Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief Rekenkamer over beleidsprioriteiten 1999 en 2000

Datum nieuwsfeit: 30-05-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

brief ar beleidsprioriteiten 1999 en 2000

Gemaakt: 30-5-2000 tijd: 16:29

Beleidsprioriteiten 1999 en 2000


2


26573 Van beleidbegroting tot beleidsverantwoording
nr. 26 Beleidsprioriteiten 1999 en 2000

Inhoud

* 1 Inleiding 1


* 1.1 Achtergrond onderzoek 1

* 1.2 Rekenkameronderzoek 2

* 1.3 Opzet rapportage en leeswijzer 4


2 Totaalbeeld 7


3 Stand van zaken ten aanzien van de beleidsprioriteiten 11
* 3.1 Beleidsprioriteiten 1999 11

* 3.2 Beleidsprioriteiten 2000 15


4 Aanbevelingen 17


5 Rijksbrede beleidsprioriteiten

* 5.1 Beleidsprioriteiten 1999 19

* 5.2 Beleidsprioriteiten 2000 22


6 Beleidsprioriteiten Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, betreffende de beleidsprioriteiten van Koninkrijksrelaties

* 6.1 Beleidsprioriteiten 1999 23


7 Beleidsprioriteiten Ministerie van Buitenlandse Zaken
* 7.1 Beleidsprioriteiten 1999 25


8 Beleidsprioriteiten Ministerie van Justitie
* 8.1 Beleidsprioriteiten 1999 30

* 8.2 Beleidsprioriteiten 2000 33


9 Beleidsprioriteiten Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, betreffende de beleidsprioriteiten van Binnenlandse Zaken

* 9.1 Beleidsprioriteiten 1999 36


10 Beleidsprioriteiten Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

* 10.1 Beleidsprioriteiten 1999 41

* 10.2 Beleidsprioriteiten 2000 44


11 Beleidsprioriteiten Ministerie van Financiën
* 11.1 Beleidsprioriteiten 1999 48


12 Beleidsprioriteiten Ministerie van Defensie
* 12.1 Beleidsprioriteiten 1999 52

* 12.2 Beleidsprioriteiten 2000 54


13 Beleidsprioriteiten Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu

* 13.1 Beleidsprioriteiten 1999 58

* 13.2 Beleidsprioriteiten 2000 61


14 Beleidsprioriteiten Ministerie van Verkeer &Waterstaat
* 14.1 Beleidsprioriteiten 1999 64

* 14.2 Beleidsprioriteiten 2000 67


15 Beleidsprioriteiten Ministerie van Economische Zaken
* 15.1 Beleidsprioriteiten 1999 70


16 Beleidsprioriteiten Ministerie Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
* 16.1 Beleidsprioriteiten 1999 76


17 Beleidsprioriteiten Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

* 17.1 Beleidsprioriteiten 1999 81

* 17.2 Beleidsprioriteiten 2000 85


18 Beleidsprioriteiten Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

* 18.1 Beleidsprioriteiten 1999 87

* 18.2 Beleidsprioriteiten 2000 90


69

1 Inleiding


1.1 Achtergrond onderzoek

De afgelopen jaren is bij de Kamer een groeiende behoefte ontstaan aan meer inzichtelijke begrotingen en verant-woordingen van de departementen, waarin een duidelijke koppeling wordt gemaakt tussen doelstelli
ngen, resultaten en middelen. Met als startpunt het rapport 'Jaarverslag in de Politieke Arena' (juni 1998) is namens de Regering door het Ministerie van Financiën het traject rond de regeringsnota Van Beleidsbegroting tot Beleidsverantwoording (VBTB, mei 1999) in gang gezet. Centrale doelstelling van deze nota is het verbeteren van de informatiewaarde en toegankelijkheid van de departementale begrotings- en verantwoordings-stukken om de autorisatie- en controlefunctie van de Staten-Generaal beter te ondersteunen. In de nieuwe opzet zouden de beleidsprestaties veel meer dan nu nadruk moeten krijgen en zouden doelen, prestaties en middelen veel duidelijker in onderling verband gepresenteerd moeten worden. Dat betekent dat bij het opstellen van de begroting de volgende vragen leidend zouden moeten zijn:

Wat willen we bereiken;

Wat moeten we daarvoor doen;

Wat mag dat kosten.

Om een direct verband tussen begroting en verantwoording te kunnen leggen, zou de verantwoording daarop aansluitend antwoord moeten kunnen geven op de vragen:

Wat hebben we bereikt;

Wat hebben we daarvoor gedaan;

Wat heeft het gekost.

In VBTB is een tijdpad opgenomen waarin de implementatie van de voorstellen gepland staat voor de begroting 2002, dus in september
2001. De eerste verantwoording nieuwe stijl (over 2002) verschijnt in mei 2003. Ter voorbereiding op de begroting nieuwe stijl zijn dummybegrotingen opgesteld en in mei 2000 aan de Kamer aangeboden. De Tweede Kamer heeft in het najaar 1999 ingestemd met de voorstellen en daarmee ook met het implementatietraject.

Vanuit de Tweede Kamer heeft de Werkgroep Financiële Verantwoordingen zich gebogen over de uitwerking van de nieuwe stijl van verantwoorden voor de departementen. In 1998 heeft de Werkgroep een aantal (32) beleidsprioriteiten gedefinieerd en per prioriteit aangegeven in welke prestatie-gegevens de financiële verantwoording 1999 inzicht zou moeten bieden. In een reactie daarop hebben de ministers ieder voor hun eigen departement toezeggingen gedaan over prestatiegegevens die in de verantwoording 1999 zouden worden opgenomen. In sommige gevallen heeft de Werk-groep daarop aanvullende vragen gesteld. In 2000 heeft de Werkgroep een aantal nieuwe prioriteiten en bijbehorende prestatiegegevens geformuleerd. Voor een aantal oude prioriteiten zijn aanvullende prestatiegegevens gevraagd.


1.2 Rekenkameronderzoek

De Rekenkamer volgt bovengeschetste ontwikkelingen nauwlettend en is zelf ook in het voorbereidend traject b
etrokken. Op verzoek van de Kamer heeft de Rekenkamer de in 1998 gevraagde prestatiegegevens geanalyseerd en daarover aan de Kamer gerapporteerd in het rapport 'Ambitieus maar haalbaar' (Rekenkamer, mei 1999). Recentelijk heeft de Tweede Kamer de Rekenkamer verzocht om advies uit te brengen over de departementale reacties op de nieuwe, door de Kamer gevraagde prestatiegegevens inzake beleidsprioriteiten en over de opzet en inhoud van de dummybegrotingen. In reactie op dat verzoek geeft de Rekenkamer in het onderhavige onderzoek 'Beleidsprioriteiten' een beeld van wat tot nu toe bereikt is. Ten eerste wordt daartoe ingegaan op de wijze waarop de door de Kamer gevraagde informatie over de in 1998 geformuleerde beleidsprioriteiten in de financiële verantwoordingen 1999 van de departementen is opgenomen. Wanneer de gevraagde informatie niet is opgenomen, heeft zij geïnventariseerd wat de redenen daarvan waren en welke eventuele toezeggingen op die punten zijn gedaan. In de tweede plaats heeft zij gekeken naar de reacties van de minister op de door de Kamer geformuleerde aanvullende beleidsprioriteiten en de daarbij gevraagde prestatiegegevens, die opgenomen zouden moeten worden in de financiële verantwoording 2000.

Naar aanleiding van het onderzoek 'Ambitieus maar haalbaar' heeft de Rekenkamer in samenwerking met een aantal departementen voor acht beleidsonderwerpen met meer diepgang onderzocht hoe de verantwoording over beleidsresultaten optimaal vorm kan worden gegeven. De uitkomsten van dit onderzoek zijn opgenomen in het rapport 'Verantwoorden over beleid', dat tegelijkertijd met het rapport 'Beleidsprioriteiten' is aangeboden aan de Tweede Kamer.

De Rekenkamer beschouwt al deze onderzoeken als behorend bij haar rol in het ontwikkelingstraject VBTB. Deze en de komende jaren nog uit te brengen rapporten over dit traject zijn bedoeld om bij te dragen aan realisatie van de doelstellingen van VBTB: verbetering van de kwaliteit van begrotings- en verantwoordingsinformatie bij de rijksoverheid. Bij deze onderzoeken staat de ontwikkelings-component dus voorop; zolang het implementatietraject VBTB loopt, is het niet de bedoeling om oordelen uit te spreken, maar om de zaak verder te helpen met concrete aanbevelingen ter verbetering en additionele producten als handreikingen en checklists.

De Rekenkamer maakt dus een duidelijk onderscheid tussen rapportages die tot doel hebben een beleidsontwikkeling te ondersteunen en rapportages waarin een oordeel wordt gegeven over de recht- en doelmatigheid van de uitvoering van bestaand beleid. Voorlopig zullen in het kader van het VBTB-traject alleen de eerste soort rapporten worden uitgebracht. Wanneer straks de nieuwe wijze van verant-woording ingevoerd is en de ontwikkelingen zijn vastgelegd in wet- en regelgeving, zal de Rekenkamer meer in oordelende zin rapporteren.


1.3 Opzet rapportage en leeswijzer

Dit rapport is als volgt ingedeeld. In hoofdstuk 2 wordt een totaalbeeld geschetst. In hoofdstuk 3 wordt de stand van zaken voor de beleidsprioriteiten op hoofdlijnen weerge-geven, eerst voor die voor
1999 en daarna voor die voor 2000. Daarna volgen enkele aanbevelingen van de Reken-kamer. Vervolgens worden per departement de belangrijkste bevindingen beschreven, zowel voor de beleidsprioriteiten 1999 als, voor zover van toepassing voor die van 2000.

In onderstaande tabel zijn de beleidsprioriteiten 1999 en 2000 opgenomen.

Tabel 1:

Overzicht beleidsprioriteiten ministeries 1999 en 2000

Rijksbreed


1999


1 Verbetering van de informatievoorziening in begrotingen en financiële

verantwoordingen


2 Kwaliteit van de Rijksdienst in relatie tot de
doelmatigheidstaakstellingen in het regeerakkoord


2000


3 Prestatiegegevens bij intensiveringen regeerakkoord
Koninkrijksrelaties


1999


1 Sociaal vangnet


2000


-

Buitenlandse Zaken


1999


1 Hulp aan Indonesië


2 Effectiviteit multilaterale hulp


3 Besteding Europese Structuurfondsen in Nederland

2000


-

Justitie


1999


1 Immigratie- en Naturalisatiedienst


2 Jeugdbeleid en jeugdcriminaliteit


2000


3 TBS-inrichtingen


4 Reclassering

Binnenlandse Zaken


1999


1 Grote Steden- en integratiebeleid


2 Politiesterkte


2000


-

Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen


1999


1 Schooluitval


2 Lerarentekort primair onderwijs in relatie tot groepsgrootte,
vermindering wachtgelden en inzet formatiegelden


2000


3 Materiële bekostiging primair en voortgezet onderwijs

4 Monumentenzorg

Financiën


1999


1 Afdrachtvermindering


2 Investeringsfaciliteiten


2000


-

Defensie


1999


1 Gevechtskracht


2 Vredesoperaties


2000


3 Werving en selectie defensiepersoneel


4 Investeringscyclus


5 Brandstof- en energieverbruik

Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu


1999


1 Huursubsidie


2 Uitvoering klimaatbeleid


2000


3 ISV-budget


4 Geluidshinder

Verkeer en Waterstaat


1999


1 Waterhuishouding


2 Congestiekans hoofdwegennet


2000


3 Modal-shift

Economische Zaken


1999


1 Instrumentarium en tijdpad om te komen tot vermindering
van de administratieve lasten


2 Doelmatigheid exportinstrumentarium


3 Instrumenten EZ in het kader van het grote stedenbeleid

4 ICT-beleid


2000


-

Landbouw, Natuurbeheer en Visserij


1999


1 Herstructurering varkenshouderij


2 Biologische landbouw


3 Grondverwerving en grondbeheer


2000


-

Sociale Zaken en Werkgelegenheid


1999


1 Sluitende aanpak jaarlijkse nieuwe instroom van volwassen werk-
zoekenden in samenhang met Wet SocialeWerkvoorziening-plaatsingen

Wet Inschakeling Werkzoekenden-plaatsingen, Instroom/Doorstroom-

banen en evenredige plaatsingen van minderheden door de

Arbeidsvoorzieningsorganisatie, uitvoeringsinstellingen en gemeenten


2 Bestrijding fraude in de sociale zekerheid

2000


3 Plaatsingen in het kader van de Wet Reïntegratie
Arbeidsgehandicapten

Volksgezondheid, Welzijn en Sport


1999


1 Geneesmiddelen


2 Wachtlijstproblematiek en werkdruk in verzorgingstehuizen

2000


3 Geneesmiddelen en wachtlijsten en werkdruk

2 Totaalbeeld

In het rapport 'Ambitieus maar haalbaar' wordt al gesteld dat het formul
eren van informatiebehoefte om doelen, prestaties en uitgaven inzichtelijker te maken een complex proces is, dat veel overleg tussen Kamer en Regering vergt om wensen en mogelijkheden op elkaar af te stemmen. Op basis van haar analyse van de toen geformuleerde beleids-prioriteiten en gevraagde informatie over beleidsprestaties deed de Rekenkamer onder andere de volgende aanbevelingen:
De aanwezigheid van concrete en meetbare doel-stellingen voor een beleidsprioriteit is een basis-voorwaarde. Dat betekent dat geformuleerd moet zijn wanneer het doel bereikt dient te zijn en dat er in het geval van een referentiepunt een nulmeting moet zijn. Bij langetermijndoelstellingen dient voor het bereiken van de doelen een tijdpad uitgezet te zijn, met mijlpalen (zoals tussendoelen);

Om volledige en vergelijkbare informatie te krijgen is het van belang dat de vraagstelling sluitend en consistent is en dat gevraagd wordt naar concrete en meetbare doelen, prestaties en uitgaven. Voor een zinvolle beoordeling is vergelijking over een langere periode van belang. De bruikbaarheid van gegevens kan worden bevorderd door gegevens op hoofdlijnen te vragen;

De vragen naar prestatiegegevens zouden zoveel mogelijk aan moeten sluiten bij de inhoud en omvang van de desbetreffende beleidsprioriteit.

De Rekenkamer constateert naar aanleiding van haar onderzoek in 2000 wederom dat het op heldere wijze inzicht geven in de relatie tussen doelen, prestatie en middelen niet eenvoudig is en de nodige tijd en inspanning van betrokkenen vraagt. Na ruim een jaar is een derde van de gevraagde informatie opgeleverd in de financiële verantwoording
1999; voor tweederde is dit om uiteenlopende redenen nog niet het geval. Overigens merkt de Rekenkamer op dat het niet in alle gevallen mogelijk is om zinvolle prestatiegegevens op te nemen. Niet alle vragen lenen zich voor beantwoording in de financiële verantwoording, en het is ook niet altijd mogelijk of wenselijk om de gevraagde prestatiegegevens ieder jaar te verstrekken. Het zal derhalve ook in de toekomst niet mogelijk zijn om tot 100% beantwoording van de Kamervragen te komen.

Over het algemeen bleek dat die vragen waarover in 'Ambitieus maar Haalbaar' weinig opmerkingen werden gemaakt omdat de vraagstelling helder was, in de financiële verantwoording 1999 ook beantwoord zijn. Daarmee wordt nog eens bevestigd hoe belangrijk het is dat Kamer en ministers duidelijke afspraken maken over welke concrete doelstellingen en prestatiegegevens in de begroting en de financiële verantwoording opgenomen dienen te worden. Het in 'Ambitieus maar haalbaar' geschetste normenkader (concrete doelstellingen, het gehele beleidsterrein afdekken, aandacht voor juiste mate van detaillering, koppeling met begrotingsartikel) en de 'Handreiking Verantwoorden over Beleid' Deze handreiking behoort bij het onderzoek 'Verantwoorden over beleid' dat tegelijkertijd met het onderhavige rapport is aangeboden. bieden hiervoor bruikbare aanknopingspunten. In dit verband spreekt de Rekenkamer haar zorg uit over de tweede tranche beleidsprioriteiten, die geformuleerd zijn voor de financiële verantwoording 2000. Dit zijn in het algemeen globale vragen en de toezeggingen van de bewinds-lieden zijn eveneens globaal. Dit maakt de kans flink groter dat de informatie die in de financiële verantwoording 2000 (of later) wordt opgenomen niet het gewenste inzicht geeft in de relatie tussen doelen, prestaties en middelen.

Uit het onderzoek in 2000 destilleert de Rekenkamer nog drie andere aandachtspunten. Ten eerste constateert zij dat het veelal moeilijk is om prestatiegegevens op tijd op te leveren. Dit in tegenstelling tot financiële gegevens die meestal wel op tijd worden opgeleverd. Doordat de financiële gegevens betrekking hebben op jaar t en de gegevens over het beleid op jaar t-1, is het verband tussen geld en beleid moeilijk te leggen. Niettemin is het wel mogelijk om inzicht te verschaffen in de ontwikkelingen op het beleidsterrein, bijvoorbeeld door in de financiële verantwoording (5-jarige) tijdsreeksen voor de gerealiseerde beleidsdoelen, prestaties en uitgaven op te nemen. De Reken-kamer pleit er echter voor dat de ministers ernaar streven om op termijn de informatie wel op tijd beschikbaar te krijgen.

Ten tweede signaleert de Rekenkamer dat ministers nogal eens afhankelijk zijn van informatie van derden en dat er over het algemeen geen garantie is dat de informatie van derden op een zodanige wijze beschikbaar is dat antwoord kan worden gegeven op de vraag van de Kamer. De Reken-kamer vraagt aandacht voor dit probleem, waarop zij al eerder heeft gewezen naar aanleiding van haar onderzoeken op het terrein van artikel-59-organisaties. Overigens hebben verschillende ministers toegezegd dat eraan wordt gewerkt om in de nabije toekomst wel de gevraagde informatie van derden te kunnen geven.

Ten derde baart het de Rekenkamer zorgen dat er bijzonder weinig aandacht wordt geschonken aan de betrouwbaarheid van de geleverde informatie. In een beperkt aantal gevallen merkt de departementale accountantsdienst iets op over het ontbreken van informatie over de betrouwbaarheid, maar in de meeste gevallen wordt er niets gezegd over betrouw-baarheid. Voor de toekomst zal dit een belangrijk punt van aandacht moeten zijn, zowel voor de departementen als voor de Rekenkamer. Overigens heeft de Rekenkamer ook in de Rapporten bij de financiële verantwoordingen en in de Geleidebrief aandacht voor dit probleem gevraagd.

Ten slotte merkt de Rekenkamer op dat, gezien het feit dat het geven van goede verantwoordingsinformatie over beleid in een jaarlijkse verantwoording, een complexe aangelegen-heid is, het van belang is dat de Kamer consistent is in haar vraag naar informatie. Alleen dan kan zinvolle informatie-voorziening over een aantal jaren worden gegeven waardoor het mogelijk is ontwikkelingen in de tijd te volgen. Tevens beveelt de Rekenkamer aan om vragen over beleidspriori-teiten voortaan in het begrotingstraject in plaats van het verantwoordingstraject aan de orde te stellen. Gezien de voorgestane koppeling tussen begrotings- en verantwoor-dingsinformatie komen de gevraagde gegevens uiteindelijk ook in de verantwoording tot uiting.

3 Stand van zaken ten aanzien van de beleidsprioriteiten

3.1 Beleidsprioriteiten 1999

De Rekenkamer heeft gekeken in hoeverre in de toelichting bij de financiële verantwoordingen 1999 de door de Wer kgroep Financiële Verantwoording gevraagde (prestatie) gegevens over beleidsprioriteiten zijn opgenomen. In de financiële verantwoording
1998 hebben de meeste ministers voor een deel van de vragen al aangegeven of en hoe ze dachten de gevraagde gegevens te kunnen leveren. Soms gaven ze aan niet de gevraagde gegevens te kunnen leveren, maar wel alternatieven. In sommige gevallen ging de Kamer hiermee akkoord, in sommige gevallen wilde de Kamer toch aan de gevraagde gegevens vasthouden. Voor een aantal prioriteiten benadrukte de Kamer in december 1999 nog eens dat ze veel belang hechtte aan de gevraagde gegevens. De Rekenkamer betrok al deze informatie in haar analyse, maar ging in eerste instantie steeds uit van de oorspronke-lijke Kamervraag. Indien er gegevens over de gevraagde beleidsprioriteit in de financiële verantwoording 1999 waren opgenomen, onderzocht de Rekenkamer in hoeverre het (de gevraagde) prestatiegegevens betrof.

De Werkgroep formuleerde 30 beleidsprioriteiten voor 13 departementen en twee rijksbrede beleidsprioriteiten. Bij deze 32 beleidsprioriteiten werden in totaal 140 vragen gesteld. Deze vragen betroffen overwegend prestatiegegevens maar soms werden meer algemene vragen gesteld. De Rekenkamer ging na in hoeverre er in de financiële verantwoordin-gen 1999 antwoord werd gegeven op door de Kamer gestelde vragen. In onderstaande tabel is aangegeven in welke mate de gevraagde gegevens zijn opgenomen in de financiële verantwoordingen 1999.

Tabel 2: Opname van de gevraagde gegevens

Bevinding Algemene Rekenkamer in financiële verantwoording 1999

Totaal aantal (#)

Totaal %

Wordt opgenomen


28

20
Deels opgenomen


18

13
Niet opgenomen


94

67
Totaal


140

100
Ongeveer éénderde van de gevraagde gegevens is (deels) in de financiële verantwoording 1999 opgenomen. Opvallend was daarbij dat met name die gegevens, waarbij de Rekenkamer in 'Ambitieus maar haalbaar' weinig opmerkingen maakte, zijn opgenomen in de financiële verantwoording. Dit onderschrijft de oproep van de Rekenkamer aan Regering en Kamer om gezamenlijk informatiebehoeften te formuleren voor een goede verantwoording over beleid. De Rekenkamer beveelt aan dit in het begrotingstraject te doen.

Het baart de Rekenkamer zorgen dat (daar waar prestatie-gegevens zijn opgenomen) weinig aandacht is gegeven aan (de rapportage over) de betrouwbaarheid van de gevraagde gegevens. De departementale accountantsdiensten schenken over het algemeen nog weinig aandacht aan het aspect betrouwbaarheid. In die gevallen waarin zij hieraan wel aandacht schenken, geven ze aan dat zij de betrouwbaarheid van de gegevens niet kunnen vaststellen. Indien gegevens van derden worden gebruikt is het vaststellen van de betrouw-baarheid van die gegevens vaak nog lastiger.

Van de overige 95 gevraagde gegevens, constateert de Reken-kamer dat de gevraagde gegevens niet opgenomen zijn in de financiële verantwoording 1999. Voor de gegevens die deels of niet in de financiële verantwoording zijn opgenomen, is de Rekenkamer nagegaan wat de achtergrond hiervan was. De onderstaande tabellen geven de bevindingen weer. Overigens merkt de Rekenkamer op dat het niet in alle gevallen mogelijk is zinvolle prestatiegegevens op te nemen. Niet alle vragen lenen zich voor beantwoording in de financiële verantwoording, en het is ook niet altijd mogelijk of wenselijk om de gevraagde prestatiegegevens ieder jaar te verstrekken. Het zal derhalve ook in de toekomst niet mogelijk zijn om tot 100% beantwoording van de Kamervragen te komen.

Tabel 3: Verklaringen 'deels opgenomen'

Categorie


A) Er is in de FV 1999 geen reden gegeven, waarom een deel wel en een deel niet weergegeven is


8
B) Voor 'overige' informatie wordt in de FV 1999 verwezen naar andere bronnen van (verantwoordings)informatie


2
C) De reden is aangegeven in de oorspronkelijke reactie van de minister (aangegeven redenen: aggregatie-problemen, alternatieven worden gegeven, gegevens zijn nog niet beschikbaar of streefcijfers moeten nog worden opgesteld)


6
D) Antwoord is reeds gegeven in de oorspronkelijke reactie van de minister


2
Som totaal


18
Tabel 4: Verklaringen 'niet opgenomen'

Categorie

#

Voorbeeld


1) Er is door de in de FV '99 minister geen (goede) reden aangegeven waarom de ge-vraagde informatie niet wordt opgenomen (in 10 gevallen reden elders aangegeven)


35

De Minister van Economische Zaken is in het geheel niet ingegaan op de vraag naar het aantal garanties en de vraag naar geboekte resultaten en ingezette middelen ten aanzien van de beleidsprioriteit Doelmatigheid van het exportinstrumentarium.


2) De minister geeft aan dat (nog) geen gegevens opgeno-men kunnen worden, aange-zien: het beleid in de toekomst ligt; besluitvorming over wijze van verantwoording nog gaande is; er (nog) geen en/of inmiddels afspra-ken over te bereiken doelen zijn

11

De Minister van Defensie antwoordt op de vragen over Gevechtskracht dat besluitvorming over de wijze van verantwoorden nog gaande is. Pas in de begroting 2003 zullen de defensie-eenheden met betrekking tot doelstellingen en prestatieindicatoren in kaart zijn gebracht. Naar de mening van de Reken-kamer blijkt hieruit niet duidelijk of in 2003 dan ook daadwerkelijk de ge-vraagde informatie wordt gegeven (zoals het aandeel van de gevechtskracht in de totale uitgaven van Defensie). Bovendien vindt de Rekenkamer dat de Tweede Kamer tot 2003 wel inzicht moet krijgen in de voortgang en reali-satie van doelstellingen en de ontwikkeling van bijbehorende kengetallen.


3) Aangegeven wordt dat vraag niet jaarlijks beantwoord kan worden, maar eventueel op te leveren is d.m.v. (evaluatie-) onderzoek

10

De Kamer vroeg aan de Minister voor Economische Zaken voor de prioriteit Instrumentarium en tijdpad om te komen tot een vermindering van de administratieve lasten onder andere welke effecten de maatregel heeft op de vermindering van de administratieve lasten en op de rijksbegroting. De minister antwoordde dat dit eventueel beantwoord kan worden aan de hand van evaluatieonderzoek. De Rekenkamer onderschrijft dit, maar denkt dat deze vraag dan wel in het evaluatieonderzoek beantwoord moet worden en vraagt zich ook af wanneer dit onderzoek zal plaatsvinden.


4) Er wordt in de FV '99 verwezen naar andere (verantwoordings-) informatie (niet steeds is bezien of hier daadwerkelijk relevante informatie is opgenomen)


16

De Minister van VWS heeft al in de FV 1998 aangegeven dat informatie over de prioriteiten niet in de FV 1999 maar in de Voorjaarsrapportage zal worden opgenomen. Dit omdat de gevraagde informatie niet over het ministerie, maar over de hele zorgsector gaat. De Rekenkamer kan zich vinden in de opstelling dat de gevraagde informatie niet in de FV van het ministerie wordt meegenomen, maar in een verantwoording over de gehele zorgsector. Zij merkt echter op dat er tot op heden geen integrale verantwoording over de zorgsector wordt gemaakt. Zij is van mening dat dit een belangrijk gemis is.


5) Het antwoord op de vraag (geen prestatie-gegeven) is (deels) al gegeven (in de reactie)


1

De Minister van Economische Zaken gaf al in de FV 1998 antwoord op de vraag bij de prioriteit Doelmatigheid van het exportinstrumentarium om inzicht in het bedrag dat aan rente wordt bespaard door reservering. Zij gaf aan alleen een indicatie te kunnen geven en gaf deze ook daadwerkelijk.


6) De gegeven informatie bevat niet gevraagde prestatiegegeven, maar is een beschrijving of is een procedureel antwoord

5

Ten aanzien van de beleidsprioriteit Effectiviteit multilaterale hulp is de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking gevraagd de norm aan te geven t.a.v. de kwaliteit van de hulporganisaties en de kwaliteit van de hulpverlening. De minister geeft in diverse beleidsnota's wel een uitgebreide beschrijving en appreciatie van de organisaties, maar geen concrete normen. De Rekenkamer stelde in 'Ambitieus maar Haalbaar' dat dergelijke normen, doordat het multilaterale organisaties betreft, ook niet zo eenzijdig zijn te stellen. De gegeven appreciaties vormen wellicht een bruikbaar alternatief.


7) De minister geeft aan afhankelijk te zijn van derden voor (tijdige) informatie (en geeft in sommige gevallen eventueel informatie over voorgaande jaren)


8

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties geeft aan voor de prioriteit Politie geen gegevens te zullen opnemen, aangezien pas (als de jaarstukken van de regiokorpsen opgeleverd worden) medio
2000 gegevens over 1999 beschikbaar zullen komen. Uniforme oplevering van gegevens over de taakuitvoering van de korpsen is pas in 2001 mogelijk.


8) De minister geeft aan dat beantwoording (nog) niet mogelijk is en beargumen-teerd waarom er geen moge-lijkheden zijn (en geeft even-tueel (betere) alternatieven)


8

De Kamer vroeg de Minister van Verkeer en Waterstaat voor de prioriteit Waterhuishouding naar het aantal m3 uiterwaarden waarin het water opge-slagen kan worden bij hoog water. De minister heeft in haar reactie in de FV '99 aan dat opslag van water in de Nederlandse situatie (vooralsnog) niet van betekenis is. Als alternatief geeft zij voor rivierverruiming als prestatiege-geven het aantal hectaren waarvoor rivierverruimingsprojecten is toegepast.

Totaal


94


3.2 Beleidsprioriteiten 2000

De Rekenkamer ging voor de nieuw geformuleerde prioriteiten na of er in de Kamervragen respecti
evelijk de reacties van de ministers aandacht was besteed aan de belangrijkste elementen uit 'Ambitieus maar haalbaar'. Wat betreft de Kamervragen is vooral gekeken of er gevraagd werd naar doelen, prestatiegegevens en uitgaven. Wat betreft de reacties van de ministers ging de Rekenkamer na in hoeverre er aandacht is geschonken aan doelen, prestatie-gegevens, financieel belang en begrotingsartikel. Indien er over prestatiegegevens werd gesproken is ook gekeken of er aandacht wordt geschonken aan de elementen realiseer-baarheid, jaarlijkse oplevering, afhankelijkheid van derden en betrouwbaarheid.

Vragen Kamer

Bij de vragen die de Kamer formuleerde werd in alle gevallen gevraagd om prestatiegegevens, waarbij ook werd aange-geven waarop deze gegevens betrekking moesten hebben. Over het algemeen is echter niet aangegeven welke prestatie-gegevens de Kamer zou willen krijgen. In een enkel geval werd gevraagd naar een concreet prestatiegegeven, zoals bij het Ministerie van Defensie (aantallen respondenten, geselec-teerde en geworven kandidaten). In de meeste gevallen werd ook gevraagd naar uitgaven op het terrein van de betreffende beleidsprioriteit. De Kamer was ten aanzien van de doelen veel minder expliciet: voor twee prioriteiten werd de minister om een doelstelling gevraagd. Ten slotte vroeg de Kamer in twee gevallen expliciet om prestatiegegevens die de ontwikkelingen gedurende de loop van een aantal jaren weergeven.

Reactie ministers op Kamervragen

In de meeste reacties op de beleidsprioriteiten kwam het element 'prestatiegegevens' wel aan de orde, maar werd niet aangegeven welke prestatiegegevens in de toekomst zullen worden gegeven. Er werd vaak aandacht geschonken aan de elementen 'realiseerbaarheid' en 'afhankelijkheid van derden'. In twee reacties werden concrete doelstellingen genoemd (bijvoorbeeld 100% kostendekkendheid van de materiële bekostiging in het voortgezet onderwijs). In geen van de reacties werd aandacht besteed aan de elementen betrouwbaarheid, financieel belang en de relatie met een begrotingsartikel.

De minister van VWS verwees voor de gevraagde gegevens naar een ander document dan de financiële verantwoording, namelijk de Voorjaarsrapportage, die tegelijkertijd met de Voorjaarsbrief Zorg uitgebracht zal worden.

Commentaar Rekenkamer

Voor de nieuwe en aanvullende prioriteiten vroeg de Kamer vaak in algemene zin om prestatiegegevens, zonder te expliciteren welke concrete prestatiegegevens men precies verwachtte. De ministers reageerden meestal ook in algemene zin, zonder precies aan te geven welke concrete prestatiegegevens zij in de financiële verantwoording
2000 zullen opnemen.

De Rekenkamer merkt op dat de vragen van de Kamer over het algemeen ruimer en algemener zijn geformuleerd dan die over de beleidsprioriteiten 1999. Het voordeel van een globale vraagstelling kan zijn dat de ministers de ruimte hebben om zelf in hun reacties met concrete doelstellingen en prestatiegegevens te komen. Dit gebeurt echter over het algemeen niet: de ministers noemen geen concrete prestatie-gegevens die ze in de financiële verantwoording 2000 zullen opleveren, maar zeggen slechts in algemene zin (een deel van) de prestatiegegevens toe. Daardoor is het mogelijk dat de financiële verantwoordingen 2000 andere informatie zullen bevatten dan de Kamer eigenlijk wilde.

De Rekenkamer beveelt dan ook aan dat Kamer en Regering nader van gedachten wisselen over welke concrete doel-stellingen en prestatiegegevens in de financiële verantwoor-dingen over 2000 opgenomen zouden moeten en kunnen worden. Daarbij zou het door de Rekenkamer opgestelde normenkader van 'Ambitieus maar Haalbaar' en de 'Handreiking Verantwoorden over Beleid' als leidraad kunnen dienen.
4 Aanbevelingen

De Rekenkamer is van mening dat het belangrijk is dat Kamer en ministers duidelijke afspraken maken over concrete doelstellingen en pre
statiegegevens die in de begroting en de financiële verantwoording opgenomen dienen te worden. Het in 'Ambitieus maar haalbaar' geschetste normenkader (concrete doelstellingen, het gehele beleidsterrein afdekken, aandacht voor juiste mate van detaillering, koppeling met begrotingsartikel) en de 'Handreiking Verantwoorden over Beleid' bieden hiervoor bruikbare aanknopingspunten.
De Rekenkamer is van mening dat de ministers in de financiële verantwoording een korte toelichting moeten geven indien zij:

niet in staat zijn de gevraagde informatie te leveren, om welke reden dan ook;

de gevraagde informatie niet zinvol of relevant vinden;

de gevraagde informatie in een ander document aan de Kamer verschaffen.

Zonder zo'n toelichting heeft de Kamer er geen zicht op of de gevraagde informatie in de toekomst alsnog wordt geleverd, of dat deze nooit komt.

Indien de door de Kamer gevraagde informatie niet in de financiële verantwoording, maar in een ander document wordt gegeven, zou in de financiële verantwoording (kort) informatie over de gevraagde beleidsprioriteit opgenomen moeten worden om het verband tussen de geleverde prestaties en daaraan verbonden kosten te kunnen leggen. Wel zou in dat geval gedacht kunnen worden aan een wat meer geaggregeerde vorm van informatievoorziening in de financiële verantwoording.

Door de versnelling rond de verantwoording bij de rijksdienst kunnen op een aantal plaatsen problemen ontstaan ten aanzien van tijdige oplevering van informatie. Daar waar de verantwoordingsprocessen nog niet op elkaar zijn afgestemd en informatie van derden later beschikbaar komt, zou (vooralsnog) informatie uit het voorgaande jaar gegeven kunnen worden.

De Rekenkamer beveelt de ministers aan om tijdig met derden van wie zij gegevens nodig hebben om inzicht te geven in de resultaten van beleid te overleggen over de wijze van aanlevering van die informatie. Dit geldt zowel voor het tijdstip van aanlevering als voor de wijze en het detailniveau waarop informatie wordt gegeven.

De Rekenkamer is van mening dat, indien de te bereiken doelen verder in de toekomst liggen, de Kamer niet verstoken mag blijven van relevante informatie, bijvoorbeeld over de voortgang en realisatie van de doelstellingen en de ontwikkeling van bijbehorende kengetallen.
5 Rijksbrede beleidsprioriteiten


5.1 Beleidsprioriteiten 1999


5.1.1 Beleidsprioriteit 'Verbetering van de informatievoorziening in begrotingen en financiële verantwoordingen'

De Tweede Kamer heeft ten aanzien van de beleidsprioriteit 'Verbetering van de informatievoorziening in begrotingen en financiële verantwoordingen' het
volgende gevraagd.

Kamervragen

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

Verbetering van de informatievoorziening in begrotingen en financiële verantwoordingen


1. aangeven wat, zo concreet mogelijk, de doelstellingen zijn van de verbetering van de informatievoorziening aan het parlement (betere controle door het parlement, meer debat op hoofdlijnen, minder of andersoortige kamervra-gen, meer aandacht voor koppeling tussen beleid en geld)

niet beantwoord (in FV 1999), opgenomen in brief d.d. 19 mei 1999 en in de Voortgangs-rapportage VBTB


2. de verbetering van de informatievoorziening in begro-tingshoofdstukken af te bakenen (verbetering begrotingen en suppletore begrotingen in het kader van de Begroting in de 21e eeuw, verbetering financiële verant-woordingen en omvorming tot jaarverslag omvorming tot financieel beheersbrief tot jaarverslag van het rijk)
Idem


3. in een plan van aanpak aan te geven hoe en in welk tempo men (gefaseerd) de doelstellingen denkt te realiseren d.m.v. aanpassing van de wet- en regelgeving en verbetering van de begrotingsstukken
Idem


4. waaraan men het succes van de verbetering denkt af te meten
Idem


5. jaarlijks in de financiële beheersbrief/ jaarverslag van het Rijk de vooruitgang van de verbetering van informa-tievoorziening te toetsten en vergelijken met de planning

Idem

Reactie minister van Financiën

De minister van Financiën schreef aan de Kamer (brief 19 mei 1999) dat alle door de Kamer gestelde vragen reeds waren beantwoord in de regeringsnota 'Van Beleidsbegroting Tot Beleidsverantwoording', maar ging toch op elke vraag in. In haar brief van 16 december 1999 drong de Kamer bij de minister aan op concrete doelstellingen en normen om het succes van de operatie VBTB te meten. 'Te denken valt aan zaken als tijdigheid van de stukken, gebruik van informatie-technologie, toepassing van prestatiegegevens bij interne sturing, klanttevredenheidscores en de omvang van de stukken.'

In de voortgangsrapportage VBTB gaat de minister van Financiën in op de haalbaarheid van de doelstellingen en de haalbaarheid van het voorgestelde tijdschema voor implementatie. Ook is een nieuw tijdschema gegeven met meetpunten voor het verdere traject tot september 2001 (het moment van uitbrengen van de eerste begroting nieuwe stijl). De minister spreekt nogmaals zijn voorkeur uit voor een evaluatie aan het eind van het traject (uit te voeren in najaar 2005) en zegt toe om met ingang van mei 2001 jaarlijks in het Financieel Jaarverslag van het rijk over de voortgang te rapporteren.

Commentaar Rekenkamer

De Rekenkamer onderschrijft de vraag van de Kamer om concrete doelstellingen en normen aan de operatie VBTB te verbinden. Dit niet alleen om de voortgang te bewaken en het uiteindelijke succes van de operatie te kunnen vaststellen, maar ook om bij te kunnen sturen als bijvoorbeeld onder tijdsdruk te grote concessies worden gedaan aan de kwaliteit van prestatiegegevens of de aanpassingen van informatie-systemen. De Rekenkamer zal in haar reactie op de Voortgangsrapportage VBTB haar standpunt ten aanzien van de voortgang van het traject uiteenzetten.


5.1.2 Beleidsprioriteit 'Kwaliteit van de Rijksdienst in relatie tot de doelmatigheidstaakstellingen in het regeerakkoord'
De Tweede Kamer heeft ten aanzien van de beleidsprioriteit 'Kwaliteit van de Rijksdienst in relatie tot de doelmatigheidstaakstellingen in het regeerakkoord'
om de volgende gegevens gevraagd.

Kamervragen

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

Kwaliteit van de Rijksdienst in relatie tot de doelmatigheidstaakstellingen in het regeerakkoord


1. zelf aan te geven met welke prestatiegegevens de kwaliteit van de departementen gemeten gaat worden en welke normen daarbij worden gehanteerd

niet beantwoord, in zijn brief d.d. 19 mei 1999 gaf de minister aan dat er geen absolute norm bestaat maar draagt hij wel enkele mogelijke alternatieven aan.


2. welke instrumenten gebruikt gaan worden
Idem


3. of de kwaliteitsnormen door de departementen worden gehaald
Idem


4. of de doelmatigheidtaakstellingen door departementen worden gehaald
niet beantwoord, de invulling van de taakstelling wordt door de afzonderlijke ministeries bepaald

Reactie minister van Financiën

De minister van Financiën schreef in eerste instantie aan de Kamer, dat de taakstellingen door de ministeries afzonderlijk worden ingevuld en dat deze op de departementale begrotingen kunnen worden gevolgd. Op een verzoek van de Kamer (brief 16 december 1999) om toch te monitoren in hoeverre de diverse taakstellingen op de apparaatbudgetten van departementen worden gerealiseerd en daarover in het jaarverslag van het Rijk te rapporteren, reageerde de minister in zijn aanbiedingsbrief bij de voortgangsrapportage 'Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording' dat - 'in lijn met het gedachtegoed van 'Van beleidsbegroting tot beleids-verantwoording' - ervoor gekozen is om de invulling per ministerie niet te monitoren'.

Commentaar Rekenkamer

In de financiële verantwoording over 1999, de aanbiedings-brief bij de voortgangsrapportage VBTB en de rijksrekening gaat de minister van Financiën niet in op de gevraagde gegevens over de kwaliteit van de rijksdienst. Wel schrijft hij hierover (brief 19 mei 1999) dat er in dit verband geen absolute normen zijn. De alternatieve informatie die hij noemt zou volgens de Rekenkamer interessant kunnen zijn: prestatiegegevens over het aantal gerechtvaardigde klachten of met succes ingediende bezwaarschriften, tijdreeksen en be-drijfsvergelijkingen per sector/type-organisatie, systematisch gebruik van klantonderzoek, het ontwikkelen van kwaliteits-handvesten, het toepassen van integrale kwaliteitszorg en een interdepartementaal systeem van visitaties. Wellicht kan een aantal van deze alternatieven opgenomen worden in het jaarverslag van het rijk over 2000 of in de financiële verantwoordingen van de afzonderlijke ministeries.


5.2 Beleidsprioriteiten 2000


5.2.1 Beleidsprioriteit 'Intensiveringen Regeerakkoord'
Vragen Kamer

De Kamer vroeg de regering om in het jaarverslag van het Rijk met (samengevatte) prestatiegegevens verantwoording af te leggen over de intensiveringen uit het Regeerakkoord. Dit opdat in het jaarverslag van het Rijk op hoofdlijnen gezien kan worden wat de prestaties zijn geweest van de Rijksoverheid in het afgelopen jaar.

Reactie minister van Financiën

In het voorbeeldjaarverslag van het Rijk over 1999 wordt de stand van zaken bij de intensiveringen uit het Regeerakkoord kort toegelicht. Die toelichting bevat geen prestatiegegevens.

Commentaar Rekenkamer

Het voorbeeldjaarverslag van het Rijk over 1999 is een 'extraatje', aangezien hierover tussen minister en Kamer in eerste instantie niets is afgesproken. In de nota VBTB wordt het eerste jaarverslag van het Rijk immers pas in mei 2001 voorzien. Het voorbeeldjaarverslag over
1999 bevatte geen concrete prestatiegegevens bij de intensiveringen uit het Regeerakkoord. Dit is niet onbegrijpelijk gezien het feit dat deze prestatiegegevens ontleend zouden moeten worden aan de departementale verantwoordingen maar dat deze veelal nog geen prestatiegegevens over de intensiveringen bevatten. De Rekenkamer beveelt Kamer en Regering aan om in overleg vast te stellen welke prestatiegegevens opgenomen dienen te worden in het Jaarverslag van het Rijk. 6 Beleidsprioriteiten Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, betreffende de beleidsprioriteiten van Koninkrijksrelaties


6.1 Beleidsprioriteiten 1999


6.1.1 Beleidsprioriteiten 'Realisatie samenwerkingsprojecten' en 'Sociaal vangnet'

De Tweede Kamer heeft ten aanzien van de beleidsprioriteiten 'Realisatie samenwerkingsprojecten' en 'Sociaal vangnet' voor 28 samenwerkingsprojecten en vijf specifieke projecten in het kader van 'Sociaal vangnet' de volgende gegevens gevraagd.

Kamervragen

Bevindingen Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

Realisatie Samenwerkingsprojecten en Sociaal Vangnet


1. loopt het project door in 1999;

Wordt beantwoord


2. zijn er voor 1999 concrete, meetbare doelen en/ of resultaatverplichtingen opgenomen;

Niet beantwoord, alleen procedureel antwoord


3. vergelijking tussen doelen en resultaten voor 1999;
Idem


4.vergelijking tussen raming en realisatie voor 1999 (in Ned. guldens)
Deels beantwoord, bij enkele projecten een vergelijking

Reactie minister op Kamervragen

De minister is van plan om over te gaan van project- naar programmafinanciering. Hierdoor zou de Kamer prestatie-gegevens op een hoger abstractieniveau ontvangen. De Kamer stemde daar in de brief van
16 december 1999 mee in, maar achtte het wenselijk dat het ministerie ook op projectniveau duidelijke doelstellingen en prestatiegegevens formuleert, ten behoeve van betrouwbare gegevens op programmaniveau. Daar een eenduidige registratie van doelstellingen en prestatiegegevens nog moest beginnen, drong de Kamer aan op een voortvarende aanpak.

Commentaar Rekenkamer

In de financiële verantwoording 1999 wordt een schema gegeven, waarin naast de vijf specifieke projecten van 'Sociaal Vangnet' niet 28, maar
27 'Samenwerkings-projecten' worden toegelicht: van één project ontbreekt de toelichting. Bij geen van de 32 projecten (5 plus 27) worden concrete doelen en/ of resultaatverplichtingen weergegeven. Voor zover hier wel gegevens zijn opgenomen, wordt slechts aangegeven dat doelstellingen en afspraken zijn vastgelegd. Voor 15 van de 32 projecten wordt 'niet van toepassing' aangegeven, terwijl niet duidelijk is waarom concrete doelstellingen en resultaatverplichting niet van toepassing worden geacht. In de financiële verantwoording wordt geen vergelijking gemaakt tussen de begrote en gerealiseerde doelen. De gevraagde vergelijking tussen het begrote en ingezette budget wordt slechts bij 14 van de 32 projecten gemaakt.
De financiële verantwoording 1999 bevat niet de prestatiegegevens 'op een hoger abstractieniveau', zoals die door de minister zijn toegezegd. De Rekenkamer wijst erop dat het van belang is dat er een relatie gelegd kan worden tussen de projecten/ projectdoelstellingen en de doelstellingen op programmaniveau/ beleidssector. Deze (project)doel-stellingen dienen concreet en meetbaar geformuleerd te worden. Informatie over de resultaten en uitgaven op projectniveau zou echter een grote hoeveelheid (detail)gegevens opleveren, welke niet zonder meer inzicht zou bieden in de eventuele realisatie van de sectorale doelstellingen. Aggregatie van gegevens (bijvoorbeeld op programmaniveau) kan daarvoor een uitkomst bieden. Uit de financiële verantwoording 1999 wordt niet duidelijk hoe ver het ministerie gevorderd is met een eenduidige registratie van doelstellingen en prestatiegegevens en in hoeverre daarbij bovengenoemde relatie is gewaarborgd.

7 Beleidsprioriteiten Ministerie van Buitenlandse Zaken

7.1 Beleidsprioriteiten 1999


7.1.1 Beleidsprioriteit 'Hulp aan Indonesië'
De Tweede Kamer heeft ten aanzien van de prioriteit 'Hulp aan Indonesië' gevraagd om meetbare doelstellingen en/of resultaatafspraken aan te geven zodra de hulp aan Indonesië daadwerkelijk wordt hervat.

Kamervraag

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

Hulp aan Indonesië

Meetbare doelstellingen en/of resultaatafspraken aan te geven zodra de hulp aan Indonesië daadwerkelijk wordt hervat

Niet beantwoord, de Kamer zal hierover in het voorjaar van 2000 worden geïnformeerd

Reactie minister op Kamervraag

In de financiële verantwoording 1999 geeft de minister aan dat in het voorjaar 2000 een brief naar de Tweede Kamer gestuurd zal worden over de structurele bilaterale samenwer-kingsrelatie met Indonesië, welke in november 1999 is hervat.

Commentaar Rekenkamer

De minister maakt niet duidelijk of deze brief de door de Kamer gevraagde meetbare doelstellingen en resultaatafspraken zal bevatten. Naast deze vorm van hulpverlening bestaat er ook hulp aan Indonesië in de vorm van armoedebestrijding, humanitaire hulp, schuldverlichting en uitgaven in het kader van het internationale culturele programma. Ook voor deze items wordt door de minister niet ingegaan op mogelijke resultaatafspraken en prestatiegegevens.

De Rekenkamer acht het wenselijk dat naast het beschrijven van heldere doelstellingen en resultaatafspraken tevens prestatiegegevens worden gedefinieerd.


7.1.2 Beleidsprioriteit 'Effectiviteit multilaterale hulp'
Voor de prioriteit 'Effectiviteit multilaterale hulp' heeft de Tweede Kamer de volgende gegevens gevraagd:

Kamervragen

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

Effectiviteit multilaterale hulp


1. aangeven van de norm die Nederland stelt ten aanzien van de kwaliteit van de organisaties en ten aanzien van de kwaliteit van de hulpverlening door die organisaties;

Niet beantwoord, beschrijving van de kwaliteit van organisaties (opgenomen in diverse kamerstukken) is niet gebaseerd op concrete normen


2. de mate waarin de kwaliteit van de organisatie aan de norm voldoet;
Idem


3. de mate waarin de kwaliteit van de hulpverlening van de organisaties voldoet;

Idem


4. de eisen waaraan de verantwoording van de organisaties over de inzet van de Nederlandse middelen dient te voldoen;
Niet beantwoord, de minister geeft niet aan waarom vraag niet beantwoord is/beantwoord kan worden


5. de mate waarin de verantwoording die de organisaties afleggen aan Nederland over de inzet van de Nederlandse middelen aan de eisen voldoet.

Idem

Reactie minister op Kamervragen

De minister verwijst voor de gevraagde prestatiegegevens in de financiële verantwoording naar een drietal kamerstukken: «kwaliteit van IFI's als kanaal voor OS», «kwaliteit VN als kanaal voor OS» en «Kwaliteit Europese hulp». Aan de gevraagde prestatiegegevens wordt in deze kamerstukken volgens de minister deels tegemoet gekomen.

Commentaar Rekenkamer

In 'Ambitieus maar Haalbaar' wordt als moeilijkheid aangegeven dat de minister ten aanzien van enkele typen bijdragen aan multilaterale organisaties niet eenzijdig in staat is eisen te stellen aan de door de multilaterale organisatie gegenereerde verantwoordingsinformatie. Ook is het lastig een duidelijke relatie te leggen tussen Nederlandse uitgaven en prestaties van multilaterale instellingen. In dit kader is het moeilijk normen aan te geven waaraan multilaterale instellingen moeten voldoen zodat gesproken kan worden van een effectieve Nederlandse bijdrage.

De door de minister genoemde kamerstukken bevatten veel informatie over de doelstellingen en activiteiten van de multilaterale organisaties en over de mate waarin deze organisaties bijdragen aan de Nederlandse OS-doelstellingen. Concrete normen over de kwaliteit van de organisaties en van de hulpverlening worden echter niet gegeven. De beschrijving van de kwaliteit van door Nederland gehanteerde multilaterale kanalen weerspiegelt de Nederlandse indruk en is niet gebaseerd op concrete normen. Gezien bovengeschetste moeilijkheid acht de Rekenkamer deze zogenaamde 'appreciaties' evenwel een zinvol instrument.

Daarnaast vraagt de Kamer voor de specifieke bijdragen van twee multi-bi kanalen aan te geven welke prestaties over 1999 zijn geleverd. Het gaat om de volgende gegevens.

Kamervragen

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

Effectiviteit multilaterale hulp


1 aangeven welke projecten via deze kanalen zijn uitgevoerd;
Niet beantwoord, de minister geeft niet aan waarom vraag niet beantwoord is/ beantwoord kan worden


2. aangeven welke (meetbare) doelen en resultaten met die projecten werd beoogd;

Idem


3. aangeven welke doelen / resultaten zijn gerealiseerd;
Idem


4. aangeven welke uitgaven uit de rijksbegroting hiermee waren gemoeid.

Idem

Reactie minister op Kamervragen

De minister heeft in de financiële verantwoording 1998 aangegeven dat een overzicht van prestatiegegevens van alle verschillende projecten vanwege de heterogeniteit van de projecten niet mogelijk is. Er zijn in de financiële verantwoording 1999 dan ook geen prestatiegegevens opgenomen.

Commentaar Rekenkamer

Gezien de grote hoeveelheid multi-bi projecten en de gedetailleerdheid van informatie over prestatiegegevens op projectniveau, kan de Rekenkamer begrip opbrengen voor deze keuze. Zij roept de minister en Kamer op, in overleg zinvolle en leverbare prestatiegegevens vast te stellen.


7.1.3 Beleidsprioriteit 'Besteding van de Europese Structuurfondsen in Nederland'

De Kamer vraagt ten aanzien van de beleidsprioriteit 'Besteding van de Europese Structuurfondsen in Nederland, met bijzondere aandacht voor het element van cofinanciering door de Nederlandse regering', de volgende gegevens.

Kamervraag

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

Effectiviteit multilaterale hulp

Het tegenover elkaar stellen welk (complex van) cofinanciering door de nationale en regionale danwel lokale overheden en derden leidde tot welke bestedingen van welk Fonds in Nederland.

Niet beantwoord, de besluitvorming over de wijze van verantwoorden is nog gaande (op interdepartementaal niveau)

Commentaar Rekenkamer

In de financiële verantwoording 1999 zijn geen gegevens opgenomen over de besteding van Europese structuurfondsen. De begroting van Buitenlandse Zaken kent geen uitgaven die betrekking hebben op cofinanciering van activiteiten die betaald worden met gelden uit Europese structuurfondsen. Bij de ministeries van LNV, SZW en EZ, die wel ESF -uitgaven op de begroting hebben, heeft dat in alle gevallen geleid tot een opmerking in de financieel beheersbrief door het ministerie van Financiën. In de financiële verantwoording 1998 heeft de minister toegezegd dat er interdepartementale afstemming zal plaatsvinden over de verantwoording aan de Kamer. Dit zal in de vorm van een rapportage aan de Kamer onder de aandacht worden gebracht. De Rekenkamer dringt erop aan dat deze rapportage zo spoedig mogelijk aan de Kamer wordt gezonden. Het is immer gebleken dat Nederland niet altijd adequaat reageert op brieven en controlerapporten van de Europese Commissie, wat kan leiden tot een subsidiestop en bij gebleken onregelmatigheden tot het opleggen van (forfaitaire) correcties. In 'Ambitieus maar Haalbaar' wijst de Rekenkamer er op dat het ministerie een groot deel van de informatie zal moeten ontvangen van derden (provinciale en lokale overheden en bedrijven). Dit kan risico's opleveren ten aanzien van de tijdigheid en volledigheid van de gegevens. 8 Beleidsprioriteiten Ministerie van Justitie


8.1 Beleidsprioriteiten 1999


8.1.1 Beleidsprioriteit 'Immigratie- en Naturalisatie Dienst'
De Tweede Kamer heeft voor de beleidsprioriteit 'Immigratie- en Naturalisatie Dienst' (IND) om de volgende prestatiegeg evens gevraagd.

Kamervragen

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

Immigratie- en Naturalisatie Dienst


1. Budget

Wordt beantwoord


2. Personeelsformatie

Wordt beantwoord


3. Personele bezetting (vast en tijdelijk)
Wordt beantwoord


4. Aantal beslissingen op de verschillende soorten verzoeken
Wordt beantwoord


5. Het totaal van de beslissingen na weging opgeteld
Wordt beantwoord


6. Doorlooptijden van asielverzoeken

Wordt beantwoord


7. Hoe is de inzet geweest van extra medewerkerplaatsen
Wordt beantwoord

Commentaar Rekenkamer

Over al deze punten zijn in de financiële verantwoording 1999 gegevens opgenomen die conform de vraag waren. Over de betrouwbaarheid van de opgenomen gegevens heeft de AD geen oordeel gegeven. Overigens merkt de Rekenkamer op dat de gevraagde gegevens niet het totale takenpakket van de IND afdekken: de hoofdtaken regulier verblijf, vreemdelingentoezicht en grensbewaking blijven buiten beschouwing.


8.1.2 Beleidsprioriteit 'Jeugdbeleid en jeugdcriminaliteit'
Ten aanzien van de beleidsprioriteit 'Jeugdbeleid en jeugdcr iminaliteit' heeft de Tweede Kamer de volgende gegevens gevraagd:

Kamervragen

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

Jeugdbeleid en jeugdcriminaliteit


1. Prestatiegegevens met betrekking tot de doelstelling jeugdcriminaliteit

Niet beantwoord, volgens de minister is de Kamer begin december 1999 geïnformeerd over de beoogde doelstellingen en de middelen


2. Verdeling van intensiveringmiddelen naar begrotingen en artikelen
Niet beantwoord, de minister geeft niet aan waarom vraag niet beantwoord is/ beantwoord kan worden


3. Per artikel de getroffen maatregelen en de te leveren prestaties
Idem


4. Gegevens over wachtlijsten voor verschillende soorten gevallen en verschillende voorzieningen

Idem


5. Gemiddelde en maximaal aanvaardbare wachttijden
Niet beantwoord, volgens de minister zijn/ worden afspraken over te bereiken doelen gemaakt


6. Effectiviteit van de bureaus Jeugdzorg

Niet beantwoord, de minister geeft niet aan waarom vraag niet beantwoord is/ beantwoord kan worden

Reactie minister op Kamervragen

De minister kondigde in zijn reactie op de Kamervraag (financiële verantwoording 1998) aan zich te zullen beperken tot de intensiveringgelden 'Jeugd en geweld'; dit is een onderdeel van het beleidsterrein 'Jeugdbeleid en Jeugd-criminaliteit'. De minister verwijst voor wat betreft de prestatiegegevens over de jeugdzorg die niet onder zijn verantwoordelijkheid vallen naar de staatssecretaris van het ministerie van VWS. De Kamer heeft hierop gereageerd dat zij er van uit gaat dat de prestatiegegevens over de intensiveringen in de jeugdzorg en over de wachtlijsten in de jeugdzorg (voor zover niet vallend onder de verantwoor-delijkheid van de minister van Justitie) opgenomen zullen worden in het Jaarverslag van VWS over de begroting
1999.

Daarnaast heeft de minister in het begrotingsonderzoek 2000 aangegeven een aantal van de gevraagde prestaties (voorlopig) niet op te kunnen leveren in verband met juridische (privacy) en technische belemmeringen. In de brief van 16 december heeft de Kamer aanvullend verzocht welk tijdpad de minister gaat hanteren om deze juridische en technische belemmeringen weg te nemen. In de financiële verantwoording wordt een dergelijk tijdpad niet weergegeven. Overigens is de Tweede Kamer via een brief d.d. 1 mei 2000 (kenmerk 5017617/00/PJS) nader geïnformeerd over de beschikbaarheid van de beleidsinformatie voor de jeugdzorg.

Commentaar Rekenkamer

De Rekenkamer heeft in 'Ambitieus maar haalbaar' opgemerkt dat ten aanzien van de cluster jeugdcriminaliteit veel, maar niet nader gespecificeerde informatie werd gevraagd.

De financiële verantwoording 1999 (bijlage 1) bevat wel informatie over bestedingen en prestatiegegevens over die projecten die intensiveringgelden hebben ontvangen, maar deze is niet verdeeld naar begrotingen en artikelen. Het gaat om een omvangrijke hoeveelheid informatie, soms op zeer gedetailleerd niveau, soms ook met een uitgesproken inputkarakter (zoals bijvoorbeeld de uiteenzetting over het 'Project themadagen geweld op straat' met een financieel belang van slechts f 5000). De Rekenkamer merkt op dat het inzicht van de Kamer in de relatie tussen de beleids-inspanningen, de bestede gelden en de ontwikkelingen in de jeugdcriminaliteit wellicht meer gediend zou zijn met een aantal tijdreeksen over de ontwikkelingen in de jeugd-criminaliteit, de belangrijkste beleidsinstrumenten die de minister inzet op dit terrein en de daaraan verbonden (begrote en gerealiseerde) prestaties en uitgaven.

De Rekenkamer merkt op dat de eerste drie vragen van de Kamer niet volledig beantwoord zijn, omdat geen inzicht in de ontwikkelingen op dit terrein wordt geboden. Over de vraag over wachtlijsten is in de financiële verantwoording geen informatie opgenomen, omdat de Kamer volgens de minister al in december is geïnformeerd, terwijl tevens afspraken over de te bereiken doelen gemaakt worden/ zijn. Voor de vraag over aanvaardbare wachttijden wordt aangegeven dat men er aan werkt deze voor 2000 wel te kunnen geven. Ten aanzien van de effectiviteit van de bureaus voor Jeugdzorg merkte de Rekenkamer in 'Ambitieus maar haalbaar' op dat de vraagstelling zodanig was dat gegevens moeilijk te leveren zouden zijn. Toch zou de minister verder kunnen gaan dan zijn opmerking dat de rapportage over effectiviteit zich beperkt tot participatie in de bureaus. De minister zou aan kunnen geven over welke prestatiegegevens hij het zinvol acht de Kamer te informeren. Om de effectiviteit te kunnen meten zouden de doelstellingen van het beleid concreet en meetbaar geformuleerd moeten worden.

De Rekenkamer verwijst voor deze beleidsprioriteit verder naar de beleidsprioriteiten van het ministerie van VWS zoals opgenomen in dit rapport.


8.2 Beleidsprioriteiten 2000


8.2.1 Beleidsprioriteit 'TBS'

Vraag Kamer

De Kamer vroeg om prestaties in termen van aantallen, kosten, effectiviteit en doelmatigheid onderscheiden naar basisgesloten inrichtingen (rijks- en particulier), open plaatsen (rijks- en particulier), Pieter Baan Centrum (Rijk), Meijers Instituut (Rijk).

Reactie minister op Kamervragen

De minister schreef in zijn aanbiedingsbrief bij de dummybegroting VBTB dat de gevraagde gegevens over aantallen en kosten kunnen worden geleverd. Gegevens over effectiviteit en doelmatigheid vereisen nader onderzoek.

Commentaar Rekenkamer

De door de Kamer gevraagde gegevens zijn in zeer algemene termen geformuleerd. Dat geeft de minister de ruimte om zelf met concrete doelstellingen en prestatiegegevens te komen (bijvoorbeeld 'het totale aantal TBS-ers per 31/12', 'de gemiddelde behandeltijd per TBS-er', 'de gemiddelde behandelkosten per TBS-er per jaar', 'het percentage recidive naar soort delict ('zeden', 'geweld' e.d.)' enz.). De minister doet dit echter niet. Uit de reactie van de minister wordt niet duidelijk:

welke precieze gegevens hij in de financiële verantwoording 2000 zal opnemen;

of hij op dit moment enig inzicht heeft in de effectiviteit van TBS-behandelingen;

hoe hij effectiviteit denkt vast te stellen.

Bij dat laatste punt zou gedacht kunnen worden aan zaken als de recidivekans, al dan niet in relatie tot variabelen als leeftijd, aard van het misdrijf, behandelduur enz. Volgens de Rekenkamer zou de minister op grond van bestaande onderzoeken (bijvoorbeeld 'Recidive na de TBS' van het WODC 1999) in de financiële verantwoording 2000 wel enig inzicht kunnen bieden in de effectiviteit van de TBS.


8.2.2 Beleidsprioriteit 'Reclassering'

Vraag Kamer

De Kamer vroeg om prestaties in termen van aantallen, kosten, effectiviteit en doelmatigheid gerelateerd aan de verschillende doelgroepen.

Reactie minister op Kamervragen

De minister schreef in zijn aanbiedingsbrief bij de dummybegroting VBTB dat het mogelijk is om prestatie-gegevens over aantallen te leveren, en in beperkte mate over kosten. In de loop van 2000 wordt een nieuw geautomati-seerd systeem in gebruik genomen waardoor de informatie-voorziening gaat verbeteren. Gegevens over doelmatigheid en effectiviteit zijn lastig te achterhalen; de gegevens in de geautomatiseerde systemen lenen zich hier niet voor. Het Clientvolgsysteem Reclassering zal naar verwachting vanaf 2001 meer informatie over doelmatigheid bevatten.

Commentaar Rekenkamer

De door de Kamer gevraagde gegevens zijn in zeer algemene termen geformuleerd. Dat geeft de minister de ruimte om zelf met concrete doelstellingen en prestatiegegevens te komen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan 'het totale aantal cliënten van de reclassering per 31/12', 'de gemiddelde begeleidingsduur per cliënt', 'de gemiddelde kosten per cliënt per jaar', 'het percentage recidive gedurende begeleiding door de reclassering' enz. De minister doet dit echter niet.

Uit de reactie van de minister wordt dan ook niet duidelijk:

welke concrete prestatiegegevens over kosten de Kamer in de financiële verantwoording over 2000 kan verwachten, en welke concrete prestatiegegevens pas in latere financiële verantwoordingen geleverd kunnen worden;

in welke financiële verantwoording er voor het eerst informatie over de doelmatigheid van de reclassering kan worden opgenomen;

of de minister op dit moment enig inzicht heeft in de doelmatigheid en effectiviteit van de reclassering.

9 Beleidsprioriteiten Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, betreffende de beleidsprioriteiten van Binnenlandse Zaken


9.1 Beleidsprioriteiten 1999


9.1.1 Beleidsprioriteit 'Grote Steden- en Integratiebeleid'
De Tweede Kamer heeft ten aanzien van de beleidsprioriteit Grote Steden- en Integratiebeleid de volgende gegevens g evraagd.

Kamervragen

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

Grote Steden- en Integratiebeleid


1. de doelmatigheid van de annuïteiten-constructie leefbaarheid/ veiligheid/ stadseconomie

Niet beantwoord, volgens minister nu niet mogelijk, afspraken over te be-reiken doelen zijn/ worden gemaakt


2. de doelmatigheid van het naast elkaar be-staan van een Fonds Leefbaarheid en de annuï-teitenconstructie met ongeveer dezelfde doelen

Niet beantwoord, de doelstellingen zijn nog in ontwikkeling


3. een totaalbeeld van de prestatieafspraken die worden gemaakt als gemeenten een subsidie voor leefbaarheid krijgen en de realisatie van die afspraken

Idem


4. in welke mate steden buiten de G25 gebruik maken van het budget
Idem

Reactie minister op Kamervragen

In de financiële verantwoording 1998 staat als antwoord op de eerste vraag, dat geen prestatiegegevens over de annuïteitenregelingen opgenomen kunnen worden, aangezien moeilijk na te gaan is welke bijdrage het beschikbare budget levert aan welke doelstelling. Wel zouden algemene gegevens over resultaten van de op basis van die regeling in uitvoering gestarte wijk- en actieplannen opgenomen worden. Eind 1999 zijn stadsconvenanten afgesloten met 25 grote steden en zijn nadere afspraken gemaakt inzake informatievoorzie-ning en monitoring. Uiterlijk in 2004 verschaffen gemeenten per programma informatie over de bereikte resultaten.

Over de tweede en derde vraag zegt de minister in de financiële verantwoording 1998 dat deze gegevens niet opgeleverd kunnen worden, aangezien de doelstellingen van het Fonds Leefbaarheid nog in ontwikkeling zijn. De minister heeft toegezegd dat op basis van deze regeling afspraken gemaakt zullen worden met 25 grote steden. In de brief aan de minister van 16 december 1999 is een aanvullende kamervraag gesteld, namelijk of de minister gegevens uit de monitorrapportage GSB betreffende het Fonds Leefbaarheid op kon nemen in de jaarverant-woording. Hierop heeft de minister niet geantwoord. In welke mate steden buiten de G25 gebruikmaken van het budget, is eveneens niet weergegeven, ondanks de toezegging dat dit in de loop van 1999 duidelijk zou zijn.

Commentaar Rekenkamer

De Rekenkamer merkt op dat een en ander niet mag betekenen dat de Tweede Kamer tot 2004 geen relevante informatie krijgt. De Tweede Kamer dient de voortgang en realisatie van de doelstellingen en de ontwikkeling van bijbehorende kengetallen via concrete informatie te kunnen volgen. De minister heeft echter geen algemene gegevens over resultaten van de op basis van die regeling in uitvoering gestarte wijk- en actieplannen opgenomen. De Rekenkamer heeft in haar rapport 'Ambitieus maar Haalbaar' gewezen op het feit dat in de convenanten weliswaar doelstellingen opgenomen zijn, maar dat de mate van meetbaarheid sterk van elkaar verschilt. De Rekenkamer blijft aandringen op het belang van het formuleren van concrete en meetbare doelen en de vertaling van de doelstellingen naar concrete prestaties.

De Rekenkamer merkt op dat het inzicht van de Tweede Kamer in dit beleidsterrein wellicht meer gediend is met een overzicht van de doelstellingen van de huidige convenanten, de belangrijkste instrumenten en prestaties waarmee de verschillende betrokken ministers proberen die doelen te realiseren en de kosten die daarmee zijn gemoeid. Bij het GSI-beleid zijn immers bijna alle ministeries betrokken.


9.1.2 Beleidsprioriteit 'Politie'

De Tweede Kamer heeft ten aanzien van de beleidsprioriteit 'Politie' de volgende gegevens g
evraagd.

Kamervragen

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

Politie


1. hoeveel fte's er in executieve dienst bij komen ten opzichte van
1998, exclusief aspiranten, naar regio en in relatie tot de intensivering van 375 mln

Niet beantwoord, kan volgens de mi-nister niet opgeleverd worden, i.v.m. afhankelijkheid van informatie van politieregio's; er wordt gewerkt aan verdere ontwikkeling van het
politie-beleidinformatiesysteem (POLBIS).


2. hoeveel administratief/ technische men-sen er overgaan naar de executieve dienst

Idem


3. of binnen de sterktegroei een verhouding van 30% surveillanten/ 70% agenten wordt gerealiseerd (in 1999 alleen surveillanten)
Idem


4. wat behoort tot het indirect executieve werk en wat tot het administratief/ technische werk (en of een deel van de «taakstelling»van 2000 agenten niet wordt gerealiseerd door definitiewijzigingen)

Idem


5. hoeveel procent van de executieven werkzaam is in het primair proces en hoeveel procent onregelmatig werkt

Idem


6. hoe zal worden gemeten hoeveel menskracht er zal worden bespaard door efficiënter werken

Niet beantwoord, de minister geeft niet aan waarom vraag niet beant-woord is/ beantwoord kan worden


7. welke gevolgen efficiënter werken heeft voor de kosten voor materieel

Idem


8. de stand van zaken met betrekking tot werving, selectie en opleiding van nieuw personeel in relatie tot de beoogde uitbreiding
Idem

Reactie minister op Kamervragen

In zijn reactie in de financiële verantwoording 1998 op de Kamervragen heeft de minister aangegeven dat over de eerste vijf vragen geen gegevens in de financiële verantwoording zullen worden opgenomen, aangezien pas (als de jaarstukken van de regiokorpsen opgeleverd worden) medio 2000 gegevens over 1999 beschikbaar zullen komen.

In de brief van 16 december 1999 heeft de Kamer de minister aanvullend gevraagd om in de verantwoording 1999 op te nemen welke maatregelen de minister zal treffen, waardoor de gevraagde prestatiegegevens voor het jaar 2000 wel aangeleverd kunnen worden. Daarnaast verwacht de Kamer een reactie op haar vraag, waarom het niet mogelijk is om aan te geven hoeveel administratief technisch personeel er overgaat naar de executieve dienst. In de verantwoording 1999 wordt niet op deze punten ingegaan.

De minister geeft aan dat begin 2000 de ministeriële regeling Informatiemodel Nederlandse Politie van kracht wordt, waardoor een uniforme oplevering van gegevens over de taakuitvoering van de politieregio's pas in 2001 mogelijk is.

Commentaar Rekenkamer

De Rekenkamer heeft reeds in haar rapport 'Ambitieus maar Haalbaar', aandacht gevraagd voor het waarborgen van de betrouwbaarheid van de door de regio's aangeleverde gegevens. De Accountantsdienst (AD) heeft in haar oordeel op de jaarrekening aangegeven dat de werking van het Beleidsinformatiesysteem (POLBIS) enkele tekortkomingen vertoont. Zo bleek dat de financiële informatie in het POLBIS in een aantal gevallen niet aansloot bij de jaarrekeningen van de korpsen. De AD adviseert dan ook gegevens eerst te evalueren en eenduidig te maken en dan pas in te voeren in POLBIS. Daarnaast zouden in het POLBIS interne controlemaatregelen aangebracht moeten worden.

De Rekenkamer constateert verder dat de minister pas in 2001 gegevens over het aantal agenten/ surveillanten kan opleveren. Zij vraagt zich af hoe de minister in 2002 gaat vaststellen of de extra middelen uit het Regeerakkoord hebben geleid tot 3000 extra agenten, terwijl de minister niet weet hoeveel fte's in executieve dienst waren in 1998,
1999 en 2000. Daarnaast is niet inzichtelijk of de verhouding van 30% surveillanten/ 70% agenten is gerealiseerd, zoals afgesproken met de Tweede Kamer in het Regeerakkoord. Verder is niet duidelijk welke garanties de minister heeft dat de informatie in de jaarstukken van de politieregio's de informatie is waar de Kamer om heeft gevraagd.
10 Beleidsprioriteiten Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen


10.1 Beleidsprioriteiten 1999


10.1.1 Beleidsprioriteit 'Lerarentekort'

De Tweede Kamer heeft betreffende de beleidsprioriteit 'L erarentekort' de volgende gegevens gevraagd.

Kamervragen

Bevindingen Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

'Lerarentekort'


1 De ontwikkeling aan de vraagzijde van de arbeidsmarkt conform de meting die nu in de arbeidsmarktrapportages is opgenomen, (-de invloed van de verkleining van de groepsgrootte op de vraag naar leerkrachten gemarkeerd in de eerste cijferreeks)

Deels beantwoord, een gedeelte is als ramingscijfer opgenomen, de vraag naar leerkrachten is niet opgenomen


2 De ontwikkelingen aan de aanbodzijde (idem) (- de uitstroom van leerkrachten naar een wachtgeldregeling)

Deels beantwoord, de verwachting van de aanbodzijde wordt zichtbaar gemaakt


3 Een vergelijking tussen de ontwikkelingen in 1999 met de streefcijfers

Niet beantwoord, de minister geeft geen reden aan waarom alleen ontwikkelingen in het aanbod zijn opgenomen


4 De uitgaven gemoeid met de maatregelen die in 1999 genomen zijn aan de vraag- en aanbodzijde die tot deze ontwikkelingen hebben geleid (over-zicht aantal leerlingen in relatie tot de uitgaven aan materieel en personeel per begrotingsjaar, eveneens uitgesplitst voor BaO en SbaO leerlingen en per categorie gewogen leerlingen)
Deels beantwoord, enkele uitgaven aan de aanbodkant zijn opgenomen, er wordt geen reden voor gegeven

Commentaar Rekenkamer

De eerste vraag is slechts deels beantwoord: de minister gaat alleen in op leerlingaantallen en niet op de bijbehorende vraag naar leerkrachten. Ook de tweede vraag is deels beantwoord. De verwachting van de omvang van het aanbod wordt wel zichtbaar gemaakt aan de hand van realisatie-gegevens volgens de referentieraming '99 en ramingsgegevens volgens de referentieraming '98. In het algemeen wordt nog verwezen naar nota's zoals 'Arbeidsramingen primair onderwijs
1998-2009'. De Kamer merkte in de brief van 16 december 1999 op liever oudere realisatiecijfers te krijgen dan ramingcijfers voor de komende jaren. De minister is in de financiële verantwoording 1999 niet ingegaan op dit verzoek.

De derde vraag is niet beantwoord. Alleen ontwikkelingen in het aanbod worden weergegeven. De Rekenkamer tekent daarbij aan dat de gegeven aantallen personeel minder relevante informatie bieden dan overzichten van fte's. Het is onduidelijk of de doorstoomgegevens in aantallen of in fte's zijn weergegeven en of het hier gaat om het totaal van zowel de positieve als de negatieve doorstroom. Doorstroom kan immers uitbreiding of vermindering van de betrekkings-omvang zijn.

De vierde vraag wordt deels beantwoord. Er zijn alleen uitgaven aan de aanbodzijde vermeld en niet aan de vraagzijde (bv klassenverkleining). Het gevraagde overzicht van leerlingen in relatie tot uitgaven voor personeel en materieel had aan de hand van gegevens in de toelichting in 'OCW in kerncijfers' wel gemaakt kunnen worden. De tabel die gepresenteerd werd in de brief van de minister van 14 juni 1999 (Tweede Kamer '98-'99 26347 nr 5) vormt een beter antwoord op het gevraagde dan de nu gepresenteerde tabellen. Deze tabel had volgens de Rekenkamer goed opnieuw als uitgangspunt gebruikt kunnen worden. De AD heeft het oordeel voldoende gegeven aan de toelichting, daarbij heeft de accountant de tabellen 5.1 en 5.3 gecontroleerd met de begroting
2000 en de referentie-ramingen '98 en '99. De uitgaven '99 zijn afgestemd met het bestedingsplan'99 en de nacalculatie. De overige gegevens zijn beoordeeld op aanvaardbaarheid.


10.1.2 Beleidsprioriteit 'Schooluitval'

De Tweede Kamer heeft betreffende de beleidsprioriteit 'Schooluitval' de vo
lgende gegevens gevraagd.

Kamervragen

Bevindingen Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

'Schooluitval'


1 Het aantal schoolverlaters dat in 1999 voortijdig is uitgestroomd per schoolsoort en per sekse

Niet beantwoord, de gegevens zijn nog niet leverbaar omdat er nog geen betrouwbare gegevens verzameling is en de benodigde onderwijsmatrix niet klaar is.


2 Het aantal schoolverlaters dat in 1999 is uitgestroomd zonder een startkwalificatie per schoolsoort en per sekse
Idem


3 Beide aantallen dienen te worden afgezet tegen de streefcijfers die in het plan van aanpak, dat in het Regeerakkoord is aangekondigd, worden opgenomen

Idem


4 Verdeling schoolverlaters naar herkomst (autochtoon-allochtoon)
Idem


5 Projecten in termen van meetbare doelstellingen en/of resultaatafspraken die in 1999 zijn beoogd, de concrete resultaten die daarmee zijn bereikt en de uitgaven uit de rijksbegroting die daarmee gemoeid zijn uitgesplitst naar project/ prestatie
Idem

Commentaar Rekenkamer

Geen van de vragen zijn in de financiële verantwoording 1999 beantwoord. Dat heeft twee redenen. Ten eerste zijn de gegevens nog niet te leveren, omdat de gegevensverzameling volgens de minister niet betrouwbaar is. Inmiddels wordt actie ondernomen om deze te verbeteren. Ten tweede werd in de toezeggingen uitgegaan van de beschikbaarheid van de onderwijsmatrix, maar zoals de minister aangeeft, ontbreekt deze nog. De minister geeft niet aan wat de reden van de kennelijk ontstane vertraging is. In het kader van het plan van aanpak is toegezegd dat in het najaar 2000 een uitgebreide rapportage komt over het vsv-beleid, met onder andere kwantitatieve informatie over voortijdig schoolverlaten. In het plan van aanpak zijn geen streefcijfers opgenomen, omdat er eerst goede gegevens over de uitgangs-situatie nodig zijn. Er wordt gewerkt aan verbetering van de registratie. Ook de AD maakt melding van het niet presenteren van gegevens wegens het ontbreken van sluitende gegevensregistratie en het indicatieve karakter van de beschikbare gegevens. Verwacht wordt dat de ingezette acties vanaf 2001 tot concrete resultaten zullen leiden. De Rekenkamer vindt dat de vervolgstappen in de goede richting zijn en hoopt dat op korte termijn verbeteringen optreden.


10.2 Beleidsprioriteiten 2000


10.2.1 Beleidsprioriteit 'Materiële bekostiging Primair - en Voortgezet Onderwijs'

Vraag Kamer

De Kamer vroeg om gegevens over:


1) De mate waarin de materiële bekostiging door de minister de totale materiële uitgaven van de scholen in het Primair Onderwijs (PO) en het Voortgezet Onderwijs (VO) daadwerkelijk dekt en welke dekkingsgraad de minister nastreeft.


2) Welk deel van de materiële bekostiging de scholen daadwerkelijk besteden aan materieel, uitgesplitst naar kostensoorten (administratie & beheer, schoonmaakonderhoud, arboconvenanten enz.)
Reactie minister op Kamervragen

De minister reageerde in zijn aanbiedingsbrief bij de dummybegroting VBTB als volgt:

Vraag 1: De materiële bekostiging VO is bij de behandeling van het wetsvoorstel materiële exploitatievergoeding (BSM; begin '99) aan de orde geweest. De totale kostendekkendheid komt aan de orde in de evaluatie die de Kamer per 1 augustus 2003 zal ontvangen. De minister streeft 100% kostendekkendheid na. De Kamer zal jaarlijkse monitoring van de uitgaven ontvangen op basis van de jaarrekeningen van de scholen; hieruit zal de feitelijke besteding door de scholen duidelijk worden. De opzet van deze monitoring wordt momenteel besproken met het veld; de specificatie van de uitgaven in de jaarrekeningen van de scholen is bepalend voor de op te nemen kostencategorieën in de jaarlijkse monitoring. De gegevens zullen altijd betrekking hebben op het jaar voorafgaand aan het jaar waarover verslag wordt gelegd.

In het binnenkort te verschijnen eindrapport van Regioplan over de invoering van de lumpsumbekostiging komt de wijze waarop scholen de vergoeding inzetten aan de orde. Vraag 2: Het ministerie heeft geen gegevens over de door de scholen gerealiseerde materiële uitgaven; de scholen zijn niet verplicht een jaarrekening in te dienen. De vergoeding voor materiële instandhouding (MI-vergoeding) wordt als lumpsum uitgekeerd. Scholen zijn vrij in de besteding zolang de vergoeding besteed wordt aan de materiële instandhouding. De MI-vergoeding is 100% kostendekkend, 'uitgaande van de redelijke behoeften van een in normale omstandigheden verkerende school'. De vergoeding wordt jaarlijks aangepast aan de prijsveranderingen en de programma's van eisen (pve's) waarmee de vergoeding is onderbouwd worden eens in de vijf jaar aangepast. De pve's bevatten 'het aanvaardbaar uitgavenniveau van een gemiddelde school'.

Commentaar Rekenkamer

De Rekenkamer merkt op dat het onduidelijk is waarom de minister pas medio 2003 voor het eerst enige gegevens over kostendekkendheid van de materiële bekostiging kan opleveren. De scholen in het VO zijn immers sinds 1996 verplicht om een Financieel jaarverslag in te leveren. Wanneer de jaarverslagen deze informatie niet bevatten zou de minister wellicht de voorschriften voor het opstellen van het jaarverslag kunnen aanpassen.

Voorts is niet duidelijk of de minister eerdere oplevering van de jaarrekeningen door de scholen nastreeft, om monitoring-informatie te kunnen leveren over het jaar waarover verslag wordt gelegd. De minister noemt geen concreet tijdstip waarop de Kamer deze monitoringinformatie voor het eerst zal ontvangen. Ook is onduidelijk of de scholen vrij zijn in de indeling in kostencategorieën die zij kiezen, of dat de minister deze voorschrijft. De Rekenkamer vindt het van belang dat de scholen op uniforme wijze hun kosten aan de verschillende kostencategorieën toerekenen: als dit niet gebeurt dan kunnen de gegevens van de scholen niet op zinvolle wijze worden geaggregeerd.

De door de minister aangevoerde argumentatie voor de dekkendheid van de materiële bekostiging PO lijkt sterk op een cirkelredenering: de vergoeding die het ministerie verstrekt, is kostendekkend voor een 'normale school' omdat deze 'normale school' de basis vormt voor de berekening van de bekostiging. De vraag rijst hoe de minister weet wat de werkelijke materiële kosten van een normale school zijn als hij niet beschikt over echte realisatiecijfers van scholen in het PO.

Ten slotte merkt de Rekenkamer op dat het, ook bij een lumpsumvergoeding, van belang is om inzicht te hebben in de mate waarin de verschillende componenten van de materiële vergoeding de werkelijke materiële kosten van scholen dekken. Voor de minister is dit inzicht van belang om beleid inzake de materiële bekostiging te kunnen voeren, voor de Kamer is dit van belang om haar controlerende taak uit te kunnen voeren.


10.2.2 Beleidsprioriteit 'Monumentenzorg'

Vragen Kamer

De Kamer vroeg om gegevens over de verdeling van de gelden in de oude (= voor het 'besluit rijkssubsidiering restauratie 1997') en de nieuwe situatie gerelateerd aan de ontwikkeling in onderhoud en achterstanden.

Reactie minister op Kamervragen

De minister schreef in zijn aanbiedingsbrief bij de dummybegroting VBTB dat de landelijke situatie in (onderhoud en) restauratieachterstand voor het eerst in 1997 is gemeten (de zgn. behoefteraming). In 2001 zal een tweede meting plaatsvinden. De feitelijke ontwikkeling van de (onderhouds)achterstanden kan pas getoond worden als de nieuwe behoefteraming beschikbaar is. De verschuiving in de budgetten als gevolg van de verandering in de verdelings-sytematiek wordt een bijlage bij de brief zichtbaar gemaakt.

Commentaar Rekenkamer

De Rekenkamer heeft enige reserves ten aanzien van de toegevoegde waarde van het overzicht van de verdeling van het huidige restauratiebudget volgens de oude systematiek in vergelijking met de nieuwe systematiek overzicht, als er niet ook een verband wordt gelegd met de ontwikkelingen in de onderhoudsachterstanden in de oude en de nieuwe situatie. Waar het gaat om de effecten van de nieuwe verdeelsystematiek zijn immers vooral de effecten in termen van onderhoudsachterstanden interessant. 11 Beleidsprioriteiten Ministerie van Financiën


11.1 Beleidsprioriteiten 1999


11.1.1 Beleidsprioriteit 'Afdrachtvermindering'
De Tweede Kamer heeft ten aanzien van de beleidsprioriteit ' Afdrachtvermindering' om de volgende gegevens gevraagd.

Kamervragen

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

Afdrachtvermindering


1. meerjarige raming voor bereik en derving van belastingen en premies
Niet beantwoord, de minister geeft niet aan waarom vraag niet beantwoord is/ beantwoord kan worden


2. raming effect maatregelen op werkgelegenheidsgroei en werkloosheidsdaling, op aantal leerlingen en op extra kindplaatsen die werkgevers huren

Niet beantwoord, volgens de minister kan deze vraag beantwoord worden in nader (evaluatie) onderzoek, en plaats daarbij de kanttekening dat deze vraag niet jaarlijks te beantwoorden is


3. t.a.v. subsidie: 1) per gebruiker en per persoon die niet werkloos is door vermindering, 2) per werknemer en per extra werknemer door fiscale activiteit, 3) per gebruiker of leerlingwezen en per extra leerarbeidsplaats, en 4) per gehuurde plaats en per extra plaats door fiscale faciliteit

Idem

Reactie minister op Kamervragen

In zijn reactie op de Kamervraag heeft de minister aangegeven de voorlopige realisatiecijfers 1999 voor de vier afdrachtverminderingen te kunnen opnemen, aangezien de aangiften van loonbelasting tot drie maanden na afloop van een tijdvak kunnen worden ingediend. Ten aanzien van de tweede en derde vraag gaf de minister aan dat pas na drie à vijf jaar inzicht bestaat over de effectiviteit van fiscale regelingen. Volgens de minister vormen evaluatie-onderzoeken een belangrijk instrument daarvoor en zullen dan ook in de toekomst worden ingezet. De minister zegde toe dat in de financiële verantwoording
1999 zal worden ingegaan op de evaluatie van de Specifieke Afdracht Korting (SPAK) en van de Afdrachtvermindering onderwijs.
Commentaar Rekenkamer

Hoewel de minister zijn toezegging nakomt in de financiële verantwoording 1999, constateert de Rekenkamer dat geen van de Kamervragen beantwoord wordt in de financiële verantwoording 1999. Zo heeft de minister geen meerjaren-raming voor bereik en derving van belastingen en premies in de financiële verantwoording 1999 opgenomen. Overigens wordt sinds 1999 in de Miljoenennota (bijlage 4) jaarlijks een overzicht gegeven van de derving, maar dit is eveneens geen meerjarenraming. De minister gaf aan dat een meerjarenraming voor bereik en derving van belastingen en premies impliciet meegenomen wordt in de meerjarenraming van de belastingontvangsten. In de financiële verant-woording 1999 zijn wel samenvattende passages opgenomen uit evaluatierapporten betreffende de effecten van de SPAK en de Afdrachtvermindering langdurig werklozen op de werkgelegenheid en van de Afdrachtvermindering onderwijs op het aantal leerarbeidsplaatsen.

Nadat op basis van modelmatige studies én ex-post evaluatieonderzoek inzicht is verkregen in de daadwerkelijke bijdrage van de regelingen aan het 'in dienst nemen van meer lage loners, langdurige werklozen' en 'het ontstaan van meer leerarbeidsplaatsen', dan pas kan berekend worden hoeveel subsidie (belastinguitgave) nodig was per extra werknemer (lage lonen, langdurig werklozen) en per leerarbeidsplaats als gevolg van de regeling. Dit had de minister inmiddels voor de SPAK en de Afdrachtvermindering langdurig werklozen kunnen doen op basis van recent verricht onderzoek. Voor de regeling kinderopvang geldt overigens dat deze regeling niet in de eerste plaats als doel had het aantal bedrijfs-plaatsen in de kinderopvang te vergroten, maar het voorkomen dat werkgevers door het wegvallen van de gemeentelijke subsidie plaatsen zouden afstoten. De gevraagde gegevens over de subsidie per extra plaats lijken daarom minder relevant.

Overigens heeft de Rekenkamer de gevraagde gegevens over de «subsidie» (bedrag per gebruiker, per werknemer, per gebruiker of leerlingwezen en per gehuurde plaats) buiten beschouwing gelaten, aangezien het bedrag vermeld is in het desbetreffende wetsartikel.

In haar rapport 'Ambitieus maar Haalbaar' heeft de Rekenkamer gewezen op het feit dat de beleidsterreinen waarop de afdrachtvermindering betrekking hebben niet primair onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Financiën vallen. Desalniettemin drukken de 'kosten' van de onderhavige fiscale stimuleringsregelingen op de begroting van Financiën en blijft het ministerie medeverantwoordelijk voor de ingezette instrumenten.


11.1.2 Beleidsprioriteit 'Investeringsfaciliteiten'
Ten aanzien van de beleidsprioriteit 'Investeringsfaciliteiten' heeft de Tweede Kamer om de volgende gegevens gevraagd.

Kamervragen

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

Investeringsfaciliteiten


1. meerjarenraming van derven van belasting en premies
Niet beantwoord, de minister geeft niet aan waarom vraag niet beantwoord is/ beantwoord kan worden


2. raming effect op investeringen van beperkte omvang, investeringen in energiebesparing en duurzame energie, immateriële activa, zeeschepen, etc.

Niet beantwoord, volgens de minister kan deze vraag beantwoord worden in nader (evaluatie) onderzoek, en plaats daarbij de kanttekening dat deze vraag niet jaarlijks te beantwoorden is


3. subsidie als aandeel van de kosten van de investering en subsidie per 'uitgelokte' gulden investering

Niet beantwoord, de minister geeft niet aan waarom vraag niet beantwoord is/ beantwoord kan worden

Reactie minister op Kamervragen

In de reactie op de Kamervraag heeft de minister aangegeven dat hij ten tijde van het jaarverslag de voorlopige investeringsbedragen over
1999 van de VAMIL (willekeurige afschrijving milieu-investeringen), de energie-investerings-aftrek en de willekeurige afschrijvingen voor arbobedrijfs-middelen zou kunnen geven, aangezien voor deze regelingen een aanmeldingsplicht geldt. De investeringsbedragen vormen een maatstaf voor het bereik van deze regelingen. Tevens was de minister van mening dat oplevering van realisatiegegevens over budgettaire derving in het voorjaar niet mogelijk is.

Commentaar Rekenkamer

Hoewel de minister de toezegging nakomt in de financiële verantwoording 1999, constateert de Rekenkamer dat geen van de Kamervragen volledig beantwoord is in de financiële verantwoording
1999. Zoals ook in 'Ambitieus maar Haalbaar' is aangegeven, is de Rekenkamer van mening dat een meerjarige raming voor bereik en derving van belasting en premies en een raming van de effecten een goed inzicht zouden geven in de verwachte kosten en het verwachte effect van de investeringsfaciliteiten. De ramingen van de belasting- en premiederving alleen zeggen echter slechts in beperkte mate iets over het verwachte effect. Het is namelijk ook mogelijk dat degenen die van de regelingen gebruik maken ook zonder de regeling geïnvesteerd zouden hebben. Overigens wordt sinds 1999 in de Miljoenennota (bijlage 4) jaarlijks een overzicht gegeven van de derving, maar dit is eveneens geen meerjarenraming.

Voor het daadwerkelijke effect en de subsidie (belastinguitgave) per 'uitgelokte' investering wordt verwezen naar de strekking van het commentaar van de Rekenkamer bij de beleidsprioriteit 'Afdrachtvermindering'.

12 Beleidsprioriteiten Ministerie van Defensie

12.1 Beleidsprioriteiten 1999


12.1.1 Beleidsprioriteit 'Gevechtskracht'

De Tweede Kamer heeft ten aanzien van de beleidsprioriteit 'Gevechtskracht' de volgende gegevens gevraagd.

Kamervragen

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

Gevechtskracht


1. aandeel personele kosten ten opzichte van materiële kosten in de gevechtskracht in 1999;

Niet beantwoord, volgens de minister zijn/ worden afspraken over te bereiken doelen gemaakt


2. aandeel gevechtskracht in totale uitgaven van Defensie in 1999;
Niet beantwoord, de minister geeft aan dat besluitvorming over wijze van verantwoording nog gaande is


3. afname gevechtskracht (gesplitst in materiële en personele kosten) tgv bezuinigingen op de begroting van Defensie
Niet beantwoord, de minister geeft aan dat besluitvorming over wijze van verantwoording nog gaande is

In haar brief van 16 december 1999 heeft de Kamer het ministerie tevens verzocht spoedig met een uitwerking van prestatiegegevens te komen met betrekking tot het onderwerp 'Gevechtskracht'.

Reactie minister op Kamervragen

De minister vertaalt 'Gevechtskracht' naar doelstellingen van operationele gereedheid. In de begroting 2000 is een eerste aanzet op ressortniveau gegeven. In de verantwoording over het jaar 2000 zal de realisatie van deze doelstellingen worden opgenomen. Daarnaast wordt een globaal tijdpad aangegeven ten aanzien van (de opzet van) doelstellingen en bijbehorende kengetallen. In de begroting 2003 dienen zowel de operationele als de ondersteunende defensie-eenheden met betrekking tot doelstellingen en prestatie-indicatoren in kaart te zijn gebracht.

Commentaar Rekenkamer

De drie Kamervragen worden in de financiële verantwoor-ding 1999 niet beantwoord. De Rekenkamer vraagt zich af of de financiële verantwoording 2003 wél een antwoord zal geven op de door de Kamer gestelde vragen, aangezien dit niet blijkt uit de (globale en op hoofdlijnen) uiteenzetting van de minister in de financiële verantwoording 1999. De Rekenkamer merkt daarbij op dat de Tweede Kamer tot 2003 de voortgang en realisatie van de doelstellingen, het tijdpad, de bewaking van de mijlpalen en de ontwikkeling van bijbehorende kengetallen via concrete informatie moet kunnen volgen.


12.1.2 Beleidsprioriteit 'Vredesoperaties'

Ten aanzien van de beleidsprioriteit 'Vredesoperaties' heeft de Tweede Kamer om de volgende gegevens gevraagd.

Kamervragen

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

Vredesoperaties


1. totaal aan reguliere (niet-additionele) kosten dat is toe te schrijven aan vredesoperaties gesplitst per vredesoperatie
Niet beantwoord, de minister geeft niet aan waarom vraag niet beant-woord is/ beantwoord kan worden


2. totale aantallen personeel (militair/ burgerpersoneel) dat deelneemt aan vredesoperaties, gesplitst per vredesoperatie
Wordt beantwoord


3. aandeel van beide voorgaande gegevens in respectievelijk het totale defensiebudget en het totale actieve defensiepersoneelsbestand
Niet beantwoord, de minister geeft niet aan waarom vraag niet beant-woord is/ beantwoord kan worden

In haar brief van 16 december 1999 verzoekt de Kamer aanvullend een nadere onderbouwing van de additionele kosten van vredesoperaties (b.v. kosten per ingezette eenheid per dag of kostentoerekening naar kostensoorten).

Commentaar Rekenkamer

De eerste Kamervraag wordt in de financiële verantwoording 1999 niet beantwoord. De opgenomen informatie van de uitgaven per vredesoperatie betreft alleen de additionele kosten, en niet zoals de Kamer heeft gevraagd de reguliere (niet-additionele) kosten, zoals salarissen, voeding, etc. De tweede vraag wordt in de verantwoording 1999 wel beantwoord: er wordt inzicht gegeven in de voor de taken ingezette personele en logistieke middelen. Het aandeel van deze middelen in respectievelijk het totale defensiebudget en het totale actieve defensiepersoneelsbestand wordt niet opgenomen, waarmee de derde vraag niet beantwoord wordt. De minister geeft overigens geen reden waarom deze cijfers niet opgenomen zijn.

Voor grote vredesoperaties is in de financiële verantwoording 1999 voor de additionele kosten een kostentoerekening naar relevante kostensoorten opgenomen (vergoeding en toelagen; kleding; voeding; personele voorbereidings-kosten; materiële voorbereidings-kosten; brandstof; transport; materieel; accommodatie/ huisvesting; telecommunicatie opleiding, overige uitgaven), waarmee de aanvullende Kamervraag beantwoord wordt. Over de betrouwbaarheid van de opgenomen gegevens heeft de DAD geen oordeel gegeven.


12.2 Beleidsprioriteiten 2000


12.2.1 Beleidsprioriteiten 'Werving & selectie, investeringscyclus, brandstof & energieverbruik'

Vraag Kamer

De Kamer vroeg om gegevens over:


1) Inzicht in de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werving en selectie van Defensiepersoneel, in het bijzonder:

- aantallen respondenten, geselecteerde en geworven kandidaten

- aantal respondenten dat afvalt tijdens het wervings- en selectieproces


- het verloop onder het personeel dat voor onbepaalde tijd is aangenomen


- ingezette wervingsinstrumenten en de effectiviteit ervan

- inzicht in de doelmatigheid van het wervings en selectiebeleid, bv. kosten per geworvene (bij voorkeur ook over voorgaande jaren)

2) Investeringscyclus:


- ontwikkelingen in de lengte van de operationele levensduur van materiele projecten en het effect van het aantal vredesoperaties (gedurende de afgelopen jaren) op de operationele levensduur van het defensiematerieel


3) Brandstof- en energieverbruik:


- prestatiegegevens energieverbruik bij de gebouwen en werkplaatsen van Defensie


- prestatiegegevens over het brandstofverbruik bij de materieel projecten van de diverse krijgsmachtonderdelen
Reactie minister op Kamervragen

De minister schreef in zijn aanbiedingsbrief bij de dummybegroting VBTB dat de gevraagde informatie inputgericht is en dat gezien 'het feit dat de belangstelling binnen Defensie sinds geruime tijd uitgaat naar output-gerichte informatie' het enig tijd zal kosten om de gevraagde informatie te genereren.

Op de vraag over werving en selectie antwoordt de minister dat in de dummybegroting VBTB hiervoor enkele indicatoren zijn opgenomen (te weten: 'kostprijs werving', 'kostprijs selectie', 'doorlooptijd selectie', 'bezettingsgraad selectieproces' en 'kostprijs aanstelling'). Er wordt momenteel gewerkt aan de managementinformatiesystemen om 'de gegevens op structurele wijze voor- en nacalculatorisch te genereren.'

Op de vraag over de investeringscyclus antwoordt de minister dat deelname aan vredesoperaties versnelde veroudering en vervanging van materieel tot gevolg heeft. De omvang hiervan is slechts op incidentele basis bekend en vervanging is afhankelijk van de resterende hoeveelheid materieel en de technische levensduur. Uitgaven als gevolg van extra onderhoud door deelname aan vredesoperaties wordt afgedekt via de additionele uitgavensystematiek en heeft geen gevolgen voor de 'beschikbare financiële middelen op de Defensiebegroting in enge zin.'

Op de vraag over het energieverbruik antwoordt de minister dat het niet eenvoudig is om hierover op centraal niveau informatie te verkrijgen, omdat in het sturingsconcept van Defensie bevoegdheden, verantwoordelijkheden en bedrijfsvoeringbudgetten allemaal gedecentraliseerd zijn.

Tot slot stelt de minister voor om op korte termijn informeel overleg met de Kamer te voeren over de voorbeeldbegroting en daarbij in te gaan 'op de informatiewaarde van de gepresenteerde indicatoren en de wijze waarop de door de Kamer gestelde vragen concreet kunnen worden afgedaan'.

Commentaar Rekenkamer

De Rekenkamer merkt op dat de minister geen concrete informatie over de gevolgen voor de levensduur van defensiematerieel bij inzet bij vredesoperaties toezegt. Het gaat hier weliswaar om een inputgeoriënteerde vraag, maar de minister moet inzicht in de kosten als gevolg van extra onderhoud en afschrijving tijdens vredesoperaties hebben om de kostprijs van de output (in dit geval bijvoorbeeld 'de totale kosten van deelname aan een vredesoperatie per man per dag') te kunnen bepalen. Dat betekent dat de vraag van de Kamer zonder grote extra inspanningen beantwoord zouden moeten kunnen worden. Voor de reactie van de minister op de vraag over het energieverbruik geldt mutatis mutandis hetzelfde.

Informatie over deze beide onderwerpen moet in elk geval in de decentrale administraties beschikbaar zijn en deze informatie zou desgewenst zonder extreme extra inspanningen geaggregeerd moeten kunnen worden.

De Rekenkamer is het overigens eens met de minister dat de Kamervragen sterk inputgeoriënteerd zijn. Wellicht is het inzicht van de Kamer meer gediend met de integrale kosten van het paraat houden van een militair (in guldens per dag) en de integrale kostprijs van deelname aan vredesmissies, bijvoorbeeld in termen van guldens per ingezette militair per dag (eventueel uitgesplitst naar luchtmacht, landmacht en marine). Met deze informatie kan de Kamer desgewenst ook het financiële element laten meewegen in de beslissing om wel of niet deel te nemen aan een vredesmissie.

De Rekenkamer merkt op dat de minister geen concrete prestatiegegevens toezegt voor de financiële verantwoording 2000. Wellicht valt te overwegen om een aantal van de oorspronkelijke Kamervragen te laten vervallen en in plaats daarvan, vooruitlopend op de nieuwe beleidsmatige begroting, alvast een aantal outputgeoriënteerd prestatiegegevens op te nemen in de financiële verantwoording 2000. Overigens zegt de minister in de financiële verantwoording over 1999 toe dat hij in de financiële verantwoording over 2000 realisatiegegevens zal opnemen voor de 'doelstellingen van operationele gereedheid op ressortniveau'.

13 Beleidsprioriteiten Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu


13.1 Beleidsprioriteiten 1999


13.1.1 Beleidsprioriteit 'Huursubsidie'

De Tweede Kamer heeft de volgende gegevens gevraagd b etreffende de beleidsprioriteit 'Huursubsidie'.

Kamervragen

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

'Huursubsidie'


1 Raming en realisatie aantal verstrekte huursubsidies per kalenderjaar

Wordt beantwoord


2 Aantal ingediende subsidieaanvragen per kalender-jaar en het aantal daarvan dat niet tot toekenning leidt

Wordt beantwoord


3 Aantal ouderen en aantal gehandicapten dat subsidie heeft aangevraagd, het aantal toegekende subsidie per doelgroep, de ontwikkeling van de energielasten voor ouderen en gehandicapten in percentages van het be-steedbaar inkomen, de ontwikkeling van het gezins-inkomen per doelgroep en de ontwikkeling van de verstrekte huursubsidie per doelgroep

Deels beantwoord, gegevens zijn opgenomen over de netto huurquotes, waarmee inzicht wordt geboden per te onder-scheiden huishoudtype in in-komensontwikkeling en effec-ten van huursubsidie daarop


4 Instrumenten ter bestrijding van niet-gebruik, doel-stelling in aantal huishoudens dat bereikt moet worden, de gerealiseerde toename van het aantal subsidieaan-vragers uitgesplitst naar instrument en afgezet tegen de doelstelling, aantal toegekende subsidies uitgesplitst naar instrument

Niet beantwoord, de Minister verwijst wel naar andere bronnen


5 (gemiddelde) aantallen afgehandelde subsidieaanvra-gen per medewerker, aantal toegekende subsidieaan-vragen, personele kosten per aanvraag en ontwikkelingen in personeel

Deels beantwoord, doelmatigheids- en personeelsgegevens worden gegeven, ontwikkelingen niet

Commentaar Rekenkamer

De eerste twee vragen heeft de Minister in de financiële verantwoording 1999 beantwoord voor de periode juli '98-juni '99. Het antwoord op de tweede vraag is overigens niet direct gegeven, maar valt wel af te leiden uit de gegevens over de doelmatigheid (kosten per aanvraag en het aantal nihil toekenningen).

In zijn oorspronkelijke reactie had de minister aangegeven geen gegevens op te nemen in antwoord op vraag drie, aangezien het onderwerp inkomensontwikkeling niet onder zijn verantwoordelijkheid valt. De Tweede Kamer heeft in haar brief van 16 december 1999 aangegeven de informatie toch relevant te vinden. De minister is in de financiële verantwoording wel aan de vraag tegemoet gekomen en heeft de vraag ten dele beantwoord. De Rekenkamer merkt op dat het overzicht van de ontwikkeling van de netto-huurquotes in principe een nuttige indicatie kan bieden. Voor het antwoord op de vierde vraag en op een aanvullende vraag van de Kamer (in de brief van 16 december 1999) naar gegevens over niet-gebruik van bepaalde groepen (zoals ouderen en allochtonen) wordt verwezen naar een Kamerbrief d.d 25 april 2000 (ISB2000012684) over dit onderwerp, waarin wordt ingegaan op onderzoeksbevindingen en de verrichte inspanningen om niet-gebruik tegen te gaan. Over de doelgroep ouderen vermoedt de Rekenkamer dat wel meer gegevens gegenereerd kunnen worden, aangezien de doelgroep onderscheiden wordt in de basisadministratie. Vraag vijf is grotendeels beantwoord, maar gegevens waaruit een ontwikkeling op te maken valt, zoals een vergelijking met voorgaande jaren, ontbreken zonder opgaaf van redenen. Ook ontbreken de door de Kamer gevraagde gegevens over allochtonen. De minister gaf eerder aan dat deze gegevens niet uit de basisadministratie af te leiden zijn.

Over het algemeen zijn de betrouwbaarheid van gegevens en de onderliggende systemen niet door de AD onderzocht. Wel is gekeken naar de aansluiting van door systemen geleverde output en de gegevens in de financiële verantwoording. Over de specifieke gegevens heeft de AD geen opmerkingen gemaakt.


13.1.2 Beleidsprioriteit 'Klimaatbeleid'

De Tweede Kamer heeft de volgende gegevens gevraagd b etreffende de beleidsprioriteit 'Klimaatbeleid'.

Kamervragen

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

'Klimaatbeleid'


1 Totaal voor 1999 te realiseren reductie van CO2 uitstoot per sector (verkeer en vervoer, luchtvervoer, industrie, elektriciteitsproductie landbouw, ed)

Niet beantwoord, voor informatie over emissies wordt verwezen naar de Milieubalans, informatie per sector is niet beschikbaar


2 Reductie van de CO2 uitstoot per sector

Idem


3 Uitgaven ten laste van de Rijksbegroting in 1999 per maatregel of project (ook van andere ministeries), zo mogelijk per sector
Deels beantwoord, er is een overzicht opgenomen van specifieke activiteiten die ten laste van de begroting van VROM (gaan) komen, maar bedragen zijn niet genoemd. Voor NIRIS zijn in de artikelsgewijze toelichting gegevens opgenomen

Reactie minister op Kamervragen

De minister verwijst in de financiële verantwoording 1998 en wederom
1999 voor relevante gegevens over het klimaatbeleid naar de jaarlijks door het RIVM uitgebrachte Milieubalans waar wordt gerapporteerd over de ontwikkeling van emissies op macro niveau. In de financiële verantwoording 1999 geeft de minister aan dat de toezegging geldt dat bezien wordt of een sectorale uitsplitsing van emissie mogelijk is. Sectorale gegevens over reductie, waar de Tweede Kamer in haar brief van 16 december 1999 opnieuw om vraagt, kunnen echter niet geleverd worden. Over de uitvoering van alle regelingen in het kader van het klimaat-beleid zal gerapporteerd worden in het Milieuprogramma, dat tegelijk uitkomt met de ontwerpbegroting. Inmiddels is ook de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid uitgebracht, met de in Nederland te realiseren maatregelen. Ter (gedeeltelijke) beantwoording van de derde vraag is in de financiële verantwoording 1999 een overzicht opgenomen van specifieke activiteiten die ten laste van de begroting van VROM komen.

Commentaar Rekenkamer

De gegevens die opgenomen zijn ter beantwoording van vraag 3 geven alleen een stand van zaken weer. Er is echter niet aangegeven welke middelen hiervoor nodig zijn en wanneer. Alleen voor NIRIS (Niet-industriële restwarmte infrastructuur) zijn in de artikelsgewijze toelichting resultaten opgenomen. Ook ontbreken gegevens over activiteiten (en uitgaven) van andere ministeries. Daarmee blijft de koppeling tussen resultaten en middelen onduidelijk. De Rekenkamer wil er nogmaals op wijzen dat het van belang is, de resultaten van beleid (geaggregeerd) ook in de financiële verantwoording op te nemen om een koppeling te kunnen maken tussen beleid, prestaties en middelen. Om een goede koppeling te bereiken zal
-gezien het interdepartemen-tale karakter van het beleid en de coördinerende rol van de minister van VROM- ook de uitkomsten van activiteiten van andere ministers in samenhang gepresenteerd moeten worden, bijvoorbeeld in een overzichtsconstructie. 'Klimaatbeleid' is ook één van de onderzochte onderwerpen in het onderzoek 'Verantwoorden over Beleid' (Rekenkamerrapport, 17 mei 2000).

13.2 Beleidsprioriteiten 2000


13.2.1 Beleidsprioriteit 'ISV-budget'

Vraag Kamer

De Kamer vroeg om inzicht in de uitvoeringskosten van de nieuwe toekenningssystematiek van de ISV-budgetten op gemeentelijk- en rijksniveau in absolute bedragen en als percentage van de verstrekte subsidiebedragen.

Reactie minister op Kamervragen

De minister schreef in zijn aanbiedingsbrief bij de dummybegroting VBTB dat de uitvoeringskosten bij het Rijk in de financiële verantwoording over 2000 worden opgenomen. Over de uitvoeringskosten bij de gemeenten zal in de financiële verantwoording 2001 worden gerapporteerd. De komende twee jaar wordt in samenwerking met de VNG onderzocht in hoeverre de administratieve last van gemeenten wijzigt door de invoering van de Wet Stedelijke Vernieuwing (26 884 nrs. 1-2).

Commentaar Rekenkamer

De minister maakt niet duidelijk of de uitvoeringskosten van de nieuwe ISV-systematiek ook als percentage van de verstrekte subsidiebedragen in de financiële verantwoording 2000 zullen worden opgenomen.


13.2.2 Beleidsprioriteit 'Geluidshinder'

Vraag Kamer

De Kamer vroeg om de volgende gegevens:


1) Het verband tussen geld en resultaten, waarbij resultaten bijvoorbeeld worden uitgedrukt in (a) het aantal geluids-belaste woningen, (b) de grootheden in bijlage A van de nota 'Modernisering Instrumentarium Geluidbeleid' (MIG 26 057 nr. 1), en (c) de mate waarin wordt voldaan aan de lande-lijke grenswaarde (motie Schoenmakers c.s., 26 057 nr. 3).


2) De uitvoeringskosten van het geluidbeleid.
Reactie minister op Kamervragen

De minister schrijft in zijn aanbiedingsbrief bij de dummy-begroting VBTB dat de gevraagde gegevens voor sanerings-maatregelen in het kader van afscherming en verkeers-maatregelen van milieubeheer geleverd kunnen worden. Onderzocht wordt of voor 2001-2003 voor de sanerings-regeling gevelisolatie dezelfde prestatiegegevens kunnen worden geleverd. Vanaf 2004 gebeurt de monitoring van de saneringsregeling gevelisolatie via de ISV-systematiek. Het opnemen van de grootheid 'geluidbelastingklassen' in de financiële verantwoording 2000 is niet mogelijk. Wel wordt jaarlijks in het Milieuprogramma het totaal aantal geluids-belaste woningen verdeeld over de geluidbelastingklassen opgenomen; deze informatie is echter niet tijdig beschikbaar voor de financiële verantwoording.

Koppeling van geluidsbelasting per woning aan bestede begrotingsgelden kan pas na vaststelling van prioriteits-criteria voor geluidssaneringsprojecten en plaatsing van deze criteria in de Staatscourant. Er is een wijziging van de Wet Milieubeheer in voorbereiding die zal leiden tot het opnemen van een landelijke grenswaarde. Deze wijziging zal waar-schijnlijk pas in 2003 in werking treden, zodat prestatie-gegevens over de landelijke grenswaarde kunnen op z'n vroegst in de financiële verantwoording over 2003 geleverd kunnen worden. De uitvoeringskosten van het geluidsbeleid worden met ingang van de financiële verant-woording 2000 gepresenteerd. Dit zijn de kosten van de uitvoerings-organisaties Bureau Sanering Verkeerslawaai (BSV/Meurs) en Projectbureau Sanering Industrielawaai (PSI/Sight).

Commentaar Rekenkamer

Uit de reactie van de minister blijkt dat in de financiële verantwoording 2000 gedeeltelijk, fragmentarisch en op detailniveau verband zal worden gelegd tussen geld en resultaten. Op dit moment beschikt de Minister van VROM niet over een volledig overzicht van de voorraad geluids-belaste woningen in Nederland, doordat een aantal geluids-hinderregelingen onder de verantwoordelijkheid van de Minister van V&W vallen (zoals de geluidsisolatie Schiphol). Om een compleet inzicht te geven in het geluidhinderbeleid zouden deze twee informatiestromen samengevoegd moeten worden. Voor de Minister van VROM is dit inzicht van belang om goed beleid inzake geluidbelasting te kunnen voeren, voor de Kamer is dit van belang om haar controlerende taak uit te kunnen voeren. Aangezien de informatie over geluidbelasting in het Milieuprogramma te laat komt, zou de minister kunnen overwegen gegevens van de jaren daarvoor op te nemen, zodat de ontwikkeling in de voorraad geluidsbelaste woningen, zij het met enige vertraging, toch zichtbaar wordt voor de Kamer.

Ten aanzien van vraag 1a is onduidelijk waarom realisatie-gegevens over de geluidsbelasting per woning gekoppeld aan bestede begrotingsgelden pas na de publicatie van de criteria voor prioriteitstelling in de Staatscourant kunnen worden geleverd. Ten aanzien van vraag 1b noemt de minister in zijn reactie wel de geluidsbelastingklassen uit bijlage A van het MIG, maar niet de daar ook genoemde geluidmaten voor wegverkeer, railverkeer, industrie en luchtvaart. Over de vraag naar de uitvoeringskosten van het geluidbeleid wijst de Rekenkamer erop dat ook gemeenten uitvoeringskosten maken; deze zijn gedeeltelijk in het totale budget opgenomen. Daarnaast is er op het ministerie nog een onbekend aantal fte's betrokken bij de beleidsvoering rond de geluidsanering.
14 Beleidsprioriteiten Ministerie van Verkeer &Waterstaat

14.1 Beleidsprioriteiten 1999


14.1.1 Beleidsprioriteit 'Waterhuishouding'
De Tweede Kamer heeft ten aanzien van de beleidsprioriteit 'Waterhuishouding' de volgende gegevens gevraagd.

Kamervragen

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

'Waterhuishouding'


1 Aantal km waterkering voor rivieren dat wel en niet aan de wettelijke normen voldoet en het aantal km dat het komend jaar aan de wettelijke normen moet voldoen

Deels, de toegezegde gegevens zijn opgenomen


2 De omvang van de afvoercapaciteit van grote rivieren
Deels, de minister geeft wel een alternatief


3 Aantal m3 uiterwaarden waar het water 'opgeslagen' kan worden bij hoog water

Niet beantwoord, de minister geeft als alternatief een gegeven dat zinvol is


4 Concrete normen waar de prestaties aan afgemeten kunnen worden.
Wordt beantwoord

Reactie minister op Kamervragen

De minister heeft in zijn eerste reactie in de financiële verantwoording 1998 op vraag 2 en 3 alternatieve indicatoren aangedragen voor de beantwoording en toegezegd deze te zullen opnemen in de financiële verantwoording 1999. Deze indicatoren geven antwoord op de vraag voorzover dat op dit moment (bij de huidige stand van de wetenschap) mogelijk is. Voor de derde vraag heeft de minister aangegeven dat de vraag vooralsnog niet relevant is voor Nederland en geeft een alternatief aan dat betrekking heeft op rivierverruiming. De minister doet in antwoord op de vierde vraag eveneens voorstellen voor prestatiegegevens.

Commentaar Rekenkamer

De eerste vraag is grotendeels beantwoord in de financiële verantwoording over 1999. Wel valt op dat de geleverde gegevens over het Deltaplan Grote Rivieren alleen een antwoord geven op de vraag welke keringen voor de éérste keer voldoen aan de wettelijke normen. Deze gegevens hebben ook betrekking op keringen die door de waterschappen worden beheerd. Op den duur is de uitkomst van de vijfjaarlijkse toetsing in het kader van de Wet op de waterkering relevanter voor het beantwoorden van de vraag. Gezien de dynamische omstandigheden kan een kering immers opnieuw niet aan de normen voldoen. Bij het hanteren van de toetsingsresultaten voor de verantwoording is het wederom van belang dat niet alleen gegevens van de keringen die onder verantwoordelijkheid van het rijk vallen worden opgenomen. Voor een totaalbeeld van alle keringen in Nederland zijn immers ook de gegevens over de keringen in beheer bij de waterschappen van belang. Over de betrouwbaarheid van de opgenomen gegevens heeft de AD geen oordeel gegeven. In het algemeen zet de AD voor kengetallen wel vraagtekens bij de betrouwbaarheid, omdat de bestanden van Rijkswaterstaat waaraan deze (areaal) gegevens ontleend worden, niet altijd gestructureerd beheerd worden. De tweede vraag wordt in de verantwoording deels beantwoord en de derde vanzelfsprekend niet, aangezien deze vraag voor Nederland (vooralsnog) niet van toepassing is. Aan vraag vier is eveneens tegemoetgekomen. De opgenomen prestatiegegevens zijn conform de voorstellen.

In 'Ambitieus maar Haalbaar' heeft de Rekenkamer mede naar aanleiding van de derde vraag aangegeven dat andere prestatiegegevens om het beleidsterrein af te dekken denkbaar zijn, zoals gegevens over kustverdediging. Dit zou kunnen in de vorm van gegevens over de basiskustlijn. Ten slotte merkt de Rekenkamer op dat de in vraag 4 gevraagde prestatiegegevens betrekking hebben op het beleidsterrein dat gewoonlijk wordt aangeduid met 'Waterkering' en dat dit ook een betere benaming is dan 'Waterhuishouding' waaronder immers andere aspecten van de waterstaat vallen. Dit terrein is overigens ook onderzocht in het Rekenkamerrapport 'Verantwoordingsinformatie over beleid' (Rekenkamer, 17 mei 2000).


14.1.2 Beleidsprioriteit 'Congestiekans'

De Tweede Kamer heeft gegevens gevraagd betreffende de beleidsprioriteit 'Congestiekans'.

Kamervragen

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

'Congestiekans'


1 Welke prestaties zijn geleverd om de congestiekans op het HWN terug te dringen? (te meten in de indicatoren: aandeel van het HWN waarop de
2%, resp. 5% congestiekans wordt overschreden en het aantal verliesuren)

Deels beantwoord, de voorlopige uitkomsten van de BER zijn weergegeven en er wordt verwezen naar toekomstige ontwikkelingen voor het monitoren van 'bereikbaarheid'.


2 Welke maatregelen en de middelen die daarmee samenhangen hebben wel of niet bijgedragen aan het terugdringen van de congestiekans?
Niet beantwoord, er zijn (nog) geen mogelijkheden deze op effect gerichte vragen te beantwoorden

Reactie minister op Kamervragen

Op de eerste vraag reageerde de minister in de financiële verantwoording 1998 aanvankelijk door te verwijzen naar de jaarlijks uitgebrachte Beleidseffect-rapportage (BER). Zij heeft echter besloten de voorlopige cijfers van de BER toch op te nemen in de financiële verantwoording 1999. In de brief van 16 december geeft de Kamer aan dat zij (conform de suggestie van de Rekenkamer in 'Ambitieus maar haalbaar') de beleidsprioriteit wil omdopen tot het bredere onderwerp 'bereikbaarheid'. Congestiekans kan dan als een indicator gelden voor het al dan niet bereiken van de doelstellingen. In de financiële verantwoording wordt aangegeven aan welke (hoofd)criteria gedacht kan worden voor het meten van de kwaliteit van bereikbaarheid. Dit gebeurt mede in het kader van het nieuwe 'Nationaal Verkeers en Vervoersplan'(NVVP).

In antwoord op de tweede vraag zegt de minister dat op dit moment niet aan te geven is welke maatregelen welk (deel)effect sorteren. Wel kan globaal iets gezegd worden over individuele maatregelen.

Commentaar Rekenkamer

De Rekenkamer merkt bij vraag 1 op dat het van belang is om meer dan tot nu toe zichtbaar aandacht te hebben voor openbaarvervoeraspecten en voor het onderscheid tussen goederen- en personenvervoer.

Voor de beantwoording van vraag 2 is gebundelde informatie (zoals informatie op programma- of regioniveau en eventueel over clusters van maatregelen) wellicht meer geschikt dan informatie op projectniveau, omdat dit laatste snel kan leiden tot grote hoeveelheden informatie. Het beantwoorden van een vraag naar (maatschappelijke) effectiviteit is een complexe aangelegenheid en dit zal ook na invoering van het nieuwe beleid zo blijven. Dat wil echter niet zeggen dat niet een tussenoplossing gevonden kan worden. Tenslotte merkt de Rekenkamer op dat hoewel de criteria voor het meten van de kwaliteit van bereikbaarheid nog niet verder geoperationaliseerd zijn, de opzet goede perspectieven lijkt te bieden voor het bereiken van het gewenste inzicht.


14.2 Beleidsprioriteiten 2000


14.2.1 Beleidsprioriteit 'Modal shift'

Vraag Kamer

De Kamer vroeg in het kader van 'modal shift' om prestatiegegevens over doelstellingen en prestaties voor zowel het personen- als het goederenvervoer, uitgesplitst naar de diverse modaliteiten.

Reactie minister op Kamervragen

De minister reageerde in zijn aanbiedingsbrief bij de dummybegroting VBTB als volgt:

De doelstellingen van Modal Shift personenvervoer zijn


- reductie van de groei van het aantal autokilometers: 35% groei in
2010 ten opzichte van 1986


- vergroten van de gemiddelde bezettingsgraad per auto in het woon-werkverkeer van 1,2 in 1990 tot 1,6 in 2010

- toename van het aantal reizigerskilometers tussen 1995 en 2000 met
8% in het stadsstreekvervoer en 10% bij de NS

- toename van het fietsgebruik van 30% in 2010 ten opzichte van 1996.
In de financiële verantwoording over 2000 zullen worden opgenomen:


- ontwikkeling reizigerskilometers van personenauto's fiets en OV

- reizigerskilometers als autopassagier


- bezettingsgraad per auto in woon-werkverkeer

- modal split cijfers voor woon-werkverkeer, zakelijk verkeer en desgewenst ook andere reismotieven.

Deze gegevens worden gebaseerd op het zogenoemde Onderzoek Verplaatsingsgedrag (OVG). Dit onderzoek wordt jaarlijks rond 1 mei opgeleverd door het CBS. Dat betekent dat in de financiële verantwoording geen gegevens over 2000 kunnen worden opgenomen, maar wel over 1999.

Voor Modal Shift goederenvervoer zijn doelstellingen vastgelegd in de nota Transport in Balans (TIB):


- 20 miljoen ton verschuiving van vervoer op de weg naar het spoorvervoer in 2010, ten opzichte van 1994


- 20 miljoen ton verschuiving van vervoer op de weg naar de binnenvaart in 2010, ten opzichte van 1994


- 10 miljoen ton verschuiving van vervoer op de weg naar shortsea en buisleidingen in 2010, ten opzichte van 1994

De Kamer wordt jaarlijks geïnformeerd over de voortgang van het V&W-beleid via de Beleidseffectrapportage.

In de financiële verantwoording over 2000 zullen worden opgenomen:


- de vervoerde tonnages per modaliteit, zowel in het binnenlands als in het grensoverschrijdende vervoer


- de containerisatiegraad in het goederenvervoer

- de modal-split ontwikkelingen per goederensoort
De cijfers in de financiële verantwoording 2000 zullen betrekking hebben op 1999.

In algemene zin merkte de minister op dat het opnemen van deze prestatiegegevens in de verantwoording betekent dat deze gegevens eerder beschikbaar moeten komen: begin februari in plaats van - wat nu het geval is - medio juni. De departementale werkgroep Monitoring en Sturingsinformatie zal zich hiermee gaan bezighouden.

Commentaar Rekenkamer

De door de Kamer gevraagde gegevens zijn grotendeels opgenomen in de jaarlijkse Beleidseffectrapportage van het Ministerie van V&W. De Beleidseffectrapportage bevat echter geen gegevens over verschuivingen tussen de verschillende vervoersstromen (modal shift), maar laat alleen de absolute getallen zien en doelstellingen voor de groei van het goederenvervoer. De minister zegt voor de financiële verantwoording 2000 in hoofdzaak absolute getallen toe. Naar mening van de Rekenkamer zouden daarnaast ook de einddoelen (voor respectievelijk 2010 en 2000), de tussendoelen voor 2000, de gerealiseerde cijfers voor 2000, en de cijfers in de uitgangssituatie (in respectievelijk de jaren 1986, 1990, 1995 en 1996) moeten worden opgenomen. Op deze wijze wordt voor de Kamer in een oogopslag duidelijk of men op weg is om de doelen te realiseren. Deze informatie staat voor het overgrote deel in de Beleidseffectrapportage. Wellicht valt het te overwegen, mede met het oog op VBTB, om de Beleidseffectrapportage te integreren met de financiële verantwoording. Ook zou overwogen kunnen worden om de Beleidseffectrapportage gelijktijdig met de financiële verantwoording te laten verschijnen en in beide documenten over en weer verwijzingen op te nemen. Probleem hierbij is wel dat de minister aangeeft dat in de financiële verantwoording over 2000 alleen cijfers over 1999 kunnen worden opgenomen omdat het jaarlijkse OVG-onderzoek van het CBS pas op
1 mei klaar is. Zolang eerdere oplevering van de gegevens niet mogelijk blijkt beveelt de Rekenkamer aan om in de financiële verantwoording een tijdreeks met de doelstellingen, gerealiseerde beleidsprestaties en uitgaven van de voorgaande vijf jaar op te nemen, zodat de ontwikkelingen in beleid(sprestaties) en geld duidelijk worden.

Voor wat betreft Modal Shift personenvervoer is de Rekenkamer van mening dat duidelijk moet zijn wat het financieel belang van de beleidsprioriteit is en op welke begrotingsartikelen zij betrekking heeft (vgl. 'Ambitieus maar Haalbaar'), om verband te kunnen leggen tussen beleid en geld.

15 Beleidsprioriteiten Ministerie van Economische Zaken

15.1 Beleidsprioriteiten 1999


15.1.1 Beleidsprioriteit 'Instrumentarium en tijdpad om te komen tot een vermindering van de administratieve lasten'

De Tweede Kamer heeft gegevens gevraagd betreffende de beleidsprioriteit 'Instrumentarium en tijdpad om te komen tot een vermindering van de administratieve lasten'.

Kamervragen

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

'Instrumentarium en tijdpad om te komen tot een vermindering van de administratieve lasten'


1 een tijdpad voor de besluitvorming over de maatregelen die moeten leiden tot een vermin-dering van de administratieve lasten met 25 %
Deels beantwoord, de maatregelen wordt genoemd


2 een tijdpad voor de implementatie van de vermindering van de administratieve lasten met 25% ten opzichte van een basisjaar
Idem


3 per maatregel aangeven welke gekwantificeerde bijdrage de maatregel moet leveren aan de vermindering van de administratieve lasten en welke effecten de maatregel eventueel heeft op de rijksbegroting
Niet beantwoord, de vraag kan eventueel beantwoord worden aan de hand van evaluatieonderzoek


4 welke middelen worden hiervoor aangewend, wat is het resultaat, stemt dat overeen met de verwachtingen

Idem

Commentaar Rekenkamer

De eerste twee vragen zijn in de financiële verantwoording 1999 slechts gedeeltelijk beantwoord. De einddoelstelling moet in het jaar
2002 bereikt zijn, en de maatregelen hiervoor worden genoemd. Er wordt echter (nog) geen relatie gelegd tussen de maatregelen en het te behalen doel. Er werd voor 1999 (en verdere jaren) ook geen tussendoel genoemd. De Rekenkamer merkt op dat geen verwachte bijdrage van de te nemen maatregelen wordt opgenomen, hoewel de minister in de financiële verantwoording 1998 verwachtte dat een inmiddels door het EIM ontwikkeld model wel mogelijkheden zou bieden voor het weergeven van verwachte opbrengsten van deelprojecten. Het gezamenlijk te behalen doel voor deze kabinetsperiode (15% reductie) wordt wel genoemd. Tenslotte merkt de Rekenkamer op dat de vraag naar precieze effecten een complexe is die wellicht beantwoord zou kunnen worden in een diepgaander evaluatieonderzoek.


15.1.2 Beleidsprioriteit 'Doelmatigheid van het export instrumentarium'
De Tweede Kamer heeft gegevens gevraagd betreffende de beleidsprioriteit 'Doelmatigheid van het export instrumentarium'.

Kamervragen

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

'Doelmatigheid van het export instrumentarium'


1 inzicht in het bedrag dat aan rente wordt bespaard door de reservering

Niet beantwoord, in de reactie geeft de minister een indicatie als volgens haar enig mogelijk antwoord


2 aantal garanties

Niet beantwoord, hiervoor is geen reden gegeven


3 omvang van de garanties

Wordt beantwoord


4 welk resultaat geboekt is op dit gebied en welke middelen daarvoor zijn ingezet

Niet beantwoord, hiervoor is geen reden aangegeven

Commentaar Rekenkamer

De eerste twee vragen worden niet beantwoord in de financiële verantwoording 1999. Op de eerste vraag is de minister al in de financiële verantwoording 1998 ingegaan, waar zij een indicatie van de besparing geeft. Op de derde vraag wordt een overzichtelijk antwoord gegeven. De AD heeft aandacht besteed aan de betrouwbaarheid van de opgenomen gegevens, maar besteedt in zijn eindrapportage geen expliciete aandacht aan gegevens over de garanties. De vierde vraag wordt niet beantwoord en de reden hiervoor wordt niet gegeven. Hoewel de vraag niet scherp gesteld is, blijft ongewis in hoeverre doelstellingen van het beleid (zoals versterking van de exportpositie) nu wel of niet behaald worden met deze instrumenten. De minister geeft aan dat deze instrumenten momenteel worden geëvalueerd. De Rekenkamer hoopt dat deze evaluatie aangeeft in hoeverre de doelstelling van het beleid behaald wordt. Overigens is de Rekenkamer in haar Rapport bij de financiële verantwoording 1999 van dit ministerie positief over de technische verschuiving van achtergestelde lening naar interne reservering.


15.1.3 Beleidsprioriteit 'Instrumenten EZ in het kader van het grote stedenbeleid (Stirea)'

De Tweede Kamer heeft gegevens gevraagd betreffende de beleidsprioriteit 'Instrumenten EZ in het kader van het grote stedenbeleid'.

Kamervragen

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

'Instrumenten EZ in het kader van het grote stedenbeleid (Stirea)'


1 hoeveel bedrijventerreinen met behulp van deze subsidie worden ontwikkeld

Wordt beantwoord


2 hoeveel werkgelegenheid deze bedrijven-terreinen naar verwachting opleveren en in het bijzonder werkgelegenheid voor laag opgeleiden
Deels beantwoord, alleen totaal werkgelegenheid geen specifieker inzicht voor laag opgeleiden


3 welk deel van de middelen terechtkomt bij de G25
Wordt beantwoord

Reactie minister op Kamervragen

De minister merkt op dat de opgenomen gegevens voor vraag 1 en deels voor vraag 2 veelal afkomstig zijn van gemeenten en dat gegevens in het kader van de aanvraag zijn beoordeeld door een onafhankelijke adviescommissie.

Commentaar Rekenkamer

De eerste en derde vraag worden in de financiële verantwoording 1999 beantwoord. De tweede vraag wordt deels beantwoord: alleen het totaal van de (verwachte) werkgelegenheid wordt opgenomen en niet de werk-gelegenheid voor laag opgeleiden. Hierbij gaat het steeds om ramingen, aangezien er nog geen sprake is van afgeronde projecten. In de financiële verantwoording 1998 heeft de minister aangegeven dat deze gegevens niet geleverd kunnen worden aangezien hier geen inzicht in bestaat. Werkgelegenheid voor laag opgeleiden is namelijk geen toetsingscriterium bij de beoordeling van aanvragen. Naast het geven van bijgestelde en steeds duidelijker wordende verwachtingen, zou informatie over de fase waarin gehonoreerde projecten zich bevinden, bruikbaar zijn om een zo goed mogelijke relatie te kunnen leggen met resultaten.

De AD heeft aandacht besteed aan de betrouwbaarheid van kengetallen, maar deze strekt zich niet uit tot controle op de door de gemeente aangeleverde gegevens. Naar aanleiding van de verrichte controle heeft de AD geen opmerkingen gemaakt. De Rekenkamer merkt op dat in de onafhankelijke beoordeling van gegevens in de aanvraagprocedure een waarborg kan vormen voor de betrouwbaarheid. Overigens heeft de Tweede Kamer, blijkens de brief van 16 december 1999, het onderwerp niet meer aangemerkt als beleidsprioriteit voor de financiële verantwoording
2000.

'Stirea' is ook onderwerp in het Rekenkamerrapport 'Verantwoordingsinformatie over beleid' (Rekenkamer, 17 mei 2000).


15.1.4 Beleidsprioriteit 'ICT-beleid'

De Tweede Kamer heeft gegevens gevraagd betreffende de beleidsprioriteit 'ICT-beleid'.

Kamervragen

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

'ICT-beleid'


1 realisatie van doel: in de Twinning-Centers 40 tot 45 nieuwe ICT-ondernemingen huisvesten

Wordt beantwoord


2 realisatie van doel: jaarlijks in gemiddeld 60 nieuwe ondernemingen investeren vanuit het Twinning Startfonds

Wordt beantwoord


3 realisatie van doel: jaarlijks in gemiddeld 6 groeiende ondernemingen investeren vanuit het Twinning Groeifonds
Wordt beantwoord


4 de kosten van de investeringen per onderneming
Wordt beantwoord


5 de mate waarin private partijen co-investeren
Wordt beantwoord


6 de criteria op basis waarvan de staat besluit zich terug te trekken
Niet beantwoord, er zijn nog geen criteria, de verwijzing naar een evaluatie is niet relevant als reden


7 de benodigde overheidsbijdrage na 2000 tot het moment waarop de overheid zich terugtrekt

idem

Reactie minister op Kamervragen

De minister merkt op dat zij de voor de beantwoording van vraag één tot en met drie gegeven cijfers niet ziet als streefcijfers voor dit jaar. In de eerste reactie op de gevraagde gegevens heeft zij ook aangegeven dat dit gezien de pas korte looptijd (nog) niet zo zinvol is.

Commentaar Rekenkamer

De eerste vijf vragen zijn beantwoord in de financiële verantwoording
1999. Het valt echter op dat geen aanvullende gegevens opgenomen zijn die zinvol zijn voor een weergave van de beleidsresultaten. Het twinning-concept beoogt namelijk een 'coachings- en financieringsmechanisme te creëren voor startende en groeiende ondernemingen in de ICT die zich richten op het voortbrengen van exporteerbare producten en diensten'. Denkbare relevante informatie over de deelnemende bedrijven zou dan ook kunnen gaan over de mate waarin zij exporteerbare producten voortbrengen. Overigens heeft de Tweede Kamer hier ook om gegevens over resultaten van het beleid gevraagd.

Vraag zes en zeven worden niet beantwoord. Voor vraag zes geldt dat er nog steeds geen criteria geformuleerd zijn. Wel wordt verwezen naar de in 2000 uit te voeren evaluatie, waarin aandacht geschonken zal worden aan het aspect overheidsbemoeienis. De Rekenkamer vraagt zich af of de minister doelt op een ex-post evaluatie of op een ander type onderzoek. In het eerste geval zullen immers de criteria om beleid te toetsen vooraf geformuleerd moeten zijn. De minister gaat niet specifiek in op vraag zeven, maar deze vraag kan pas beantwoord worden nadat zes beantwoord is.

16 Beleidsprioriteiten Ministerie Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

16.1 Beleidsprioriteiten 1999


16.1.1 Beleidsprioriteit 'Herstructurering varkenshouderij'
De Tweede Kamer heeft ten aanzien van de beleidsprioriteit 'Herstructurering varkenshouderij' de volgende prestatiegegevens gevraagd.

Kamervragen

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

Herstructurering varkenshouderij


1. gerealiseerde reductie varkensstapel

Wordt beantwoord, maar niet expliciet


2. uitgaven ten laste van de begroting 1999 voor de herstructurering van de varkenshouderij

Wordt beantwoord


3. gerealiseerde opbrengst inzake Europese vergoeding voor de bestrijding van de varkenspest tegenover de geraamde opbrengst
Niet beantwoord, antwoord is niet mogelijk en de minister heeft aangegeven waarom geen mogelijkheden/ alternatieven


4.aantallen geruimde varkens en de hiermee voor Nederland samenhangende kosten

Wordt beantwoord

Commentaar Rekenkamer

Over de beantwoording van vraag 1 merkt de Rekenkamer op dat de financiële verantwoording 1999 geen cijfers over de omvang van de varkensstapel bevat. Ook ontbreekt een relatie met de taakstelling. Wel is een reductie van de varkensrechten uitgedrukt in kilo's fosfaat opgenomen in de financiële verantwoording, maar het aantal dieren wordt niet genoemd. Dit is op zich niet bezwaarlijk, omdat het hoofddoel van de Wet herstructurering varkenshouderij het uit milieuoogpunt terugdringen van het mestoverschot is. Voorts merkt de Rekenkamer op dat uit de kolom 'afgehandeld' de reductie van varkensrechten 1999 kan worden afgeleid. Het inzicht van de Kamer zou kunnen worden vergroot door de ontwikkeling in de vermindering van het aantal varkens en de gerealiseerde mestreductie over de afgelopen jaren op te nemen in de financiële verantwoording; dit mede gezien de eerdere doelstelling van de Wet herstructurering varkenshouderij om het aantal varkens in de periode 1996-2002 met 25% te verminderen.

De uitgaven ten laste van de begroting 1999 voor de herstructurering van de varkenshouderij (vraag 2) worden gemeld in de financiële verantwoording 1999. De relatie tussen te realiseren mestreductie en uitgaven is echter niet duidelijk.

In reactie op de derde vraag naar de Europese vergoeding voor de bestrijding van de varkenspest zegde de minister in de financiële verantwoording 1998 toe dat dit 'in de nog komende eindafrekening' afzonderlijk integraal zou worden toegelicht. In de financiële verantwoording 1999 is een inschatting van de verwachte ontvangsten opgenomen. In 2000 vindt waarschijnlijke de definitieve afrekening plaats. Voor de vierde vraag zijn de aantallen geruimde varkens en de totale uitgaven opgenomen.


16.1.2 Beleidsprioriteit 'Biologische landbouw'
De Tweede Kamer heeft ten aanzien van de beleidsprioriteit 'Biologische landbouw' de volgende prestatiegegevens gevraagd.

Kamervragen

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

Biologische Landbouw


1. aantal biologische agrarische bedrijven (in absolute zin en t.o.v. het totaal aantal producerende bedrijven) ten opzichte van het streefcijfer

Deels beantwoord, de minister heeft in zijn reactie aangegeven waarom niet al het gevraagde is opgenomen


2. Aantal hectaren (in absolute zin en ten opzichte van het totale landbouwareaal) waarop wordt gewerkt met biologische productie-methoden ten opzichte van het streefcijfer
Idem


3. Het marktaandeel van biologische producten ten opzichte van het streefcijfer

Idem


4. De productiewaarde van biologische producten (ten opzichte van de totale productiewaarde van de agrarische sector) ten opzichte van het streefcijfer

Niet beantwoord, de minister niet aan waarom de vraag niet beantwoord is/ kan worden


5. Uitgaven ten laste van de begroting 1999 voor biologische landbouw.
Wordt beantwoord

Reactie minister op Kamervragen

In reactie op de eerste vijf vragen zegde de minister in de financiële verantwoording 1998 alleen realisatiecijfers toe. De Kamer vroeg de minister in haar brief van 16 december 1999 nogmaals om ook duidelijke streefcijfers te presenteren. De minister presenteert echter in de financiële verantwoording 1999 uitsluitend absolute realisatiecijfers: aantallen (gecertificeerde) bedrijven, aantal hectaren en aantal landbouwhuisdieren (gespecificeerd naar soort). De minister voert als reden aan dat de markt en de wijze waarop het bedrijfsleven inspeelt op de markt bepalend is voor de uiteindelijke omvang van de biologische landbouw. Bij de beleidsvoorbereiding van de nieuwe beleidsnota Biologische Landbouw zal daar waar mogelijk rekening worden gehouden met het ontwikkelen van streefcijfers en meetbare doelen. Deze beleidsnota zal in het voorjaar 2000 worden uitgebracht.

Commentaar Rekenkamer

De Rekenkamer is van mening dat de minister aan de Kamer duidelijk moet maken wat de uitgangssituatie is, welke situatie de minister nastreeft, en in hoeverre die gewenste situatie wordt gerealiseerd. De minister dient het beleid zodanig te formuleren dat het beleid ook evalueerbaar is. De informatie over het absolute aantal agrarische bedrijven is (nog) te algemeen om een beeld te kunnen vormen.

De Kamer vroeg in haar brief d.d. 16 december 1999 om een integraal overzicht van alle uitgaven en fiscale stimulerings-maatregelen ten behoeve van de biologische landbouw. De financiële verantwoording 1999 bevat wel een overzicht van de uitgaven, maar geen overzicht van de fiscale stimulerings-maatregelen, zoals groen beleggen en faciliteit voor milieu-investeringen. De minister geeft hier geen reden voor.


16.1.3 Beleidsprioriteit 'Grondverwerving en grondbeheer'
De Tweede Kamer heeft ten aanzien van de beleidsprioriteit 'Grondverwerving en grondbeheer' de volgende gegevens gevraagd.

Kamervraag

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

Grondverwerving en grondbeheer

Realisatiecijfers inzake beheer van terreinen in het kader van het natuur- en recreatiebeleid in relatie tot de norm

Niet beantwoord, de minister verwijst wel naar andere bronnen

In de brief van 16 december 1999 vraagt de Kamer in aanvulling op de reeds toegezegde informatie, specifiek om concrete (tussen)doelstellingen voor alle EHS-gebieden.

Commentaar Rekenkamer

Voor de realisering van de EHS worden drie instrumenten gehanteerd die een onderlinge samenhang kennen. De specifieke Kamer vragen gingen alleen over het instrument 'beheer'. De minister gaat eveneens in op het instrument 'verwerving'. Om te komen tot een meer complete afdekking van het beleidsterrein zou ook informatie over het instrument 'inrichting' in ogenschouw genomen moeten worden. In de financiële verantwoording 1999 worden de realisatiecijfers gegeven in relatie tot de totale (kwantitatieve) taakstellingen voor de EHS. De taakstellingen hebben betrekking op de 3 typen grondverwerving namelijk verwerving voor reservaatvorming, verwerving voor als natuurgebied in te richten gebieden en verwerving voor afronding van bestaande natuurterreinen. Voor elk type wordt ook voor 1999 de taakstelling weergegeven en wordt de realisatie daarvan beschreven. Daarnaast is ook voor de komende jaren de taakstelling (globaal) weergegeven. Hiermee wordt in principe ook antwoord gegeven op de aanvullende vraag van de Kamer naar concrete tussen-doelstellingen voor de EHS gebieden. Niet duidelijk is of de Kamer hierbij ook doelt op de te formuleren kwalitatieve doelstellingen. Daarvan geeft de minister aan dat deze in het voorjaar aan de Kamer worden gepresenteerd.

Ten aanzien van de instrumenten 'beheer' en 'inrichting' ter bereiking van de EHS geeft de minister geen concrete invulling aan de te bereiken doelstellingen en realisaties. Dit zou wel beter inzicht bieden in de mate waarin het einddoel wordt bereikt: met aangekochte grond dat niet ('goed') ingericht is en niet ('goed') beheerd wordt, wordt het einddoel niet bereikt. Ten aanzien van de landinrichtings-projecten geeft de minister wel aan dat met de uitvoering goede voortgang is geboekt. In de financiële verantwoording wordt overigens voor een veelheid van categorieën aangegeven welk beheer er wordt gevoerd, op hoeveel hectaren en tegen welke kosten. Dit is echter exclusief het beheer door Staatsbosbeheer waarover apart verslag gedaan wordt. Door deze aanpak wordt niet inzichtelijk wat de betekenis is van de opgenomen cijfers voor de realisatie van het natuurbeleid.

Ecologische hoofdstructuur is ook onderzocht in het onderzoek 'Verantwoorden over beleid' (Rekenkamerrapport, 17 mei 2000).
17 Beleidsprioriteiten Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

17.1 Beleidsprioriteiten 1999


17.1.1 Beleidsprioriteit 'Sluitende aanpak volwassen werkzoekenden en evenredige plaatsingen van minderheden'

De Tweede Kamer heeft voor de beleidsprioriteit 'Sluitende aanpak van de jaarlijks nieuwe instroom van volwassen werkzoekenden in samenhang met WSW-plaatsingen, WIW-plaatsingen, I/D-banen en evenredige plaatsingen van minderheden door de arbeidsvoorzieningsorganisatie, uitvoeringsinstellingen en gemeenten' de volgende prestatiegegevens gevraagd.

Kamervragen

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

Sluitende aanpak

a): het aantal nieuwe langdurig werklozen; b): uitgaven per aanbod; c): aantal mensen dat gebruik maakt van aanbod; d): aantal mensen waarbij aanbod leidt tot reguliere of gesubsidieerde arbeid.

Niet beantwoord, kan volgens de minister niet opgeleverd worden ivm afhankelijkheid van informatie van derden

WSW

a): aantal WSW-plaatsen/standaardeenheden; b): omvang van de wachtlijst; c): het aantal plaatsen voor zwaar gehandicapten; d): uitgaven per geplaatste.

Niet beantwoord, ivm afhankelijkheid van derden zijn gegevens over
1998 opgenomen

WIW

a): tijdigheid realisatiegegevens WIW; b): uitgaven per geplaatste.

Wordt beantwoord

I/D-banen

a): het aantal gerealiseerde I/D banen; b): uitgaven per geplaatste.

Wordt beantwoord op basis van de eerste drie kwartalen van 1999

Kamervragen

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

Minderheden

a): hoeveelheid ingezette middelen voor minder-heden gedeeld door het aantal ingeschreven minder-heden; b): hoeveelheid ingezette middelen voor niet-minderheden gedeeld door het aantal ingeschreven minderheden; c): aantal toeleidingen naar arbeids-markt voor minderheden gedeeld door aantal ingeschreven minderheden; d): aantal toeleidingen naar arbeids-markt voor niet-minderheden gedeeld door het aantal ingeschreven niet-minderheden.

Niet beantwoord, informatie ontbrak i.v.m. afhankelijkheid van derden

Aanvullend heeft de Kamer in de brief van 16 december de minister verzocht met voorstellen te komen om ook over het door hem in de Sociale Nota voorgenomen beleid en de daarmee samenhangende budgettaire consequenties verantwoording af te leggen. Op dit verzoek heeft de minister niet gereageerd in de financiële verantwoording
1999. De minister is hier overigens wel op in gegaan in de aanbiedingsbrief bij de dummybegroting.

Reactie minister op Kamervragen

De minister schreef in zijn reactie van 31 mei 1999 (26347, nr. 4) dat hij in de financiële verantwoording 1999 wel het aantal gestarte trajecten in het kader van de sluitende aanpak, maar niet de realisatiegegevens voor 1999 kan opnemen. De ontwikkelingen van Wet Sociale Werkvoor-ziening-plaatsingen en -wachtlijsten zal met ingang van de financiële verantwoording 2000 actueel worden beschreven (brief van minister, 26541 nr 68 van 17 november 1999). De verantwoordingsgegevens over Instroom/Doorstroom-banen zijn niet tijdig beschikbaar, daar deze van derden afkomstig zijn. De realisatiegegevens zullen in de financiële verantwoording 2002 actueel worden beschreven (brief minister, 17 november 1999, 26541 nr 68). Volgens de minister staat het nog niet vast in hoeverre het in de praktijk mogelijk is om voor alle arbeidsmarktinstrumenten de resultaten en inspanningen voor de groep minderheden als aparte groep inzichtelijk te maken.

Commentaar Rekenkamer

In de financiële verantwoording 1999 zijn in het kader van de sluitende aanpak alleen de voorlopige gerealiseerde trajecten van één uitvoerder opgenomen. De mate waarin de taakstelling wordt gerealiseerd kan pas in september worden vastgesteld. Voor de I/D-banen zijn realisatiecijfers opgenomen die gebaseerd zijn op gegevens tot en met het derde kwartaal 1999. De gevraagde gegevens over inzet van middelen en realisaties met betrekking tot toeleiding van minderheden tot de arbeidsmarkt zijn niet opgenomen. Er zijn enige gegevens opgenomen ten aanzien van minder-heden, zoals het aantal niet-werkend werkzoekenden, maar deze geven geen antwoord op de Kamervragen. Over het algemeen zijn de door de minister toegezegde gegevens wel opgenomen.

De probleempunten die de Rekenkamer constateerde in 'Ambitieus maar Haalbaar', zoals de afhankelijkheid van derden en de vergelijking van de prestaties van derden, zijn voor het grootste deel nog steeds van toepassing. Wel is er inmiddels een koppeling gemaakt met een begrotingsartikel; er is voor sluitende aanpak een nieuw begrotingsartikel opgezet. De Rekenkamer verwacht dat door de inmiddels opgezette beleidsmonitors en door overleg met uitvoerende instanties de tijdigheid van de aanlevering van informatie volgend jaar verbeterd zal zijn.


17.1.2 Beleidsprioriteit 'Bestrijding van fraude in de sociale zekerheid'
Ten aanzien van de beleidsprioriteit 'Bestrijding van fraude in de sociale zekerheid' heeft de Tweede Kamer de volgende prestatiegegevens gevraagd.

Kamervragen

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

Bestrijding fraude Sociale Zekerheid


1 het aantal uitkeringen dat wordt bespaard;
Niet beantwoord, informatie is niet jaarlijks op te leveren; vraag kan deels beantwoord worden door uitvoering van een (evaluatie)onderzoek


2 het bedrag dat aan teruggevorderde bijstand en boetes wordt geïnd in relatie tot de opbrengst van 160 mln;

Idem


3 een uiteenzetting van maatregelen waarmee de besparing zal worden bereikt;

Deels beantwoord, er worden maatregelen genoemd voor de gehele Sociale Zekerheid en niet alleen voor de bijstandswet


4 de uitgaven en opbrengsten die voor de afzonderlijke maatregelen worden geraamd;

Deels beantwoord, voor de gehele Sociale Zekerheid en niet specifiek voor de bijstandswet


5 de wijze waarop de realisatie van de raming gedurende het jaar wordt bewaakt;

Deels beantwoord, informatie is niet jaarlijks op te leveren; vraag kan deels beantwoord worden door uitvoering van een (evaluatie)onderzoek


6 per maatregel het aantal opsporingen, vervolgingen, sancties, en de opbrengst van teruggevorderde uitkeringen en boetes;
Idem


7 de spreiding van de opbrengst over het land.
Idem

Reactie minister op Kamervragen

De minister heeft inmiddels een behoorlijk aantal acties in gang gezet (verwoord in kamerstukken 26541 nr 68 en 26347 nr 4) om in de toekomst aan een deel van de vragen van de Kamer tegemoet te komen, zoals bijvoorbeeld het onderzoek naar omvang en achtergronden van uitkerings-fraude. De minister heeft in zijn reactie wel de ramingen van de opbrengsten en de uitvoeringskosten opgenomen.

Commentaar Rekenkamer

In de financiële verantwoording zijn de door de Tweede Kamer gestelde vragen slechts deels beantwoord. Er worden wel maatregelen genoemd voor bestrijding van M&O, maar deze gelden voor de gehele sector sociale zekerheid en niet specifiek voor de bijstandswet.

Zoals ook opgemerkt in 'Ambitieus maar haalbaar', heeft een deel van de door de Kamer gevraagde gegevens (vraag 2, 3 en 4) betrekking op doelstellingen en activiteiten en niet op prestatiegegevens. De Rekenkamer is van mening dat de minister zijn acties zou moeten richten op concretisering en specificatie van maatregelen en doelen om meer inzicht te krijgen in de kwaliteit van de fraudebestrijding. Overigens voert de Rekenkamer momenteel een onderzoek uit naar het inzicht bij het Rijk in de efficiëntie en effectiviteit van het fraudebestrijdingbeleid en mogelijke verbeteringen in dit inzicht. Het gaat daarbij om fiscale fraude, sociale zekerheidsfraude en vormen van horizontale fraude.


17.2 Beleidsprioriteiten 2000


17.2.1 Beleidsprioriteit 'Plaatsingen in het kader van de Wet Reïntegratie Arbeidsgehandicapten (Wet REA)'

Vragen Kamer

De Kamer vroeg om de volgende gegevens:

instroom naar aard en omvang

uitstroom naar aard en omvang en bemiddelende instantie (GSD, uvi, Arbvo, eigen werkgever)

toegepaste reïntegratie-instrumenten, naar aard en omvang

kosten per reïntegratieproject, met de verschillen in kosten per instrument

verhouding instroom/uitstroom per instrument

subsidiegebruik door werkgevers (aard, omvang, kosten)

Reactie minister op Kamervragen

De minister zegt in zijn aanbiedingsbrief bij de dummy-begroting VBTB de door de Kamer gevraagde gegevens toe, met uitzondering van punt 3 en 5. Daarvoor kan hij gegevens over respectievelijk de realisatie derde kwartaal en de gemiddelde duur van de periode tussen in- en uitstroom leveren. Volgens hem geeft de verhouding tussen in- en uitstroom in een bepaald jaar weinig extra informatie, door-dat de tussenliggende periode vaak langer is dan een jaar.

Commentaar Rekenkamer

De door de Kamer gevraagde gegevens zijn nogal algemeen geformuleerd. Dat geeft de minister de ruimte om zelf met concrete doelstellingen en prestatiegegevens te komen. De minister zegt letterlijk het door de Kamer gevraagde toe, maar specificeert echter niet welke precieze gegevens hij in de financiële verantwoording 2000 zal opnemen. Dit brengt het risico met zich mee dat de financiële verantwoording 2000 andere gegevens bevat dan de Kamer had gewild.

De begrippen instroom en uitstroom lijken de Rekenkamer om een aantal redenen minder zinvol om een beeld te krijgen van de werking van de Wet REA. Naast de reden die de minister noemt, geldt voor de wettelijke reïntegratie-instru-menten over het algemeen dat de instroom gelijk is aan de uitstroom. Zo geeft het Lisv in het rapport 'cijfers eerste jaar wet REA' aan, dat wanneer een reïntegratie-instrument is toegekend hieruit de plaatsing wordt afgeleid. Ook worden soms meerdere instrumenten ingezet voor een plaatsing.

Voor bemiddelingstrajecten zouden wel zinvolle gegevens over de in- en uitstroom opgenomen kunnen worden in FV 2000. Zo zou het aantal plaatsingen in 1998, 1999 en 2000 volgend op de ingekochte trajecten in 1998 zichtbaar kunnen worden gemaakt. Dit zou eveneens een oplossing kunnen bieden voor het probleem van de minister van de langere tussenperiode dan een jaar.

Tenslotte zou om een goed beeld te krijgen van de effectiviteit van de Wet REA, niet alleen het aantal plaatsingen gemeten moeten worden, maar ook hoelang de arbeidsgehandicapten na plaatsing hun baan 'vasthouden'. De Rekenkamer heeft binnen het bestek van dit onderzoek overigens niet vastgesteld of de effectiviteitvraag aan de orde komt in de evaluatie die de minister dit jaar aan de Kamer doet toekomen.

De Rekenkamer merkt op dat de minister voor de eerste drie kwartalen slechts gegevens kan opleveren over de toegepaste reïntegratie-instrumenten, maar de kosten per instrument (vraag 4) wel voor het gehele jaar kan geven. Voor zover de informatie die de minister in de financiële verantwoording 2000 wil opnemen, gebaseerd is op gegevens uit de Reïntegratie Monitor (REMON) van het LISV, wijst de Rekenkamer erop dat uit het rapport 'Cijfers eerste jaar REA' van het LISV blijkt dat bijvoorbeeld GUO haar gegevens laat levert en dat de geleverde gegevens niet altijd volledig en betrouwbaar zijn. De Rekenkamer wijst er verder, evenals in 'Ambitieus maar Haalbaar', nog eens op dat het verband tussen beleid en geld pas gelegd kan worden als het financieel belang van de beleidsprioriteit duidelijk is.
18 Beleidsprioriteiten Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport


18.1 Beleidsprioriteiten 1999


18.1.1 Beleidsprioriteit 'Geneesmiddelen'

De Tweede Kamer heeft betreffende de beleidsprioriteit 'Geneesmiddelen' de volgende gegevens gevraagd.

Kamervragen

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

'Geneesmiddelen' (vraag 1 t/m 4: overheveling van buiten WTG middelen, vraag 5 t/m 7: modernisering geneesmiddelenvergoedingssysteem)


1 Aantal overgehevelde medicijnen

Niet beantwoord, de minister heeft in de FV 98 verwezen naar de Voor-jaarsnota 2000, in de FV '99 wordt niets opgemerkt over de prioriteit


2 De opbrengst van de taakstelling

Idem


3 De substitutie-effecten naar nog wel vergoede geneesmiddelen
Idem


4 De effecten in financiële zin (koopkracht) en zo mogelijk ook in medische zin voor chronisch zieken

Idem


5 Gevolgen van de actualisering van de vergoedingslimieten
Idem


6 Gevolgen van de wijzigingen van het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering

Idem


7 Besteding van de middelen voor nieuwe geneesmiddelen
Idem

Commentaar Rekenkamer

In de financiële verantwoording 1999 zijn geen gegevens opgenomen die antwoord geven op de gestelde vragen. Zie verder onder de volgende prioriteit.


18.1.2 Beleidsprioriteit 'Wachtlijstproblematiek en werkdruk in verzorgingstehuizen'

De Tweede Kamer heeft betreffende de beleidsprioriteit 'Wachtlijstproblematiek en werkdruk in verzorgingstehuizen' de volgende gegevens gevraagd.

Kamervragen

Bevinding Rekenkamer: vraag wel/ niet/ deels beantwoord in FV 1999

'Wachtlijstproblematiek en werkdruk in verzorgingstehuizen'


1 Lengte: het gemiddeld aantal mensen op een wachtlijst
Niet beantwoord, de minister verwees in de FV '98 naar de Voor-jaarsrapportage, in de FV '99 wordt niets opgemerkt over de prioriteit


2 Duur: de gemiddelde wachttijd per individu op de wachtlijst
Idem


3 Werkdruk: meer handen aan bed c.q. meer aandacht voor de bewoner, gerelateerd aan de ontwikkelingen in de zorgzwaarte van de bewoners
Idem


4 Een andere beleving van de werklast

Idem


5 Het (gemiddeld) aantal medewerkers per bewoner in een bepaalde zorgzwaarte-categorie

Idem

Reactie minister op Kamervragen

De minister heeft in haar oorspronkelijke reactie in de financiële verantwoording 1998 aangegeven dat de onderwerpen betrekking hebben op premiegefinancierde uitgaven. Volgens de minister passen deze onderwerpen daarom niet in een jaarstuk 1999, maar in een voorjaarsbrief. In de financiële verantwoording 1999 maakt de minister daarom geen enkele opmerking over de door de Tweede Kamer gevraagde informatie. Zij verwijst in de conceptaanbiedingsbrief bij de dummybegrotingen naar de afspraak met de Kamer om over de beide prioriteiten te rapporteren in de Voorjaarsrapportage die tegelijkertijd met de Voorjaarsbrief 2000 uitgebracht zou worden.

Commentaar Rekenkamer

In de financiële verantwoording 1999 zijn geen gegevens opgenomen. De Rekenkamer heeft begrip voor het feit dat de minister geen verantwoordingsinformatie over de premiegelden opneemt in de financiële verantwoording over de begrotingsgelden. Zij verwacht dan echter dat deze informatie in een verantwoording over de premie-gefinancierde zorgsector wordt opgenomen. Een integrale verantwoording over de zorgsector wordt echter niet gemaakt. In het onderzoek 'Verantwoorde cijfers over de zorgsector' zal de Rekenkamer hierop dieper ingaan. Dit onderzoek zal naar verwachting in de zomer gepubliceerd worden.


18.1.3 Beleidsprioriteit 'Jeugdzorg' (VWS: aanvullend deel op Justitie)
In haar brief van 16 december vraagt de Tweede Kamer de minister van VWS de voor 1999 (aanvankelijk aan de minister van Justitie) gevraagde prestatiegegevens voor de beleidsprioriteit 'Jeugdzorg' op te nemen, voor zover deze onder haar verantwoordelijkheid vallen (zie voor de vragen het deel Ministerie van Justitie).

In de concept aanbiedingsbrief voor de voorbeeldbegroting, geeft de minister aan in de verantwoording al aandacht te besteden aan het onderwerp Jeugdbeleid. De opgenomen gegevens geven echter geen aanvullende informatie voor de bij deze prioriteit gestelde vragen. Zo worden bijvoorbeeld de bureaus Jeugdzorg wel genoemd, maar er zijn geen gegevens opgenomen over de effectiviteit van die bureaus. Inmiddels wordt door het ministerie gewerkt aan de Wet op de Jeugdzorg, waarin aandacht wordt besteed aan het (beter) mogelijk maken van prestatiemeting. De Rekenkamer is in het kader van dit onderzoek niet nagegegaan in hoeverre deze nieuwe wetgeving mede zal leiden tot de beantwoording van het door de Kamer gevraagde.


18.2 Beleidsprioriteiten 2000


18.2.1 Beleidsprioriteiten 'Geneesmiddelen en wachtlijsten en werkdruk'
Vraag Kamer

De Kamer vroeg om de prestatiegegevens over het onderwerp geneesmiddelen, (die ook al werden gevraagd voor 1999), uit te breiden naar alle maatregelen op het geneesmiddelendossier tijdens deze Regeerakkoordperiode. Voorts verzocht de Kamer om de prestatiegegevens over wachtlijsten en werkdruk, zoals die voor 1999 waren gevraagd voor de verzorgingshuizen, tevens te geven voor de thuiszorg, de verpleeghuizen en de instellingen voor gehandicapten en geestelijke gezondheidszorg. Tenslotte vroeg de Kamer prestatiegegevens over de wachtlijsten en werkdruk in de curatieve zorg.

Reactie minister op Kamervragen

De minister merkt wederom op dat de door de Kamer bevraagde onderwerpen, op het terrein van de premie-gefinancierde uitgaven liggen en daarom minder goed passen in het Jaarverslag VWS, dat zich beperkt tot de begrotings-uitgaven. 'Wachtlijsten' en 'werkdruk' vormen bovendien een centraal thema uit de meerjarenafspraken zorgsector; de Kamer ontvangt hierover, conform afspraken over de rapportage-structuur, informatie bij de Voorjaarsbrief Zorg in de zogeheten Voorjaarsrapportage.

Commentaar Rekenkamer

De Rekenkamer merkt op dat de minister in haar reactie niet ingaat op de door de Kamer gestelde vraag met betrekking tot (alle maatregelen op) het geneesmiddelendossier. De Voorjaarsrapportage was niet op tijd beschikbaar om te kunnen worden meegenomen in onderhavig onderzoek.

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie