Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Speech minister Pronk over cultuur-historische identiteit

Datum nieuwsfeit: 25-05-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

Ministerie van VROM

Nieuws

Persberichten


-

Speech minister Pronk over cultuur-historische identiteit en behoud door ontwikkeling

Cultuur-historische identiteit en behoud door ontwikkeling. Die twee thema's staan hier vanavond centraal. Het idee is, zo staat in de aankondiging van het debat, dat cultuur-historische structuren, landschappen, gebouwen en objecten een rol gaan spelen bij ruimtelijke ingrepen op elke schaal. Behoud van het cultuur-historisch verworvene door het bewust te veranderen. Een paradoxale strategie?

Ik kom vanavond niet met een uiteenzetting over de nota Belvedère. Ik acht de inhoud daarvan bekend en ben benieuwd naar uw reacties. In plaats daarvan wil ik u zeven stellingen voorleggen over cultuur-historische identiteit en ruimtelijke ordening.

Alvorens dat te doen geef ik u mijn werkdefinitie van cultuur-historische identiteit: gezamenlijk gedeelde waarden, normen en opvattingen, een historisch gegroeid collectief bewustzijn. Dat geheel komt tot uiting in door velen gekende verhalen, in bekende beelden, in als eigen herkende muziek, in gezamenlijke ervaringen en in overgeleverde ervaringen, in min of meer gemeenschappelijke houdingen en denkbeelden. Het komt ook tot uitdrukking in fysieke zin: schilderijen, monumenten, gebouwen, ingenieurskunst, architectuur, stadscentra, waterwerken, landschap.

Dat brengt mij tot mijn eerste stelling: cultuur-historische identiteit is geen statisch begrip. Zij is evenmin uniform. Er bestaan in ons land verschillende culturele identiteiten naast elkaar, deels beïnvloed uit het buitenland. Ze beïnvloeden elkaar zodanig dat daaruit steeds weer een nieuwe identiteit voortvloeit. Geen cultuur-historische identiteit van een samenleving zonder culturele diversiteit binnen die samenleving. Een mono-cultuur leeft niet, dat is de dood in de pot.

Er zijn ook veranderingen in de tijd. Normen en waarden veranderen in de loop van de geschiedenis van een samenleving. Waarom zouden we spreken over identiteit als er geen verandering is? Dan zou identiteit een non-issue zijn. Wie de cultuur-historische identiteit benadrukt heeft het over elementen uit die cultuur die zouden moeten blijven ondanks alle veranderingen. Ze kunnen alleen blijven als ze worden bevestigd, en toch ook een beetje mee veranderen, mee bewegen in plaats van kopje onder te gaan in de stroom. Dat is behoud door ontwikkeling. Geen paradox maar een vanzelfsprekendheid.

Stelling twee: In ruimtelijk opzicht verandert Nederland snel en dat is onvermijdelijk. Dat geldt voor de steden èn voor het platteland. Stad en platteland zijn economisch en geografisch met elkaar verweven en de culturele verschillen zijn kleiner dan vaak wordt verondersteld. Economie en techniek veranderen de schaal en de snelheid van alles. Dat is fascinerend. Het hoort tot de cultuur van onze tijd. De manier waarop we er mee omgaan maakt deel uit van onze toekomstige cultuur-historische identiteit.

Ten derde: in dat veranderingsproces is het van belang beelden uit het verleden zichtbaar te houden, zodat het historische veranderingsproces zelf zichtbaar blijft en de ontstaansgeschiedenis niet wordt verdoezeld. Daarbij gaat het niet alleen om musea en monumenten. Die stillevens hebben we nodig om onze collectieve herinnering te voeden. Maar daarnaast is het nodig de veranderingsprocessen zelf zichtbaar te houden, de contrasten, de overgangen, de spanning.

Weimar is prachtig gerestaureerd, te mooi. Je kunt er zwelgen in Goethe en Schiller, maar ik wil er niet blijven. Die stad leeft in het verleden.

Beying is in twintig jaar kaal geslagen en opnieuw begonnen. Geen Hutongs meer, alleen concentrische lintbebouwing rond binnen-stedelijke autowegen. Een stad om uit weg te vluchten, een stad zonder verleden.

Dan liever Amsterdam, Den Haag en Rotterdam. Vlak bij elkaar, onderling verschillend, elk op een eigen wijze levendig en eigentijds, vol spanning van verbeelde verandering en zichtbare contrasten.

Stelling vier: West-Europese steden, ook de Nederlandse, hebben in vergelijking met steden elders in de wereld een uniek patroon. Zij zijn ruimtelijk onderscheiden van het platteland. Historisch was dat het geval door muren en grachten, ook al was er via handel en opkomende industrialisatie een nauwe economische verwevenheid met het platteland. De steden in Amerika en Azië gaan geleidelijk over in het platteland; het ruimtelijk onderscheid is daar veel geringer. Dat unieke karakter van Westerse steden dient behouden te blijven, ook al spelen muren en grachten geen rol meer. Ook al heeft het platteland weinig van doen met een romantisch arcadisch tegenbeeld van de modernisering, met een vermeend vervreemdende hectiek die de stad eigen zou zijn, toch dient het contrast bewaard te blijven. Afgebakende stadsranden, contouren, geen verder vervlakkende Vinex-achtige uitleg, wel stadsvorming op het platteland doch geen gespreide bebouwing van het platteland, en geen lintbebouwing langs doorgaande wegen. Dat is een keuze die past in de historische identiteit van de Nederlandse ruimte.

Stelling vijf betreft de ruimtelijke kwaliteit. Wie de naar ik hoop inmiddels bekende zeven criteria van ruimtelijke kwaliteit beziet zal spoedig tot de conclusie komen dat zij alle ook te maken hebben met cultuur-historische identiteit. Dat de ruimtelijke diversiteit, de culturele diversiteit, de schoonheid (of zo men wil aantrekkelijkheid) en de menselijke maat worden gediend door de cultuur-historische identiteit te benadrukken in ruimtelijke ontwerpen behoeft geen toelichting. Maar dat geldt ook voor de overige drie criteria: duurzaamheid, functionaliteit en rechtvaardigheid.

Wat is duurzamer dan levende geschiedenis? Kunnen we trouwens bij het ontwerpen van landschap en infrastructuur niet veel opsteken van de wijze waarop eertijds, toen de technologie minder ver gevorderd was, ruimtelijke plannen en projecten al dan niet noodgedwongen werden opgezet binnen de randvoorwaarden gesteld door de bodem, het water, de ecologie, de biodiversiteit en de natuur. Dat vergeten of overmoedig terzijde schuiven kan ons duur te staan komen.

Was de Nederlandse ruimte vroeger functioneler ingericht en eerlijker verdeeld dan thans?

Er was toen meer ruimte, het was minder dringen geblazen en dat zal zowel een economisch-functionele als een sociaal-rechtvaardige toedeling van de ruimte hebben vergemakkelijkt. Ik durf geen uitspraken te doen over de mate waarin de economische ongelijkheid in vorige eeuwen tot uiting kwam in een ongelijke verdeling van de grond. Ik weet wel dat de ongelijkheid in de huisvesting drastisch is afgenomen door bewust sociaal beleid. Maar ik durf te stellen dat de toegang tot het publiek domein is afgenomen en dat snelle en gemakkelijke mobiliteit vooral vergund is aan hen die zich een auto kunnen veroorloven, tewijl zij niet eens voor alle kosten hoeven op te draaien. Hoort het niet tot onze cultuur-historische identiteit elkaar ruimte te geven, tolerant te zijn en vrij, iedereen zoveel mogelijk in gelijke mate? Ik heb niet de indruk dat we die gemeenschappelijke culturele waarde een hoge prioriteit hebben gegeven in de wijze waarop we de laatste decennia met de schaarse ruimte zijn omgegaan.

Door buitenlandse bezoekers is Nederland vaak geprezen voor de ordening van die schaarste. Een klein land, dichtbevolkt, maar ruimtelijk divers, kennelijk ooit goed gepland, zodat er heel veel mogelijk was naast elkaar zonder dat de ene functie de andere verdrong. Ook die cultuur-historische verworvenheid dreigt in het vergeetboek te raken. Er wordt met ruimte gemorst, ruimte is een object van competitie geworden, er is te weinig gekozen en daardoor dreigt uniformiteit in plaats van verscheidenheid. Het is nu moeilijker dan vroeger; drukker, voller, sneller. Dat is een reden te meer om niet met ruimte te morsen, maar de prudentie, die naast de tolerantie zo kenmerkend was voor onze cultuur-historische identiteit, weer hoog in het vaandel te plaatsen.

Ten zesde. Het gaat bij de Nederlandse cultuur-historisch identiteit om dat wat typisch Nederlands is: oorspronkelijk, kenmerkend, uniek, ook in niet-Nederlandse ogen. Daar horen de polders toe, de rivierdijken, het Delta-gebied, de wadden, veel dat te maken heeft met de strijd tegen het water, maar ook een aantal specifiek Nederlandse agrarische systemen, de Westlandse tuinbouw, molens, fietsen, de vlakke wijde open ruimte, binnensteden à la Delft.

Dat alles verandert en dat mag, zolang het wezen van die oorspronkelijkheid niet wordt aangetast. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan en ik kan daar geen algemene richtlijnen voor formuleren. Maar ik weet één ding zeker: hier ligt een publieke taak. Wanneer de culturele identiteit aan de markt wordt toevertrouwd gaat zij òf verloren, omdat het kapitaal een veel winstgevender ruimtegebruik weet te verzinnen, òf zij wordt verkitscht door de commercie. Versuikeren noemde Tracy Metz dat in haar toespraak tot het Keuning-congres eerder dit jaar. Dat zou bij nader inzien wel eens een risico kunnen zijn van de aanpak die we in de Belvedère nota hebben gekozen, toen we zoveel nadruk legden op de relatie tussen cultuurhistorie en toerisme.

Waar dat toe kan leiden schetst Julian Barnes in zijn "England, England". Daarin poneert de bedenker van het toeristische project waarbij het authentieke Engeland wordt nagebootst op White - leidend tot de verloedering van Engeland zelf èn tot grote toeristische bloei van White - als zijn filosofie: bestempel de zucht naar al hetgeen als origineel wordt beschouwd als sentimenteel en frauduleus, en eis namaak: "We must demand the replica, since the reality, the truth, the authenticity of the replica is the one we can possess, colonise, reorder, find jouissance in, .... confront and destroy". Dat is een vorm van commerciële versuikering die in laatste instantie, wederom in de woorden van Tracy Metz, leidt tot het perverteren van culturele identiteit.

Ten slotte stelling zeven: "Culturele identiteit veronderstelt à priori een fundamentele inbreng vanuit het gebied". Die stelling heb ik geleend van Hans Elerie, die kort geleden onder de titel "Weerbarstig Land" een prachtige historisch-ecologische landschapsstudie publiceerde over het gebied Koekange en de Reest in Zuid West Drente. Elerie pleit al jaren voor gebiedseigen identiteitsstrategieën, bottom up geformuleerd, interactief uitgevoerd. Dat pas in het gebiedsgerichte denken dat ik de afgelopen twee jaar om andere dan culturele redenen heb bepleit: vanuit overwegingen van milieu, waterbeheer, landbouw, en om draagvlak te scheppen voor ruimtelijk beleid. Dat alles dient bijeen gebracht te worden. We hebben geleidelijk aan te veel verschillende gebieden gekregen in Nederland, elk vanuit een andere thematische invalshoek. De mogelijkheden van een dergelijk gebiedsgericht beleid worden zeer beperkt wanneer de specificiteit van een gebied thematisch wordt afgebakend en niet wordt geïntegreerd met andere aspecten van dat gebied. Echter, zo'n geïntegreerd gebiedsgericht beleid mag niet worden overgelaten aan bestuurders, deskundigen, ontwerpers of consultants. Bestuurders kijken vaak over een gebied heen, deskundigen kijken met oogkleppen op, ontwerpers kijken er doorheen - 'valt er nog iets van te maken?' - en de commercie kijkt scheel: 'valt er iets aan te verdienen?'

Kan een gebiedsgerichte strategie aan de bewoners worden overgelaten? Waarom niet? Zij zijn de dragers van de culturele identiteit, doen daar iets mee en geven haar door. Zij zijn het die hun gebied levend houden. Het gaat om hun ruimte, hun denkbeelden omtrent kwaliteit.

Ik ken de mitsen en maren. Waar kennis van zaken en historisch bewustzijn tekortschieten zijn vakmensen nodig. Waar onenigheid ontstaat, bestuurders. Er zijn nationale ruimtelijke belangen. Het is allemaal waar. Maar het neemt niet weg dat de ruimte behoort aan de mensen die in die ruimte leven, werken en zich verplaatsen. De ordening van die ruimte zal dan ook zoveel mogelijk door hen zelf moeten gebeuren. Bestuurders en experts kunnen hen daarbij helpen, maar het ordenen niet van hen overnemen. Dat vraagt om het telkens weer zoeken naar nieuwe wijzen van mee-denken, mee-beslissen en mee-uitvoeren. Ook dat wortelt in de cultuur-historie van onze samenleving.

Jan Pronk

Toespraak Symposium Belvedère
Nederlands Architectuur Instituut
Rotterdam, 25 Mei 2000

^

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie