Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Kamervragen over uitvoeringsnota klimaatbeleid

Datum nieuwsfeit: 17-05-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

vragen inzake uitvoeringsnota klimaatbeleid

Gemaakt: 18-5-2000 tijd: 13:18


26 603 Uitvoeringsnota Klimaatbeleid Nr. LIJST VAN VRAGEN EN ............... Vastgesteld

De vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft over de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid, deel II de navolgende vragen ter ......... aan de regering voorgelegd. Deze vragen, alsmede de daarop op ... gegeven .......... zijn hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Reitsma

De griffier voor deze lijst,

Kroes

Hoofdstuk 1: Inleiding

§ 1.1 Doel van Uitvoeringsnota Klimaatbeleid, deel II

In paragraaf 1.1 staat het doel van de nota niet vermeld. Wat is het doel van de nota? (blz. 3)

Waarom wordt voor de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid, deel II een andere procedure gekozen dan voor deel I? Waarom is er geen verkenning gemaakt van opties en mogelijkheden? (blz. 3)

Deel II bestaat vooral uit onzekerheden. Hoe motiveert de minister dat desondanks van tevoren harde doelen voor beide delen zijn geformuleerd? Was het gezien de onzekerheden met Joint Implementation (JI), internationale emissiehandel en Clean Development Mechanism (CDM) niet wenselijker geweest om maximaal in te zetten op binnenlandse maatregelen en de bijdrage van de flexibele mechanismen in principe als aanvulling te beschouwen? (blz. 3)

Hoe zal de rapportage over het beleid van deze nota plaatsvinden? Wanneer wordt waarover en aan wie gerapporteerd? (blz. 3)

Betekent een reductieverplichting van 6% in de periode 2008 - 2012 een reductie van gemiddeld 50 Mton CO2-equivalent per jaar of geldt dit getal voor de hele periode 2008 - 2012? (blz. 3)

Waarom kiest Nederland voor een temperatuurcorrectie voor de CO2-emissie in 1990, waardoor zij daarmee afwijkt van de voorschriften van de IPCC om de feitelijke emissies in dat jaar voor de nulmeting te hanteren? (blz. 3)

Wat voor «onzekerheden» zijn er met betrekking tot de voorwaarden van de Kyoto-mechanismen? Wat zijn de hoofdpunten waarover getwist worden? (blz. 3)

Er wordt gesteld dat het potentieel en de kosten van de emissiereductie via de Kyoto-mechanismen moeilijk zijn te bepalen. Als blijkt dat het potentieel lager, en de kosten hoger uitvallen dan eerder geschat, worden er dan maatregelen genomen om binnen Nederland zelf tot een grotere reductie te komen dan de nu afgesproken 25 Mton CO2-equivalenten per jaar? (blz. 3)

Hoe draagt Nederland bij aan de leerervaring die opgedaan moet worden met de Kyoto-mechanismen? (blz. 4)

Kan de minister een overzicht geven van de Nederlandse financiële steun (bijvoorbeeld ODA, GEF, Worldbank, UNDP) voor ontwikkelingslanden ten behoeve van klimaatbeleid? Wat zijn de verwachte reducties (in Mton of CO2-equivalenten) die te halen zijn? (blz. 4)

Hoofdstuk 2: De Klimaatproblematiek

§2.1 Inleiding

Heeft de mogelijke temperatuurstijging alleen maar negatieve gevolgen voor de volksgezondheid of zijn er ook positieve effecten aan verbonden? (blz. 5)

Waarom staat er niets over de Noord Atlantische Oscillatie (NOA) in de paragrafen met betrekking tot de laatste wetenschappelijke inzichten? Is het aannemelijk dat er een verband bestaat tussen de NOA en klimaatverandering met alle gevolgen van dien, zoals duidelijk werd gemaakt in Frankrijk die getroffen werd door een zware storm afgelopen jaar? Formuleert de minister beleid om een antwoord te bieden op een vergelijkbare scenario als in Frankrijk gebeurt is? (blz. 5 - 10)

§2.2 Verandert het mondiale klimaat en wat zijn daar de oorzaken van?

Als temperatuurmetingen van vóór 1860 worden meegerekend, heeft dat dan invloed op de berekening van de gemiddelde temperatuurstijging? Komt de gemiddelde temperatuurstijging niet hoger te liggen als er eerdere metingen worden meegerekend? Zijn er in het verleden (vóór 1860) perioden geweest met dezelfde forse temperatuurschommelingen als in de periode 1860 - 2000? (blz.
5)

De ontwikkeling van de mondiaal gemiddelde temperatuur laat tussen 1880 en
1910 een daling zien. Voor de periode 1945 - 1975 geldt een daling van de stijging van de gemiddelde temperatuur. Dit zijn perioden met sterke economische groei. Waarom vindt er dan toch een daling van de (stijging van de) temperatuur plaats? (blz. 5)

§2.3.1 Zeespiegelstijging

Wat wordt verstaan onder «het uitzetten van zeewater»? Hoe verhouden zich de berichten in de media dat grote ijsbrokken in Antarctica zouden afbreken tot «het aangroeien van Antarctische ijsmassa's»? (blz. 7)

Volgens recente voorspellingen leidt een zeespiegelstijging van 40 centimeter in 2080 wereldwijd tot een additionele verhoging van het aantal mensen dat jaarlijks getroffen wordt door overstromingen. Hoeveel water is 40 centimeter stijging van de zeespiegel en waar komt al dat water vandaan? (blz. 7)

§2.3.4 Gevolgen voor de volksgezondheid

Wordt de toename van malaria in Nederland niet eerder verklaard door het toegenomen reisgedrag en het vastgestelde vernattingsbeleid? (blz.
9)

§2.4 Benodigd klimaatonderzoek

Welke financiële middelen zijn uitgetrokken voor een vervolg op het huidige Nationaal Onderzoeksprogramma Mondiale Luchtverontreiniging en Klimaatverandering? (blz. 10)

Veel vragen over oorzaken en gevolgen van klimaatverandering zijn nog onbeantwoord, maar duidelijk is dat de gemiddelde wereldtemperatuur in de 20e eeuw is toegenomen. Zijn er wetenschappers die menen dat de temperatuursstijging in de 20e eeuw niet aan menselijk handelen is toe te schrijven? (blz. 10)

Hoofdstuk 3: Internationale ontwikkelingen Kyoto-mechanismen

§3.2 Het Kyoto Protocol en het Actieplan van Buenos Aires

In het Klimaatverdrag (Rio de Janeiro, 1992) is er voor de industrielanden een stabilisatieverplichting voor CO2-emissies in het jaar 2000 opgenomen, op het niveau van 1990. Is deze nog steeds geldig en in hoeverre gaat Nederland aan deze verplichting voldoen? (blz. 11)

Over welke onderwerpen uit het Klimaatverdrag en het Kyoto Protocol zal zeker niet tijdens de Conferentie van Partijen in Den Haag (CoP-6) worden besloten? Met andere woorden, welke onderwerpen zullen in november 2000 nog niet zijn geregeld? (blz. 11 - 12)

Wat zal de inzet van de Nederlandse regering bij het CoP-6 zijn? Welke rol speelt Nederland in de tot nu toe gehouden inhoudelijke besprekingen met betrekking tot de Kyoto-mechanismen en welke richting gaan deze besprekingen op? Wordt de Kamer betrokken bij een eindoordeel over de afspraken van CoP-6? (blz. 12)

§3.3 De Kyoto-mechanismen

Waarom is de heffing waarvan de opbrengst ten goede komt aan ontwikkelingslanden die kwetsbaar zijn voor klimaatverandering (adaptatie) alleen van toepassing op CDM-emissiereducties? Maakt deze heffing CDM-investeringen minder aantrekkelijk? Waarom komen, naast heffingen, investeringsprojecten die ontwikkelingslanden minder kwetsbaar maken voor klimaatverandering niet eveneens in aanmerking voor CDM-emissiereducties? (blz. 13)

Het Kyoto Protocol bepaalt dat CDM-projecten en bereikte emissiereducties gecertificeerd moeten worden. Op welke wijze gaan de emissiereducties gecertificeerd worden en wie zorgt voor de handhaving daarvan? Is in het Klimaatverdrag en/ of het Kyoto Protocol voorzien in een onafhankelijk internationale certificeringsinstantie? Is het toezicht internationaal geregeld? (blz. 13)

Is de Nederlandse regering bereid om bij de verdere uitwerking van CDM het instrument 'sinks' onder de aandacht te brengen en op deze wijze het kappen van wouden in met name ontwikkelingslanden onder de aandacht te brengen? (blz. 13)

Wat is het standpunt van de minister ten aanzien van het idee emissiehandel pas toe te staan als een betrouwbare inventarisatie van emissies in 1990 overlegd kan worden? (blz. 13 - 14)

Bij internationale emissiehandel is het voor landen die onder het in de budgetperiode toegestane emissieniveau uitkomen mogelijk deze emissieoverschotten te verkopen (zogenaamde 'hot air'). Leidt een en ander niet tot windhandel, zonder dat daadwerkelijk iets aan emissiereducties wordt gedaan? Wordt het standpunt van de Europese Unie (EU) om emissiehandel te beperken tot de in werkelijkheid gerealiseerde emissiereducties gedeeld door landen als de Verenigde Staten (VS) en Japan? (blz. 13 - 14)

Een nadere invulling van het CDM ontbreekt. Zo is het nog niet duidelijk welke projecten kunnen leiden tot gecertificeerde emissiereducties. Hoe zal de minister voorkomen dat niet-duurzame technologieën en in Nederland niet-gewenste technologieën zoals kernenergie, onder het CDM gebracht worden? (blz. 13)

Wat is de reden dat CDM-emissiereducties die vóór de budgetperiode worden gerealiseerd wel mogen worden opgespaard ('banking') en wel mogen worden gebruikt om aan de Kyoto doelstelling te voldoen, terwijl dat voor JI-projecten niet het geval is, aangezien het toch uiteindelijk gaat om het terugdringen van emissies? Zal JI daardoor niet later van de grond komen, ondanks de proefprojecten waarvan sprake is? (blz. 14)

Zullen de CDM-emissiereducties die vanaf nu opgespaard kunnen worden met terugwerkende kracht van toepassing zijn, omdat internationaal nog niets geregeld is? (blz. 14)

Sluit de Nederlandse regering zich volledig aan bij het standpunt van de EU over de emissiehandel en de handel in 'hot air'? Hoe zal de beperking van de handel in 'hot air' worden uitgevoerd? Als het daadwerkelijk gaat om gerealiseerde emissiereducties, past handel van 'hot air' dan? Hoe zal Nederland omgaan met onbevredigende en vage afspraken bij de internationale afspraken ten aanzien van 'hot air' vaag of onbevredigend worden? Zal Nederland hieraan dan deelnemen? (blz.14)

Wat is het standpunt van de minister ten aanzien van het Zwitserse voorstel om tot 2008 de 'credits' van JI-projecten in Rusland en de Oekraïne, waar van 'hot air' sprake is, te halen uit het emissiebudget van deze beide landen? (blz. 14)

§3.4 Verder in het Kyoto Protocol

Zal de regering zich ervoor inzetten vluchten binnen de EU (één contractpartner) mee te tellen als CO2-emissie van de EU? (blz. 14)

Emissies in de internationale luchtvaart en het internationale maritieme verkeer worden nog niet opgenomen in de nationale emissiecijfers. Is de minister bereid om tijdens het CoP-6 aan te dringen op het opnemen van deze emissies in de nationale cijfers? (Blz. 14)

Omdat emissies in de internationale luchtvaart niet opgenomen hoeven te worden in nationale emissiecijfers bestaat er nog geen prikkel voor de sector om emissies te reduceren. Is dit ook het geval voor de nationale luchtvaart? Wordt de toename van het nationale luchtverkeer in de Verenigde Staten wel of niet meegeteld met betrekking tot de uitstoot van emissies? (blz. 14)

Wat is de stand van zaken ten aanzien van de afspraak in EU-verband om maatregelen voor de internationale luchtvaart te treffen? Is daar niet voor gekozen indien de luchtvaartemissies niet zouden worden aangepakt door het Kyoto Protocol? (blz. 14)

In hoeverre draagt de zogenaamde bunkerverklaring bij aan broeikasemissies, als de scheepsvaart accijnsvrij kan tanken? Als deze bijdrage hoog is, is de minister bereid om dit met de Europese partners aan te pakken? (blz. 14)

Het Kyoto Protocol stelt dat CO2 mogelijk ook kan worden vastgelegd via andere vormen van landgebruik. Kan de minister hier enkele voorbeelden van geven? Hoe denkt de minister over het inzetten van dit instrument? (blz. 14 - 15)

Het Kyoto Protocol biedt partijen de mogelijkheid om aan hun reductieverplichtingen te voldoen door binnenlandse vastlegging van CO2 in 'sinks' en via andere vormen van landgebruik. Wat wordt hieronder verstaan en zouden enkele voorbeelden kunnen worden gegeven van andere vormen van landgebruik? (blz. 14 - 15)

Zou door het toestaan van het gebruik van 'sinks' het mogelijk kunnen zijn dat aan de emissiereductiedoelstellingen van Kyoto wordt voldaan, zonder dat vermindering van verbranding van fossiele brandstoffen heeft plaatsgevonden? (blz. 14 - 15)

In het Kyoto Protocol staat dat binnenlandse maatregelen inzake bebossing en herbebossing na 1990 meetellen voor het behalen van de reductiedoelstelling. Wat is de relatieve betekenis hiervan voor een land als Nederland? (blz. 15)

Deelt de minister de mening dat het onderdeel bosbeheer en landgebruik de achilleshiel van de Kyoto afspraken is? Welke consequenties verbindt de minister aan de uitspraak dat de stimulans om primaire emissies te reduceren gehandhaafd moet blijven? (blz. 15 - 16)

Als vierde reductiemechanisme wordt er gesproken over de 'bubble' optie, waarbij mogelijkerwijs Rusland en de Verenigde Staten tot onderling emissiehandel kunnen overgaan. Wat is de reactie van de minister op deze optie? Is dit in feite een ontsnappingsmogelijkheid voor landen die niet aan hun reductieverplichtingen willen of kunnen voldoen? Is de minister bereid deze optie toe te laten ter wille van ratificatie door de Verenigde Staten of blijft de minister het EU standpunt verdedigen? (blz. 16)

Op welk tijdstip kan het door de Europese Commissie opgestelde groenboek over de rol van emissiehandel in de EU verwacht worden? Wat voor gevolgen heeft het groenboek voor het «Benchmarking Convenant»? Kan emissiehandel, nog meer dan 'benchmarking', een stimulans beiden voor emissiereducties in het bedrijfsleven? (blz. 16)

Is het juist dat de inzet van ontwikkelingsgelden voor klimaatbeleid strijdig is met zowel het Kyoto Protocol als met afspraken in OECD verband? (blz. 16)

Kan een schets worden gemaakt van een gewenst nalevingsregime? Is de minister voorstander van een systeem van forse boetes? (blz. 16)

Wat is het standpunt van de minister ten aanzien van de optie, naar aanleiding van internationale kritiek, CDM uit ODA middelen te halen, met uitzondering van het geld dat bestemd is voor capaciteitsopbouw? (blz. 17)

§3.5 Belangen bij de uitwerking van het Kyoto Protocol

Volgens het Kyoto Protocol mogen de in Annex I opgenomen partijen slechts een deel van hun verplichting realiseren door middel van het gebruik van CDM (Kamerstukken II, 1999 - 2000, 27 089 (R 1652), nr. 3, blz. 15). In de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid, deel II wordt gesteld dat de EU voorstander is van een evenredige inspanning in binnen- en buitenland, maar dat verschillende landen tegen een gekwantificeerde beperking van het gebruik van de Kyoto-mechanismen zijn. In hoeverre valt voor 50% of meer gebruikmaken van de Kyoto-mechanismen nog binnen het Kyoto Protocol? (blz. 18)

Er wordt gesteld dat de EU vindt dat Annex I-partijen pas gebruik mogen maken van de Kyoto-mechanismen, als ze gebonden zijn door het nog uit te werken nalevingsregime van het Kyoto Protocol. Wat wordt hier bedoeld en waaruit zal het nalevingsregime vermoedelijk bestaan? (blz. 18)

Welke reden heeft de EU om 'sinks' vooralsnog van het CDM uit te sluiten? Zal de minister het principiële standpunt innemen dat 'sinks' geen onderdeel horen te zijn van CDM? Zal de minister in het eigen beleid aan dit principe vasthouden? Is de Minister bereid een plafond voor emissies in het buitenland los te laten, ten gunste van mogelijke ratificatie door de Umbrella-groep, waardoor de binnenlandse verplichtingen lager worden? (blz. 18)

Betekent het uitsluiten van 'sinks' projecten in het kader van CDM dat de 'Face'-projecten niet mogen worden meegerekend? Wat heeft dit voor gevolgen voor de 'Face'-projecten in Uganda en Ecuador? (blz. 18)

Hoeveel geld wordt voor adaptatie beschikbaar gesteld? Is de minister bereid om, aanvullend op de bestaande afspraken, een adaptatiefonds voor de gevolgen van klimaatverandering in ontwikkelingslanden in het leven te roepen, welke uiteraard niet gevoed wordt door ODA gelden? Wat voor effect heeft een adaptatieheffing voor de prijsvorming van emissiereducties in ontwikkelingslanden (CER's)? Is het mogelijk dat dit door kostenafwenteling averechts werkt voor ontwikkelingslanden?

(blz. 18 - 19)

Waarop is het verzet gebaseerd van Annex I-landen, tegen het streven naar een heffing voor JI en internationale emissiehandel? (blz. 19)

Op welke wijze zal ervoor worden gezorgd dat de invulling van het internationale deel van de verplichtingen per land wordt geobjectiveerd? Zal doorzichtigheid worden bereikt door openheid van de projecten en het certificatensysteem? (blz. 19)

Hoe wordt de uitvoering van het Kyoto Protocol gehandhaafd? Hoe gaat het monitoring- en verificatiesysteem eruit zien? Wordt er een boete geheven als landen hun emissiereductie niet halen? (blz. 19)

Hoofdstuk 4: De inzet van de mechanismen door Nederland

§4.1 Inleiding

Kan een overzicht worden gemaakt van alle te nemen maatregelen? Met welk Kyoto-mechanisme wil Nederland welk deel van de doelstelling halen en wat zullen de kosten per instrument zijn? (blz. 20)

Zal Nederland ook samenwerken met landen die Kyoto nog niet hebben geratificeerd en die niet voldoen aan de monitoring- en rapportageverplichting voor JI en CDM? (blz. 20)

Wordt de Kamer betrokken bij de keuze van concrete projecten en maatregelen, conform de procedure bij deel I? Hierbij werden eerst de concrete opties uitgewerkt, daarna een politieke keuze gemaakt en tot slot de maatregelen uitgevoerd. (blz. 20)

§4.2 Ervaringen met het Proefprojecten Programma voor Joint Implementation (PPP-JI)

Welke andere Europese landen hebben proefprojecten in het kader van de Joint Implementation (JI) opgezet? Tot welke reducties leidden deze proefprojecten en wat waren bij die projecten de kosten per ton vermeden CO2-equivalenten? (blz. 20)

Welk percentage voor de koper wordt nagestreefd bij JI en CDM? (blz.
20)

Hoewel eind 1999 het PPP-JI beëindigd is, zal Nederland het ontwikkelen van nieuwe proefprojecten in ontwikkelingslanden voortzetten. Hoe zal dit gefinancierd worden? Door welk ministerie wordt de financiering voor het verder ontwikkelen van proefprojecten betaald? (blz. 22)

Is het niet moeilijk om alle doelstellingen voor proefprojecten in ontwikkelingslanden te realiseren? Wat wordt er bijvoorbeeld gedaan als een project onvoldoende een klimaatprofiel heeft en puur is gericht op waterzuivering, wat deels ook van belang is voor klimaatadaptatie? (blz. 22)

§4.3 Overwegingen bij de inzet van middelen

Als prijs een belangrijk uitgangspunt is voor reducties in het buitenland, hoe worden lange termijn perspectieven dan meegenomen? Is het bijvoorbeeld niet aannemelijk dat binnenlandse maatregelen op de korte termijn duur zijn, maar op de lange termijn kosteneffectief? (blz. 22)

Wat zijn de kwaliteitscriteria bij de inzet van de Kyoto-mechanismen? Wil de minister nog voor het zomerreces een afwegingskader voor de kwalitatieve beoordeling van projecten voor JI en CDM aan de Kamer sturen? (blz. 22)

Hoe verhoudt zich het uitgangspunt dat Kyoto-mechanismen alleen worden ingezet, indien de in het buitenland gerealiseerde reducties goedkoper zijn dan maatregelen in Nederland zich tot de keuze van het kabinet om in ieder geval 50% van de nationale doelstelling via deze mechanismen te willen invullen? Maakt het genoemde uitgangspunt een van tevoren vast te stellen kwantitatieve doelstelling niet onmogelijk? (blz. 22)

Deelt de minister de opvatting dat bijvoorbeeld duurzame energie, decentrale opwekking, energiebesparing, opleiding en een verandering van energie-infrastructuur kwalitatief beter zijn dan bijvoorbeeld eenmalige investeringen in grootschalige technologieën en andere centrale en moeilijk te implementeren technologieën? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt hij hier aan? (blz. 22)

§4.4 Inzet van de middelen

Kan een overzicht worden gemaakt van de herkomst en de bestemming van alle gelden? (blz. 24)

Binnen de EU is behoorlijk veel kritiek geweest op het inzetten van ODA middelen voor CDM. Hoe denkt de minister deze kritiek te ondervangen? (blz. 24)

Hoe denkt de minister over de mogelijkheid dat de koper van reductieverplichtingen het risico draagt voor de werkelijk behaalde reducties, met name als het om 'sinks' gaat? (blz.24)

Voor CDM waarmee reductieprojecten worden gecombineerd met klimaatbreed ontwikkelingsbeleid, wordt in de huidige regeerperiode fl. 500 miljoen ingezet ten laste van ODA middelen binnen HGIS, zoals afgesproken in het regeerakkoord. Wordt hiermee Nederlands klimaatbeleid gevoerd via ontwikkelingslanden? Wat is hiervan de logica? Waarom heeft de regering niet overwogen de inzet van ODA middelen te beperken tot adaptatiemaatregelen? (blz. 24)

Bij de uitvoering van ontwikkelingsbeleid wordt uitgegaan van de vraag van ontwikkelingslanden zelf, waardoor met de landen van de landenlijst overleg gevoerd wordt over de sectoren die zij als prioritair aanwijzen. De belangstelling en prioriteitsstelling voor nationaal klimaatbeleid in ontwikkelingslanden zijn zeer beperkt. Toch wordt voor CDM in de huidige regeerperiode fl. 500 miljoen gulden ingezet die deels gefinancierd worden uit ontwikkelingsgelden. Is dit niet tegenstrijdig met elkaar? (blz. 24)

Hoofdstuk 5: Samenwerking met Annex I-landen: Joint Implementation

§5.2 Het PPP-JI en projectervaring in Midden- en Oost-Europa

Nederland heeft inmiddels afspraken gemaakt over 'credit-sharing' met Roemenië Bulgarije, Rusland en Polen. Hebben andere landen eveneens reeds 'credit-sharing' afspraken gemaakt met deze landen? Zo ja, hoe verhouden zich de Nederlandse afspraken tot die van andere landen? (blz. 26)

Zijn andere EU lid-staten eveneens gebonden aan de door het Ministerie van Economische Zaken ontwikkelde Europese aanbestedingsprocedure (Emission Reduction Unit Purchasing Tender, oftewel ERUPT) voor de aankoop van Emission Reduction Units (ERU's)? Zo ja, hoe kan het ministerie een Europese regeling treffen? Zo nee, wat is dan de betekenis van de aanbestedingsprocedure? Hoe is een en ander geregeld voor niet EU lid-staten? Ontstaat hier dezelfde discussie als bij gebonden c.q. niet-gebonden ontwikkelingshulp? (blz. 28)

Indien een (Nederlands) bedrijf een bedrijf in Oost-Europa koopt en zodanig saneert dat (aanzienlijk) minder broeikasgassen worden uitgestoten, mag deze reductie dan verkocht worden aan de Nederlandse overheid, zodat deze op de Nederlandse verplichting in mindering mag worden gebracht? In hoeverre moet de projectomschrijving eerst zijn goedgekeurd en in hoeverre kan de winst alsnog ex-post worden verrekend? (blz. 28 - 29)

Hoe wordt voorkomen dat JI-projecten vastlopen in de internationale bureaucratie? (blz. 28 - 29)

§5.4 Validatie en certificatie

Gedurende het PPP-JI was de registratie van de reductieprojecten een taak van het Joint Implementation Registration Centre (JIRC). Dit bureau was een samenwerkingsverband tussen Senter en KEMA en het contract is per 31 december 1999 afgelopen. Zou een nieuwe validatie-instelling geen internationale instelling moeten zijn, zeker nu de taakstelling meer moet gaan lijken op normale certificeringsactiviteiten? (blz. 29)

§5.5 Groenfinanciering buitenland

Wat zijn de huidige knelpunten van de regeling Groenfinanciering? (blz. 30)

Kunnen bedrijven altijd gebruik maken van groeifinanciering als hun investeringen leiden tot, grote, emissiereducties van broeikasgassen? (blz. 30)

§5.6 Multilaterale samenwerking: het PCF van de Wereldbank

De Wereldbank schat dat een ton CO2-equivalenten tussen $5,- en $10,- kost. In 2002 zal Nederland fl. 300 miljoen voor CDM-projecten ten laste van ODA middelen brengen. Bij een gemiddelde prijs van $7,50 per ton CO2-equivalenten wordt dan meer dan driekwart van de 25 Mton die in het buitenland gerealiseerd mag worden met ODA middelen bereikt. Is dit juist? Zo ja, wat is de reactie van de minister hierop? (blz. 30)

Hoofdstuk 6: Samenwerking met Annex I-landen: Internationale Emissiehandel

§6.3 Emissiehandel tussen bedrijven

In hoeverre kan Nederland zich bij een nationaal emissiehandelssysteem in Denemarken en het Verenigd Koninkrijk aansluiten? Welke initiatieven worden in EU-verband ontwikkeld? (blz. 31)

Hoofdstuk 7: Samenwerking met non-Annex I-landen: het CDM

§7.2 Ervaringen met AIJ

Is de minister bereid ten aanzien van CDM te werken met een positieve lijst van projecten een maatregelen en deze ter bespreking voor te leggen aan de Kamer? Is de minister voorstander van een lijst met 'positieve' klimaattechnologieën op internationaal niveau, waarbij de export van kennis over klimaat- en milieuonvriendelijke technologieën (kolen, kernenergie, waterkracht) aan banden wordt gelegd? Is de minister bereid een dergelijke 'positieve' lijst op internationaal niveau te promoten? (blz. 33, blz. 39)

Welke zijn de dertien landen uit de projectenportefeuille van het ontwikkelingssamenwerkingsdeel van de PPP-JI? Staan deze landen ook op de milieulijst van het ministerie van Buitenlandse Zaken? Hoeveel bedraagt de projectenportefeuille, uitgedrukt in geld? (blz. 33)

Hoe ziet de verdeling van de emissiereducties eruit? Is deze altijd hetzelfde of is het onderwerp van onderhandelingen? (blz. 33)

Een cruciaal element van CDM is het ontwikkelingsaspect. Laat het ontwikkelingssamenwerkingsdeel van de PPP-JI op dat punt een substantieel verschil zien met de overige PPP-JI? (blz. 33)

Bij welke landen bedraagt de ontwikkelingshulp meer dan 0.7% van het Bruto Binnenlands Product (BBP) en bij welke landen bedraagt het meer dan 0.8%? (blz. 33)

Wat is de reden dat de ervaring met AIJ-projecten op het Afrikaanse continent duidelijk achter lopen bij andere regio's? (blz. 33)

§7.3 Het Clean Development Mechanism

Deelt de minister de mening dat kernenergie geen enkele rol kan spelen binnen CDM? Hoe kijkt de minister aan tegen kolencentrales en grootschalige waterkracht als onderdeel van CDM? (blz. 34)

Hoe wordt de fundamentele onzekerheid van CDM, dat het altijd zeer moeilijk zal blijven te bepalen of de afgesproken vermijding van emissies gehaald is, omdat het nauwelijks mogelijk is achteraf een inschatting te maken van het energieverbruik zonder CDM-projecten, ondervangen? (blz. 34)

Wat wordt bedoeld met het begrip 'equity'? (blz. 34)

Hoofdstuk 8: Samenwerking met non-Annex I-landen: klimaatbeleid

§8.1 Inleiding

Wat wordt bedoeld met capaciteitsopbouw? (blz. 36)

Wanneer kan de Kamer de handleiding voor de ontwikkeling van klimaatbeleid tegemoet zien? (blz. 36)

§8.3 Adaptatie

Nederland is voornemens ontwikkelingslanden te steunen bij het opvangen van de gevolgen van klimaatverandering. In hoeverre kan zij dit doorzetten als ontwikkelingslanden zelf dit niet als prioriteit hebben aangemerkt en het ook niet hebben laten terugkomen in hun sectorkeuze binnen het ontwikkelingsbeleid? Met andere woorden, hoe wil de minister omgaan met het uitgangspunt van 'ownership'? (blz. 38, blz. 41)

Hoe wordt handen en voeten gegeven aan het bosbeheer, aangezien dit van belang is voor mitigatie? Is de minister bereid te werken met ecoregio's, aangezien bossen vaak grensoverschrijdend zijn? (blz. 39)

§8.4 Mitigatie

Hoe verhoudt het uitgangspunt van 'ownership' van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid zich met de opmerking dat de belangstelling en prioriteitstelling voor nationaal klimaatbeleid in ontwikkelingslanden zeer beperkt zijn? Welke gevolgen heeft dit voor de vooraf door het kabinet vastgestelde absolute doel voor flexibele instrumenten en het CDM aandeel hierin? (blz. 40)

Bijlage I Hoofdlijnen van het OS beleid, bijlage bij hoofdstuk 7

In de nota wordt gesteld dat sectorale benadering een grote inzet van de Posten vergt. Betekent dit dat de Posten extra capaciteit krijgen en uitgebreid worden met sectorspecialisten, bijvoorbeeld op het gebied van milieu? (blz. 41)

Wat is het standpunt van de minister ten aanzien van het 'equity' beginsel dat alle wereldburgers in principe een gelijk aandeel aan CO2-emissies verdienen, op basis waarvan in een duurzame wereld de ruimte voor elke wereldburger circa 1,7 ton CO2 per jaar is? Hoe plaatst de regering dit beginsel tegenover de 'grandfather' opstelling die uitgaat van de emissie in
1990? (blz. 41)

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie