenkomsten en rechten van toepassing is en niet door het recht van de lidstaat van herkomst. Arbeidsovereenkomsten bijvoorbeeld worden uitsluitend beheerst door het recht dat op de arbeidsovereenkomst van toepassing is, dit om de werknemer te beschermen.

NIEUWE BTW-STRATEGIE

De Raad heeft steun betuigd voor de door de Commissie geschetste nieuwe benadering voor een betere werking van het BTW-stelsel en ziet met belangstelling uit naar het door de Commissie aangekondige actieplan op dit terrein, waarin rekening is gehouden met de suggesties die de lidstaten in de Groep Belastingbeleid hebben aangedragen.

Commissielid BOLKESTEIN presenteerde de nieuwe BTW-strategie van de Commissie. Die strategie, die een bijsturing behelst van het in 1996 door de Commissie voorgelegde programma, is gericht op vier belangrijke doelstellingen: vereenvoudiging en modernisering van de bestaande regels, een meer gestandaardiseerde toepassing van de huidige bepalingen en versterking van de administratieve samenwerking.

De Commissie verwacht dat de nieuwe strategie vruchten zal afwerpen op diverse terreinen die steeds verband houden met de verbetering en bijstelling van de methoden voor de inning van de BTW nu de interne markt een feit is. De terreinen die voor verbetering vatbaar worden geacht zijn onder meer de postdiensten, elektronische diensten - waar het communautaire bedrijfsleven volgens het Commissielid wegens de geldende BTW-regels in een nadelige positie verkeert ten opzichte van ondernemers van derde landen -, het innen van door een andere lidstaat verschuldigde BTW-teruggaven, afschaffing van de verplichting een fiscaal vertegenwoordiger aan te wijzen voor intracommunautaire transacties en betere samenwerking tussen de autoriteiten bij de bestrijding van BTW-fraude.


*


* *

TOEKOMSTIG PRESIDENTSCHAP VAN DE EBRD

Tijdens de lunch zijn de ministers unaniem overeengekomen om de heer Jean LEMIERRE, thans voorzitter van het Economisch en Financieel Comité en directeur van de Franse Schatkist, als EU-kandidaat voor het presidentschap van de EBRD voor te dragen.

Minister NIINISTÖ, fungerend president van de raad van bestuur van de EBRD, zal de overige leden van dit college over de EU-voordracht inlichten.

ZONDER DEBAT AANGENOMEN PUNTEN

(Besluiten ten aanzien waarvan verklaringen voor de Raadsnotulen beschikbaar zijn voor het publiek, zijn aangegeven met een asterisk; de tekst van de verklaringen is verkrijgbaar bij de Persdienst.)
ECOFIN

Eigenmiddelenbesluit - aanneming van een gemeenschappelijke beleidslijn

De Raad heeft met eenparigheid van stemmen een gemeenschappelijke beleidslijn aangenomen betreffende de herziening van het eigenmiddelenstelsel van de Europese Unie.

Met dit Raadsbesluit worden de conclusies van de Europese Raad van Berlijn van 24/25 maart 1999 in wetgeving omgezet. Deze Europese Raad had de Commissie verzocht een nieuw eigenmiddelenbesluit op te stellen op grond van zijn conclusies betreffende de financiering van de Europese Unie voor de periode 2000-2006.

In het Raadsbesluit is ter uitvoering van de conclusie van de Europese Raad betreffende de structuur van het EU-financieringsstelsel het volgende bepaald:


- het maximale afdrachtpercentage van de BTW-middelen wordt van 1% verlaagd tot 0,75% in 2002 en 2003 en tot 0,50% vanaf 2004, met het oog op de voortzetting van het proces waarbij rekening wordt gehouden met het vermogen van elke lidstaat om aan het stelsel van eigen middelen bij te dragen en waarbij voor de minst welvarende lidstaten de regressieve elementen van het huidige stelsel worden bijgesteld;

- het bedrag dat de lidstaten inhouden ter dekking van de inningskosten met betrekking tot de zogenaamde traditionele eigen middelen die aan de begroting van de Europese Unie worden afgedragen (in hoofdzaak douanerechten en landbouwheffingen) wordt vanaf 2001 opgetrokken tot 25% van de geïnde bedragen (voorheen
10%). Die verhoging is de weerslag van het feit dat de nationale administraties steeds meer middelen moeten inzetten om de georganiseerde fraude te bestrijden en om de inning van de douanerechten en landbouwheffingen doeltreffender te maken;
- er worden technische aanpassingen aangebracht in de correctie voor begrotingsonevenwichtigheden ten behoeve van het Verenigd Koninkrijk;

- de financiering van de correctie voor het Verenigd Koninkrijk door andere lidstaten wordt zodanig gewijzigd dat Oostenrijk, Duitsland, Nederland en Zweden een verlaging van hun aandeel in de financiering wordt gegund tot 25% van hetgeen zij zouden moeten betalen als de overige 14 lidstaten alle aan de financiering van de korting zouden deelnemen;

- er vindt vóór 1 januari 2006 een algemeen onderzoek plaats naar de werking van het eigenmiddelenstelsel en met name naar de gevolgen van de uitbreiding.

Bovendien wordt met het oog op een accurater berekening van de eigen middelen in artikel 2, lid 7, van het Raadsbesluit in plaats van het BNP een nieuw statistisch begrip geïntroduceerd, zijnde het BNI. Ook wordt de berekening van de correctie ten behoeve van het Verenigd Koninkrijk vereenvoudigd.

Europese Centrale Bank - verhoging van de externe reserves en kapitaalverhoging

De Raad heeft twee verordeningen aangenomen betreffende


- door de Europese Centrale Bank opgeroepen verdere stortingen van externe reserves;


- verhoging van het kapitaal van de Europese Centrale Bank.
Doel van de eerste verordening is de ECB in staat te stellen verdere stortingen van externe reserves door de nationale centrale banken op te roepen, boven de in artikel 30, lid 1, van de Statuten gestelde grens, tot een additioneel bedrag van 50.000 miljoen euro, in het geval dat er behoefte bestaat aan dergelijke externe reserves.

De tweede verordening machtigt de Raad van Bestuur van de ECB om het kapitaal van de ECB te verhogen met een aanvullend bedrag van maximaal
5000 miljoen euro.

De aanbevelingen van de ECB met betrekking tot de aanneming van de bedoelde verordeningen van de Raad vloeien voort uit de bepalingen van artikel 123, lid 1, juncto artikel 107, lid 6, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, waarin staat dat de Raad onmiddellijk na 1 juli 1998 de bepalingen aanneemt als bedoeld in artikel 28, lid 1, en artikel 30, lid 4, van de statuten van het Europees stelsel van centrale banken (d.w.z. de secundaire wetgeving betreffende de verhogingen van het ECB-kapitaal en verdere afroepingen van externe reserves).

Verbetering van de beheers- en financiële procedures

De Raad schaarde zich achter een actieplan van de Commissie ter verbetering van de beheers- en financiële procedures en verzocht de Commissie het actieplan met bekwame spoed uit te voeren, zodat de resultaten daarvan onderzocht kunnen worden in het halfjaarlijks verslag over de uitvoering dat de Commissie zal opstellen. Doel van het plan, dat op verzoek van de Raad is voorgelegd, is het verwezenlijken van een belangrijke, stapsgewijze daling van het foutenpercentage dat de Rekenkamer heeft vastgesteld in de onderliggende verrichtingen van de betalingen.

Het actieplan moet gezien worden in het kader van de werkzaamheden om het financiële beheer aan te scherpen waar de Commissie reeds een begin mee heeft gemaakt en heeft in het bijzonder betrekking op de administratieve samenwerking met de lidstaten. Het bevat ook een aantal bestanddelen van de hervorming in het kader van Agenda 2000 of, in voorkomend geval, van een aanvulling daarop, alsook maatregelen die deel uitmaken van het Witboek betreffende de administratieve hervormingen van de Commissie.

Verbetering van de behandeling van de speciale verslagen van de Rekenkamer

De Raad heeft conclusies aangenomen over een betere behandeling van de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de kwijtingsprocedure.

De procedure voor de behandeling van de speciale verslagen van de Rekenkamer werd ingesteld naar aanleiding van de Raadsconclusies van
11 juli 1994 en bevestigd op 15 maart 1999. Volgens de nieuwe procedure zal elk speciaal verslag van de Rekenkamer uitvoerig worden besproken door de door het Comité van permanente vertegenwoordigers aangewezen groep, binnen een termijn van ten hoogste drie maanden, al kan een korte termijn worden bepaald. De conclusies dienaangaande worden gericht aan het Comité van permanente vertegenwoordigers, dat vervolgens verslag uitbrengt aan de Raad in de betrokken samenstelling en/of aan de Raad ECOFIN.

HANDELSVRAAGSTUKKEN

Antidumping - Polen, Tsjechische Republiek en Hongarije
De Raad heeft een verordening aangenomen houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 603/1999 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van bindtouw van polypropyleen van oorsprong uit Polen, de Tsjechische Republiek en Hongarije en tot definitieve inning van het voorlopig ingestelde recht.

Doel van de verordening is de Poolse onderneming WKI Isoliertechnik Spolka z.o.o. te schrappen van de lijst van ondernemingen die krachtens Verordening (EG) nr. 603/1999 worden vrijgesteld van antidumpingrechten nu die onderneming een eerder door haar aangeboden prijsverbintenis heeft opgezegd. Voor deze onderneming geldt thans een definitief antidumpingrecht van 15,7% van de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring.

Antidumping - Belarus, Rusland en Oekraïne

De Raad heeft een verordening aangenomen tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van kaliumchloride van oorsprong uit Belarus, Rusland en Oekraïne.

De verordening volgt op een onderzoek dat de Commissie heeft ingesteld op verzoek van communautaire producenten, die vreesden dat het vervallen van de oorspronkelijk bij Verordening (EEG) nr. 3068/92 getroffen maatregelen zou leiden tot voortzetting of hervatting van dumping en schade. Het onderzoek leidde tot de conclusie dat de maatregelen met betrekking tot de invoer van kaliumchloride van oorsprong uit de betrokken landen moeten worden gehandhaafd, al dient de vorm van de maatregelen te worden aangepast door de minimumprijs te schrappen en het vaste recht te handhaven.

Antidumping - Japan

De Raad bevestigde dat er geen gewone meerderheid kan worden gevonden voor het op 10 april door de Commissie bij de Raad ingediende voorstel voor een verordening tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde delen van televisiecamerasystemen uit Japan.

Antisubsidie - Australië, Indonesië en Taiwan

De Raad heeft een verordening aangenomen tot instelling van een definitief compenserend recht op de invoer van polyester stapelvezels uit Australië, Indonesië en Taiwan en tot definitieve inning van het voorlopige recht.

In de verordening is bepaald dat de voorlopige bevindingen in Verordening (EG) nr. 123/2000 van de Commissie bevestigd zijn. Op grond van de conclusies inzake subsidiëring, schade, oorzakelijk verband en het belang van de Gemeenschap wordt geoordeeld dat definitieve compenserende maatregelen moeten worden genomen om een einde te maken aan de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap door de invoer van gesubsidieerde producten uit Australië, Indonesië en Taiwan lijdt. De in deze verordening genoemde individuele compenserende rechten voor bepaalde ondernemingen zijn gebaseerd op de bevindingen in het kader van deze procedure. Geïmporteerde producten die door andere ondernemingen zijn geproduceerd die niet specifiek in het dispositief van deze verordening zijn genoemd, komen niet voor deze rechten in aanmerking. Op deze producten is het recht van toepassing dat voor "alle andere ondernemingen" geldt.

Het recht dat van toepassing is op de nettoprijs franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, bedraagt:


1) Australië

Onderneming

Recht (%)

Aanvullende TARIC-code

Leading Synthetics Pty Ltd., Melbourne, Victoria


6,0%

A059

Alle andere Australische ondernemingen


6,0%

A999


2) Indonesië

Onderneming

Recht (%)

Aanvullende TARIC-code

PT. Indorama Synthetics TbK

Graha Irama, 17th floor

Jl. H. R. Rasuna Said Blok X-1 Kav. 1-2

PO Box 3375

Jakarta 12950

0%

A051

PT. Panasia Indosyntec TbK

Jl. Garuda 153/74

Bandung 40184

0%

A052

PT. Susilia Indah Synthetic Fiber Industries

Jl. Kh. Zainul Arifin Kompleks

Ketapang Indah

Blok B 1 No 23

Jakarta 11140

0%

A054

PT. GT Petrochem Industries TbK

Exim Melati Building, 9th floor

Jl. M.H. Thamrin Kav. 8-9

Jakarta 10230

0%

A053

PT. Teijin Indonesia Fiber Corporation Tbk


5th floor Mid Plaza 1

Jl. Jend. Sudiman Kav. 10-11

Jakarta 10220

0%

A055

Alle andere ondernemingen


10%

A999


3) Taiwan

Onderneming

Recht (%)

Aanvullende TARIC-code

Nan Ya Plastics Corp.,


201 Tung Kwa N.Road, Taipei


1,5%


8193

Far Eastern Textile Ltd.,


33rd floor, no 207 Tun-Hwa South Road, Sec.2, Taipei

1,0%


8192

Shinkong Synthetic Fibres Corp.,


7, 8th floor, 123 Sec.2, Nanking E. Road, Taipei
0%


8194

Tuntex Distinct Corp.,


15th floor, no 376, Sec.4, Jen Ai road, Taipei
0%

A063

Alle andere ondernemingen


1,5%


8195

De bepalingen inzake de douanerechten zijn van toepassing, tenzij anders vermeld.

LANDBOUW

Bescherming van planten tegen schadelijke organismen
De Raad heeft een richtlijn aangenomen betreffende beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen.

De aangenomen tekst vormt een officieel gecodificeerde versie, in de zin van het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994, van Richtlijn 77/93/EEG en de successieve wijzigingen van die richtlijn.

BENOEMINGEN

Comité van de Regio's

De Raad heeft een besluit aangenomen houdende benoeming van de heer Manfred DÖRLER tot plaatsvervangend lid van het Comité van de Regio's, ter vervanging van de heer Siegfried GASSER, voor de verdere duur van diens ambtstermijn, d.w.z. tot en met 25 januari 2002.

Footnotes:

( 1) PB C 42 van 17.2.1999, blz. 5.


reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie