Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief bij Algemeen Overleg over mest- en ammoniakbeleid

Datum nieuwsfeit: 25-05-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

Actueel

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Postbus 20018
2500 EA Den Haag
uw brief van

uw kenmerk

ons kenmerk
TRCDL/2000/2159
datum
19-05-2000

onderwerp
Nadere informatie t.b.v. voorbereiding van Algemeen Overleg d.d. 25 mei a.s. - voortgang doorkiesnummer

bijlagen

Geachte Voorzitter,

Hierbij doe ik u mede namens de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer nadere informatie toekomen over de volgende onderwerpen: 1. Boer-boer transport;
2. Derogatie maximaal 250 kg N/hectare grasland; 3. Stand van zaken beëindigingsregelin

Een en ander ten behoeve van de voorbereiding van het Algemeen Overleg op 25 mei a.s. over de Vierde Voortgangsrapportage Integrale Notitie mest- en ammoniakbeleid.

up

datum
19-05-2000

kenmerk
TRCDL/2000/2159

bijlage

1. Boer-boer transport

Met ingang van 1 januari 2000 is het zogenaamde lichte regime in Minas afgeschaft. Dit betekende dat vanaf deze datum een einde is gekomen aan de overgangsmaatregel waarbij bij mesttransporten op korte afstand mag worden afgeweken van de verplichting tot het wegen en bemonsteren van de afgevoerde mest door een erkend monsternemer. Tot het afschaffen van het lichte regime is besloten in het Algemeen Overleg van 18 maart 1999 over de Derde Voortgangsrapportage Integrale Notitie mest- en ammoniakbeleid op uitdrukkelijk verzoek van uw Kamer. Door de Kamer is toen het voorstel van mijn voorganger voor een beperkte voortzetting van het lichte regime afgewezen.

Overleg bedrijfsleven
De beëindiging van het lichte regime heeft eind 1999/begin 2000 geleid tot protesten bij boeren. Tijdens het Algemeen Overleg van 22 maart 2000 is het onderwerp door uw Kamer opnieuw op de agenda gezet. Vervolgens heeft uw Kamer hierover op 4 april jl. een motie aanvaard. De motie roept de regering op in samenspraak met betrokkenen zich in te spannen dat er een voor de boeren en mesttransporteurs werkbare en betaalbare oplossing wordt gevonden voor de zich voordoende knelpunten, waarbij onverlet wordt gelaten dat er gewerkt wordt vanuit een controleerbaar en handhaafbaar stelsel.
Het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij heeft daarop intensief overleg gevoerd met LTO Nederland en CUMELA Nederland. Hieruit is gebleken dat er weliswaar over het algemeen ruim voldoende is geïnvesteerd door de intermediaire sector, maar dat niet uitgesloten kan worden dat in sommige regio's, met name Noord-Nederland en Noord-Holland, niet aan elke vraag naar mestbemonstering en -weging spoorslags gehoor kan worden gegeven. Ook kunnen in individuele gevallen de kosten van de verplichting tot wegen en bemonsteren oplopen door het ontbreken van voldoende weegapparatuur in de directe nabijheid of op het transportmiddel zelf. De verwachting is overigens dat dit een tijdelijk probleem is dat niet hoeft op te treden indien boeren tijdig afspraken maken met loonwerkers.
Met name van de kant van LTO Nederland is hiernaast aangegeven dat vooral bedrijven met een relatief klein mestoverschot, die dit overschot in de buurt kunnen afzetten, de verplichting tot het wegen en bemonsteren als onevenredig zwaar beoordelen.
Oplossing voor klein mestoverschot
Uit het oogpunt van consistentie van overheidsbeleid, geen achteruitgang op het gebied van controleerbaarheid en handhaafbaarheid en omdat uit het gezamenlijk overleg met LTO Nederland en CUMELA Nederland is gebleken dat het probleem beperkt blijft, ligt een wezenlijke bijstelling van de huidige regelgeving niet voor de hand. Aan de andere kant hebben we er begrip voor dat voor bedrijven met een relatief klein mestoverschot de verplichting tot weging en bemonstering als zwaar wordt ervaren. Ook het milieurisico is in deze situaties beperkter dan bij bedrijven met een groot overschot. We hebben daarom het volgende besloten.
Bedrijven met een relatief klein mestoverschot krijgen de gelegenheid dit overschot af te zetten op basis van de forfaitaire mineralengehalten uit bijlage C van de Meststoffenwet en het geschat gewicht. Voorwaarde hierbij is dat de mest wordt afgezet binnen 10 kilometer en rechtstreeks naar de eindgebruiker van de mest (akkerbouwer of extensieve veehouder) gaat. Afvoer naar een intermediaire onderneming is niet mogelijk. Deze voorziening blijft beperkt tot 500 kilogram fosfaat in dierlijke mest per bedrijf. Dit betekent dat bedrijven die meer mest willen afzetten, geen gebruik kunnen maken van deze voorziening. Alleen bedrijven met een maximaal overschot van 500 kilogram fosfaat komen in aanmerking. Deze hoeveelheid komt overeen met circa 15% van de totale mestproductie van een gemiddeld melkveebedrijf. We wijzen er overigens op dat slechts een beperkt deel van de melkveebedrijven een mestoverschot kent dat afgevoerd moet worden.
Melkvee- en varkensbedrijven met een relatief klein mestoverschot kunnen met deze voorziening goed uit de voeten. Voor pluimveebedrijven die relatief veel meer fosfaat produceren, is deze hoeveelheid te beperkt. Voor pluimveebedrijven die vaste mest produceren, geldt daarom een hoeveelheid van 2.000 kilogram fosfaat. Zij kunnen dan eenzelfde percentage van de totale mestproductie als geldt bij varkens- en melkveebedrijven via deze voorziening afzetten. Het derde element in het besluit is dat de mestafnemers ondanks de afname van de niet bemonsterde en gewogen mest, toch deel kunnen nemen aan Minas-verfijnd. De verfijnde Minas stelt immers in principe verplicht dat alle afgenomen mest is bemonsterd en gewogen. Voor de mestafnemers geldt de voorwaarde dat tot 500 kilogram fosfaat, ook voor vaste pluimveemest, op deze manier mag worden afgenomen. Dit betekent dat de producent van de vaste pluimveemest 4 afnemers moet hebben.
Naar verwachting zal deze voorziening ertoe kunnen leiden dat minder dan 5% van de totale hoeveelheid af te voeren mest in Nederland zonder wegen en bemonsteren kan worden afgezet. Het milieurisico blijft hierdoor beperkt.
Bovenstaande lijn beschouwen we als een structurele voorziening voor bedrijven met een klein mestoverschot. Als overgang van het lichte regime zoals dat in 1998 en 1999 gold naar de beperkte structurele voorziening, zijn we bereid om voor 2000 en 2001 een overgangsregeling te treffen. In de overgangsregeling geldt een hoeveelheid van 750 kilogram fosfaat voor drijfmest en 3000 kilogram voor vaste pluimveemest. De overige voorwaarden blijven hetzelfde. Met de gekozen benadering wordt naar onze overtuiging tegemoet gekomen aan een aantal praktische problemen die door LTO Nederland naar voren zijn gebracht.

Hiernaast hebben we ook besloten dat de verplichting tot het gebruik van de fraudebestendige monsterverpakker voor drijfmest niet wordt ingevoerd per 1 juli a.s. zoals eerder aangekondigd, maar dat deze verplichting wordt verschoven naar 1 januari 2001. Hiermee komen we tegemoet aan de vertraging die is opgetreden door de discussie rond het boer-boer transport. De praktijk krijgt met dit uitstel de gelegenheid zich goed voor te bereiden op de verplichting.

2. Derogatie maximaal 250 kg N/hectare grasland

Op 20 april jl. is aan de Europese Commissie de brief verzonden waarin Nederland mededeling doet van de derogatie voor het gebruik van dierlijke mest op grasland tot een maximaal niveau van 250 kg stikstof per hectare met ingang van 1 januari 2003. In deze brief is aangegeven dat het derogatieverzoek is gebaseerd op het RIVM-rapport "Onderbouwing van het Nederlands derogatieverzoek", dat bij de brief is gevoegd. Een kopie van deze brief alsmede het RIVM-rapport hebben wij uw Kamer ter kennisname aangeboden. Door uw Kamer is verzocht om een nadere toelichting op vorengenoemde brief.

Inhoud wetenschappelijke analyse
Het RIVM c.s. zijn verzocht na te gaan of gelet op punt 2, onder b, van bijlage III bij de Nitraatrichtlijn voor grasland een andere hoeveelheid kan worden vastgesteld dan de in de Nitraatrichtlijn bepaalde hoeveelheid van maximaal 170 kg stikstof dierlijke mest per hectare, zonder afbreuk te doen aan de doelstellingen van de Nitraatrichtlijn en aan te geven wat die andere hoeveelheid zou kunnen zijn.
Het RIVM c.s. zijn tot de conclusie gekomen dat de in de Nitraatrichtlijn genoemde objectieve criteria "lang groeiseizoen" en "hoge stikstofopname" van toepassing zijn op het grasland in Nederland. Vervolgens is een kwantitatieve analyse uitgevoerd van het mogelijke niveau van een derogatie. Daarbij is als kader gehanteerd het Minas en de daarbij behorende stikstofverliesnormen van 2003, waarmee de norm van 50 mg nitraat per liter in het bovenste grondwater wordt gerealiseerd. Daarnaast zullen deze verliesnormen tezamen met de aanvullende emissiebeperkende maatregelen leiden tot een vermindering van de stikstofbelasting van het oppervlaktewater met circa 50%. Binnen dit kader is gebleken dat de maximale bijdrage van dierlijke mest in de totale stikstofgift op grasland circa 360 kg stikstof per hectare kan bedragen voor vochthoudende gronden en circa 290 kg stikstof per hectare voor droge gronden.
De maximale bijdrage van dierlijke mest is 30 à 50 kg stikstof per hectare lager indien ook rekening wordt gehouden met de fosfaatverliesnormen.

Beleidsmatige conclusies
Onze conclusie is dat de door het RIVM uitgevoerde analyse een goede onderbouwing biedt om voor uitsluitend grasland de in de Nitraatrichtlijn maximaal bepaalde hoeveelheid dierlijke mest van 170 kg stikstof per hectare te verhogen. Daarbij hebben wij gekozen voor een verhoging naar 250 kg stikstof per hectare. De volgende overwegingen hebben daarbij een rol gespeeld.
a. Het RIVM c.geven aan wat de maximale bijdrage is van dierlijke mest in de totale stikstofgifBerekend is welke mestgift in 2003 maximaal mogelijk is afhankelijk van beweidingssysteem en grondsoorHet RIVM tekent daarbij aan dat bij de berekende maximale doseringen van dierlijke mest is uitgegaan van bedrijven met een uitstekend mineralenmanagement onder optimale omstandighedeDit geldt lang niet voor alle bedrijven en dat betekent derhalve dat voor een aanzienlijk deel van de bedrijven de mestgift op een lager niveau komt te ligge
b. Het RIVM c.s. komen tot hun conclusies op basis van modelberekeningen en enkele veldproeven. De reden hiervoor is dat de verliesnormen van 2003 uitgangspunt zijn voor het niveau van de derogatie voor grasland en inzicht nodig is bij variërende veedichtheden teneinde een representatief beeld van de sector te krijgen.
c. Wij hechten sterk aan eenvoudige, handhaafbare en controleerbare wet- en regelgeving. Daardoor gaat onze voorkeur uit naar één norm voor dierlijke mest op grasland in het mestafzetsysteem die verantwoord is voor alle grondsoorten en alle bedrijven. Gekozen is daarom voor een algemene norm per 1 januari 2003 welke van kracht is voor alle grasland. De daadwerkelijke meststromen worden gereguleerd via Minas.
d. Nederland kent ook een fosfaatbeleid. Dit blijft van belang om de uitspoeling van fosfaat naar grond- en oppervlaktewater te beperken en daarmee de eutrofiëring van zoet oppervlaktewater. Immers, de Nitraatrichtlijn heeft als één van zijn doelstellingen het tegengaan van eutrofiëring. Hiermee rekening houdend ligt de mogelijkheid tot het aanwenden van dierlijke mest op grasland 30 à 50 kg stikstof lager, afhankelijk van de omstandigheden.
Overigens merken wij op dat de derogatie van 250 kg N dierlijke mest per hectare betrekking heeft op de gemiddelde situatie in Nederland. Individuele melkveebedrijven met een zeer goed grasland- en mineralenmanagement kunnen binnen de grenzen van de fosfaatverliesnormen van Minas in werkelijkheid uitkomen op een hogere gift dan 250 kg stikstof dierlijke mest per hectare. Wij hebben u hierover reeds geïnformeerd in de brief van 5 oktober 1999 aan uw Kamer.
Deze bedrijven blijven binnen de marges van de wetenschappelijke onderbouwing zoals neergelegd in het RIVM-rapport. Immers de bedrijven blijven binnen de fosfaat- en stikstofverliesnormen en daarmee binnen de milieudoelstellingen.

Tot slot wordt opgemerkt dat in de Nitraatrichtlijn nadrukkelijk is aangegeven dat een lidstaat een andere hoeveelheid dan maximaal 170 kg N dierlijke mest per hectare kan vaststellen mits deze hoeveelheid zodanig wordt vastgesteld dat geen afbreuk wordt gedaan aan het bereiken van de in artikel 1 genoemde doelstellingen en zij wordt gemotiveerd aan de hand van objectieve criteria. Op basis van het RIVM-rapport c.s. voldoet een gemiddelde hoeveelheid van maximaal 250 kg N dierlijke mest per hectare grasland aan deze voorwaarden. De Commissie is voorgesteld het rapport van het RIVM c.s. te onderwerpen aan een internationale, wetenschappelijke review. Op dit moment worden nadere besprekingen voorbereid met de Commissie over zowel de voortgang van het mestbeleid als specifiek de voorgenomen derogatie.

Invloed op het mestoverschot
Op verschillende plaatsen is gesuggereerd dat een hogere derogatie voor grasland dan 250 kg per hectare zal leiden tot een evenredige afname van het mestoverschot. Deze conclusie is onjuist en wordt in het RIVM-rapport ook niet getrokken.
Het betreft hier een complexe materie die in het RIVM-rapport niet wordt behandeld. Essentieel is de mate waarin agrariërs dierlijke mest accepteren van veehouders met een mestoverschot op het bedrijf. Er zou op dit moment al geen sprake zijn van een mestoverschot indien alle akkerbouwers bereid zouden zijn de binnen de regelgeving toegestane hoeveelheden dierlijke mest voor de volle 100% te benutten. Zoals bekend is dit niet het geval. Hetzelfde geldt voor de melkveebedrijven. Ook hier zal de nog aanwezige plaatsingsruimte van dierlijke mest in de praktijk nimmer volledig benut worden. Een hogere derogatie dan 250 kg stikstof zou vooral soelaas bieden voor de zeer intensieve melkveehouderijbedrijven met een uitgekiend mineralenmanagement. Minder intensieve bedrijven zullen niet geneigd zijn het kunstmestgebruik zoveel mogelijk te reduceren met het doel om zoveel mogelijk dierlijke mest van andere bedrijven te kunnen aanvoeren. Dat is bij de huidige verliesnormen niet het geval en dat zal bij aangescherpte verliesnormen nog veel minder het geval zijn. Derhalve zal de invloed van het eventueel verhogen van de derogatie voor grasland op het landelijk mestoverschot zeer beperkt zijn. De voorgenomen reductie van de veestapel blijft daarom onontkoombaar.
Conclusie
De door het RIVM c.s. uitgevoerde analyse betekent een krachtige ondersteuning van het door Nederland ingezette beleid om de Nitraatrichtlijn te implementeren met een derogatie voor grasland van gemiddeld 250 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare.
3. Stand van zaken beëindigingsregeling

Tot en met 18 mei jl. zijn door LASER 2.988 aanvragen ontvangen, waarvan 587 na
19 april 2000. Het betreft een voorlopig resultaat omdat de aanvragen nog niet zijn gecontroleerd. Bovendien kunnen in de resterende dagen nog aanvragen binnenkomen.

Alle aanvragers hebben een ontvangstbevestiging gekregen. Het beoordelen van de aanvragen gaat van start als alle benodigde informatie binnen is. Op dit moment zijn de werkzaamheden erop gericht de aanvragen te completeren. Naar verwachting kunnen medio juli a.s. de eerste aanvragen worden afgehandeld.

Zoals bekend is heden de laatste dag dat de regeling nog open is. Wij zullen de Kamer voor het Algemeen Overleg van 25 mei a.s. een totaaloverzicht doen toekomen van de resultaten van de eerste openstelling van de beëindigingsregeling.

Een eerste conclusie onzerzijds is dat we met de vermindering van het landelijk mestoverschot en de sloop van de stallen een flinke stap voorwaarts hebben gezet. De regeling kan als succesvol worden betiteld, zeker als we hierbij in ogenschouw nemen dat de varkensprijzen momenteel vrij hoog zijn en de druk van het afsluiten van mestafzetcontracten in de praktijk nog niet voelbaar is. De komende periode zal een evaluatie plaatsvinden van de regeling. De resultaten daarvan zullen worden gebruikt voor de volgende tranche in 2001.

De minister van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij,

mr. L.J. Brinkhorst


reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie