Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Inleiding Kalsbeek (PvdA) symposium 'het grote onbehagen'

Datum nieuwsfeit: 11-05-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Partij van de Arbeid


Inleiding door Ella Kalsbeek 11 mei 2000 PvdA

TIJDENS HET SYMPOSIUM "HET GROTE ONBEHAGEN. EMOTIE EN ONBEGRIP OVER DE ROL VAN HET STRAFRECHT" NAAR AANLEIDING VAN HET BOEK VAN PROF.MR. THEO DE ROOS

Het grote onbehagen, emotie en onbegrip over de rol van het strafrecht.
Professor De Roos heeft er een boek over geschreven en hoofdstuk na hoofdstuk onderbouwt hij de emoties en het onbegrip. Het zal u vergaan zijn zoals mij: hoofdstuk na hoofdstuk roept herkenning op.
Ik zal in mijn betoog zijn analyse niet van kanttekeningen voorzien, hoewel dat misschien hier en daar wel mogelijk is. Ik wil proberen het vastgestelde onbehagen in een wat bredere context te plaatsen om vervolgens aan te geven wat politici te doen staat bij deze staat van onbehagen.

Allereerst lijkt het mij goed stil te staan bij de vraag wat nu precies de omvang van dat onbehagen is.
Het beeld zoals geschetst door De Roos is massief. Het onbehagen lijkt heel vaak terug te voeren op een vorm van onbegrip. Onbegrip: dat wil zeggen dat er kortsluiting ontstaat tussen wat mensen op een bepaald moment als wenselijk of rechtvaardig zien en datgene wat het justitiële apparaat in de meest ruime zin produceert.
Men zou kunnen verwachten dat deze kortsluiting, dit onbegrip leidt tot wantrouwen in rechters, OM en politie. Maar dat is geenszins het geval.
Het Nationaal Kiezersonderzoek 1998 geeft aan dat rechters meer dan wie ook "veel" of "tamelijk veel" vertrouwen genieten van de bevolking. Daarna komt de politie. Daar weer na, zij het op iets grotere afstand de Tweede kamer en de rij vervolgt met de NAVO, het leger, grote bedrijven, de Europese Unie, kerken, ambtenaren en sluit af met de pers.

Vergelijkend Europees onderzoek leert dat Nederland een high trust society is. Het vertrouwen in de politie scoort hoog evenals dat in Justitie maar ook dat in regering en parlement behoort tot de hoogste in Europa. Alleen de Noord-Europese landen scoren hier nog iets hoger. Dan weer Denemarken, dan weer Noorwegen. België scoort extreem slecht Belgische burgers vertrouwen hun politie- en justitieapparaat noch hun regering en volksvertegenwoordigers.

Het heeft iets geruststellends, deze gegevens. Soms lijken we te zijn vergeten dat we nog steeds op een van de beste plekken in de wereld leven, veilig, welvarend en democratisch als weinig andere landen.
En toch is er vandaag aandacht voor het GROTE onbehagen. Hoe komt het dat wij allen toch het gevoel hebben dat dat onbehagen er is? Waarom laten we ons meetrekken in deze probleemdefinitie die toch voorwaar te relativeren is?

Wie de nationale statistieken beziet vindt wel grond voor zorg. Illustratief is het onderzoek dat Trouw liet uitvoeren. Hoewel 71% van de respondenten meent dat het strafrechtssysteem een belangrijke bijdrage levert aan het goed functioneren van de samenleving, vindt tevens meer dan 80% dat misdadigers te vaak onbestraft blijven omdat rechters en officieren van Justitie fouten maken. Ook vindt men dat rechters te soepel zijn met straffen. Bijna 60% van de respondenten is het eens met de stelling: "Ik heb geen vertrouwen in de manier waarop de misdaad in Nederland wordt bestreden". Driekwart van de Nederlanders vindt dat de politie te weinig bevoegdheden heeft om de criminaliteit aan te pakken. Men heeft overigens wel - het bleek ook al uit het andere onderzoek - vertrouwen in de politie.
Dit Trouw-onderzoek geeft onmiskenbaar een beeld van repressieve tendensen, meer "law and order". Overigens is deze tendens de afgelopen 10 jaar wel wat sterker geworden maar zeker niet spectaculair toegenomen.

Een redelijke verwachting lijkt me dat de roep om meer "law and order" voortvloeit uit toenemende gevoelens van onveiligheid of een merkbare stijging van de criminaliteit.
De politiemonitor geeft daarover informatie.
70% van de Nederlanders voelt zich NOOIT onveilig, 5% zelden. 15% voelt zich soms onveilig en 5% vaak. Er blijkt een behoorlijk stevige relatie te liggen tussen het hebben van gevoelens van onveiligheid en het feit dat men zelf slachtoffer was van een delict of iemand kent die slachtoffer werd.
Die cijfers vallen toch bepaald niet tegen. Het is zonder meer waar dat gevoelens van onveiligheid gestaag en licht toenemen maar het is toch ministens zo opmerkelijk dat in het maatschappelijk en politieke debat er maar een boodschap wordt gecommuniceerd, namelijk dat de onveiligheid toeneemt. Gemakshalve laat men dan maar achterweg dat 70% van de burgers zich nooit onveilig voelt. Vanwaar toch deze selectiviteit?

Als het gaat om cijfers over criminaliteit past altijd voorzichtigheid. Als er op een maatschappelijk terrein de mogelijkheid en verleiding bestaat "to lie with statistics" dan is het wel hier.
Toch is er wel wat over te zeggen. Het aantal delicten is sterk toegenomen de afgelopen twee decennia. Dat is op zichzelf verontrustend genoeg maar erger is misschien nog dat met name de zwaardere geweldsdelicten toenemen. Reden tot zorg dus, maar zoals we zagen het vertaalt zich niet in gevoelens van onveiligheid. Wel denk ik dat een uitweg gezocht wordt door het uiten van verontrusting, zoals bijvoorbeeld in de massale stille tochten.
Een eerste conclusie: hoewel niemand het door De Roos beschrevene zal ontkennen en hoewel niemand zal willen bestrijden dat er sprake is van onbehagen over het strafrecht, staat tegelijkertijd vast dat Nederland het in Europees perspectief goed doet waar het gaat om het vertrouwen in politie en justitie. Komt het onbehagen dan voort uit een veel voorkomend en toenemend gevoel van onveiligheid? Nee, hoewel de criminaliteitscijfers de laatste decennia scherp zijn gestegen, zegt driekwart van de Nederlandse bevolking zich nooit onveilig te voelen.
Wat dan wel? Wat kan dan wel een redelijke verklaring zijn voor het onbehagen over het strafrecht?

Ik heb daarover een aantal veronderstellingen die ik graag aan u wil voorleggen.

1. De eerste is deze: het onbehagen over het strafrecht wordt vooral zeer gevoed door incidenten en - verondersteld - geklungel. Het onderzoek van Trouw wijst daar ook op. Niet minder dan 80% van de ondervraagden meent dat misdadigers te vaak onbestraft blijven omdat rechters en officieren van Justitie fouten maken. De vraagstelling laat niet veel plaats voor nuancering maar het beeld van een klungelende organisatie is hiermee wel neergezet. Er zijn natuurlijk ook incidenten, buitengewoon ernstige zelf soms. Maar u en ik weten dat zij niet rechtvaardigen dat 80% van de burgers daar zulke vergaande conclusies aan verbindt. Zijn onze medeburgers dan zo dom? Nee, natuurlijk. Maar de fouten en incidenten blijven zo hangen omdat het goede faalt in het bestrijden van het kwaad. Dat is sowieso al lastig te verkroppen maar het wordt onuitstaanbaar als het aan zoiets ligt als gebrek aan planning (capaciteit cellen), aan bureaucratische fouten (de zgn. vormfouten van weleer) en aan kennelijk gebrek aan invoelingsvermogen met het slachtoffer. Wie verzint het om op de televisie aan te kondigen dat binnenkort ook zedenzaken geseponeerd zullen moeten worden wegens gebrek aan zittingscapaciteit? In ieder geval een hoofdofficier hier te lande! Wat dat voor slachtoffers betekent, is natuurlijk met geen pen te beschrijven. Dat soort incidenten werkt vervreemdend. Het kwade - de criminelen
- wint omdat het goede - justitie in de meest ruime zin - dom is en gevoelloos.

2. Over die incidenten valt overigens nog wel wat anders te zeggen. De publieke opinie is niet gehouden consequent te zijn in zijn oordeel en is dat dan ook niet.
Het kwade moet bestreden en dus worden aan politie en OM hoge eisen gesteld. Moordenaars en verkrachters die niet gevonden kunnen worden of waartegen geen sluitend bewijs is te vinden, leiden in de publieke opinie nogal eens tot de verdenking dat politie en OM niet serieus en vakkundig genoeg te werk zijn gegaan. Denk aan de moord op de jonge vrouwen in het noorden van het land. Dat er grenzen zijn aan wat de opsporing kan en vermag wordt eigenlijk niet geaccepteerd.
Maar wat als de grenzen van de opsporing wat ruim worden bemeten, als politie en OM zich bevoegdheden aanmeten die discutabel zijn? In ieder geval de spraakmakende gemeente die de weg weet te vinden naar de massamedia, spreekt daar meer dan schande van. Dat was zo - natuurlijk - na het rapport van de PEC, dat was zo toen bij de Europese Top in Amsterdam op discutabele JURIDISCHE gronden verdachten werden aangehouden en dat was weer zo toen de grenzen werden verkend bij het fouilleren van mensen (de Millinxbuurt) en doorzoeken van auto's.

Zie ik het goed, dan zijn er twee hoofdstromen in de publieke opinie: die van de burgers die al snel vinden dat justitie en politie niet stevig genoeg doorpakken en die van de juristen wier zorgen vooral zijn ingegeven door de grenzen die de rechtsstaat stelt.
Maar al die kritiek komt ondertussen wel in de krant: of men heeft te weinig gedaan of men heeft teveel gedaan. De vader van het vermoorde meisje staat in de krant bij wijze van spreken naast de hoogleraar strafrecht. Hun kritiek is uiteenlopend maar het is wel allemaal kritiek. Het is gewoon menselijke, noem het emotionele kritiek naast wat abstractere juridische kritiek.
3. Een derde veronderstelling. Het justitieel apparaat vertegenwoordigt het goede - althans idealiter. Het heeft de opdracht het kwade, het strafbare, de criminaliteit te bestrijden. Waarom is dat zo belangrijk? Het meeste kwade speelt zich toch ver van ons bed af? De meeste mensen voelen zich toch veilig? Waarom staan de kranten vol met onveiligheid door criminaliteit en is er sprake van onbehagen over het strafrecht en wordt er nauwelijks een woord gewijd aan de onveiligheid in het verkeer laat staan dat er sprake is van een onbehagen over de verkeerswetgeving en
-handhaving? En dat terwijl het verkeer veel meer levens kost dan de criminaliteit.

Het komt mij voor dat dat te maken heeft met een belangrijk ordenend principe in onze samenleving, namelijk dat van het vertrouwen. Een samenleving kan niet functioneren zonder een groot vertrouwen in de medemens. Waar blijven we als we er niet zeker van kunnen zijn dat het brood van de bakker niet vergiftigd is, waar blijven we als we er niet op kunnen vertrouwen dat de dokter ons de goede injectie geeft, waar blijven we als we niet een grote mate van zekerheid hebben dat de ingewikkelde computer inderdaad zal werken zoals beloofd.
Was er geen vertrouwen dan zouden we terug zakken naar een treurig welvaarts- en welzijnspeil omdat in onze moderne en ingewikkelde samenleving we ongeveer voor alles wat van belang is afhankelijk zijn van anderen.
Toch weten we ook dat dat vertrouwen - bij uitzondering weliswaar maar toch - af en toe beschaamd zal worden. Zelfs zo zeer dat dat ons of een van onze geliefden kan vernietigen. En toch voelen nog steeds de meeste mensen zich veilig. Hoe kan dat? Dat kan omdat er in ieder geval nog het vertrouwen is dat het kwade wordt bestraft. Diegene die het vertrouwen fundamenteel beschaamt moet dat voelen, moet namens ons leed worden toegebracht.
Gebeurt dat niet, dan wint het recht van de sterkste, het recht van degene die het kwade in de zin heeft. En dat ondergraaft het vertrouwen in de samenleving als geheel en uiteindelijk in de meeste van haar leden.
Deze veronderstelling verklaart volgens mij ook waarom er over onveiligheid in het verkeer geen groot onbehagen is. Als daar slachtoffers vallen beschaamt dat niet het vertrouwen in de medeburger (met een belangrijke uitzondering: als de dader dronken was). De dader in het verkeer deed het per ongeluk. Hij is niet het kwade, hij is evenzeer slachtoffer.
Het verklaart ook de hypocrisie waarop in het boek van De Roos gewezen wordt: de pakkans verhogen moet, maar vooral voor de ander en niet voor mijzelf. De ander is degene die niet te vertrouwen is. Ik ben dat wel, al zal ik ook af en toe de norm wel eens schenden.
4. Een volgende veronderstellende overweging. Het is de overheid die er voor moet zorgen dat het recht wordt gehandhaafd die er dus in essentie voor moet zorgen dat mensen elkaar kunnen vertrouwen. Waarom? Waarom wordt er door burgers waarvan de mondigheid de laatste decennia zozeer is toegenomen een beroep gedaan op de overheid? Eigenrichting komt weliswaar voor maar het zijn de befaamde uitzonderingen op de regel. Als ik mij niet vergis wordt vrij breed ingezien dat eigenrichting niet de oplossing kan zijn. Het mooiste, meest rechtsstatelijke antwoord op de vraag waarom hier alles van de overheid wordt verwacht zou zijn dat de rechtsstatelijke gedachte dat de overheid als enige het geweldsmonopolie bezit zo diep verankerd zit in onze samenleving dat iets anders gewoon niet voor mogelijk gehouden wordt. Hoewel dit vast ten dele ook zo is geloof ik niet dat dit het gehele antwoord kan zijn.
Er heeft hier een opmerkelijke verschuiving plaats gevonden sinds ons land een democratische rechtsstaat is. Weliswaar heeft altijd vastgestaan dat politie- en justitietaken overheidstaken zijn maar toen onze Grondwet tot stand kwam werden daar de gevaren ook van ingezien. De burger moest bescherming worden geboden tegen een al te ijverige en bemoeizuchtige overheid. De klassieke grondrechten beoogden de burger te beschermen tegen die overheid. Die notie is uiteraard niet weg maar er is wel een andere bijgekomen. Het is heel interessant dat een liberaal als Uri Rosenthal recent pleitte voor het opnemen van het recht op veiligheid in de Grondwet. Het recht op veiligheid zou een sociaal grondrecht moeten zijn. Ook in de PvdA is daar wel voor gepleit maar dat is in zekere zin minder opmerkelijk. Sociaal-democraten verwachten nu eenmaal traditie getrouw iets meer van de overheid. Een liberaal met die opvatting is verrassender. Hoe kan dit? Hoe komt het dat mondige burgers en zelfs hooggeleerde politici die de mondigheid en zelfredzaamheid van burgers als uitgangspunt hanteren zo veel heil verwachten van de overheid? Ik geloof dat het antwoord gezocht moet worden juist in die toegenomen mondigheid en de daarmee gepaard gaande individualisering. Mensen maken zelf - meer dan ooit - uit wat ze vinden. Er zijn weinig maatschappelijke verbanden meer die kunnen bogen op een grote normatieve invloed. Laat staan dat er maatschappelijke organisaties zijn die in staat zijn om die normen te handhaven. Waar de kerken daar eeuwenlang bijvoorbeeld een belangrijke taak voor zichzelf zagen, moeten we nu toch vast stellen dat die invloed wel ongeveer tot nul gereduceerd is. Ook de burgerlijke moraal, die zo vaak beklemmend was maar ondertussen wel krachtig, is niet meer in staat mensen tot bepaald gedrag te dwingen. Wat de buren er van zeggen zal de meeste mensen een niet erg grote zorg zijn.
Zelfs de sociale verbanden die in onze samenleving wel van groot belang zijn, zoals de zelf gekozen vrienden, zijn op dit punt minder krachtig. Ten eerste zoekt men vriendschap in de regel bij gelijkgezinden maar bovendien zal de vriendschap een einde nemen als die als het om normen gaat te klemmend wordt. Onze samenleving bestaat zo uit heel veel autonome individuen die eigenlijk maar op een instantie kunnen terugvallen als het er om gaat de boel een beetje veilig te houden, de normen te bewaken en te handhaven: de overheid, meer in het bijzonder de politie, de zittende en de staande magistratuur.
Deze gedachtelijn stemt overeen met een bevinding van Paul Dekker (SCP). Hij stelde vast dat de acceptatie van protestgedrag enorm is gestegen maar dat de goedkeurig van repressieve reacties op dat protestgedrag bepaald niet is afgenomen. Kortom: mondige burgers mogen van hun medeburgers heel wat maar de overheid dient wel in te grijpen als het te gek wordt.
Dat mensen niet alleen veel van de overheid verwachten maar daar ook wat voor over hebben blijkt m.i. uit de sterkere wordende roep om meer bevoegdheden voor de politie. Het blijkt ook uit het gegeven dat privacy als argument tegenover een al te bemoeizuchtige overheid nauwelijks meer als argument geldt.
Het is overigens ook hier weer opmerkelijk dat het de juristen zijn
- vooral zij die wetenschappelijk actief zijn - die in de regel terug houdend zijn als het gaat om meer bevoegdheden voor politie en justitie en die vrezen dat de privacy wel eens te zeer onder druk zou kunnen komen te staan.

Na deze veronderstellingen en overwegingen een tussenstand. Zeker, er is onbehagen over het strafrecht, over Justitie en politie maar tegelijkertijd is er ook een groot vertrouwen in politie, justitie en rechterlijke macht. Een eerste paradox. Driekwart van de Nederlandse bevolking voelt zich nooit onveilig en toch is onveiligheid een van de grootste maatschappelijk en politieke thema's. Een tweede paradox.

Ik heb veronderstellingen geuit die deze paradoxen wellicht kunnen verhelderen.

1.Waar het vertrouwen in abstracto goed is worden daar tegelijkertijd in concreto steeds aanvallen op gedaan door zgn. incidenten.

2.Justitie en politie wordt op verschillende wijzen de maat genomen: op een emotionele en op een juridische wijze.

3.In een complexe samenleving als de onze waarin niet valt te leven zonder afhankelijkheid van anderen is vertrouwen van het allergrootste belang. Als dat vertrouwen tussen burgers beschaamd wordt dient dat van een adequate sanctie te worden voorzien.

4.Bij gebrek aan normatieve en normhandhavende sociale kaders wordt van de overheid verwacht dat deze die normhandhavende taken op zich neemt.
Wat betekent dit alles nu voor een politicus?
Allereerst geloof ik dat een politicus het onbehagen in het strafrecht zeer serieus dient te nemen.
Het lijkt mij niet wijs om ons te laten sussen door de wetenschap dat er ook heel veel vertrouwen is in justitie en politie. Vertrouwen is kwetsbaar. Als er voortdurend aanvallen op worden gedaan omdat de abstracte wetenschap dat onze politie en justitie wel deugen steeds wordt gelogenstraft door incidenten dan zal dat vertrouwen uiteindelijk afnemen. In België hebben we gezien waar dat toe leidt.
Het onbehagen dient ook en vooral serieus genomen te worden omdat het de essenties van onze samenleving raakt. Onze samenleving kan alleen functioneren als er een grote mate van onderling vertrouwen is en als er de zekerheid is dat beschamen van dat vertrouwen wordt bestraft. Dat de overheid die taak op zich moet nemen is het gevolg van het feit dat er geen anderen zijn die dat kunnen. Het justitieel apparaat dient deze taak dan ook zeer serieus te nemen. De veel te lage pakkans en de veel te lage ophelderingspercentages zijn in dat licht niet verantwoord. Op de een of andere manier wil het maar geen publiek thema worden, maar als dat wel gebeurt, als men tot zich door laat dringen hoe klein de kans is dat men werkelijk een sanctie opgelegd krijgt na het plegen van een strafbaar feit dan zou dat wel eens heel slecht kunnen zijn voor het vertrouwen in politie en justitie. Alle reden dus voor een politicus om in ieder geval goed door te zaniken over die pakkansen en ophelderingspercentages en een hoofdpunt te maken van het handhavingstekort.

Het onbehagen serieus nemen betekent ook dat een politicus uiterst kritisch moet zijn als er weer sprake is van incidenten. Ik weet dat dat bij politie en justitie niet altijd wordt begrepen. Immers er gaat ook zoveel goed. Zeker, dat is waar. Maar er gaan ook nog steeds dingen fout die niet fout hoeven gaan. Zoals de burger van de overheid verwacht dat burgers die het vertrouwen beschamen worden aangepakt, zo denk ik dat de burger evenzeer verwacht dat politie en justitie worden bekritiseerd als er fouten worden gemaakt OPDAT men die fouten in de toekomst zal weten te vermijden. Een houding van het parlement die kan worden uitgelegd als "men houdt elkaar de hand boven het hoofd" lijkt me wel ongeveer de kortste weg naar verlies van vertrouwen.

Maar met kritisch zijn alleen zijn we er natuurlijk niet. De volksvertegenwoordiging heeft m.i. ook bij uitstek een taak als het gaat om het conflict tussen het emotionele en het juridische oordeel.
Die taak zie ik in tenminste twee aspecten uiteen vallen.
Het eerste aspect is het bevorderen van de vermaatschappelijking van met name het OM. Natuurlijk: rechtshandhaving is de hardcore maar dat staat absoluut niet in de weg aan een goede samenwerking met andere maatschappelijke instellingen zoals de jeugdzorg of scholen. (Daarom ben ik zo'n voorstander van J.I.B ) En het staat nogal veel minder in de weg aan een zorgvuldige bejegening van slachtoffers. Eén voorbeeld: het is natuurlijk onbestaanbaar dat een agent die ten onrechte verdacht werd van fraude door een valselijk opgemaakt p.v. op een dag een briefje op de deurmat vindt waarin staat dat er weliswaar voldoende bewijs is om de betreffende rijksrechercheur te vervolgen maar dat dit omwille van het algemeen belang desalniettemin zal worden nagelaten.

Essentieel is dat politie en justitie worden herkend als organen waar mensen werken die aan de kant staan van "het goede", aan de kant van de burgers die het onrecht niet verdragen, aan de kant van de slachtoffers. Essentieel is dat burgers weten dat we hier niet van doen hebben met een stel bureaucratische juristen die bovendien nog wereldvreemd zijn ook maar met professionals die weten wat er in de wereld te koop is. Dat vergt ook heel veel van de communicatie met burgers. De politie slaagt daar in het algemeen heel behoorlijk in. Misschien komt dat ook omdat de politie letterlijk bij mensen over de vloer komt. Bij het OM lukt dat heel veel minder, al is er verbetering. Rechters lijken er zo goed als vanaf te zien: een vonnis is een vonnis en daar staat het in. Hier is nog geweldig veel winst te boeken. Ik heb het dan niet over gladde verkooppraatjes maar over het werkelijk uitleggen en verantwoorden waarom dingen zijn gegaan als ze zijn gegaan.

Het tweede aspect is moeilijker. Het gaat er dan om het conflict tussen het emotionele en het juridische op een meer principieel niveau te benaderen.
Onbehagen, vaak emotioneel verwoord door burgers dient door volksvertegenwoordigers zeer serieus genomen te worden. Het gaat niet aan terug te roepen dat de procedures nu eenmaal zo zijn of dat het nu eenmaal zo in de wet geregeld is. Het onbehagen moet geanalyseerd en beoordeeld worden. En het moet van een adequaat antwoord worden voorzien. Dat is overigens allemaal iets anders dan klakkeloos na papegaaien wat de grootste ochtend krant van Nederland er van bakt
Parlementariërs zijn niet alleen gehouden het volk te vertegenwoordigen, zij hebben evenzeer een eed of gelofte afgelegd op de Grondwet. Het lijkt zo'n dooddoener maar het is het natuurlijk niet. Met de eed of gelofte op de Grondwet wordt nog eens onderstreept dat de grenzen van de democratische rechtsstaat zullen worden bewaakt. Maar het betekent mijns inziens evenzeer dat die grenzen van de democratische rechtsstaat maatschappelijk gedragen moeten worden. En dat betekent weer dat we kritisch moeten durven kijken naar de vraag of alle fundamentele aspecten die de rechtsstaat heeft inderdaad alleen maar de uitwerking kunnen hebben die er ooit aan gegeven is. Voor de wetgever en dus voor politici ligt hier een belangrijke taak. Maar ik zou die belangrijke taak niet graag "alleen" willen uitvoeren. Ik zou graag zien dat de wetenschap daar over meedacht. Ik vind echter dat het wetenschappelijk discours hier behoorlijk te kort schiet. Te vaak blijft het wetenschappelijk debat beperkt tot het verdedigen van de ooit betrokken posities. Liever zag ik dat eens wat secuurder werd nagegaan waar nu de werkelijke fundamenten van onze rechtsstaat liggen. Wie over de grenzen kijkt komt vaak tot verrassende ontdekkingen: wat men ook van de Verenigde Staten moge denken, een rechtsstaat is het volgens mij wel. Toch is daar de rechter in bepaalde situaties gehouden een door de administratie voorgeschreven straf op te leggen. Het is een idee wat mij geenszins aanlokkelijk voorkomt, maar ik zie wel dat ook daar ten principale veel voor te zeggen is. Ik noem dit voorbeeld om aan te geven dat ook over de uitwerking van fundamentele zaken nog wel eens goed van gedachten gewisseld kan worden. De rechtsstaat schrijft niet één oplossing voor, de rechtsstaat verdraagt vernieuwing, nee, heeft vernieuwing nodig. Wie echter de wetenschappelijke reacties leest op tal van wetsvoorstellen - van bestuurlijk ophouden tot herstel vormverzuim en voorbereidingshandelingen - krijgt de indruk dat de rechtsstaat in het geheel geen vernieuwing verdraagt, allerlei maatschappelijke problemen ten spijt. Dat is een gemiste kans.
Ik rond af. Een verkenning naar het onbehagen in het strafrecht heeft wat mij betreft in ieder geval ook geleid tot een bezinning op mijn politiek handelen in deze. Veel is ongezegd gebleven wat wellicht ook van belang is. Het zij zo. Hopelijk komt het op andere momenten en andere plaatsen aan de orde. Vooralsnog is dit thema belangrijk genoeg omdat het ons brengt bij de fundamentele vragen en uitdagingen waar we als politie, staande en zittende magistratuur en politiek voor staan. Ik hoop op een vruchtbare gedachtewisseling tijdens het verdere verloop van deze middag.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie