Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Toespraak Vanderpoorten bij congres ACOD Hasselt

Datum nieuwsfeit: 11-05-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
PERSMEDEDELING VAN HET KABINET VAN

MINISTER MARLEEN VANDERPOORTEN

VLAAMS MINISTER VAN ONDERWIJS EN VORMING

Donderdag 11 mei 2000

Congres ACOD Hasselt - donderdag 11 mei '00

Dames en heren,
Mag ik u in de eerste plaats van harte danken voor de uitnodiging om hier vandaag aanwezig te zijn én om hier het woord te voeren. De voorbije tien maanden ministerschap hebben mij alleszins geleerd dat het belangrijk is om gesprekpartners rechtstreeks te kunnen aanspreken. Ondanks alle goede wil van de media is het beeld dat zij brengen van standpunten en onderhandelingen vaak onvolledig en ongenuanceerd. Dat kan ook niet anders, zeker voor wat onderwijsmateries betreft. De Vlaamse onderwijswereld is immers een complex gegeven met veel, soms historisch gegroeide gevoeligheden die voor buitenstaanders niet altijd even evident te vatten zijn. Alleen daarom al ben ik u dankbaar dat ik u rechtstreeks kan aanspreken. Ik zal trachten duidelijk te zijn in mijn standpunten. Het is mijn overtuiging dat duidelijkheid hoort bij correcte en respectvolle gesprekken. Misschien zullen we het achteraf niet eens zijn maar meningsverschillen hoeven geen bruggen op te blazen. Wat men mij achteraf zeker niet zal kunnen verwijten, is dat ik met verborgen agenda's werk of politieke spelletjes speel. Ik weet dat ik mij daardoor af en toe kwetsbaar opstel maar ik kies bewust voor veel openheid en dus af en toe ook voor kwetsbaarheid. Uiteindelijk willen wij, alle onderwijsbetrokkenen en ikzelf, grotendeels hetzelfde nl. een beter onderwijs voor iedereen, meer gelijke startkansen ook voor diegenen die, om welke reden ook, van huis uit niet gemotiveerd en gestimuleerd worden, een groter welbevinden voor leerlingen en leerkrachten, meer ondersteuning voor directies, betere en intensere relaties met ouders, kwaliteitsvolle lerarenopleidingen want goed onderwijs staat of valt met goede leerkrachten, een degelijke infrastructuur, minder administratieve rompslomp,. Alleen heb ik begrepen dat de prioriteiten, of beter gezegd de manier waarop we deze prioriteiten willen verwezenlijken en de timing ervan, voor ons niet helemaal dezelfde zijn. Dé discussie van de voorbije weken heeft zich immers gekristalliseerd rond het al dan niet prioritair zijn van een lineaire loonsverhoging. Ik weet dat lonen belangrijk zijn, maar ik hoor heel duidelijk in de scholen dat als we leerkrachten zelf keuzen laten maken, hogere lonen niet op de eerste plaats staan. Bij het afsluiten van het regeerakkoord hebben de meerderheidspartijen zich akkoord verklaard met een verdeling van 165 miljard extra in de komende 5 jaar over alle departementen. Onderwijs werd in die verdeling 20 miljard toegewezen waarvan de helft gereserveerd is voor infrastructuur. Dat betekent 10 miljard om tegemoet te komen aan alle andere eisen op alle niveau en in alle netten. Als we het leerkrachtenberoep aantrekkelijker willen maken en als tegelijkertijd de financiële middelen beperkt zijn, dan moet de minister haar
verantwoordelijkheid nemen en een keuze maken en dan meent deze minister dat er niet meer jonge mensen naar onderwijs zullen getrokken worden wanneer leraren per maand 1.000 fr. bruto of 500 fr. netto meer verdienen. Dat kost ons 1,7 mia per jaar en wat hebben we dan gedaan voor leerlingen, voor hun gelijke kansen, voor ondersteuning van directies en personeel, voor technisch- en beroepsonderwijs,.? Zijn er dan kleinere klassen? Is er dan voldoende aandacht voor moeilijke scholen? Is de concentratieproblematiek dan van de baan? Natuurlijk wil iedereen graag meer verdienen, en natuurlijk zou ik graag over de luxe kunnen beschikken om hier te komen zeggen we doen het één én het ander, maar nu zijn de financiële middelen daar duidelijk nier voor beschikbaar. Daarom zeg ik vandaag laat ons de discussie over hogere lonen voeren op het moment dat Vlaanderen daar klaar voor is. U weet dat de Vlaamse regering streeft naar fiscale autonomie voor Vlaanderen. In 2001 zou daar duidelijkheid moeten over bestaan. Op dat moment zal meer geld voor onderwijs realistisch zijn en zijn hogere lonen bespreekbaar. De vraag of men dan lineair moet te werk gaan of bepaalde keuzes maken moet op dat moment beantwoord worden. Vandaag moeten andere problematieken aangekaart worden en op korte termijn oplossingen aangereikt worden voor bijwijlen schrijnende toestanden. U weet overigens dat Vlaanderen vandaag reeds grote financiële inspanningen levert voor zijn onderwijs: jaarlijks verschuift zowat 50 miljard van het Vlaamse gewest naar de Nederlandstalige gemeenschap om de onderwijsuitgaven te kunnen betalen. De federaal geïnde BTW-gelden volstaan al lang niet meer. Door de fusie tussen gewest en gemeenschap hebben de Vlaamse onderwijsministers het in deze discussie altijd iets gemakkelijker gehad dan hun Franstalige collega's. Maar dit neemt niet weg dat de inspanning moet worden volgehouden zeker in een legislatuur waarbij alle politieke partijen de kiesstrijd hebben gevoerd met als één van hun thema's dat investeren in onderwijs belangrijk is .
Vlaanderen heeft immers begrepen dat we snel naar een globaliserende kennismaatschappij evolueren. Samen met onderzoek en ontwikkeling, is onderwijs en vorming de sleutel die hier toegang toe geeft. Het opleidingspeil van de bevolking om zich levenslang bij te scholen zal ons toekomstig welvaartspeil bepalen. Willen we echter een harmonieuze samenleving, dan zullen alle burgers hiervan moeten kunnen genieten. Meer nog dan in het verleden, moet het onderwijs de motor zijn voor sociale integratie.
Ik blijf dus voorstellen om eerst de problematieken op te lossen die werden voorgesteld op de CAO-onderhandelingen van april, maar waarover geen gesprek werd aangevat, en pas in een volgende fase de discussie over de lonen opnieuw aan te vatten.
Ik wil de voorstellen, verwoord in het ontwerp van CAO, toch nog even kort herhalen:
1. Bijkomende middelen voor hogescholen, een belofte van tijdens de begrotingsbesprekingen, om de personeelsproblematiek ontstaan door TBS 55+-regeling te neutraliseren
2. Schrapping van de 2,5 % besparing uit het decreet SO voor die SG die een herstructureringsplan hebben opgemaakt of zullen opmaken
3. Wegwerken van een aantal anomalieën m.b.t. weddeschalen
4. Betere vergoeding voor tijdelijken
5. Fiets- en woon-werkvergoeding zoals ambtenaren 6. Vaststelling van premies voor algemene en coördinerende directeurs
7. Bijkomende werkingsmiddelen voor BaO
8. Vereenvoudiging regelgeving en verminderen planlast ...

Deze voorstellen, die in hun totaliteit 3,9 mia kosten, blijven ook nu onverkort gelden. Ik blijf van mening dat dit ontwerp van CAO een degelijk en volwaardig voorstel was en is om over te onderhandelen, vooral als die samen gelezen wordt met de bereidheid om werk te maken van de uitvoering van de nog resterende onderwerpen van de vorige CAO - ik denk in dit verband o.a. aan een regeling m.b.t. de internaten - én met het onmiddellijk aanvatten van onderhandelingen over CAO VI. In deze CAO VI zou het accent moeten liggen op comfort, kwaliteit en herwaardering van het lerarenberoep. Ik ben bereid om in het kader van CAO VI de aanwendingspercentages te herbekijken. Ik geloof inderdaad dat de besparingen die gerealiseerd werden door het terugschroeven van de aanwending van het lestijdenpakket en de daarbovenop besliste besparing van 2,5 % in het decreet SO in tegenspraak zijn met de steeds groeiende taakbelasting van onderwijspersoneel en met vraag naar meer werkkwaliteit.
Elke school wordt vandaag geconfronteerd met een massa opdrachten waarvoor vroeger alleen, of hoofdzakelijk, de ouders werden aangesproken. Uiteraard moeten we allemaal samen de ouders wijzen op hun verantwoordelijkheid en uiteraard kan de school geen oplossing bieden voor zoveel maatschappelijke problemen die zich vandaag stellen. Maar tegelijkertijd wil ik toch ook benadrukken dat de maatschappelijke opdracht van de school vandaag anders is dan 20 of 30 jaar geleden omdat zoveel facetten van de samenleving geëvolueerd zijn en anders worden ingevuld. Een school moet signalen kunnen opvangen en doorzenden, moet problemen kunnen detecteren en doorverwijzen, moet openstaan voor dialoog met ouders en leerlingen, met collega's en andere partners in het jeugdwerk. Leerkrachten kunnen zich niet meer bepreken tot kennisoverdracht binnen het klassikaal lesgebeuren. Leren leren, leren samen leven, geïntegreerd en gedifferentieerd lesgeven, leerlingen begeleiden, opvangen, succes laten beleven en heroriënteren, zich permanent bijscholen, overleggen met collega's, ouders en directie . het zijn allemaal taken waar een zeer intense concentratie voor vereist is, die veel inzicht en inzet vergen van elke leerkracht, die het lerarenberoep ongemeen boeiend maken maar ook veeleisend, . En ik stel tot mijn grote vreugde vast dat heel veel leerkrachten van vandaag mij onomwonden zeggen dat ze zeker opnieuw zouden kiezen voor onderwijs als ze nu 18 zouden zijn . Ik zou zelf ook opnieuw kiezen voor onderwijs maar wel met het besef dat niet elke school er even goed of slecht aan toe is. Ik zou u daarom ook willen oproepen om mijn pleidooi voor meer solidariteit tussen scholen mee te ondersteunen. Ik stel vandaag immers vast dat in Vlaanderen de verscheidenheid groot is, ook binnen de netten en dat dus eigenlijk niet alle scholen dezelfde noden hebben. Er zijn zgn. "witte scholen" met wat ik soms "luxe-problemen" noem die er altijd zullen zijn. Er zijn ook scholen met veel kansarmen en jongeren die zich om welke reden dan ook slecht voelen op school en die om gelijke startkansen te kunnen realiseren nood hebben aan nogal wat extra steun. Bovendien zijn er scholen met een grote concentratie van massa's problemen die hier en daar een tijdbom leggen onder de serene ontwikkeling van sommige Vlaamse regio's als niet snel wordt ingegrepen in de vorm van extra aandacht, extra begeleiding en extra omkadering. Intussen werd ook de evaluatie van de non- discriminatie- verklaringen afgerond. Ook deze evaluatie toont aan dat de afspraken gebaseerd op louter vrijwilligheid onvoldoende hebben gefunctioneerd en dat het een fout is geweest om de migrantengemeenschappen zelf niet meer te betrekken en meer verantwoordelijkheid te geven. Betere non-discriminatieverdragen gebaseerd op een groter engagement en meer betrokkenheid van iedereen en juridisch sluitende incentives en/of sancties zijn absoluut noodzakelijk. Het is naar mijn persoonlijk gevoel een zeer moeilijk, misschien wel hét moeilijkste probleem, waarmee ons Vlaams onderwijs worstelt, maar ik wil mij persoonlijk inzetten om een voor iedereen aanvaardbare oplossing na te streven. Alle scholen en alle leerkrachten hebben recht op een goede omkadering, maar scholen en leerkrachten die extra inspanningen moeten leveren omdat de maatschappij hen confronteert met bepaalde doelgroepen, problemen die de maatschappij gecreëerd heeft en niet de scholen, hebben naar mijn mening recht op meer. Dit gevoel voor solidariteit is vandaag niet altijd aanwezig tussen scholen maar is wel noodzakelijk willen we een escalatie van reacties en frustraties vermijden. Om hier een helpende hand te reiken zou het herbekijken van de aanwendingspercentages een oplossing kunnen bieden. De "hoegrootheid" van de maatregel en de concrete uitvoeringsmodaliteiten kan ik vandaag uiteraard niet verwoorden, want ook dat zal onderwerp moeten zijn van onderhandelingen. In hetzelfde kader situeert zich de eventuele schrapping van de 2,5 % besparing uit het decreet SO. Ondanks het feit dat hierover geen akkoord werd bereikt ga ik aan de regering en het Vlaams Parlement voorstellen om deze besparingsmaatregel te schrappen. Ik ben altijd bezorgd geweest over deze maatregel, maatregel die ik en veel anderen overigens nooit begrepen hebben en waarvan ik mij nog altijd afvraag hoe die ooit is goedgekeurd geraakt. Ik zal dus voorstellen om deze besparing te schrappen, maar deze beslissing zal uiteraard wel in rekening gebracht worden van CAO V.
Een debat over de herwaardering van het lerarenambt is opgestart. Parallel hiermee zal o.l.v. het departement een doorlichting gebeuren van alle bestaande lerarenopleidingen. De lancering van dit debat vanuit het Vlaams Parlement en van de doorlichting heeft hier en daar wenkbrauwen doen fronsen. Omdat de eerste afgestudeerden van de nieuwe lerarenopleiding pas in juni hun diploma krijgen, omdat alle lerarenopleidingen nog niet op kruissnelheid zitten, omdat men sowieso wel zou weten wat er allemaal schort aan de invulling van het lerarenambt en aan de opleiding . De hoorzittingen in het parlement hebben inderdaad aangetoond dat er over veel onderwerpen éénstemmigheid is. Dat vind ik positief want het zal dan eenvoudiger zijn om antwoorden en oplossingen te formuleren. Aan de andere kant vind ik alles wat de leraar aangaat zo belangrijk, ook voor de maatschappij in haar geheel, dat ik zoveel mogelijk de leerkrachten en alle andere rechtstreeks belanghebbenden zelf wil horen. Daarvoor werd een e-mailadres geopend uitsluitend voor dit item en zal in het najaar een Ronde van Vlaanderen georganiseerd worden m.b.t. o.a. dit onderwerp waaraan ikzelf in de mate van het mogelijke zal participeren. Dit betekent uiteraard niet dat onderhandelingen met de vakbonden tot dan moeten wachten, zeker niet voor wat de meest dringende maatregels betreft. Dit betekent wel dat voor de begrotingen 2002, 2003, en 2004 rekening zal gehouden worden met de conclusies van het debat en de doorlichting. Er zijn in het recente verleden beslissingen genomen door de vorige Vlaamse regeringen die in onderwijskringen niet altijd op gejuich onthaald werden. Sommige daarvan zullen wellicht kunnen worden bijgestuurd, andere zullen onverkort behouden blijven. Soms krijg ik het verwijt dat ik in mijn vorig leven tegen een decreet gestemd heb en daarom de toenmalige beslissing nu maar moet ongedaan maken. Zo eenvoudig is één en ander natuurlijk niet. Politieke beslissingen worden nu eenmaal op rekening geschreven van de meerderheden van een bepaald moment. Deze beslissingen hebben consequenties voor begrotingen en voor navolgende beslissingen en kunnen daarom niet zomaar worden omgedraaid.
Dit neemt niet weg dat ik met u wil zoeken naar oplossingen voor te grove anomalieën . Een aantal heb ik reeds vermeld, een aantal andere werden door G.V.S. opgesomd. Zo heeft de invoering van het nieuwe decreet op het GO ongeveer tegelijkertijd met de uitvoering van het Polder-Tivoli, gecombineerd met denataliteit, opnieuw actueel gemaakt wat velen zich reeds lang binnenskamers afvroegen nl. blijft het bestaan van drie netten in Vlaanderen wel verantwoord? Moet de vrije keuze niet herdacht worden of moeten we niet stilaan evolueren naar twee netten nl. een vrij en een officieel? Ik denk dat de tijd rijp is voor deze discussie en dat we zonder brokken te maken of via een volwassen dialoog zowel met parlement als met vakbonden en IM tot oplossingen moeten kunnen komen.
Van de andere onderwerpen die GVS aanhaalde o.a. om het lerarenberoep attractiever te maken, weet hij dat ik er oren naar heb. Alleen wil ik ze liever bespreken in het kader van een CAO VI, maar daarvoor kunnen de besprekingen voor wat mij betreft onmiddellijk deze maand nog aangevat worden. Ik heb daareven al gesteld dat ik de 2,5 % besparing wil schrappen. Ook de aanwendingspercentages wil ik bekijken, bovendien zijn onderwerpen als het ondersteunend personeel, de leersabbats, het mentorschap, de leerlingenbegeleiding, de navorming, de prestatievermindering van de praktijkleraars, de loopbaandifferentiatie en de invulling van zorgverbreding en onderwijsvoorrang voor mij absoluut bespreekbaar.
Over de lonen kent u mijn standpunt, wat niet wegneemt dat ik niet blind ben voor het belang van goede verloning. U waarschuwt nochtans zelf voor het gevaar van internationale vergelijkingen, ik wil daar nog twee waarschuwingen aan toevoegen nl. die van al te oppervlakkige vergelijkingen met de privé-sector en die van een lineair denken over prestaties van leraren: er is vandaag zoveel verschil tussen de invulling van opdrachten dat alleszins gedifferentieerde taakinvulling zeker moet kunnen besproken worden. Ook dit is een kwestie van billijkheid en solidariteit. Laat mij dus samenvattend zeggen dat voor mij het voorstel van CAO V een goede basis blijft om onderhandelingen aan te vatten en dat onmiddellijk ook werk moet gemaakt worden van CAO VI waarin allerlei maatregelen in het kader van de herwaardering van de leraar moeten passen. Uiteraard zijn voorstellen altijd voor bijsturing vatbaar, maar daarvoor moet natuurlijk eerst onderhandeld worden. Nadien, als er duidelijkheid is rond de Vlaamse fiscale autonomie kan gesproken worden over loonsverhoging.
In de voorbije maanden en zeker ook weken zijn mijn relatie met de vakbond(en) en de rol die ik hen al dan niet zou toeschrijven, te vaak op een onjuiste, soms onheuse manier weergegeven. Ook de berichtgeving rond het afspringen van de CAO-onderhandelingen is, naar mijn gevoel, té ongenuanceerd en té oppervlakkig in het daglicht geplaatst door bepaalde media.
Daarom heb ik deze gelegenheid graag te baat genomen om mijn houding te verduidelijken, ja zelfs te verklaren. In tegenstelling tot wat sommigen denken, heb ik veel respect voor vakbonden in het algemeen, voor de gedrevenheid die hun woordvoerders eigen is en voor de inzet en de vasthoudendheid waarmee ze principes verdedigen. Ik heb zelf weinig ervaring met de interne werking van een vakbond, maar - ik ben historica van vorming - ik weet dus zeer goed welke belangrijke historische rol vakbonden gespeeld hebben in het tot stand komen van de huidige welvaartsmaatschappij, in het dichtrijden van klassenverschillen en in het sociaal comfort dat vandaag oor iedereen binnen handbereik ligt. Maar de samenleving is intussen geëvolueerd. Mensen zijn mondiger geworden, ze zijn beter geïnformeerd, zijn niet altijd meer zo enthousiast om hun woord door anderen te laten voeren. Ik ben, anderzijds, een fervent voorstander van veel rechtstreekse inspraak en directe medezeggenschap. Dit alles betekent dat ik in de vakbonden een even noodzakelijke als waardevolle gesprekspartner dacht te kunnen ontmoeten over alle onderwerpen die onderwijs en leraarschap aangaan. De expertise en terreinkennis die door vakbondsmensen vergaard is, mag door geen enkel beleidsverantwoordelijke terzijde gelaten worden. Maar dit betekent eveneens dat ik vind dat een minister van Onderwijs de plicht heeft veel en intens te moeten luisteren en debatteren met alle onderwijsactoren, dat hij of zij veel naar het veld moet trekken en ter plaatse moet aanvoelen wat er leeft. Daarom bezoek ik veel scholen en daar voel ik me zeer goed bij. Ik ben er vandaag meer nog dan 10 maanden geleden van overtuigd dat rechtstreekse contacten met het veld absoluut noodzakelijk zijn. Maar ik benadruk nogmaals dat dit geen afbreuk doet aan mijn respect en erkenning voor de taak en de rol van de vakbonden. Ik dank u.

Marleen Vanderpoorten

Vlaams minister van Onderwijs en Vorming

info : Nic Vandermarliere, woordvoerder van minister Vanderpoorten - tel. (02) 553 99 11 e-mail: (persdienst.vanderpoorten@vlaanderen.be)

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie