Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag overleg faciliteren huisartsen door farmaindustrie

Datum nieuwsfeit: 30-05-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

vso faciliteren van huisartsen door farmaceutische indust rie

Gemaakt: 31-5-2000 tijd: 13:20


8


26800 XVI Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2000

nr. 99 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 30 mei 2000

In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport *)bleek er bij enkele fracties behoefte te bestaan een aantal vragen ter beantwoording voor te leggen

aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over haar brief van 13 april 2000 over het vermeend faciliteren van huisartsen door de farmaceutische industrie (Kamerstuk 26 800 XVI, nr. 88).

Deze vragen zijn, met de door de minister bij brief van 29 mei 2000 verstrekte antwoorden hieronder afgedrukt.

Vragen PvdA-fractie


1.

Kan de minister een nauwgezette en volledige uitsplitsing en concretisering geven van de 47 zaken die de Inspectie heeft opgespoord en aangepakt? Wat is exact opgespoord, en hoe is dat gebeurd? Welke sancties zijn opgelegd? Wat is aan de rechter voorgelegd? Zijn daar al uitspraken over bekend? Zo ja, welke?


1.

Voor zover mogelijk kunnen deze zaken als volgt worden uitgesplitst:


9 zaken betreffen een overtreding van het verbod op publieksreclame voor receptplichtige geneesmiddelen;


7 zaken betreffen een overtreding van de bepalingen voor gunstbetoon;

11 zaken betreffen een indicatie die niet overeenkomt met de bijsluitertekst;


5 zaken betreffen een overtreding van de bepalingen over monsters;

3 zaken betreffen geneesmiddelenonderzoek met als doel het voorschrijfgedrag te beïnvloeden;


10 zaken betreffen de aanprijzing van een gezondheidsprodukt als geneesmiddel;


2 zaken betreffen het maken van reclame voor een ongeregistreerd geneesmiddel.

Inmiddels is tegen een aantal verdachten proces-verbaal opgemaakt. Van de zaken die sinds de oprichting van de sector Reclametoezicht spelen is in twee zaken uitspraak gedaan. De eerste zaak betreft een strafzaak tegen de VVAA over publieksreclame voor receptplichtige geneesmiddelen. De VVAA is in eerste en tweede aanleg vrijgesproken. Er is inmiddels cassatie aangevraagd. De tweede zaak betreft een strafzaak tegen Roche Nederland BV.

Roche Nederland BV is veroordeeld tot een boete van f 350.000,= wegens het opdracht geven tot publieksreclame voor een receptplichtig geneesmiddel in 11 advertorials en 24 advertenties. In de overige zaken loopt het onderzoek nog. In het belang van het onderzoek kunnen hierover nog geen uitspraken worden gedaan.


2.

De minister rept in haar brief over gebrek aan effectief overheidstoezicht. Kan de minister nauwgezet meedelen welke effecten met het overheidstoezicht werden beoogd, en hoe de ineffectiviteit te verklaren is? Betekent e.e.a. dat toezicht op naleving van wet- en regelgeving niet heeft plaatsgevonden?


2.

Het effect dat wordt beoogd met het overheidstoezicht is naleving van de normen uit het Reclamebesluit geneesmiddelen. Het toezicht op de naleving van wet- en regelgeving heeft ook voor 1 april 1999 plaatsgevonden, zij het minder stelselmatig dan na oprichting van de sector reclametoezicht het geval is.


3.

Is de minister met ons van mening dat het begrip "volle sterkte", betrekking hebbend op de sector reclametoezicht van de Inspectie, in verhouding met de multinationale marketingactiviteiten van de farmaceutische industrie iets weg heeft van een muis die samen met een olifant over een brug loopt en zegt «wat stampen we samen lekker"?

Anders gezegd: is dit wel het meest bruikbare en wenselijke instrument? Kan de minister een ontkenning dan wel bevestiging daarvan nauwgezet beargumenteren?


3.

De sector reclametoezicht is momenteel bezig met een evaluatie van de werkzaamheden van het afgelopen jaar. In deze evaluatie zal worden meegenomen in hoeverre er voldoende mankracht en instrumenten aanwezig zijn om de handhavingstaak naar behoren te kunnen uitoefenen.


4.

Op welke wijze en wanneer worden de normen uit het besluit aangescherpt?


4.

Deze wijziging houdt met name in:

het aanscherpen van de normen voor gunstbetoon door middel van:

het stellen van een maximum bedrag aan de door de ondernemer aan de beroepsbeoefenaar aangeboden geschenken en aangeboden of gesponsorde cursussen en congressen;

de eis dat de door de beroepsbeoefenaar verrichte prestatie in redelijke verhouding moet staan tot de door hem hiervoor verkregen beloning.

het transparant maken van de geldstromen die van de ondernemer naar de beroepsbeoefenaar gaan door middel van:

het gebod dat aan een door de beroepsbeoefenaar voor de ondernemer verrichte prestatie een schriftelijke overeenkomst ten grondslag dient te liggen.

de verplichting die aan de ondernemer wordt opgelegd om van de door hem aangeboden geschenken en aangeboden of gesponsorde cursussen en congressen een administratie bij te houden.

Bovengenoemde aanscherping zal plaatsvinden met de inwerkingtreding van het Besluit geneesmiddelenreclame.


5.

Waarom moet het tot september 2000 duren voor het ontwerpbesluit aan het

kabinet wordt aangeboden?


5.

Gelet op het benodigde overleg met veldpartijen en medebetrokken ministeries is dit een realistische datum. Mijn streven is echter om het concept Besluit geneesmiddelenreclame voor het zomerreces aan het kabinet aan te bieden.


6.

Waarom heeft de minister alleen met de Orde van Medisch Specialisten en niet met de Landelijke Huisartsen Vereniging afspraken gemaakt? Is de minister bereid om de afspraken tot inspanningsverplichtingen van de Orde in goed overleg met de Orde om te zetten in toetsbare resultaatsverplichtingen?


6.

Dit onderwerp kwam ter sprake tijdens het bestuurlijk overleg dat ik recentelijk met de Orde van Medische Specialisten heb gevoerd. Zodra ik een dergelijk overleg heb met de Landelijke

Huisartsen Vereniging zal dit ook een van de onderwerpen van gesprek zijn. Ik ben natuurlijk altijd bereid om afspraken tot inspanningsverplichtingen in goed overleg om te zetten in toetsbare resultaatsverplichtingen.

Vragen CDA-fractie


7.

Waarom heeft u de Kamer niet eerder geïnformeerd over vermeende misstanden in de geneesmiddelensector? Was u van tevoren op de hoogte van het interview van de Inspecteur met het dagblad Trouw d.d. 31 maart jl.?


8.

De inhoud van het interview met Trouw bevat een ernstige aanklacht tegen de farmaceutische industrie en artsen in ons land. Mag uit uw brief d.d. 13 april jl. worden geconcludeerd dat u de mening van de Inspecteur zoals verwoord in zijn artikel volledig deelt? Zo neen, moet vastgesteld worden dat de Inspecteur niet namens u gesproken heeft? Op welke onderdelen verschilt u met hem van opvatting en waarom?


7 en 8.

Het merendeel van de genoemde 47 onderzoeken naar overtreding van het Reclamebesluit geneesmiddelen loopt nog. Niet eerder dan nadat de Inspectie voor Gezondheidszorg deze onderzoeken heeft afgerond kan ik u hierover rapporteren. Ja, ik was van tevoren op de hoogte van het interview.


9.

In het artikel van de heer Ter Steege (Trouw 31 maart jl.) wordt gesuggereerd dat er «enkele honderden miljoenen in de rekensom missen». Wordt hiermee gesuggereerd dat dit geld o.a. besteed wordt aan vormen van gunstbetoon? Zo ja, op welk feitenmateriaal baseert de Inspecteur zich?


9.

Door het ontbreken van transparantie in de geld- en goederenstroom van de ondernemer naar de beroepsbeoefenaar is het niet mogelijk een zuiver getalsmatig beeld te geven van ongewenst gunstbetoon. Dat het hier om grote bedragen gaat blijkt uit de door de Inspectie onderzochte boekhoudingen van bijvoorbeeld farmaceutische bedrijven.


10.

Er zijn sinds 1 april 1999 inmiddels 47 zaken opgespoord en aangepakt. Kan de Kamer meer (geanonimiseerd) inzicht worden verschaft omtrent de aard van de afzonderlijke overtredingen? Over welke bedragen gaat het waar het gunstbetoon betreft?


10.

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het eerder door mij gegeven antwoord op vraag 1 en vraag 9.


11.

Is er inmiddels v.w.b. deze 47 zaken al een uitspraak geweest? Zo ja, wat is daarvan de strekking? Betreft het hier ook een uitspraak tegen Glaxo inzake de «stoppen met roken reclame»? Wat is uw mening over de uitspraak van de CGR inzake de zaak Glaxo?


11.

Voor het antwoord op het eerste gedeelte van deze vraag verwijs ik naar het eerder door mij gegeven antwoord op vraag 1.

De "stoppen met roken reclame"van Glaxo is ter beoordeling aan de Stichting Code Geneesmiddelenreclame voorgelegd. Inmiddels is in deze zaak hoger beroep aangetekend. Op de uitspraak in eerste aanleg kan ik derhalve niet ingaan. Ditzelfde geldt voor het nog lopende stafrechtelijke onderzoek.


12.

Met de Orde van Medisch Specialisten is afgesproken dat de orde zich inspant om de «transparantie op dit gebied en de implementatie van normen te vergroten»?

Op welke wijze kan dit plaatsvinden?


12.

De Orde van Medische Specialisten zal zich over de wijze waarop een en ander vorm kan krijgen nader beraden in eigen kring. Hierna zal de orde nader overleg met VWS hierover voeren.

Vragen fractie van GroenLinks


13.

Waarom wordt in de brief geen melding gemaakt van het feit dat artsen die premies en cadeautjes aannemen, afwijken van de gedragsregels van de KNMG dat «de arts, die het (wetenschappelijk) onderzoek verricht, geen beloningen aanvaardt die in onevenredige verhouding staan tot de door hem geleverde inspanning» en dat «de arts geen geschenken of andere voordelen in geld of natura aanvaardt van het bedrijfsleven, tenzij deze een geringe waarde hebben en relevant zijn voor de uitoefening van de geneeskunde, een en ander met inachtneming van de gedragscode Geneesmiddelen»?


13.

Dit zijn regels opgesteld door de veldpartijen zelf. Hoewel ik zelfregulering een zeer goede zaak vind laat dit onverlet dat men zich in de eerste plaats dient te houden aan de normen neergelegd in het Reclamebesluit geneesmiddelen.


14.

Is de minister bereid met de KNMG te overleggen hoe de naleving van deze gedragsregels bevorderd kan worden?

Deelt de minister de mening dat niet naleven van deze regels beschouwd kan worden als tekortschieten in de zorg die een goed hulpverlener betaamt?

Zo ja, is dit dan verwijtbaar in tuchtrechtelijke zin? Zo nee, welke kwalificatie geeft de minister dan aan deze handelwijze?


14.

Ja, ik ben bereid hierover met de KNMG te overleggen.

Het is denkbaar dat het niet naleven van de regels beschouwd wordt als tekortschieten als goed hulpverlener, dit is verwijtbaar in tuchtrechtelijke zin.


15.

Ziet de minister het al dan niet naleven van dit soort gedragsregels als deel van de individuele patiëntenzorg of van de beroepsuitoefening in het algemeen?

Indien dit laatste het geval is, is de vraag aan de orde of de oude tuchtrechterlijke norm «ondermijnen van het vertrouwen in de stand der Geneeskundigen» ten onrechte is verlaten. Wat is de reactie van de minister daarop?


15.

Het onderscheid tussen individuele patiëntenzorg en de beroepsbeoefening in het algemeen maakt in deze niet uit. Tuchtrechtelijke aansprakelijkheid van individuele beroepsbeoefenaren biedt onder de huidige tuchtnorm aanknopingspunten om verwijtbaar gedrag aan te pakken. Ik zie daarom vooralsnog geen aanleiding om het verlaten van de oude tuchtnorm te betreuren.

Vragen SP-fractie


16.

Volgens de Inspectie overtreedt de industrie op grote schaal de Nederlandse en Europese wetgeving. Kan meer inzicht worden gegeven in de omvang en de gebruikte methoden van de industrie? Is er ook sprake van een trend tot publieksreclame? Zo ja, waarin uit zich dat?


16.

De overtredingen spelen zich vooral af op het gebied van gunstbetoon en publieksreclame voor receptplichtige geneesmiddelen. Voorbeelden van gunstbetoon volgens de Inspectie zijn: het weggeven van medische apparatuur in ruil voor prescripties, het financieren van verpleegkundigen of artsen zonder duidelijk aanwijsbare tegenprestaties en het verzorgen van geaccrediteerde nascholingen die bij visitatie ontoelaatbaar promotioneel zijn.

De toename van het aantal overtredingen van het verbod op publieksreclame voor receptplichtige geneesmiddelen blijkt uit het aantal zaken dat wegens overtreding van deze norm wordt opgespoord en aangepakt.


17.

De Inspectie heeft sinds 1 april 1999 47 zaken opgespoord en aangepakt. Kan een overzicht worden gegeven welke zaken dit betreft en de aanpak hiervan? Vindt er ook toezicht op nascholing plaats?


17.

Voor het antwoord op het eerste gedeelte van deze vraag verwijs ik naar het eerder door mij gegeven antwoord op vraag 1.

Ja, het houden van toezicht op reclame bij nascholingsactiviteiten maakt onderdeel uit van het takenpakket van de sector reclametoezicht.


18.

Waarom is pas op 1 april 1999 binnen de Inspectie voor de Gezondheidszorg de sector reclametoezicht opgericht?


18.

Op 31 oktober 1994 trad het Reclamebesluit geneesmiddelen in werking. In de jaren na inwerkingtreding bleek dat de handhaving van de reclamevoorschriften een meer stelselmatige aanpak behoefde. Een aparte sector met als specifiek aandachtsgebied «reclame» binnen de Inspectie voor de Gezondheidszorg bleek hiervoor het meest aangewezen instrument. Reden waarom op 1 april 1999 een dergelijke sector werd opgericht.


19.

De normen uit het Reclamebesluit worden aangescherpt. Op welke aspecten wordt deze aangescherpt, en zullen alle eerdere toezeggingen hierin meegenomen worden? Wat gaat er over sponsoring geregeld worden; in het bijzonder t.a.v. sponsoring van patiëntenorganisaties?


19.

Over de wijze waarop deze aanscherping zal plaatsvinden verwijs ik naar het eerder door mij gegeven antwoord op vraag 4. Eerder gedane toezeggingen zijn zoveel mogelijk hierin meegenomen. Over sponsoring, in het bijzonder sponsoring van patiëntenorganisaties, wordt niets bijzonders geregeld. De algemene reclamenormen, zoals het verbod op publieksreclame voor receptplichtige geneesmiddelen, zijn hierop van toepassing.


20.

Het ontwerp-Besluit kan naar verwachting voor 1 september worden aangeboden aan de Ministerraad. Het Besluit zou al in de loop van 1998 worden aangepast. Waarom duurt dit zo lang?


20.

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het eerder door mij gegeven antwoord op vraag 5.

De voorzitter van de commissie,

Essers

De griffier van de commissie,

Teunissen

Samenstelling:

Leden:

Plv. leden:

Van der Vlies (SGP)

Swildens-Rozendaal (PvdA),

ondervoorzitter

Bijleveld-Schouten (CDA)

Middel (PvdA)

Rouvoet (RPF)

Oedayraj Singh Varma

(GroenLinks)

Oudkerk (PvdA)

Rijpstra (VVD)

Lambrechts (D66)

Essers (VVD), voorzitter

Dankers (CDA)

Van Vliet (D66)

Van Blerck-Woerdman

(VVD)

Passtoors (VVD)

Eisses-Timmerman (CDA)

Spoelman (PvdA)

Hermann (GL)

Kant (SP)

Gortzak (PvdA)

Buijs (CDA)

E. Meijer (VVD)

Van der Hoek (PvdA)

Blok (VVD)

Arib (PvdA)

Atsma (CDA)

Van 't Riet (D66)

Rehwinkel (PvdA)

Eurlings (CDA)

Apostolou (PvdA)

Schutte (GPV)

Van Gent (GroenLinks)

Noorman-den Uyl (PvdA)

Weekers (VVD)

Ravestein (D66)

Orgü (VVD)

Van de Camp (CDA)

Schimmel (D66)

Terpstra (VVD)

Udo (VVD)

Visser-van Doorn (CDA)

Smits (PvdA)

Harrewijn (GroenLinks)

Marijnissen (SP)

Belinfante (PvdA)

Ross-van Dorp (CDA)

O.P.G. Vos (VVD)

Hamer (PvdA)

Cherribi (VVD)

Duijkers (PvdA)

Th.A.M. Meijer (CDA)

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie