Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief VROM inzake persistente organische stoffen

Datum nieuwsfeit: 23-05-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief VROM inzake persistente organische stoffen
Gemaakt: 5-6-2000 tijd: 14:57


5

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 23 mei 2000

Geachte Voorzitter,

Hierbij informeer ik u over de stand van zaken van de onderhandelingen over een internationaal verdrag inzake een verbod op persistente organische stoffen (POP's) waarvan de totstandkoming thans in UNEP-verband wordt voorbereid. De laatste onderhandelingsronde tot nu toe vond plaats van 20 tot 25 maart j.l. te Bonn.

Achtergrond

Persistent Organic Pollutants (POP's) is de aanduiding voor verschillende stabiele chemische verbindingen die persistente, toxische en bio-accumulerende eigenschappen hebben en daardoor een bedreiging vormen voor mens en milieu. Vanwege hun persistentie en hun accumulerende eigenschappen, gepaard gaand met een beperkte vluchtigheid, slaan deze stoffen, al dan niet na transport over langere afstanden, neer in gematigde en polaire klimaatzones. Door hun persistentie in het milieu en de combinatie van toxiciteit en accumulatie binnen de voedselketen, zijn POP's zeer ongewenst De stoffen hopen zich met name op in vetweefsel en vormen een bedreiging voor de gezondheid en het voortplantingsvermogen van mens en dier. Zo zijn PCB's onder meer aangetroffen in ijsberen, zeehonden en walvissen. Ook zijn in diverse regio's in moedermelk zorgwekkend hoge concentraties van deze stoffen gevonden.

Sommige POP's worden gebruikt als bestrijdingsmiddelen, andere worden toegepast in electrische apparatuur of in de proceschemie. Daarnaast ontstaan bepaalde POP's als ongewenste bijproducten bij verbrandingsprocessen (dioxines). De voornaamste POP's, zoals «drins», DDT, en PCB's, zijn in OESO-landen reeds geruime verboden of in ieder geval streng beperkt. Na beëindiging c.q. beperking van het gebruik van POP's in OESO-landen heeft een verschuiving van de productie en het gebruik plaatsgevonden naar ontwikkelingslanden en Oosteuropese landen. Het gebruik van chemicaliën in ontwikkelingslanden geschiedt echter in een rap tempo zonder dat de ontwikkeling van adequate beheersmaatregelen daarmee gelijke tred houdt. Voorkomen moet worden dat deze landen in een toestand terecht komen waarbij alleen nog een kostbare sanering achteraf mogelijk is. Uit een inventarisatie die de FAO, o.a. met financiële steun van Nederland, heeft uitgevoerd naar de problematiek van «obsolete pesticides» in ontwikkelingslanden, kan worden afgeleid dat het oplossen van deze problematiek een gedeelde verantwoordelijkheid is van zowel importerende landen, exporterende landen als de chemische industrie. Een wereldwijde aanpak voor eliminatie van oude voorraden en het voorkomen van nieuwe voorraden is noodzakelijk. Vervolgens dient een infrastructuur opgezet te worden voor het verwijderen en vernietigen van PCB's uit verouderde transformatoren en condensatoren en tenslotte zullen partijen zich moeten inspannen om het vrijkomen van ongewenste bijproducten zoals dioxines te reduceren.

Niet alleen vanuit economische overwegingen maar ook vanwege het mondiale karakter van de milieu- en gezondheidsgevolgen van het gebruik van deze stoffen, is een wereldwijde geharmoniseerde aanpak dan ook noodzakelijk gebleken.

Internationale afspraken

Tot 1992 beperkten de internationale activiteiten ten aanzien van POP's zich hoofdzakelijk tot de ontwikkeling van instrumenten voor het uitvoeren van risicobeoordelingen van milieugevaarlijke stoffen. Tijdens de United Nations Conference on Environment and Development (UNCED) in 1992 in Rio de Janeiro werd Agenda 21 aanvaard als uitgangspunt voor internationaal milieubeleid voor de 21e eeuw.

In februari 1995 aanvaardde de Beheersraad van het United Nations Environment Programma (UNEP) beslissing 18/32 waarin het International Organization Programme on the Sound Management of Chemicals (IOMC), het International Forum on Chemical Safety (IFCS) en het International Programma on Chemical Safety (IPCS) werden uitgenodigd om een voorlopige lijst van 12 persistente en toxische stoffen (de zogenaamde «dirty dozen») te beoordelen. Het gaat daarbij om 8 bestrijdingsmiddelen (aldrin, chloordaan, DDT, dieldrin, endrin, heptachloor, mirex en toxafeen), 2 industriële chemicaliën (hexachloorbenzen en PCB's) en 2 soorten bijproducten (dioxines en furanen).

IFCS organiseerde vervolgens een Ad Hoc Working Group on POP's die een werkplan voor deze beoordeling heeft opgesteld. In juni 1996 werd door de Ad Hoc Working Group on POP's in Manilla geconcludeerd dat de beschikbare informatie over de twaalf geïdentificeerde persistente stoffen, voldoende aanleiding was voor een aanbeveling om wereldwijde risico-reducerende maatregelen te nemen, waaronder internationaal bindende verdragsafspraken.

In februari 1997 aanvaardde de Beheersraad van UNEP de conclusies en aanbevelingen van de Ad Hoc Working Group on POP's. Aan UNEP werd verzocht om, in samenwerking met de Wereld Gezondheidsorganisatie en andere relevante organisaties, een Intergovernmental Negotiating Committee (INC) in het leven te roepen met het mandaat om in 2000 een verdrag tot stand te brengen dat in eerste instantie maatregelen behelst ten aanzien van de twaalf geïdentificeerde stoffen, maar tevens de mogelijkheid bevat tot verbreding naar andere persistente stoffen. Daarmee werd het initiatief geboren om te komen tot een UNEP POP's-verdrag.

Relatie met VN-verdrag van Rotterdam (PIC)

In september 1998 is het Verdrag van Rotterdam tot stand gekomen.

Dit verdrag bevat regels voor de internationale handel in milieugevaarlijke stoffen. In het bijzonder gaat het om de uitwisseling van informatie tussen exporterende en importerende landen en een

zogenoemde «prior informed consent»-procedure (PIC). Het verdrag heeft betrekking op een aantal

stoffen waarop ook het POP's -verdrag van toepassing zal zijn. Na het Verdrag van Rotterdam

luidt het POP's verdrag derhalve een tweede fase in op weg naar een wereldwijde aanpak voor «chemical management».

Relatie met VN- ECE verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand; Protocol inzake POP's

Het UNEP POP's-verdrag heeft een relatie met het in juni 1998 op basis van bovengenoemd verdrag ondertekende Protocol inzake POP's. Dat protocol is in het kader van de VN-Economische Commissie voor Europa (ECE) tot stand gekomen en heeft betrekking op 16 stoffen. De reikwijdte van het protocol is echter beperkt tot het terugdringen van atmosferische verontreiniging door POP's. Bovendien is het geografisch beperkt in zijn toepassingsgebied.

Vier onderhandelingsrondes

Inmiddels hebben 4 onderhandelingsrondes plaatsgevonden binnen het International Negotiating Committee (INC). De laatste onderhandelingsronde vond plaats van 20 tot en met 25 maart 2000 in Bonn. Tijdens deze vierde vergadering bood Duitsland Bonn aan als locatie voor de huisvesting van het toekomstige secretariaat van het POP's verdrag, in aanvulling op het reeds bestaande aanbod om het secretariaat van het verdrag van Rotterdam over Prior Informed Consent (PIC) in Bonn te vestigen. Tijdens de eerste drie vergaderingen van het INC was reeds goede voortgang geboekt met de ontwikkeling van het raamwerk voor het verdrag en de invulling van de meer algemene artikelen.

Elementen van het verdrag

Het raamwerk voor het UNEP POP's-verdrag, is in hoofdlijnen gebaseerd op een zevental elementen. Deze elementen zijn:

het opstellen van nationale implementatieplannen,

het uitvoeren van reductie- en uitfaseringsmaatregelen

een procedure en criteria voor toevoeging van nieuwe stoffen aan het verdrag,

uitwisseling van informatie,

onderzoek, ontwikkeling en monitoring,

technische ondersteuning van ontwikkelingslanden,

financiële ondersteuning van ontwikkelingslanden.

Stand van Zaken na INC 4

De vier voornaamste hoofdthema's van de vierde vergadering van het INC hadden betrekking op:

technische ondersteuning van ontwikkelingslanden,

financiële ondersteuning van ontwikkelingslanden.

reductie- en uitfaseringsmaatregelen, en

toevoeging nieuwe POP's aan het verdragArtikle.

Technical assistance

Algemeen werd het belang van bevordering van technische assistentie en 'capacity building' onderschreven als randvoorwaarde voor verwezenlijking van doelstellingen van het (toekomstige) verdrag. Het resultaat van de onderhandelingen is een niet uitputtende lijst van specifieke vormen van technische assistentie ten behoeve van ontwikkelingslanden, waaronder assistentie bij het ontwikkelen en uitvoeren van "National Implementation Plans", uitgaande van nationale prioriteiten. Overeenstemming is evenwel nog niet bereikt.

Door Canada is een "Capa-city As-sis-tance Net-work" (CAN) geïntroduceerd als "clearing house" ten behoeve van tech-nische assis-ten-tie op het gebied van alternatieve technologieën voor POP's. Het voorstel is zowel door ontwikkelingslanden als geïndustrialiseerde landen positief ontvangen en zal tijdens INC 5 verder inhoudelijk besproken worden. Het netwerk zou een coördinerende en faciliteren-de
-rol moe-ten krijgen, die gericht is op het bij elkaar brengen van vraag en aan-bod. Tevens is een verwijzing naar de private sector opgenomen. Een potentiële rol van de private sec-tor bij het verlenen van technische assisten-tie wordt door velen er-kend, ofschoon sommige landen die verwijzing zien als een poging om onder eigen ver-ant-woordelijkheden uit te komen.

Financial Resources and Mechanisms

Alle partijen zijn het eens over de noodzaak van financiële steun aan ontwikkelingslanden teneinde de doelstellingen van het toekomstige verdrag te realiseren. De vraag is echter via welke kanalen deze steun verleend zou moeten worden. De discussie heeft zich op twee voorstellen toegespitst; enerzijds een voorkeur van geïndustrialiseerde landen voor be-staan-de mechanismen en ander-zijds een voorkeur van ontwikkelingslanden voor een nieuw mechanisme. Op basis van voorlopige inschatting op grond van thans bekende gegevens is voor financiële ondersteuning van de uitvoering van het verdrag door ontwikkelingslanden een bedrag nodig van enige honderden miljoenen US$ gedurende een periode van 3-5 jaar. Het Nederlandse uitgangspunt is, conform de EU-positie, gebaseerd op het streven om proliferatie van fondsen tegen te gaan en het mandaat en de middelen voor de Global Environmental Facility (GEF) maximaal te verbreden.

Door de G-77 en China is bij herhaling gepleit voor het instellen van een onafhankelijk multilateraal fonds ten behoeve van de financiering van technische assistentie naar het model van Protocol van Montreal inzake stoffen die de ozonlaag aantasten. Be-staande financiële me-cha-nis-men zouden volgens hen on-vol-doen-de ruim-te bieden voor financiering van acti-vi-teiten in het kader van het op te stellen POP-verdrag.. Ontwikkelingslanden hebben zich voorts kritisch opgesteld ten aanzien van het GEF als mogelijk financieringskanaal en hebben be-hoefte aan concrete garanties en toezeggingen van donorlanden. In het door de G-77 en China ingediende voorstel voor financiering wordt gesproken over "adequate and sustained financial support" van de kant van donorlanden. Bij ontwikkelingslanden bestaat bovendien de vrees dat acti-vi-tei-ten te veel gedic-teerd worden door dono-rlanden en dat te wei-nig rekening gehouden wordt met de be-hoef-ten van ontvangende landen.

Reductie- en uitfaseringsmaatregelen

Tijdens de vierde vergadering van de INC is uitvoerig onderhandeld over de verplichtingen tot reductie en uitfasering van POP's. Over de ontwikkelde tekstvoorstellen is nog geen overeenstemming bereikt. Echter, de contouren van de basisverplichtingen beginnen vorm te krijgen. Een tweetal controversiële kernonderwerpen speelde in de discussies een voorname rol, namelijk het voorzorgbeginsel en het (politieke) streven naar uiteindelijke eliminatie van POP's.

De discussie ging met name over de vraag of volstaan kon worden met operationalisering van het voorzorgbeginsel door verankering ervan in de preambule, of ook door uitwerking in de materiële bepalingen. Door onder meer de EU is benadrukt dat het voorzorgbeginsel tenminste in het risicomanagment voor nieuwe POP's verankerd zou moeten worden. Ook meende de EU dat het verdrag gebaseerd zou moeten zijn op het streven tot uiteindelijke eliminatie van POP's en niet volstaan kon worden met emissie- en gebruiksreducties. Van de zijde van ontwikkelingslanden ondervond deze opstelling bijval. De Verenigde Staten waren terughoudender.

De Europese Unie is erin geslaagd om handel met niet-partijen en de mogelijkheid tot het verbieden daartoe, op de agenda te plaatsen en heeft ook tekstvoorstellen terzake ingediend. Tijdens de laatste onderhandelingsronde wordt een stevige discussie over deze handelsbepalingen verwacht, omdat de Verenigde Staten en de EU in deze kwestie sterk van mening verschillen. Tevens zijn onderhandelingsteksten terzake van nieuwe stoffen en bestaande stoffen ontwikkeld en zijn discussies gevoerd over uitzonderingsbepalingen met als resultaat een onderhandelingstekst voor de laatste onderhandelingsronde. Tenslotte is een onderhandelingstekst opgesteld met bepalingen over hoe om te gaan met POP's als afval. Door de meeste partijen, waaronder de EU, wordt ingezet op verbranding of chemische omzetting als enig toegestane afvalbehandeling. Hierbij is nauwe afstemming met de bepalingen van het Verdrag van Bazel over grensoverschrijdend verkeer en verwijdering van afvalstoffen essentieel.

Toevoeging nieuwe POP's aan het verdrag
Artikle

Tijdens INC 1 is een zogenaamde Criteria Expert Group (CEG) opgericht die tot taak kreeg om de wetenschappelijke criteria en de procedure te ontwikkelen om nieuwe POP's - naast de twaalf reeds geselecteerde stoffen - te identificeren en te nomineren voor toevoeging aan de lijst van stoffen waarop het POP's-verdrag betrekking zal hebben. De criteria dienden in elk geval betrekking te hebben op persistentie, bioaccumulatie, toxiciteit en blootstelling, daaronder begrepen de potentie van deze stoffen tot wereldwijde verspreiding via diverse milieucompartimenten. De discussie over de procedure en de criteria voor toevoeging van nieuwe stoffen aan het verdrag is moeizaam geweest, maar heeft uiteindelijk een onderhandelingstekst voor de laatste onderhandelingsronde opgeleverd. Tijdens INC 5 zal, zoals gezegd, het voorzorgbeginsel in dit onderdeel van het verdrag nog operationeel gemaakt moeten worden.

INC 5 en diplomatieke conferentie

De vijfde en vooralsnog laatste vergadering van het INC zal in december 2000 plaatsvinden in Zuid Afrika. In mei 2001 wordt de diplomatieke conferentie voorzien in Zweden (Stockholm) waarbij het verdrag ter tekening zal voorliggen. Over de voortgang van de onderhandelingen tijdens de vijfde INC-vergadering zal ik u te zijner tijd informeren.

Hoogachtend,

de Minister van Volkshuisvesting,

Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.P. Pronk

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie