Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

VU&ID-kamerfractie verfijnt parlementaire democratie

Datum nieuwsfeit: 17-05-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Volksunie

VU&ID-kamerfractie verfijnt parlementaire democratie (17/05/00)

Vandaag verschaften VU-voorzitter Geert Bourgeois en voorzitter van de VU&ID-kamerfractie Frieda Brepoels deskundige toelichting bij een pakket van vijf wetsvoorstellen ter verfijning van de parlementaire democratie.

NPC is verworden tot een modewoord dat te pas en, vooral, te onpas in de mond wordt genomen. Vandaag roept VU&ID de andere partijen op om de daad bij het woord te voegen en vijf concrete wetsvoorstellen ter zake mee te ondersteunen.
VU&ID stelt zich tot doel de gangbare perceptie te doorbreken dat de wetgevende macht in een ondergeschikte verhouding staat tot de uitvoerende. De wetgevende macht dient terug haar rol op te eisen als eerste macht en dat kan enkel aan de hand van een slagkrachtig, geïnformeerd en efficiënt parlement.

I. Een adviescomité voor de deontologische code

Ht federale regeerakkoord vermeldt dat de meerderheidspartijen het parlement zullen uitnodigen in zijn schoot een deontologische commissie op te richten die ter zake een rechtspraak moet ontwikkelen. Uit de context blijkt dat vooral wordt gedacht aan de problematiek rond de cumulatie van ambten en de onverenigbaarheden, zowel voor de publieke als de private sector. Naar aanleiding van de benoeming van drie regeringscommissarissen diende VU&ID een voorstel in tot oprichting van een adviescomité voor de deontologische code (37/1-1999).
Tot onze grote verbazing was er, zacht uitgedrukt, vanwege de meerderheid helemaal geen interesse voor het voorstel. Op voorstel van de Kamervoorzitter werd het zelfs uitgesteld, sine die. Slechts na ons uitdrukkelijk protest werd het voorstel verdaagd tot oktober.
Een en ander had wellicht te maken met het feit dat VU&ID als eerste punt in de deontologische commissie de zaak van de regeringscommissarissen wilde agenderen. Bepaalde regeringscommissarissen maakten immers deel uit van de uitvoerende macht, die zij als parlementair verondersteld werden te controleren.

II. Wetsvoorstel tot het verlenen van machtiging om in rechte op te treden namens de staat.

Herhaaldelijk is gebleken dat de staat nalatig is of zelfs helemaal stilzit wanneer de belangen van de gemeenschap in rechte moeten verdedigd worden. Zo ging de staat slechts schoorvoetend en na herhaalde parlementaire tussenkomsten over tot het vordering van een vergoeding voor de schade die zij leed tengevolge van de UNIOP-zaak. In de Agusta-zaak vertoonde de staat eenzelfde lethargie.

Nochtans heeft de wetgever op gemeentelijk vlak rekening gehouden met dergelijke verwerpelijke toestanden en de wakkere burger een efficiënt wapen ter hand gesteld. Art. 271, § 1 van de Gemeentewet bepaalt dat wanneer het College van Burgemeester en Schepenen niet in rechte optreedt, één of meer inwoners in rechte kunnen optreden namens de gemeente.
Huidig voorstel voorziet dan ook, bij stilzitten van de betrokken minister(s), in de mogelijkheid voor één of meer federale parlementsleden om in rechte op te treden namens de staat.
III. Voorstel tot aanvulling van het reglement van de Kamer van Volksvertegenwoordigers met een bepaling betreffende de inlichtingenplicht en de opvolging van besluiten en toezeggingen

Dit voorstel verplicht ministers tot het leveren van een bevredigend, niet-ontwijkend, kortom een écht afdoend antwoord op vragen van parlementsleden. Aan de voorzitter van de Kamer en aan de voorzitters van de commissies wordt opgedragen om ambtshalve een minister ter verantwoording te roepen wanneer deze een onvolledig antwoord geeft, er zich van afmaakt, of helemaal geen antwoord geeft. Naast deze publieke blaam, zal het parlement geen wetsontwerpen van de betrokken minister meer behandelen indien minstens tien schriftelijke vragen langer dan drie maanden na hun indiening onbeantwoord blijven.

Wanneer door de Ministers bepaalde toezeggingen worden gedaan, wanneer bepaalde afspraken worden gemaakt, dan dient een en ander ambtshalve opgevolgd te worden en desnoods opnieuw geagendeerd te worden door de parlementaire diensten. Voor een individueel parlementslid is het haast ondoenbaar alles op te volgen en te agenderen. In een aantal assemblees in het buitenland gebeurt dit met succes. De opvolging van toezeggingen geldt zeker voor goedgekeurde moties van aanbeveling. In dit geval is de opvolging dwingend. Ook wanneer tijdens de commissievergaderingen door de Minister wordt beloofd om verdere details n.a.v. een vraag of interpellatie schriftelijk te bezorgen geldt deze opvolging.

IV. Wetsvoorstel betreffende de uitoefening van het parlementair mandaat en de mededelingsplicht van de regering

In het kader van een pleidooi voor een sterker, beter en efficiënter parlement moet het een algemeen principe zijn dat de uitvoerende macht verplicht is inlichtingen te verstrekken aan het individuele parlementslid. Zo moet ieder parlementslid principieel het individuele recht op inzage en afschrift van alle akten en elk stuk aangaande het bestuur van de Staat hebben.
Voor ons kan moeilijk aanvaard worden dat een gemeenteraadslid, dat over een inzagerecht en recht van afschrift beschikt, mutatis mutandis, over een groter controlerecht zou beschikken dan een parlementslid.

Voorheen werd beweerd dat omwille van de scheiding der machten parlementsleden geen recht op inzage van bestuursdocumenten hebben. Deze stelling gaat voorbij aan het recht en de plicht tot controle van de uitvoerende macht door het parlement.
Daarnaast beoogt dit voorstel tevens de regeling van het bezoekrecht aan federale diensten en inrichtingen, ten einde het parlementslid de mogelijkheid te geven zich de visu van de toestand ter plekke te kunnen vergewissen.

Tot slot dienen door de regering goedgekeurde voorontwerpen van wet onverwijld te worden meegedeeld aan de parlementsleden. Deze voorontwerpen worden ter griffie ingediend en door de diensten van de assemblees onverwijld aan de leden voorgelegd.

Op het ogenblik dat een voorontwerp van wet wordt goedgekeurd door de ministerraad is het een bestuursdocument, in de zin van artikel 1, tweede lid, 2°, van de wet van 11 april 1994 dat een bestuursdocument definieert als alle informatie, in welke vorm ook, waarover een administratieve overheid beschikt. Het recht op raadpleging en afschrift van elk bestuursdocument, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald door de wet, is een grondrecht, als dusdanig opgenomen in artikel 32 van de Grondwet.

V. Wetsvoorstel betreffende de parlementaire controle op de samenwerking inzake justitie en binnenlandse aangelegenheden binnen de Europese Unie (Titel VI van het Verdrag inzake de Europese Unie - de "Derde Pijler").

Meer en meer omvattende besluitvorming komt op Europees niveau tot stand. Deze besluitvorming wordt gekenmerkt door een dubbel democratisch deficit, inzonderheid wat de zogenaamde derde pijler betreft waarop het verdrag berust. Men is gemeenzaam van deze drie pijlers gaan spreken:

- De eerste (communautaire) pijler (titels II, III, IV) met wijzigingen in de EEG-, de EGKS en de EURATOM verdragen.
- De tweede (intergouvernementele) pijler: het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid. (titel V van het verdrag)
- De derde (intergouvernementele) pijler met betrekking tot de samenwerking op het vlak van justitie en binnenlandse zaken. (titel VI van het Unieverdrag)

Voor de uitwerking van deze politiële en justitiële samenwerking creëert het verdrag geen eigen structuur. De gewone instellingen van de Unie zijn bevoegd. Hier speelt echter volop het intergouvernementele karakter. Het is de Raad van Ministers (de zogenoemde J.B.Z.-Raad) die het initiatief en het beslissingsrecht heeft. (art. 34). De Raad kan o.a. kaderbesluiten aannemen voor de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten. Deze kaderbesluiten zijn verbindend voor de Lid-Staten ten aanzien van het te bereiken resultaat, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen. Zij hebben geen rechtstreekse werking. erder werd een coördinatiecomité van hoge ambtenaren opgericht dat o.a. de voorbereiding van de werkzaamheden van de Raad op zich neemt. (art. 36). .a.w.: de Raad van Ministers treedt in deze op als "wetgever".

De Nationale parlementen van de Lid-Staten hebben hun bevoegdheden gedelegeerd. Zij kunnen alleen nog hun eigen minister of staatssecretaris ter verantwoording roepen.

Het in 1985 in de schoot van de Kamer opgerichte Adviescomité voor Europese Aangelegenheden - bestaande uit Kamerleden en Europarlementairen en sinds 1990 aangevuld met Senatoren - levert adviezen, voorstellen van resolutie en aanbevelingen op, die worden voorgelegd aan de plenaire vergadering, dan wel aan de commissie die erom verzocht.

In het kader van de « Eerste Pijler » is de regering krachtens artikel 4 van de Bijzondere Wet tot Hervorming der Instellingen verplicht alle besluiten van de Europese Commissie naar de Kamers te zenden. Ook de notulen van de zittingen van de Raad van Ministers moeten sinds 1993 worden opgestuurd naar de Kamers.

In het kader van de « Tweede » en « Derde Pijler » doet de regering geen voorstellen van de Commissie of de overige Lidstaten aan één van de Kamers toekomen. De controle beperkt zich daar tot de gebruikelijke parlementaire controlemethoden, zoals hoorzittingen, interpellaties, mondelinge of schriftelijke vragen. Ook de Belgische Europarlementairen kunnen vragen stellen, maar de procedure is te tijdrovend om impact te hebben vooraleer de Raad beslissingen neemt. De goedgelovige parlementair kan eventueel hopen dat de Minister spontaan ter voorbereiding van een Europese top in het parlement debatteert. Dat gebeurt echter zelden en is vrijblijvend.

Met ons voorstel wordt resoluut gekozen voor het Nederlandse systeem waardoor een degelijke ex ante controle mogelijk wordt. De facto gaat het om een medebeslissingsrecht.

Auteur:
Geert Bourgeois (Algemeen voorzitter ), Frieda Brepoels (Fractievoorzitter Kamer)

Meer informatie:
Contactpersoon: Ben Weyts, woordvoerder VU
Telefoon: 02/219.49.30
Fax: 02/217.35.10
E-post: (ben.weyts@vu.be)
Url: www.vu.be

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie