Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief BUZA inzake afschaffing visumplicht Kroatie

Datum nieuwsfeit: 09-05-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief BUZA overeekomst tussen nederland en kro atie inzake afschaffing visumplicht

Gemaakt: 30-5-2000 tijd: 10:9


4

vergaderjaar 1999-2000 nr. 243 1 / 2


27168 (R1656) Overeenkomst tussen de regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg, enerzijds, en de regering van de Republiek Kroatië, anderzijds, inzake de afschaffing van de visumplicht; Zagreb, 11 juni 1999
nr. 1 Brief van minister van Buitenlandse Zaken

Aan de voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 9 mei 2000

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste en tweede lid, en artikel 5, eerste en tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, heb ik de eer U hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen de op 11 juni 1999 te Zagreb totstandgekomen Overeenkomst tussen de regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg, enerzijds, en de regering van de Republiek Kroatië, anderzijds, inzake de afschaffing van de visumplicht (Trb. 1999, 141)*)

Een toelichtende nota bij dit verdrag treft U eveneens hierbij aan.

De goedkeuring wordt voor het gehele Koninkrijk gevraagd.

Aan de Gouverneurs van de Nederlandse Antillen en van Aruba is verzocht hogergenoemde stukken op 24 mei 2000 over te leggen aan de Staten van de Nederlandse Antillen en de Staten van Aruba.

De Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba zijn van deze overlegging in kennis gesteld.

DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

J.J. van Aartsen

Overeenkomst tussen de regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg, enerzijds, en de regering van de Republiek Kroatië, anderzijds, inzake de afschaffing van de visumplicht; Zagreb, 11 juni 1999 (Trb. 1999, 141)

TOELICHTENDE NOTA

I. Inleiding

Ingevolge de op 11 april 1960 te Brussel totstandgekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg inzake de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Beneluxgebied (Trb. 1960, 40), kan het Koninkrijk visumafschaffingsverdragen uitsluitend aangaan tezamen met de twee Beneluxpartners. De Beneluxlanden zijn met diverse staten een dergelijk verdrag aangegaan.

Kroatië was als deel van het voormalig Joegoslavië krachtens de op 17 juni 1969 te Belgrado totstandgekomen Overeenkomst inzake de afschaffing van de visumplicht tussen de Beneluxlanden en de (voormalige) Socialistische Federatieve Republiek Zuidslavië (Trb. 1969, 163, 1970, 59, 91) visumvrij. Sedert 24 januari 1992 hebben de Beneluxlanden Kroatië als zelfstandige staat erkend en geldt voor de onderdanen van die staat automatisch de visumplicht voor het Beneluxgebied. Dit is het gevolg van het Beneluxbeginsel dat staten (en dus eveneens zelfstandig geworden staten) visumplichtig zijn voor de Beneluxlanden, tenzij een visumafschaffingsverdrag wordt aangegaan.

De ontwikkeling van de relaties met Kroatië, alsmede het feit dat de Beneluxlanden als enige partijen bij het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek en het Groothertogdom Luxemburg betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen en de op 19 juni 1990 te Schengen totstandgekomen Overeenkomst ter uitvoering van dit Akkoord (Trb. 1985, 102 en Trb. 1990, 145) nog de visumplicht kennen voor Kroatische onderdanen, geeft aanleiding, met name met het oog op de harmonisatie van het visumbeleid in het kader van de Schengen-verdragen alsook de Europese Unie, te komen tot een visumafschaffingsverdrag met Kroatië.

Op 1 mei 1999 trad in werking het op 2 oktober 1997 te Amsterdam totstandgekomen Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende Akten (Trb. 1998,
11).

Artikel 62, aanhef en tweede lid, onder b, van het op 25 maart 1957 te Rome totstandgekomen Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (zie geconsolideerde tekstversie; Trb. 1998, 13) draagt de Raad van de Europese Unie op binnen een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam volgens de procedure van artikel 67 van het EG-Verdrag maatregelen vast te stellen inzake de overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten, houdende voorschriften inzake visa voor voorgenomen verblijven van ten hoogste drie maanden. Maatregelen uit hoofde van deze bepaling met betrekking tot Kroatië zijn door de Raad nog niet vastgesteld. Zolang deze maatregelen niet zijn genomen, zijn de lidstaten bevoegd visumafschaffingsverdragen te sluiten met Kroatië. Hierbij moet worden opgemerkt dat Kroatië niet voorkomt op de communautaire lijst van staten waarvan de onderdanen een visum nodig hebben bij overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten. Die lijst vormt de bijlage bij Verordening (EG) nr. 574/1999 van de Raad van de Europese Unie van 12 maart 1999 ter bepaling van de derde staten waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten in het bezit moeten zijn van een visum (PbEG 1999, L 72, blz. 2).

De bevoegdheid tot het sluiten van visumafschaffingsverdragen onder deze omstandigheden verdraagt zich ook met het Protocol betreffende de buitenlandse betrekkingen van de lidstaten in verband met de overschrijding van de buitengrenzen, gehecht aan het Verdrag van Amsterdam (Trb. 1998, 11, blz. 113). Dit Protocol heeft geen betrekking op het visumbeleid van de lidstaten. Uit dit Protocol kan niet worden afgeleid dat op gebieden waarop het geen betrekking heeft, in algemene zin geen bevoegdheid tot het sluiten van verdragen meer zou bestaan.

II. Het verdrag

Het verdrag volgt het normale patroon van de
visumafschaffingsverdragen die de Beneluxlanden met andere staten zijn aangegaan. Zo hebben onderdanen van elk der Beneluxlanden, die zich voor kort verblijf van ten hoogste drie maanden naar Kroatië willen begeven, hiervoor geen visum nodig. Hetzelfde geldt voor onderdanen uit Kroatië die zich naar de Beneluxlanden wensen te begeven. Het paspoortvereiste blijft bestaan, terwijl ook de overige voorwaarden voor toelating ter zake van een kort verblijf van kracht blijven. Voor toelating ten behoeve van een verblijf voor een periode langer dan drie maanden is een voorafgaande toestemming nodig, een zogenaamde machtiging tot voorlopig verblijf.

In het verdrag worden de regeringen als partijen aangeduid; uiteraard zal het verdrag tussen de staten gelden.

Evenals bij het verdrag tussen de Beneluxlanden en Slovenië inzake de afschaffing van de visumplicht (Wenen, 16 november 1992; Trb. 1992,
208) zijn bepalingen met betrekking tot de terugname van eigen onderdanen ook thans neergelegd in een aparte eveneens op 11 juni 1999 te Zagreb totstandgekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom, enerzijds, en de Republiek Kroatië, anderzijds, betreffende de overname van onregelmatig binnengekomen of verblijvende personen (Trb. 1999, 140).
Het verdrag wordt vanaf 15 november 1999 voorlopig toegepast (Trb.
1999, 193), hetgeen noodzakelijk werd geacht omdat alle andere Schengen-landen de visumplicht voor onderdanen van Kroatië hebben afgeschaft. Kroatische onderdanen kunnen dan visumvrij naar deze landen toegaan en van daaruit ongecontroleerd over de gemeenschappelijke binnengrenzen Nederland inreizen.
III. Koninkrijkspositie

De Regeringen van de Nederlandse Antillen en Aruba beraden zich nog over de wenselijkheid van medegelding. Teneinde het mogelijk te maken dat wanneer de Regeringen van de Nederlandse Antillen en Aruba medegelding wenselijk zullen achten, die medegelding direct tot stand wordt gebracht, wordt de goedkeuring voor het gehele Koninkrijk gevraagd.

DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

J.J. van Aartsen

DE MINISTER VAN JUSTITIE

A.H. Korthals


1) Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie
Ter griffie van de Eerste en van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

ontvangen op 24 mei 2000.

De wens dat het verdrag aan de

uitdrukkelijke goedkeuring van de

Staten-Generaal wordt onderworpen

kan door of namens een van de Kamers

of door ten minste vijftien leden

van de Eerste Kamer dan wel dertig

leden van de Tweede Kamer of door

de Gevolmachtigde Ministers van de

Nederlandse Antillen onderscheidenlijk

van Aruba te kennen worden gegeven

uiterlijk op 23 juni 2000.

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt / uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de Wet op de Raad van State)

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie