Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

CDA: Wet Inkomstenbelasting 2001

Datum nieuwsfeit: 10-05-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CDA

Wet Inkomstenbelasting 2001

Door CDA-Fractie W.F.C. Stevens

I. INLEIDING


1. Van Pierson tot Zalm

Het was Minister van Financiën Pierson, die ruim een eeuw geleden de gedachte van een fictieve rendementsheffing voor het eerst introduceerde.

Dat was in een tijd, dat de belastingheffing nog niet zo zeer werd gebruikt als een instrument ter bevordering van maatschappelijk gewenst gedrag en nog geen ontwikkeling had doorgemaakt waarin de drang naar een evenwichtige en rechtvaardige belastingdruk een prominente rol speelde.

Thans, in een tijd waarin rechtvaardige belastingdruk centraal staat en die zich bij uitstek leent om de rechtspositie van de burger tot in details te regelen, grijpt de regering terug naar dit paardemiddel dat een van de dragende pijlers is van het nieuwe systeem. Het kan verkeren!

De CDA fractie wil het debat voeren op hoofdpunten en aandacht geven aan:

a. de plaats van deze ingrijpende wetswijziging in de context van hervormingspogingen in de afgelopen 15 jaar;

b. een korte analyse van wat nu werkelijk nieuw is en wat blijft;
c. toetsing van het eindproduct aan de door de regering zelf gekozen uitgangspunten;

d. een contourenschets voor de toekomst;

e. en tenslotte een toetsing van het wetsvoorstel aan de drie Os van Ongelijke behandeling, Overkill en 0vergangsrecht.
f. Enkele capita selekta

Speciale aandacht voor een aantal zeer serieuze knelpunten, die wij in de voorstellen hebben geïdentificeerd.


2. Geschiedenis belastinghervorming


a. vijf belastinghervorming commissies zijn in de 20ste eeuw aan het werk geweest (1937 Commissie Bodenhausen, 1947 Commissie Van den Berge, 1955 Commissie Hofstra, 1986 Cie Oort en 1991 Cie Stevens (daarna werd het stil tot de Verkenning van Zalm/Vermeend werd gepubliceerd eind 1997).


b. Cie Oort 1986

vereenvoudiging centraal, gericht op tariefstructuur;

lange eerste schijf (één tarief voor 80% belastingplichtigen);

samenvoeging belastingen en premies v.v.;

tariefschijven van 9 naar 3 (40/55/65%)

budgettair neutraal.


c. Cie Stevens 1991

vereenvoudiging centraal;

lange eerste schijf (v.v. premies in eerste schijf);

tarief van 3 naar 2 schijven (33 en 55%);

dankzij een heffingskorting;

één loonbegrip voor LB en werknemersverzekeringen;

budgettair neutraal.

Opvallend is dat de hervormingspogingen zich telkens hebben geconcentreerd op de belasting component. Dit is merkwaardig. De eerste schijf bestaat voor circa 4/5 uit premies v.v. en slechts voor 1/5 uit belasting! De premies v.v. en daarmee ook het Ministerie van Sociale Zaken zijn altijd buiten schot gebleven.

Nederland heeft daarmee een van de laagste IB tarieven in de eerste schijf in Europa.

Na Oort ontstond grote zorg op Financiën dat de premies de belastingcomponent in de eerste schijf geheel zouden verdringen. Die angst is geweken, maar de prijs is een compensatie van de fondsen uit de belastingopbrengst: een eerste stap op weg naar fiscalisering.

Een tweede fenomeen uit deze periode is de angst voor echte vereenvoudiging door het loonbegrip van LB en werknemersverzekeringen van te harmoniseren. Eén loonbegrip is voor de burger en het bedrijfsleven een grote stap op weg naar meer vereenvoudiging en minder administratieve lasten. Eén rechtsgang en op termijn één afdracht en één inningsinstantie. Een droom? Het onderwerp was lange tijd taboe, ook voor de hervormers als Zalm en Vermeend.

Maar ziet, ook hier breekt de zon door. De Cie. de Boer heeft recent aanbevelingen gedaan om de harmonisatie te realiseren. Thans ontvangt deze gedachte een positief onthaal bij de nieuwe minister van Sociale Zaken. Wellicht dat deze, belangrijke, stap met vergaande consequenties voor de rol van overheid en uitvoeringsinstanties zijn beslag gaat krijgen.

De conclusie van dit al is dat de hervormingen op belasting en premie gebied een lange incubatietijd nodig hebben en een positieve politieke en /maatschappelijke grondhouding.

Hiermee stuiten wij dan wellicht op het meest merkwaardige fenomeen van deze hervorming. Er was geen enkele interesse laat staan lobby (uit welke hoek dan ook) om tot grote hervormingen over te gaan toen de bewindslieden Zalm en Vermeend aan hun Verkenning begonnen.

Dat deze Verkenning op zon korte termijn (lees: korte incubatieperiode) toch tot concrete ingrijpende wetgeving heeft geleid, is voor een belangrijk deel te danken aan een drietal factoren:

het nieuwe eeuw gevoel

de politieke weerzin tegen het gebruik van allerlei constructies t.a.v. sparen en beleggen

en niet in de laatste plaats aan de inzet van de bewindslieden die op hun eigen wijze een sense of urgency hebben weten te creëren.

Bovendien zijn zij daar onconventioneel mee omgegaan door enkele nieuwe elementen in de belastingheffing te introduceren, die tot dan ondenkbaar waren. De introductie van analytische elementen en de introductie van een fictieve rendementsheffing.

Ook al zijn de wijzigingen uiteindelijk (op het geheel van het belastbaar bedrag) niet zo ingrijpend, toch is deze operatie belangrijk omdat zij een ingrijpende omwenteling in het fiscaal denken teweeg heeft gebracht (los van in het verleden platgetreden paden).

Dit maakt de geesten rijp voor aanpassingen die in Europa vroeg of laat nodig zijn. Ook al zou dit de VRH de kop kosten, deze heeft dan toch gediend als interim oplossing om tot een meer op Europa afgestemde heffingssystematiek te komen.

II. WAT IS NIEUW?


1. Een synthetisch systeem met analytisch elementen (boxen)
2. Geen verrekening van verliezen tussen de boxen.
3. Fictief rendement voor sparen en beleggen VRH- fiscale belasting producten vallen weg.

4. Beperkte verschuiving van direct naar indirect.
5. Twee grote aftrekposten (vrije som en AKF) vervallen in ruil voor heffingskorting en arbeidskorting.

6. Beperkte grondslagverbreding (iets minder aftrekposten in ruil voor tariefverlaging (inruil operatie):

a. rente op 2e woning, verhuurde panden en effecten;
b. consumptief krediet;

c. lijfrente premies.

III. WAT BLIJFT?


1. Box I blijft de grootste doos, (waarom een engelse term?), waarin geen principiële wijziging optreedt.

2. En de twee grootste aftrekposten blijven in tact, hypotheekrente en pensioenpremies (deze vallen nu onder monumentenzorg!).
IV KWALITEIT VAN DE WIJZIGING


1. Niet zo ingrijpend qua impact: circa 95% van het nationaal belastbaar inkomen blijft in eerste schijf (daar verandert niets)).
2. Wel een andere aanpak van sparen en beleggen, maar met gering budgettair resultaat.

3. Geen hervorming van de sociale verzekeringen 80% eerste schijf bestaat uit pvv!!

4. Geen harmonisatie loonbegrip voor LB en werknemersverzekeringen.
5. Wel haaks op ontwikkelingen in Europa (met name VRH).
6. Analytische aanpak niet onbekend in EU, maar zeker niet universeel (Cie Oort anekdote).

V. TOETSING AAN UITGANGSPUNTEN WETSVOORSTEL

Belangrijkste uitgangspunten:


1. Verlaging lastendruk op arbeid.
Ja, maar ten koste van hogere indirecte belastingen (incl. milieuheffingen) die met name aan de onderkant hard aankomen.

2. Robuustheid
Ja, door BTW te verhogen. Door de ongrijpbaarheid van het internet komt deze conclusie echter op losse schroeven. Minister Zalm in Nijenrode. Wellicht blijkt thans de LB (95% in Box I) een robuustere heffing, zeker als de aftrekposten steeds verder beperkt worden.

3. Evenwichtige en rechtvaardige belastingdruk Hier past op zijn best een genuanceerde reactie: arbeid zwaarder belasten dan vermogen, geen verliesverrekening tussen boxen, geen bijzondere tarieven, geen aftrekbare kosten van verwerving.

4. Vereenvoudiging
Hier past een moment van stilte. De vereenvoudiging als richtsnoer is definitief ten grave gedragen.

VI. CONTOUREN VOOR DE TOEKOMST


a. Fiscalisering is ingezet (tekort sociale verzekeringen wordt aangezuiverd uit de belastingen).

b. De weg is uitgezet naar één tarief (tot voor kort ondenkbaar) motie TK.

c. De weg is uitgezet naar één loonbegrip voor LB en werknemersverzekeringen.

d. Met erkenning van de robuustheid van de LB en de opmaat naar één tarief en één loonbegrip komt de loonsomheffing binnen handbereik!
e. Dan zal de vereenvoudiging weer zijn plaats terug winnen als belangrijke driver voor hervorming.

VII. TOETSING AAN DE 3 OS

Alvorens met de inhoudelijke aanpak te beginnen, wil ik de bewindslieden bedanken voor de open opstelling naar de Kamer.

De Minister gaf de voorzet door tijdens het vooroverleg met de Vaste Commissie Financiën ongevraagd de onverwachte schoonheid (althans mogelijkheden) van de Veegwet te memoreren.

De komst van de Staatssecretaris naar de Vaste Commissie financiën was een positief signaal dat zich vertaalde in een handreiking in de NAVV:

Het bijzondere karakter van het wetgevingsproces laat enige ruimte om onderwerpen die naar voren komen in de EK, ook aan de orde te stellen in de TK.

Wij stellen dat op prijs, omdat onze fractie deze belastinghervorming niet ziet als een prestige project, maar als een project van nationaal belang.

Dit is een reden te meer om de knelpunten, die inmiddels kamerbreed zijn gesignaleerd in deze plenaire behandeling alle aandacht te geven.

De CDA fractie heeft bij schriftelijke inbreng de lijn gekozen de wetsvoorstellen mede te toetsen aan de volgende drie criteria:

ongelijke behandeling

overkill

overgangsrecht

Wij trekken deze lijn door in de plenaire behandeling Wij zouden daar nog een vierde O aan toe willen voegen: de O van Onrust.

Het blijkt dat de wetsvoorstellen groeiende onrust oproepen bij diverse groepen belastingplichtigen maar ook bij het bedrijfsleven en uitvoeringsinstanties.

In het oog springen daarbij onderwerpen als:


a. de meesleep en meetrekregeling

b. de afschaffing van eerbiedigende werking van bepaalde lijfrentepolissen

c. de groenfondsen

d. de invoeringsproblematiek

e. de pensioengat situatie.

Daar waar deze onrust grote proporties aanneemt, is het van belang de oorzaken te analyseren en waar mogelijk passende oplossingen aan te dragen.

De CDA fractie meent dat dit wetsvoorstel het niveau van prestigeobject is ontstegen en inmiddels de status van nationaal project heeft bereikt, waarbij een zo breed mogelijk gedragen aanpak van knelpunten gewenst, zelfs noodzakelijk is.

Wij willen van onze kant daar graag een positieve bijdrage aan leveren.

VIII. TOETSING ONGELIJKE BEHANDELING

Wij hebben moeten constateren dat het wetsvoorstel op een aantal punten op gespannen voet staat met het beginsel van gelijke behandeling.

Dit komt prominent in beeld bij onderwerpen zoals:

fiscale behandeling van pensioen en lijfrente verzekeringen

de meesleepregeling

Het heeft ons betreurd dat wij op deze problematiek tot heden een weinig positieve reactie hebben ontvangen van de bewindslieden.

Het beginsel van gelijke behandeling heeft zich een plaats verworven in de jurisprudentie en zal zeker een rol spelen, wanneer de nieuwe wetgeving door de rechter zal worden getoetst in de toekomst.


1. Oudedagsvoorziening

Met name m.b.t. de oudedagsvoorzieningen zien wij duidelijk een anomalie.

Indien men in principe geen verschil wil tussen de tweede en derde pijler dan moet men ook niet toelaten, dat in de 2e pijler een pensioen van 70% reeds op 60 jarige leeftijd kan worden gehaald en in de derde pijler niet.

Dit betekent dat met name kwetsbare groepen (zoals kleine zelfstandigen) geen aanvullende oudedagsvoorziening kunnen opbouwen om eerder met pensioen te gaan, terwijl dit in de tweede pijler wel mogelijk is.

Dat oprekking van de derde pijler t.k.v. de tweede pijler zou moeten gaan is in strijd met de Wet fiscale behandeling pensioen die per 1 juni 1999 is aangenomen.

In de Nota n.a.v. het Verslag (52) erkennen de bewindslieden dat een ieder in staat moet worden gesteld fiscaal gefacilieerd een goede oudedagsvoorziening bij elkaar te sparen, waarbij hetgeen in de tweede pijler gebruikelijk is, de maatstaf vormt.

Het komt ons voor dat daaronder ook valt de mogelijkheid om in 35 jaar een oudedagsvoorziening op te bouwen van 70% van het laatste salaris, ingaande op 60 jaar.

Bij de Wet fiscale behandeling is immers vastgesteld dat dit maatschappelijk (dus in de tweede pijler) gebruikelijk is.

De bewindslieden geven aan (52) dat verdergaande flexibiliteit en individualisering niet gepaard hoeft te gaan met verhoging van de collectieve pensioenlasten. Aangezien flexibiliteit en individualisering ook toeslaan bij de derde pijler generatie, zou het dan toch voor de hand liggen de faciliteit (60 jaar) gelijkwaardig door te trekken!

Dit in de wetenschap dat de collectieve steun in de vorm van de pensioenconvenant en de budgettaire neutraliteit altijd kan worden doorgetrokken naar de derde pijler (al was het maar op basis van het gelijkheidsbeginsel!).

Is hier niet sprake van koudwatervrees die geneutraliseerd en beheerst kan worden, zoals aangegeven?
Gaarne de reactie van de bewindslieden.


2. Meesleepregeling

Een tweede onderwerp waarbij het gelijkheidsbeginsel prominent aan de orde komt is de meesleepregeling. Kamerbreed zijn in deze Kamer grote twijfels geuit over deze bepaling. Ook onze collegas van de VVD hebben op dit punt fundamenteel stelling genomen.

Wij zijn de bewindslieden erkentelijk dat zij vanuit hun eigen positie de ruimte creëren om zich in deze kwestie kwetsbaar op te stellen (een benadering die wij van Financiën tot op heden nog niet kenden), maar die de bewindslieden siert.

Wij willen van onze kant ook gaarne een positieve bijdrage leveren aan deze discussie in de hoop dat de door alle partijen gewenste constructieve gedachtewisseling in dit huis zal leiden tot een herbezinning op dit fenomeen, zodat deze kwestie opnieuw kan worden geëvalueerd in de TK.

Daar is ook alle aanleiding toe. Het is immers zo dat deze regeling eerst bij de 4e Nota van Wijziging op het allerlaatste moment is toegevoegd, zonder dat de TK (laat staan de RS) de tijd c.q. de gelegenheid heeft gehad de consequenties van deze aanpak op zijn merites te evalueren.

Bovendien veroorzaakt deze bepaling onevenredig veel onrust bij het bedrijfsleven met name het MKB.

A. Principiële problemen

a. de aanpak past niet in het systeem van de wet (t.b.s. van bedrijfsmiddelen past in box III; dat is het logisch gevolg van het gekozen systeem.

b. er wordt de facto een vermogenswinstbelasting ingevoerd in strijd met het dragende beginsel van de VRH en dan alleen nog voor één groep.
c. de fiscale neutraliteit komt in het gedrang.
d. strijd met het gelijkheidsbeginsel waarvoor geen rechtvaarding bestaat.

B. Praktische problemen


a. de calculerende burger slaat terug door alleen incourante c.q. kosten generende objecten ter beschikking te stellen aan de eigen BV;
b. starters en familiebedrijven worden het slachtoffer, doordat onherroepelijk minder zachte financiering ter beschikking komt vanuit de familiekring (men zal eerder kiezen voor box III en leasing dan voor box I);

c. in de uitvoeringsfeer komen grote problemen omdat alle ter beschikking gestelde activa opnieuw getaxeerd zullen moeten worden met alle onzekerheden en procedures van dien. Ik verwijs naar het antwoord op mijn vraag aan de Minister van Justitie over de WOZ en de achterstanden bij de gerechtshoven;

d. er komt gegarandeerd een grote hoeveelheid jurisprudentie over het gelijkheidsbeginsel; de onzekerheid die daarvan uitgaat hangt jaren boven de markt en zal ten kosten gaan van bedrijfsfinanciering van het MKB en voor starters;

e. emotionele overweging: het regeringsstandpunt wordt algemeen gezien als ondernemersvijandig en overkill.

C. Reactie van de bewindslieden

De keuze voor de regeling wordt als volgt verdedigd: (21):


a. het uitschakelen van ontgaanscontructies waarbij inkomsten worden getransformeerd in vermogenswinsten (deze uitholling is aanleiding voor gehele herziening);

b. daarom benadering langs de weg van de winstsystematiek (de oplossing van de VVD: uitschakeling van de risicofactor in de rente, compliceert nog verder zowel op wettelijk als op uitvoeringsvlak);
c. de winstsystematiek is ook nodig uit hoofde van voorkoming van misbruik (turbovorderingen). Daarom zijn vorderingen van de AB houden op de eigen BV onder de werking van het AB regime gebracht per 1/1/1997;

d. geen inbreuk, maar herstel van de fiscale neutraliteit (t.o.v. de IB-ondernemer)

e. voorkoming van een nagenoeg onbeheersbaar arbitrageproces.
Wij zijn de bewindslieden erkentelijk voor hun aanzet om van dit punt een discussie ten gronde te willen voeren (21-23).

De leden van de CDA fractie willen ook van hun kant gaarne een positieve bijdrage leveren aan de discussie:

Zij doen dit vanuit 2 invalshoeken:

a. overkill moet worden voorkomen.

b. misbruik moet worden voorkomen.

De waarborg tegen misbruik moet niet verward worden met een stellingname tegen arbitrage.

Het ligt in de natuur der zaken dat men zal proberen te arbitreren. De calculerende burger bestaat, de calculerende overheid ook (bijv. door meer nadruk te leggen op robuuste heffingen).

Het gaat er echter om dat de mogelijkheid tot arbitrage niet overwoekerd wordt door of verandert in misbruik of oneigenlijk gebruik.

Zolang men accepteert dat een ondernemer het recht heeft een rechtsvorm te kiezen die fiscaal anders wordt behandeld (zoals de BV), zullen er verschillen zijn met de zelfstandige IB ondernemer. Daar is niets mis mee, zolang er op armslength wordt gehandeld tussen aandeelhouder en vennootschap. Deze eis ligt reeds verankerd in het systeem van de wet en de jurisprudentie.

Of men kiest voor totale neutraliteit (BV wordt fiscaal transparant) of men kiest voor de normale behandeling van de gekozen rechtsvorm.

De bewindslieden durven kennelijke de eerste keuze nog niet aan en lokken daarmee in feit arbitrage uit. Het gevolg is een compromis waarbij omwille van de tariefkwestie is gekozen voor een gekunstelde, complexe en daardoor moeilijk uitvoerbare regeling, die ondernemers onvriendelijk overkomt.

D. Alternatief CDA fractie

De CDA fractie geeft sterk de voorkeur aan heffing in Box III net zoals de VVD fractie. De leden van de CDA fractie hebben daarom overwogen of er wellicht nog een alternatief is.

Deze leden denken aan een meer evenwichtige en minder complexe regeling, waarbij enerzijds meer nadruk komt te liggen op een tariefsmatig evenwicht tussen aftrek bij de vennootschap tegen 35% en belastingheffing bij degene die het vermogen ter beschikking stelt en anderzijds het overkill element van de vermogenswinstbelasting tegen het progressieve tarief wordt geëlimineerd.

Daarbij wordt dan recht gedaan aan de vrees voor arbitrage die zou kunnen ontstaan indien de totale belastingheffing bij de ontvanger te laag is. Men zou dit verder kunnen beteugelen door te bepalen dat op een eenmaal gemaakte keuze niet mag worden teruggekomen

De CDA fractie denkt aan de mogelijkheid om de netto inkomsten (exclusief vermogenswinsten) uit het ter beschikking gestelde vermogen te belasten naar het tarief van Box I, met dien verstande dat de winst bij vervreemding wordt belast in Box III, tenzij in dat jaar Box I een hoger bedrag aan belasting oplevert.

Dit betekent in de praktijk dat de huur van het bedrijfspand na aftrek operationele kosten progressief wordt belast (de huur is aftrekbaar in de BV tegen 35%). Het doel is dat de vermogenswinst valt buiten box I en dat het winstregime daarop niet van toepassing is. Dit komt er op neer dat in geval van verkoop de heffing in Box III prevaleert.

Een belangrijk bijkomende voordeel is, dat per 1/1/2001 geen taxatie hoeft plaats te vinden voor de step-up.

Wij merken nadrukkelijk op, dat een dergelijke aanpak niet op voorhand leidt tot een lagere belastingdruk bij aanmerkelijk-belanghouders, nu in de door de regering voorgestelde regeling onderhoudskosten, rentelasten, waardedalingen, en dergelijke aftrekbaar zijn tegen het tarief van box I.

Een dergelijke oplossing is eenvoudig, sluit tariefsarbitrage ter zake van de inkomsten uit (35% aftrek bij de vennootschap tegen 52% belastingheffing bij de aanmerkelijk-belanghouder) en doet ook ten minste gedeeltelijk recht aan het feit gelijkheidsbeginsel terzake van verhuurde (ter beschikking gestelde bedrijfsmiddelen), ongeacht door wie. Daarmee wordt ook de ernstige weeffout van de verkapte vermogenswinstbelasting tegen het progressieve tarief geëlimineerd

Men zal tegen kunnen werpen dat dit in strijd is met de box benadering. Naar de letter genomen misschien wel, maar naar de geest zeker niet. Inbreuken ten goede zijn toegestaan (2,5% aftrek in Box I voor de groenfondsen!!). De thans voorgestelde vermogenswinstbelasting in Box I (in geval van verkoop van het bedrijfsmiddel) is ook in strijd met de gekozen systematiek.

De CDA fractie doet dit tussenvoorstel vanuit de instelling dat de belastingwetgeving een positieve uitstraling moet hebben naar het MKB en de starters, rekeninghoudend met de zorgen van het kabinet, met name voor arbitrage.

Door deze oplossing zullen MKB en starters niet althans verstoken blijven van financiering vanuit de familiekring, op zich een belangrijke motor in MKB land en behoudt de DGA de mogelijkheid het aan de BV verhuurd pand mede te gebruiken in het kader van zijn oudedagsvoorziening.

IX. TOETSING OVERKILL

Een tweede toetsteen is het element van overkill. Wetgeving die dit soort betiteling uitlokt verdient nadere bezinning.

In onze schriftelijke bijdrage hebben wij een vrij groot aantal gevallen geïdentificeerd waarbij elementen van overkill zijn te constateren:

Ik roep in herinnering (in willekeurige volgorde):
1. Dividend stripping

2. Sur. Tax

3. Groenfondsen

4. Begrip uiteindelijke gerechtigde voor de dividendbelasting
5. Materiele fusie eis (Leur/Bloem)

6. verlies bij aanmerkelijk belang

7. Afschaffing bijzonder tarief

8. Afschaffing aftrekbare kosten van verwerving
9. Landbouwvrijstelling
10. Meetrekregeling
11. Sommige bepalingen m.b.t. verzekeringen
12. Man / vrouw firma

Een groot aantal van deze punten raakt het bedrijfsleven, met name het MKB en dit is zorgelijk.

Het doet ons genoegen op een aantal punten het begin van een tegemoetkomende benadering van de zijde van het kabinet te mogen constateren, althans een bereidheid hierover om van gedachten te wisselen met de Eerste Kamer!

Ik doel op met name op:

verlies aanmerkelijk belang

meetrekregeling

dividend stripping

Kunnen de bewindslieden aangeven wat de stand van zaken is in het overleg met de banken over dividend stripping?

Des te minder begrijpen wij waarom de bewindslieden zo krampachtig vasthouden aan hun standpunt inzake de materiele fusie eis (Leur-Bloem). Het zal ongetwijfeld leiden tot nieuwe jurisprudentie met tegelijkertijd jaren van onzekerheid voor de praktijk.

Hierna wil ik de belangrijkste knelpunten nogmaals in kaart brengen. Op de eigen woning en de groenfondsen kom ik apart terug.


1. Bijzondere tarieven

Van speciaal belang is de discussie over de bijzondere tarieven. Opnieuw een onderwerp, dat het bedrijfsleven (MKB) raakt. Het betreft hier met name de bijzondere tarieven bij staking en overlijden. Ook de andere fracties vragen aandacht voor dit punt (met name de VVD).

Het Kabinet rechtvaardigt de afschaffing mede met een beroep op overleg met het bedrijfsleven (extra middelen beter aan te wenden voor regelingen gericht op het voortbestaan en de versterking van het ondernemerschap).

Zo zeer als het op de weg ligt van het bedrijfsleven om op de komen voor versterking van het ondernemerschap ligt het op de weg van het Kabinet op te komen voor de zwakkere ondernemer. Deze worden de dupe van de afschaffing van de bijzondere tarieven.

Zoals reeds eerder gesteld is het op zich al onredelijk de stille reserve als gevolg van inflatoire waardestijging volledig te belasten tegen max. 52%.

De bewindslieden hebben een tegemoetkoming voorgesteld bij staking voor de oudere werknemer (in de magere vorm van een betalingsregeling).

Voorts noemen zij bij staking de doorschuiffaciliteit, de stakingslijfrente, de middelingsregeling en de 60%-waardering van de bedrijfswoning waarin de achtergebleven partner blijft wonen.

Deze faciliteiten kunnen een tegemoetkoming bieden maar dit hoeft niet (afhankelijk van de omstandigheden).

Hoe zouden de bewindslieden staan tegenover de gedachte een bijzonder tarief voor staking en overlijden in te voeren van bijvoorbeeld 30%, waarop alleen een beroep kan worden gedaan als de andere faciliteiten niet of niet volledig (kunnen) worden gebruikt? Het budgettaire belang van een dergelijke benadering is waarschijnlijk gering, het is eenvoudig te hanteren, het vormt geen inbreuk op het systeem (aannemende dat de bewindslieden zich niet willen beroepen op vereenvoudiging).


2. Verliesverrekening aanmerkelijke belang

De CDA fractie heeft in het voorlopig verslag reeds opgemaakt dat zij het een onbevredende uitkomst vinden dat AB verliezen niet kunnen worden verrekend met de IB uit Box0 I via een tax credit systeem (motie Schutte).

De bewindslieden menen, dat dit in strijd is met het boxen systeem. Wij brengen daar tegen in:

a. de bewindslieden merkten tijdens de TK behandeling op dat het nieuwe stelsel kwalificeert als een synthetisch stelsel met analytische elementen (TK 1999-2000, 26 727, nr. 7);
b. verliesverrekening via een tax credit systeem staat volledig los van een analytisch systeem, dat immers alleen bestaat uit een aparte grondslag en een apart tarief. Tax credit vindt plaats op een hoger niveau, nl. de belastingschuld;

c. bovendien hebben de bewindslieden zelf een deel van de grondslag van Box II naar Box I verhuisd (meesleepregeling) zonder zich te storen aan de strikte scheiding der boxen.

De CDA fractie meent, dat er mitsdien geen technische bezwaren zijn. Haar positie is in lijn met de collegas van de PvdA en VVD fractie Zij ondersteunen de gedachte dat een mogelijkheid wordt gecreëerd een verlies uit AB bij het einde van het AB (en dus het einde van Box II) te verrekenen via een belastingkorting met de belasting over het inkomen uit Box I en waarom ook niet box III). Wij merken wel op dat dit meer dan 1x per leven kan plaatsvinden! Wij onderstrepen dat daarmee geen belastingbesparende constructies mogen worden gecreëerd of dat daarvan oneigenlijk gebruik kan worden gemaakt en dat onbedoelde precedent werking moet worden voorkomen.


3. Meetrekregeling

Ook deze regeling toont element van overkill. Het betreft hier met name de omvang van de groep van familieleden, die op grond van deze regeling als gelieerde personen worden aangemerkt. De groep is zo breed gedefinieerd, dat er binnen deze groep veelal geen sprake zal zijn van samenwerking.

Het kabinet wil over de spanning die deze brede vangnet definitie oproept met de kamer debatteren. In het verslag heeft de CDA fractie een voorzet gedaan. Wij menen dat tenminste de familiegroep in art.
5.4.1.2.a feitelijk moet worden gelijk getrokken met de vergelijkbare regeling in 3.4.1.2. door het schrappen van de duurzaam gescheiden levende echtgenoot.

Wij menen dat de volgende stap dan zou moeten zijn dat ook de omschrijving in het AB regime (4.3.1. en 4.3.5) aangepast moeten worden.

Is het niet mogelijk dat te realiseren zonder in voorkomende gevallen het positieve belang voor de fiscale begeleiding van echtscheiding van AB houders te verliezen? (kabinet stelt: de keuze voor het formeel begrip echtgenoot, en de duurzaam gescheiden levende echtgenoot, een voortzetting is van de huidige AB regeling en speelt een rol bij de doorschuiffaciliteiten voor verkrijging krachtens het vermogensrecht).

Wij zien de reacties van de bewindslieden gaarne tegemoet.

X. TOETSING OVERGANGSRECHT

Het is de bewindslieden bekend dat deze leden zwaar hechten aan begrippen als terugwerkende kracht eerbiedigende werking en nakoming van toezeggingen.
Het is de plicht van deze Kamer om wetsvoorstellen te toetsen met name op doelmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid.

1. Waarde toezegging

De voorgestelde afschaffing van de aftrek premies van lijfrente polissen (pre-BH) was aanleiding voor de CDA fractie de waarde van de toezegging en de eerbiedigende werking aan de orde te stellen.

De bewindslieden wijzen in hun antwoord op een driedeling:


a. toezeggingen met een algemeen beleidsmatig of politiek karakter (die i.h.a. betrekking hebben op nog in de toekomst te nemen politieke besluitvorming;


b. een concrete toezegging, die de Staatssecretaris kan doen als medewetgever over in behandeling zijnde wetsvoorstellen; dit betreft meestal uitleg of nadere uitwerking van voorgestelde maatregelen en kan een rechtsvindingsfactor zijn voor de rechtelijke macht;

c. specifieke toezeggingen over de invoering van voorgestelde maatregelen in bepaalde specifieke gevallen (meestal in de vorm van concrete instructies aan de Belastingdienst waaraan belastingplichtigen vertrouwen kunnen ontlenen over de toepassing van de wet in dergelijke gevallen.

Wat er ook zij van deze onderverdeling, de bewindslieden stellen, dat een toezegging de wet niet te veranderen nooit een juridische strekking kan hebben.

Dat is hier echter niet aan de orde. Terzake van de afschaffing van de aftrek lijfrentepremies (pre-BH) is uitsluitend sprake van het nakomen van een toezegging t.z.v. eerbiedigende werking voor bestaande contracten.

Het nakomen van dergelijke toezeggingen laat onverlet het recht van het Kabinet de wet te wijzigen. In zon wijziging kan het handhaven van een toegezegde eerbiedigende werking zeer wel passen. In feite gebeurde dit ook bij de Brede Herwaardering in eerste ronde.


2. Eerbiedigende werking lijfrentepolissen (pre-BH)
Het nakomen van een toezegging klemt des te meer in dit speciale geval omdat de toezegging t.z.v. lijfrentepremies (van vóór Brede Herwaardering) dermate positief en zonder voorbehoud is gesteld, dat de burgers daaraan het vertrouwen mochten ontlenen, dat de fiscale afwikkeling van zon contract zo worden geëerbiedigd ongeacht de vraag of de wet later nog eens zou worden gewijzigd (de toezegging vond immers plaats in het kader van een wetswijziging!!).

De reactie van de bewindslieden raakt niet deze vierde variant. Wij vragen hun visie (en vernemen gaarne of, en zo ja, welke instructies destijds zijn uitgegaan naar de Belastingdienst over de fiscale behandeling van deze polissen.

Dit klemt temeer nu er te elfder uur een opinie is verschenen van de hand van Loyens Loeff die in onvoorwaardelijke termen aangeeft dat:
a. het standpunt van het kabinet in strijd is met het vertrouwens / gelijkheidsbeginsel;

b. de verwachting gerechtigd is dat de Belastingrechter een beroep op het vertrouwensbeginsel zal honoreren.

Dit is een nieuw feit, dat in de Tweede Kamer en tot op heden in deze Kamer niet mede in de overwegingen betrokken is geweest.

Het staat wel vast dat deze kwestie zal worden uitgevochten in rechten (al zou het maar zijn bij wijze van proefproces).

Dit betekent, dat de budgettaire opbrengst van de afschaffing in feite ter discussie staat.

De bewindslieden hebben te kennen gegeven niet op hun stellingname te willen terugkomen, mede uit budgettaire overwegingen.

Zou het ter voorkoming van procedures en onduidelijkheid en continue discussie over de betrouwbaarheid van de overheid niet mogelijk zijn op een andere inventieve wijze een stap voorwaarts te zetten in deze impasse.

Wij denken hier aan de mogelijkheid van het kabinet de Hoge Raad te vragen een (niet bindend) advies uit te brengen over de rechtsvraag in hoeverre toezeggingen over eerbiedigende werking van lopende contracten kunnen worden ingetrokken door latere nieuwe wetgeving, geabstraheerd van deze casus. Dit geeft op korte termijn een belangrijke indicatie en kan wellicht behulpzaam zijn een lange periode van rechtsonzekerheid te voorkomen.

XI. EIGEN WONING

Terzake van de eigen woning heeft de CDA fractie aandacht gevraagd voor een drietal knelpunten die inbreuk maken op de uitgangspunten in het Regeerakkoord óm de bestaande fiscale behandeling van de eigen woning voort te zetten.

onderhoudskosten, of verbeteringskosten gefinancierd met vreemd vermogen

bijgeleende rente over de periode t/m 31/12/2000

verlies volledige aftrek bij verhuizing.


1. Onderhoudsschulden

De bewindslieden bevestigen dat in de toekomst rente op leningen (hypothecair of niet) i.v.m. onderhoud en verbetering aftrekbaar blijft, mits gestaafd met schriftelijke bewijzen. Voor leningen die uiterlijk op 31 december 2000 zijn aangegaan, geldt dus geen bonnetjes bewaarplicht.

Vervolgens stellen de bewindslieden echter de voorwaarde dat deze leningen door de belastingdienst als zodanig zijn geaccepteerd. Deze acceptatie-eis blijkt echter in strijd met de huidige wet, die deze acceptatievoorwaarden niet stelt.

Ter voorkoming van onduidelijkheden en verschil in behandeling verzoeken wij daarom te bepalen bij wijze van uitvoeringsmaatregel, dat al deze aan de eigen woning toerekenbare schulden (voor onderhoud en verbetering) per 31/12/2000 geacht worden schulden te zijn die zijn aangegaan ter verwerving van de woning (zodat de rente dus integraal aftrekbaar is).


2. Bijgeleende rente periode 1/1/96 t/m 31/12/2000
Vanaf 1 januari 2001 kan de zgn. bijgeleende rente 1 niet meer in aftrek worden gebracht in Box I.

In art. 3.6.11. lid 8 van de Wet IB 2001 is namelijk een generieke bepaling opgenomen op grond waarvan op 31/12/95 bestaande hypothecaire schulden zonder nader bewijs worden aangemerkt als te zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning. De rente op deze schulden is geheel aftrekbaar, ongeacht de kwalificatie van de rente.

Deze bepaling ziet echter niet op bijgeleende rente d.m.v. een niet hypothecaire schuld.

Op basis van de huidige wet is een bijleenrenteschuld een schuld die volledig is toe te rekenen aan de eigen woning en wordt de bijleenrente gekwalificeerd als aftrekbare kostenrente.

Bijleenrente
Het Besluit van 7 juni 1987 / 3 mei 1998 ziet op bepaalde met name genoemde hypotheekvormen.

Waar het om gaat is het volgende.

Rente over een bijleenrenteschuld t.z.v. de eigen woning is zonder meer aftrekbaar. Dit is ook zo aangegeven in het Besluit van 11 mei 1998 (vraag A.15) en het Besluit van 14 april 1999.

M.b.t. de hier bedoelde rente geldt geen beperking m.b.t. de leenvorm (hypothecaire lening of andere leningvorm) en ook geen beperking m.b.t. de jaren waarop dit betrekking heeft (vóór of na 1996).

Het zou niet correct zijn deze bijleenrenteschuld m.i.v. 1/1/2001 in Box III te plaatsen.

Wij stellen dan ook voor te bepalen dat de hiervoor bedoelde bijleenrenteschuld (evenals de onderhouds/verbeteringsschulden) die per 31.12.2000 aanwezig zijn te betitelen als verwervingsschulden, bij wijze van uitvoeringsmaatregel.


3. Verlies volledige rente aftrek bij verhuizing
Art. 3.6.11 lid 8 wet IB 2001 stelt als voorwaarde dat de hypothecaire lening nog steeds betrekking dient te hebben op dezelfde woning om volledig aftrekbaar te zijn ongeacht de kwalificatie. Op grond van het Besluit van 7/6/87 moet echter bij verhuizing naar een andere woning hernieuwd gekeken moet worden naar de omvang van het geleende bedrag dat direct verband houdt met aankoop, onderhoud of verbetering van de eigen woning.
Bij verhuizing en oversluiting van de hypotheek treden i.h.a. geen complicaties op. Bij bijleen hypotheken is het echter niet altijd mogelijk of wenselijk de lopende lening af te lossen en een nieuwe lening af te sluiten.

In die gevallen zal de lopende lening in stand blijven en gekoppeld worden aan de nieuwe eigen woning, waardoor het t/m 31/12/95 bijgeleende bedrag niet meer onder de bescherming van art. 3.6.11. lid 8 valt.

De CDA fractie verzoekt de bewindslieden in deze bijzondere gevallen bij wijze van uitvoeringsmaatregel te bepalen, dat deze bijleenschulden niet worden uitgesloten van de bescherming van art.
3.6.11. lid 8.

XII. GROEN BELEGGEN

Een enkel landelijk dagblad mag gemeld hebben dat de staatssecretaris de burger in belangrijke mate is tegemoet gekomen, deze gedachte leeft zeker niet bij degenen die het dichtst betrokken zijn bij het groen beleggen

De voorstellen van de Staatssecretaris komen er op neer dat bij wijze van overgangsrecht de zittende houders van groen beleggen worden vrijgewaard van de VRH boven het maximum. Voorts wordt een nieuwe aftrekpost gecreëerd van 2,5% in Box 1. Geldt dit ook voor de huidige beleggers?

(NB het creëren van een boxvreemde aftrekpost in Box I geeft aan dat het Kabinet bereid is minder star te denken als het er op aankomt knelpunten op te lossen. Dit is winst, ook voor de discussie in dit huis!)

De kernvraag die resteert is echter: hebben de groenfondsen toekomst? Voor het groen beleggen wordt budgettair jaarlijks 75 mln. ingeruimd. Dit correspondeert met een totaal investeringsbedrag in groene projecten van NLG 3 miljard (de overheid rekent zelf met een belastingderving van 2,5%).

Groeipatroon
Van deze investeringsomvang van NLG 3 miljard is echter reeds 2,7% miljard ingevuld. Dus rest de groenfondsen nog slecht NLG 300 miljoen uitzettingsruimte, die naar verwachting binnen een half jaar zal zijn opgesoupeerd.

De groenfondsen pleiten voor een investeringsniveau van NLG 750 miljoen per jaar, hetgeen zou leiden tot een permanente kern van NLG 6 miljard. Dit correspondeert met een jaarlijks beslag van NLG 150 miljoen in de toekomst.

In de groene beleggingswereld heerst de gedachte dat een jaarlijkse groei van het budgettair beslag met NLG 25 miljoen tot een maximum NLG 150 miljoen correspondeert met dit initiatief.

Kunnen de bewindslieden aangeven of zij bereid zijn een dergelijk groeipatroon in het kabinet te bepleiten?

Maximum van NLG 100.004,--
De groenfondsen hebben een nadeel omdat zij binnen het maximum van NLG 100.004 moeten concurreren met andere categorieën maatschappelijke beleggingen die veelal een hoger rendement hebben (zoals Agaath en kapitaalverzekeringen voor studiekosten kinderen) en daardoor groen beleggers zullen verdringen.

Een oplossing zou kunnen zijn een splitsing aan te brengen in de categorie maatschappelijk beleggen, en wel enerzijds de maatschappelijk gerichte beleggingen (groen, ethisch / de weinig renderende kant) en anderzijds de meer ondernemersgerichte kant (film, Agaath), die redelijk renderen.
Wat is de visie van de bewindslieden?

XIII. VRIJWILLIGERSWERK

De CDA fractie heeft speciale aandacht gevraagd voor de fiscale faciliering van het vrijwilligerswerk.
Is het wetsvoorstel vooral afgestemd op een gericht arbeidsmarktbeleid, de CDA fractie meent dat ook nadrukkelijk rekening moet worden gehouden met de betekenis van onbetaalde zorg, opvoeding, mantelzorg en vrijwilligerswerk.

De CDA fractie heeft daarom verzocht de huidige belastingvrije vergoeding van NLG 1470 op te trekken tot NLG 2000 per jaar.

De bewindslieden zijn echter bezorgd dat een aanmerkelijke verhoging niet aan de orde kan zijn, omdat dan genieters van inkomsten uit arbeid een deel van hun beloning als kostenvergoeding willen aanmerken met een beroep op het gelijkheidsbeginsel en omdat dan het verband met de algemeen te maken maar ongetoetste kosten wordt losgelaten.

Het is bekend dat deze reserves bij vorige kabinetten niet bestonden. Waar het AKF tot onrealistische hoogte wordt opgevoerd, waardoor iedere band met reële algemeen te maken kosten werd verlaten (de jurisprudentie over de verhogingen van het AKF is bekend).

Wij wijzen er voorts op dat een dergelijke reserve kennelijk minder wordt gevoeld bijv. bij de 35% regeling!

Het komt ons echter voor dat het mogelijk moet zijn een hoger forfaitair bedrag als belastingvrije kostenvergoeding te realiseren, bijv. door het extra deel te bestempelen als een belastingvrije incentive ter bevordering van vrijwilligerswerk.

Voor een kabinet dat een extra boxvreemde aftrekpost kan creëren voor groen beleggen, dat cvs in films en zeeschepen bevordert en dat ethisch beleggen aantrekkelijk wil maken, zou het toch mogelijk moeten zijn een inventieve voor vrijwilligerswerk te realiseren die zich bijv. vertaalt in een hogere onbelaste kostenvergoeding, mits voorzien van een duidelijke afbakeningsgrenzen en van voldoende waarborgen tegen oneigenlijk gebruik.

De CDA fractie zou graag van de bewindslieden vernemen of zij bereid zijn bij het kabinet ten principale een fiscale tegemoetkoming voor het vrijwilligerswerk te bepleiten. Er speelt hier geen of slechts gering budgettair belang omdat de betalende instellingen zelf lang niet altijd Vpb-plichtig zijn.

XIV. INVOERING EN UITVOERING

I. Invoering

De leden van de CDA fractie wensen hun zorg uit te spreken over de problemen die zij voorzien met betrekking tot de invoering van de nieuwe wetgeving.

Wij constateren dat er nog een vier nieuwe wetsvoorstellen dit jaar zullen worden ingediend met het oog op de belastingherziening terwijl er nog twee in de TK aanhangig zijn.

Voorts moet nog een groot aantal onderwerpen worden meegenomen en uitgevoerd in het Wetsvoorstel technische aanpassingen (op dit moment 12).

De neerslag van de discussie in dit huis tot op heden geeft reeds aan dat deze lijst zal worden uitgebreid wellicht met nog meer inhoudelijke knelpunten.

Van alle departementen, maar ook van het bedrijfsleven en de overheidssector zullen de komende maanden grote inspanningen worden gevraagd. Er zal extra moeten worden geïnvesteerd in adequate voorlichting en assistentie

Wij zouden gaarne vernemen in detail wat de stand van zaken is welke tijdschemas zijn gesteld tav aanpassing van computerprogrammas bij het bedrijfsleven en ander overheidsinstanties (provincies en gemeenten daaronder begrepen) en hoe de haalbaarheid daarvan wordt ingeschat.


2. Uitvoering

In het kader van de uitvoering hebben wij kennis genomen van een schrijven van het Verbond van Verzekeraars aan de staatssecretaris
d.d. 27 april 2000 betreffende een aantal belangrijke uitvoeringsaspecten.

Het stoort ons dat wij in deze discussie worden betrokken. Deze uitvoeringsaspecten regarderen immers in eerste instantie het verkeer tussen Financiën en de verzekeringsmaatschappijen.

Indien deze reactie echter als een noodkreet moet worden geïnterpreteerd dan ligt dit anders, temeer omdat het een test case kan zijn hoe Financiën met de uitvoering omgaat.

Indien de stellingname in de brief juist is en het toegezegde overleg met het veld praktisch stil ligt, is er kennelijk iets anders aan de hand.

Wij verzoeken daarom de Staatssecretaris om opheldering, specifiek t.a.v. de knelpunten in de brief genoemd en meer in het algemeen ten aanzien van vergelijkbare vertragingen die wellicht spelen in andere overlegsituaties met andere uitvoeringsinstanties.

Wij brengen in dit verband in herinnering hoe moeizaam en traag de uitvoering van een simpele toezegging door Staatssecretaris Vermeend tav kapitaalverzekeringen met pensioenclausule is verlopen en dat dit slechts na herhaald rappelleren dezerzijds tot actie heeft geleid.

Voorzitter,
tot zover onze bijdrage in de eerste termijn. Wij zien met belangstelling de reactie van de bewindslieden tegemoet (eventueel schriftelijk). Afhankelijk daarvan zullen wij overwegen een of meer moties in te dienen om onze zienswijze te onderstrepen.


reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie