Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief OCW inzake leerlinggebonden financiering

Datum nieuwsfeit: 31-05-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

vrief sts ocw inzake leerlinggebonden financiering
Gemaakt: 6-6-2000 tijd: 15:2


16


26629 Leerlinggebonden financiering

nr. 9 Brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Zoetermeer, 31 mei 2000

Op donderdag 18 mei heb ik met de leden van de vaste commissie voor onderwijs, cultuur en wetenschappen overleg gevoerd over de leerlinggebonden financiering (LGF).

In dit overleg heb ik toegezegd in een mei-brief een aantal zaken uiteen te zetten:


- De systematiek van indicatiestelling.


- De financiering van de rugzak.


- Beantwoording van de vragen die tijdens het overleg niet zijn beantwoord.

Het eerste deel van de brief bestaat uit een uiteenzetting van de hoofdlijnen, verdeeld in de volgende onderwerpen:


- de organisatie van de indicatiestelling;


- de financiering van de rugzak, en;


- de clusterindeling in samenhang met de REC-vorming.
In het tweede deel komt de beantwoording van de specifieke vragen aan de orde die niet in het eerste deel van deze brief zijn behandeld.

In het afsluitende deel doe ik een aantal concrete voorstellen waarover ik graag het standpunt van de vaste commissie van onderwijs zou vernemen, zodat op korte termijn duidelijkheid verschaft kan worden voor alle actoren die nauw betrokken zijn bij dit beleidstraject.

Deel 1


1. Indicatiestelling

In de brief van 11 april wordt de indicatiestelling van leerlingen die met een leerlinggebonden budget naar het regulier onderwijs willen gaan gelegd bij de landelijke indicatiecommissie. In het Algemeen Overleg van 18 mei is veel aandacht uitgegaan naar dit model en de mogelijkheden van andere modellen. Door de leden van de vaste commissie voor onderwijs, cultuur en wetenschappen is gevraagd of de indicatiestelling niet ook uitgevoerd kan worden door de Onderzoeks- en Adviescentra (OAC) binnen de REC's. De OAC's doen onderzoek, stellen een protocol op en geven advies aan het REC-bestuur omtrent de toelaatbaarheid van een leerling. Daarbij is gewezen op het belang het ontstaan van extra bureaucratie te voorkomen, en aldus middelen vrij te spelen die direct ten goede kunnen komen in het onderwijs. In mijn reactie heb ik gewezen op het belang van onafhankelijkheid bij de indicatiestelling, met name voor de ouders, en het belang van beheersbaarheid. Ik heb toegezegd na te gaan of het mogelijk is om de indicatiestelling voor het reguliere onderwijs (met een leerlinggebonden budget) in plaats van bij de LIC, te beleggen bij OAC's en REC's, zoveel mogelijk rekening houdend met de belangen van onafhankelijkheid en beheersbaarheid.

Nadere overweging van de mogelijkheden tot inrichting van de indicatiestelling brengt mij tot het volgende voorstel:

Het is mogelijk om de indicatiestelling voor leerlinggebonden financiering in het reguliere onderwijs in plaats van bij de LIC te beleggen bij de OAC's en de REC's onder de voorwaarde dat de objectiviteit en onafhankelijkheid in de indicatiestelling in voldoende mate gewaarborgd wordt. Dit kan gerealiseerd worden, enerzijds door te voorzien in onafhankelijk en gericht toezicht op de uitvoering van de indicatiestelling door OAC/REC's en anderzijds door de positionering van de OAC's binnen de REC's zoveel mogelijk onafhankelijk te maken. Gericht toezicht kan plaatsvinden door een onafhankelijke landelijke toezichtcommissie, hierna genaamd de Landelijke Commissie Toezicht Indicatiestelling (LCTI). Dit toezicht houdt het volgende in:

A) Alle leerlingdossiers worden door de OAC's/REC's toegezonden aan de landelijke commissie, de LCTI. Deze commissie evalueert de besluitvorming door de OAC's/REC's primair met het oog op de bijstelling van de landelijk vastgestelde indicatiecriteria. Over eventuele bijstelling brengt de commissie advies uit aan de minister, die de bijstelling verwerkt in de algemene maatregel van bestuur waarin de indicatiecriteria zijn vastgelegd. De bijstelling dient ertoe om de bestaande criteria te objectiveren, te preciseren en de toepassingsmogelijkheden te verbeteren. Het gaat feitelijk om het zo scherp mogelijk kunnen benoemen van de doelgroepen.

B) Indien de LCTI signaleert dat de toepassing van de landelijke criteria door een OAC/REC niet op de juiste wijze plaatsvindt, kan de landelijke commissie een aanwijzing geven aan het desbetreffende OAC/REC over de toepassing van de criteria.

Het gaat hierbij om een afwijking van de vastgestelde criteria, die verder gaat dan de afwijkingsmogelijkheden die de OAC/REC's worden geboden in het kader van de verdere ontwikkeling van de indicatiecriteria. Het OAC/REC is bij de verdere uitvoering van de indicatiestelling gehouden aan de aanwijzing. De aanwijzing leidt niet tot het ongedaan maken van reeds afgegeven indicaties.

C) Mocht - onverhoopt - een OAC/REC de aanwijzingen aantoonbaar niet opvolgen, dan dient voorzien te worden in de mogelijkheid om de OAC/REC de bevoegdheid te ontnemen om indicaties te stellen. De verantwoordelijkheid voor zo'n beslissing ligt bij de Minister, die hiertoe kan besluiten op basis van een voorstel van de LCTI. De verantwoordelijkheid om voor het betrokken REC te indiceren wordt dan gelegd bij een door de Minister in te stellen commissie. Bij de uitwerking zal nog worden bezien welke consequenties dit heeft voor de bekostiging van het desbetreffende OAC/REC.

D) De mogelijkheid bestaat dat individuele ouders het niet eens zijn met een beslissing van het OAC/REC. Voor die gevallen zal voorzien worden in een bezwaar- en beroepsmogelijkheid analoog aan die welke geldt bij bezwaar van ouders tegen een beslissing van de Permanente Commissie Leerlingenzorg (PCL) binnen WSNS-samenwerkingsverbanden (bezwaar en beroep). De PCL is gehouden - alvorens een beslissing te nemen op het bezwaar - om advies in te winnen bij de regionale verwijzingscommissie (RVC). Naar analogie dient het OAC/REC bij een bezwaar van ouders tegen een beslissing, eerst advies in te winnen bij de landelijke toezichtcommissie alvorens een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar.

Ook in de positionering van de OAC kunnen waarborgen gerealiseerd worden voor onafhankelijke en objectieve uitvoering van de indicatiestelling. De instandhouding van de OAC's is een taak van het REC. Het is van belang dat het OAC binnen het REC een onafhankelijke positie heeft ten opzichte van de scholen. Dit kan mede gerealiseerd worden door te voorzien in een rechtstreekse bekostiging van het REC voor de instandhouding van het OAC. Door in de wetgeving eisen te stellen aan de samenstelling van het OAC, kan gewaarborgd worden dat in het OAC de nodige deskundigheid aanwezig is.

Langs deze lijnen is het mogelijk om de organisatie van de indicatiestelling te vereenvoudigen, zodanig dat de besluitvorming over de toelaatbaarheid tot het (v)so en toekenning van het leerlinggebonden budget in het regulier onderwijs belegd worden bij de OAC/ REC's. De beslissing over de toelating blijft uiteraard berusten bij het bevoegd gezag van de afzonderlijke scholen. De wijze waarop het toezicht wordt georganiseerd, garandeert dat de uitvoering van de indicatiestelling plaatsvindt binnen de kaders van de landelijke indicatiecriteria. Daarmee ontstaat voor de ouders ook zekerheid dat de OAC/ REC's uitvoering geven aan de landelijk geldende criteria, zodat er niet getwijfeld hoeft te worden aan de objectiviteit van de indicatiestelling. De wijze van bekostiging en de samenstelling van de OAC's dragen hieraan ook bij. Vanzelfsprekend moeten deze lijnen nog nauwkeuriger uitgewerkt worden, zodat deze vertaald kunnen worden in een wettelijke regeling.

Indien de Kamer met de hoofdlijnen in kan stemmen, zal ik deze uitwerking zo snel mogelijk ter hand nemen, opdat het wetgevingstraject na het zomerreces kan worden hervat.

Voor de goede orde wijs ik er nog eens op dat de wettelijke regeling die wordt uitgewerkt, geldt gedurende een beperkte periode van naar verwachting 4 jaar. In deze periode zal de systematiek van indicatiestelling grondig geëvalueerd worden. Daarbij zal ook bezien moeten worden in hoeverre de doelstelling van integratie in het reguliere onderwijs bevorderd wordt. Op basis van de uitkomsten van de evaluatie zal de structurele herziening van de Wet op de expertisecentra voorbereid worden. Waar nodig zal bijstelling van de gekozen systematiek moeten plaatsvinden, zoals ik in mijn brief van 17 maart heb vermeld. Zoals ik in deze brief heb aangegeven, gaat het daarbij ook om het aspect van de beheersbaarheid van de gehele systematiek, mede in budgettaire zin.


2. Financiering

De voorwaarden voor de realisering van het LGF-beleid zijn verbeterd, doordat er in het kader van de voorjaarsnota 2000 extra middelen beschikbaar zijn gekomen. Met deze middelen kunnen de kosten vergoed worden die samenhangen met de REC-vorming en de indicatiestelling.

Verder is er ruimte om de noodzakelijke onderwijsvernieuwing te financieren, zowel in het speciaal onderwijs als in het regulier onderwijs. Van groot belang is ook dat er de mogelijkheid ontstaat om knelpunten op te lossen die zich voordoen bij de opvang van gehandicapte leerlingen in het reguliere onderwijs. In het Algemeen Overleg is veel aandacht gegeven aan de toerusting van het reguliere onderwijs. Kan het reguliere onderwijs de opvang van gehandicapte leerlingen wel aan? Sinds de start van het LGF-traject is voor het basisonderwijs, vooruitlopend op de rugzak-invoering, ruim toepassing gegeven aan de toekenning van aanvullende formatie voor gehandicapte leerlingen. De resultaten hiervan zijn positief: het aantal leerlingen dat op grond van deze regeling is geplaatst, is verdubbeld tot bijna
6000. Uit het onderzoek van het ITS naar de voorwaarden voor opvang blijkt dat scholen over de formatietoekenning overwegend tevreden zijn. Op een aantal knelpunten zal ik zodadelijk nog ingaan. Als gevolg van de klassenverkleining worden de voorwaarden voor integratie verder versterkt. Overigens blijkt in de praktijk dat deskundigheidsbevordering, scholing en goede ondersteuning, o.a. in de vorm van ambulante begeleiding, belangrijke voorwaarden zijn voor succesvolle integratie. Bij de invulling van de nieuwe financiële ruimte zal ook hieraan aandacht gegeven worden.
In het Algemeen Overleg van 18 mei is het budgettaire kader voor het lopende kalenderjaar 2000 al geschetst. Er is in dit jaar voor LGF een extra budget beschikbaar van fl. 30 mln. als gevolg van de extra investering in het kader van de voorjaarsnota. Met ingang van 2001 wordt het extra budget verhoogd naar fl. 40 mln. Dit bedrag is structureel beschikbaar. Naar verwachting zal dit structurele bedrag verder verhoogd worden in het kader van de Rijksbegroting 2001, die in september zal verschijnen.
Incidentele middelen De middelen voor het jaar 2000 en een deel van de middelen voor de jaren 2001 en 2002 wil ik inzetten voor de voorbereiding van de invoering van LGF. Het gaat hier om een tijdelijke investering ten behoeve van: a) de voorbereiding van de REC-vorming en de inrichting van de REC's. b) de voorbereiding van de indicatiestelling (ontwikkeling criteria en protocollen, geautomatiseerde systemen e.d.) c) de onderwijskundige ontwikkeling, leermiddelenontwikkeling, ontwikkeling van scholingsprogramma's en voorlichting.

Wat betreft dit laatste onderdeel moeten werkzaamheden plaatsvinden op de volgende punten:


- het ontwikkelen van programma's voor deskundigheidsbevordering en scholing van teams en leraren, zowel in het (v)so als in het reguliere onderwijs;


- vernieuwing van onderwijsprogramma's voor gehandicapte leerlingen zowel in het (v)so als in het reguliere onderwijs;

- ontwikkeling van begeleidingsmodellen en aangepaste leermiddelen;

- voorlichting over de leerlinggebonden financiering.
Bij de uitvoering van deze activiteiten zal verder gebouwd worden op de kennis en ervaring die intussen is opgedaan in projecten zoals bijv. de steunpuntscholen. Voor zover nodig kunnen na 2002 dergelijke vernieuwingsactiviteiten gefinancierd worden uit de op de rijksbegroting structureel aanwezige middelen voor vernieuwing van het primair onderwijs.

Schematisch ziet de inzet van de middelen er als volgt uit:


2000


2001


2002

REC-vorming


15


--


--

Indicatiestelling


5


--


--

Ontwikkelingsactiviteiten


10


15


5

Totaal incidenteel


30


15


5

Structurele middelen De extra middelen die in het kader van de Voorjaarsnota beschikbaar komen, wil ik vanaf 2001 inzetten voor: 1. Inrichting van de REC's en de bekostiging van nieuwe REC-taken. 2. Versterking van de rugzakfinanciering in het basisonderwijs. Structureel zijn er ook extra middelen nodig voor: 3. De financiering van de landelijke commissie toezicht indicatiestelling. 4. De financiering van de rugzak in het voortgezet onderwijs. De omvang van de middelen die voor deze financiering nodig zijn, moet nog worden vastgesteld. In het kader van de rijksbegroting 2001 zullen middelen hiervoor beschikbaar komen. Schematisch ziet de inzet van de middelen er als volgt uit:


2001

2002

2003

2004

2005

1. REC-taken


20


20

20

20

20

2. Basisonderwijs-rugzak:

Materieel

Linearisering

Cluster 4


10


10

10

10

10

3


6

6

6

6

2


4

4

4

4

3. Indicatietoezicht

Pm

Pm

Pm

Pm

Pm


4. Voortgezet Onderwijs


--

Pm

Pm

Pm

Pm

Totaal structureel


35

40

40

40

40
Ter toelichting het volgende:

Ad 1.

Extra middelen zijn noodzakelijk om de inrichting van de REC's te financieren. De REC's zullen nieuwe taken moeten gaan verrichten, die deels gefinancierd kunnen worden vanuit de bestaande bekostiging van de (v)so-scholen maar voor een deel ook niet. Dit betreft o.a. de instandhouding van OAC's. Op dit moment kan ik het exacte financieringsplaatje nog niet uitwerken, omdat dit mede bepaald wordt door de uitkomsten van het taken- en functieonderzoek, waarover in juni gerapporteerd zal worden. Ik ga er echter van uit dat met een extra structurele investering van fl. 20 mln. het mogelijk zal zijn om - in combinatie met een herschikking binnen de reeds beschikbare budgetten voor het (v)so - tot een adequate financiering van de REC's te komen. Er van uitgaande dat er ongeveer 40 REC's tot stand komen, betekent dit dat er per REC gemiddeld een bedrag van fl. 0,5 mln. structureel beschikbaar komt. Voor de goede orde wijs ik erop dat de huidige bekostiging voor leerlingen die geplaatst worden in de scholen voor (V)SO gehandhaafd blijft. Dat betekent dat de huidige formatie voor directie, onderwijspersoneel en onderwijsondersteunend personeel, waaronder de klassenassistenten, ongewijzigd blijft.

Ad. 2

Er zijn structureel extra middelen nodig voor de opvang van gehandicapte leerlingen in het reguliere onderwijs. In het Algemeen Overleg is gevraagd naar de omvang van de rugzak voor gehandicapte leerlingen in het reguliere onderwijs.

Voor het basisonderwijs biedt de huidige regeling voor aanvullende formatie in combinatie met de regeling voor ambulante begeleiding een goed vertrekpunt om een indicatie te geven van de omvang van de rugzak. Voor een aantal onderwijssoorten heeft de huidige regeling geleid tot een sterke toename van het aantal gehandicapte leerlingen in het basisonderwijs. Sinds de start van het LGF-traject in 1995/ 96 is het aantal verdubbeld naar nu ca. 6000 leerlingen, waarvan het grootste deel in het esm-onderwijs en lg-onderwijs zit. De huidige regeling voor de aanvullende formatie schiet op een aantal punten echter nog duidelijk tekort.

In de eerste plaats kent de regeling een stapsgewijze formatietoekenning. De basisscholen krijgen voor de tweede gehandicapte leerling geen extra formatie. Deze situatie is onbevredigend, en dient bij de invoering van LGF te worden aangepast zodanig dat voor iedere leerling extra formatie beschikbaar komt. Daarom dient de formatietoekenning volledig te worden geïndividualiseerd. Met deze aanpassing zijn extra kosten gemoeid in de omvang van circa f 6 mln op jaarbasis. De aanpassing kan ingaan per 1 augustus 2001.

In de tweede plaats kent de huidige regeling geen formatietoekenning voor leerlingen uit cluster 4 (de onderwijssoorten zmok, lz en pi). Ook deze situatie is onbevredigend, en leidt er mede toe dat leerlingen vanuit deze speciale scholen maar moeilijk teruggeplaatst kunnen worden naar het reguliere basisonderwijs. Ook voor leerlingen uit cluster 4 dient een budget aanvullende formatie beschikbaar te komen. Hiermee zijn kosten gemoeid ten bedrage van fl.
4 mln. op jaarbasis. De aanpassing kan ingaan per 1 augustus 2001.
Tenslotte geldt voor alle gehandicapte leerlingen die geplaatst worden in het basisonderwijs dat er alleen een budget is voor formatie. Voor allerhande extra onderwijskosten die samenhangen met de handicap van de leerling is slechts een beperkt budget van ca. f 300,-beschikbaar. Voor gehandicapte leerlingen zijn vaak aanpassingen in de leermiddelen nodig, waarmee kosten gemoeid zijn. De begeleiding van de ontwikkeling van de gehandicapte leerling vereist vaak ook een aangepast leerlingvolgsysteem. Voorstel is om tegenover dergelijke kosten een materiële vergoeding toe te kennen in de vorm van een verhoging van het bedrag per gehandicapte leerling, dat deel uit gaat maken van de rugzak. Voor zover nodig kunnen hieruit ook extra kosten voor deskundigheidsbevordering gefinancierd worden. Uitgaande van een verhoging met een bedrag van f 1500,- per leerling bedragen de meerkosten van deze regeling circa f. 10 mln.

Ad 3.

Er zijn extra middelen nodig voor de indicatiestelling. Uitgaande van de hoofdlijnen voor de organisatie van de indicatiestelling, zoals ik die hiervoor heb beschreven, is het mogelijk de kosten voor de instandhouding van een LCTI te beperken. De uitwerking van de hoofdlijnen, inclusief de financiële consequenties, moet nog plaatsvinden. In de Rijksbegroting 2001 zal in financiering voor dit doel worden voorzien.

Ad. 4

Voor het voortgezet onderwijs is de uitwerking van de leerlinggebonden financiering nog niet afgerond. De situatie is hier gecompliceerder vanwege de afstemming en overlap met de ontwikkelingen in het VMBO. Ook voor het voortgezet onderwijs wordt rekening gehouden met extra investeringen. Middelen hiervoor komen beschikbaar in het kader van de Rijksbegroting 2001.

Omvang van de rugzak In het volgende schema wordt een indicatie gegeven van de mogelijke omvang van de rugzak voor elke onderwijssoort, rekening houdend met de hiervoor genoemde investeringen. De omvang wordt uitgedrukt in formatierekeneenheden (Fre's). Een deel van de rugzak dient te worden herbesteed voor ambulante begeleiding (AB) door het speciaal onderwijs. Dit wordt apart aangegeven (voor de goede orde: een leraar basisonderwijs «kost»
179 Fre's; een leraar speciaal onderwijs «kost» 200 Fre's). Daarnaast is er sprake van een materiële vergoeding in guldens.
Cluster 2

Omvang

Rugzak

Waarvan te herbesteden AB

Materiële

Vergoeding

Doof

Ca. 73 = 33.000


38 = 17.000


1800,-

Slecht horend

Ca. 33 = 15.000


17 = 15.000


1800,-

ESM

Ca. 32 = 15.000


14 = 6.000


1800,-

Cluster 3

Omvang

Rugzak

Waarvan te herbesteden AB

Materiële

Vergoeding

Lich. Geh.

Ca. 36 = 17.000


22 = 10.000


1800,-

ZML- onderbouw

Ca. 35 = 16.000


17 = 8.000


1800,-

ZML-bovenbouw

Ca. 53 = 25.000


17 = 8.000


1800,-

Cluster 4

Omvang

Rugzak

Waarvan te herbesteden AB

Materiële

Vergoeding

ZMOK

Ca. 35 = 16.000


17 = 7.000


1800,-

LZ-psych.

Ca. 35 = 16.000


17 = 7.000


1800,-

PI

Ca. 35 = 16.000


17 = 7.000


1800,-

Voor de goede orde wijs ik erop dat het hier gaat om een indicatie; uitwerking moet nog plaatsvinden in overleg met het onderwijsveld.
3. Regionale Expertisecentra Vormgeving Het concept van de vorming van Regionale Expertisecentra (REC's) binnen de 2/3 sector kan op een groot draagvlak rekenen. In de afgelopen twee jaar is er veel dynamiek ontwikkeld en grote voortgang geboekt in de realisering van Regionale Expertisecentra. In 1999 is een belangrijke stap gezet op weg naar een dekkend netwerk van Regionale Expertisecentra in de toekomst. Op grond van de Stimuleringsregeling REC's i.o. 1999 zijn er voor 39 Regionale Expertisecentra in oprichting aanvragen ingediend voor faciliteiten ten behoeve van de vorming van Regionale Expertisecentra. Het ging daarbij om 5 aanvragen voor cluster 2, 20 aanvragen voor cluster 3 en
14 aanvragen voor cluster 4. Alle aanvragen voldeden aan de in de Stimuleringsregeling REC's i.o. 1999 gestelde eisen. De vorming van de Regionale Expertisecentra wordt van onderop tot stand gebracht. Dit kan soms tot onduidelijkheid leiden, maar heeft als voordeel dat de REC's vanuit de eigen inhoudelijke ontwikkelingen het een en ander vorm kunnen geven. Dat de REC ontwikkelingen dienen door te gaan is duidelijk; de wijze waarop wordt mede in het Experimenteerkader helder gemaakt. Het Experimenteerkader REC's i.o. wordt in nauw overleg met het onderwijsveld ontwikkeld en vormgegeven en dit zal in het startjaar LGF, vanaf 1-8-2001, in werking treden. Clusterindeling De indeling in 4 clusters wordt zeer breed als werkbaar ervaren. De clusterindeling is cruciaal voor de REC-vorming en het verdere verloop van het LGF-traject. In het Algemeen Overleg is gevraagd of bijstelling van de clusterindeling gewenst danwel mogelijk is in verband met de positie van de LZ-scholen. De taken die de LZ-scholen verrichten, kunnen in de huidige clusterindeling goed ingepast worden. Alle leerlingen die nu door de LZ-scholen worden opgevangen worden in de toekomst opgevangen hetzij door de REC's uit cluster 3, hetzij de REC's uit cluster 4. Tussen de beide clusters is er een duidelijke afbakening van de doelgroepen zodat er geen leerling tussen wal en schip raakt. Bij de uitwerking van de indicatiecriteria voor de clusters 3 en 4 zal rekening gehouden worden met de specifieke problemen van sommige LZ-leerlingen. Door de LZ-scholen die zowel leerlingen uit cluster 3 hebben (somatische problematiek) als uit cluster 4 (psychiatrische problematiek) wordt de splitsing als een verlies ervaren. Daar staat tegenover dat binnen de REC-structuur nieuwe mogelijkheden voor samenwerking ontstaan met scholen die leerlingen opvangen met verwante somatische danwel psychiatrische problematiek. De landelijke taken die sommige LZ-scholen verrichten, met name de epilepsiescholen, kunnen binnen de REC-structuur gehandhaafd blijven door aparte taak- en functiebekostiging. Het taken en functie onderzoek is nog niet afgerond. Zonodig kunnen nog andere specifieke taken en functies van de LZ-scholen apart bekostigd worden. Ik wijs er nadrukkelijk op dat ook voor de zorg aan de zittende leerlingen de splitsing van de lz-scholen over de clusters 3 en 4 geen nadelige gevolgen heeft. Deze leerlingen hoeven niet herplaatst te worden naar andere scholen. De REC's van de clusters 3 en 4 hebben tot taak ook alle zittende leerlingen onderwijs te geven en te begeleiden. Meer in het algemeen wil ik benadrukken dat invoering van de nieuwe clusterindeling en de vorming van REC's langs lijnen van geleidelijkheid plaats zal vinden om een zorgvuldige uitvoering van onderwijs en begeleidingstaken te waarborgen in de komende jaren. Het voorstel van de LZ-scholen om een apart cluster in te richten heeft belangrijke nadelen. Het leidt tot onduidelijke afbakening tussen cluster 3 en cluster 4 en het aparte cluster, omdat die aan dezelfde leerlinggroepen onderwijs en begeleiding gaan geven. Bovendien worden door de uitbreiding van het aantal clusters meer REC's gevormd die veel kleinschaliger worden. Herziening van de REC-structuur leidt ertoe dat de vorming van de REC's zoals die totnogtoe heeft plaatsgevonden weer ter discussie komt te staan. Daarmee wordt de basis onder de huidige REC-vorming weggeslagen. De mogelijkheid om op korte termijn financieel te investeren in de REC-vorming wordt ernstig bemoeilijkt. Tegen deze achtergrond acht ik - ook vanwege de breed gewenste duidelijkheid - herziening van de clusterindeling niet nodig en ook niet gewenst. In dit verband nog een opmerking over cluster 4. In cluster 4 zitten voornamelijk leerlingen met gedragsproblemen. Cluster 4 is geen restcategorie. Cluster 4 heeft zelf geconstateerd dat de onderverdeling in de schoolsoorten niet goed werkt. Daarom zal er bij de indicatie van een leerling een clusterindicatie in plaats van een schoolsoortindicatie plaatsvinden. Splitsing van cluster 4 is, ook naar het oordeel van het desbetreffende veld, geen optie omdat de verschillen tussen de schoolsoorten niet goed zijn aan te geven. In verband met de clusterindeling is ook gevraagd of voor cluster 2, en eventueel ook voor (een deel van) cluster 3 een regeling getroffen zou kunnen worden vergelijkbaar met de regeling voor cluster 1. Voor dit laatste cluster is voorzien in een gebudgetteerde lump-sum bekostiging. De basis hiervoor is een stabiele leerlingendoelgroep en een lange traditie gericht op integratie van visueel gehandicapte kinderen in het reguliere onderwijs. Voor de andere clusters zijn deze voorwaarden niet voorhanden, zodat een regeling analoog aan cluster 1 niet goed mogelijk is. Bestuurskracht In het AO zijn vragen gesteld over de bestuurskracht van de REC's. Naar aanleiding van deze vragen wil ik het volgende opmerken. Een krachtdadig bestuur is van belang voor een goed functionerend REC. De bestuurskracht is sterk afhankelijk van de gekozen bestuurlijke vormgeving en organisatorische samenwerking binnen het REC. Ik hecht eraan dat de inhoudelijke invulling van onderop in plaats van bovenaf wordt vormgegeven. Het is voor het heden en de toekomst van belang dat de scholen in het REC met elkaar op maat gesneden afspraken maken over de REC-vorming. De bestuursvorm en daarmee de bestuurskracht binnen de Regionale Expertisecentra zijn sterk in ontwikkeling. De REC's zijn thans bezig met het opzetten van een bestuurlijke organisatie, zodat zij goed toegerust zijn om binnen het REC onder andere een OAC in te richten alsmede het REC effectief en efficiënt te laten functioneren. De wenselijkheid van REC-vorming wordt breed ervaren, hoewel de bestuurlijke vormgeving nog de nodige voeten in de aarde zal hebben. Om uiteindelijk een rechtspersoon te realiseren wordt nu gewerkt aan een convenant, de basis voor de faciliteringsregeling REC's i.o. 2000. Het tekenen van een convenant door de REC-partners zal - zo is het streven- dit jaar geschieden. Er wordt dan ook veel werk verzet door de betrokken actoren om de REC vorm te geven. De huidige hoogte van de facilitering wordt bij de vorming van de Regionale Expertisecentra als belemmerend ervaren. Op grond van de faciliteringsregeling REC i.o.
2000 zal het REC i.o. (nu nog) via de coördinerende school, 7000 gulden voor elke participerende school ontvangen als aan de voorwaarden gesteld in de regeling wordt voldaan. Deze faciliteringsregeling verschijnt op 31 mei '00 in de Uitleg. Bovenop deze facilitering stel ik dit jaar nog extra middelen ter beschikking om een extra impuls te geven aan de vorming van de Regionale Expertisecentra. Tijdpad vorming REC's De vorming en de ontwikkeling van de REC's is in 1999 gestimuleerd via de stimuleringsregeling REC i.o. 1999 en wordt verder gestimuleerd via de faciliteringsregeling REC i.o. 2000. Deze regelingen vormen een hulpmiddel bij de inhoudelijke ontwikkeling van de REC's. In het Experimenteerkader wordt de verdere invulling van het Regionaal Expertisecentrum vormgegeven. De Wegbereiders hebben bij de ontwikkeling een adviserende en begeleidende rol. Identiteit van deelnemende scholen De deelnemende scholen in een REC behouden in de eerste fase wetgeving hun zelfstandigheid en derhalve hun identiteit. In de tweede fase wetgeving zal ik de relatie tussen REC en school nader uitwerken. Mijn uitgangspunten daarbij zijn dat een REC als geheel effectief moet kunnen opereren. Bij de inrichting van het onderwijs zal voldoende ruimte gelaten worden voor de eigenheid van het onderwijs, bijv. wat betreft de denominatieve of onderwijskundige aspecten. In de eerste fase wetgeving gaat het om bestuurlijke samenwerking en niet om institutionele fusie. De participanten in een REC bepalen zelf welke bestuurlijke samenwerking zij kiezen. Bij bestuurlijke samenwerking wordt geen afbreuk gedaan aan de denominatie van de afzonderlijke scholen. Deel 2 Vraaggerelateerde indicatiestelling Tijdens het AO is de vraag gesteld of functionele indicatiestelling tot de mogelijkheden behoort, dat wil zeggen een indicatiestelling waarbij niet alleen een uitspraak gedaan wordt over het wel of niet toekennen van een rugzak, maar ook over de ernst van de handicap en de daarmee gepaard gaande onderwijsbeperking. Bij de aanvang van LGF-traject is begonnen met de uitwerking van de gedachte van een functionele indicatiestelling. De uitwerking van deze gedachte is complex met name omdat het onderwijsaanbod dan ook in "lichtere" en "zwaardere" pakketten georganiseerd zou moeten worden, hetgeen tot lichtere en zwaardere rugzakken zou leiden (staffeling). Deze ambitie is in de eerste fase van de wetgeving te hoog gegrepen. In de eerste fase wetgeving zal de indicatie naar schoolsoort plaats vinden met uitzondering van cluster
4 waar gekozen is voor indicatie op clusterniveau. In deze fase zal wel een verkenning plaatsvinden van de mogelijkheden tot staffeling. Het streven is in de 2e fase wel tot staffeling in de budgetten over te gaan. Geen overeenstemming bij een deel van de dossiers In het Algemeen Overleg is de vraag opgeworpen of de leerlingen waarvan in de tussenrapportage van het GION werd aangegeven dat er geen overeenstemming bestond tussen schoolgebonden commissie en CTB, niet tussen de wal en het schip dreigen te geraken. Het GION is momenteel doende na te gaan waarom over een deel van de dossiers geen overeenstemming bestaat. Daarover zal het eindrapport van het GION dat eind juni verschijnt, meer duidelijkheid verschaffen. Voor de kinderen waarvoor de indicatiecriteria momenteel nog geen soelaas bieden maar waarvan het OAC wel aangeeft dat het gaat om kinderen met een ernstige onderwijsbeperking, vergelijkbaar met die van kinderen die wel aan de criteria voldoen, moet opvang binnen een REC mogelijk zijn. Als blijkt dat de onderwijsbeperking niet dusdanig is dat wordt overgegaan tot plaatsing van het kind binnen een REC, zal het kind binnen het samenwerkingsverband (WSNS) opgevangen moeten worden, hetzij binnen het reguliere onderwijs hetzij in de school voor speciaal basisonderwijs (via de PCL). Herindicatie/Indicatietermijn Door de leden van de commissie is gevraagd of herindicatie (herhalingsonderzoek) van leerlingen niet te belastend zou zijn voor het kind. Herhalingsonderzoeken vinden momenteel ook regelmatig plaats. De herindicatie is er op gericht na te gaan of een leerling in zijn/haar ontwikkeling een progressie doormaakt. Indien wordt geconstateerd dat dit het geval is, kan dit ertoe leiden dat het kind al dan niet met ambulante begeleiding (weer terug) in het regulier onderwijs kan worden geplaatst. Daarmee wordt aangegeven dat een eens geïndiceerde leerling niet permanent geïndiceerd hoeft te blijven. Positie van de afdelingen voor ZMLK in het REC Er zijn thans 22 ZMLK-afdelingen. Deze ZMLK-afdelingen zijn verbonden aan een speciale school voor basisonderwijs. De scholen voor SBO vallen onder het WPO regime terwijl de afdelingen voor ZMLK onder het WEC regime vallen. Het zou dan ook logischer en bestuurlijk beter zijn om de afdelingen op een of andere wijze in het Regionaal Expertisecentrum in te passen. Er is onlangs met de besturenorganisaties gesproken over de inpassing van ZMLK-afdelingen binnen een REC. Voor een aantal ZMLK-afdelingen bestaat de mogelijkheid om zich aan te sluiten bij een ZMLK-school. Voor de ene gereformeerde en een aantal reformatorische afdelingen ligt dat moeilijker, omdat er geen ZMLK-scholen zijn met dezelfde denominatie in het betrokken REC. Thans wordt in samenspraak met besturenorganisaties per ZMLK afdeling bekeken hoe deze in het REC kunnen worden ingepast. Subsidie steunpuntscholen Naar aanleiding van de vragen over de steunpuntscholen kan het volgende worden opgemerkt. De steunpuntscholen hebben de afgelopen jaren een belangrijke taak vervuld bij de opbouw van expertise op de basisscholen in relatie tot de opvang van kinderen met het Syndroom van Down. Bij de instelling van de steunpuntscholen en de facilitering daarvan, gecoördineerd door het Seminarium voor Orthopedagogiek, is afgesproken dat het project een aantal jaren zou duren ten behoeve van de opbouw van expertise. In goed overleg met het Seminarium voor Orthopedagogiek is afgesproken dat de steunpuntscholen en het Seminarium voor Orthopedagogiek voor het schooljaar 1999/2000 voor het laatst de extra middelen ontvangen. Verder is afgesproken dat het seminarium op grond van de opgedane ervaringen een evaluatieve notitie maakt die voor de zomer zal verschijnen. Deze kennis is belangrijk voor de toerusting van het regulier onderwijs met betrekking tot de integratie van gehandicapte kinderen in het reguliere onderwijs. Bij de invulling van het LGF-beleid zal ik nagaan hoe deze kennis breder ter beschikking gesteld kan worden. Rapportage taken- en functieonderzoek Gevraagd is naar de stand van zaken van dit onderzoek. Per cluster is een enquête bij de scholen van dat cluster uitgezet over de taken en functies van die scholen in het REC. De vragenlijsten zijn door ruim 70% van de scholen beantwoord en verwerkt in conceptrapportages. Over deze concepten vindt nu in alle clusters overleg plaats. De besprekingen lopen in mei en juni nog door en de planning is om voor de zomervakantie rapportages op te leveren. De uitkomsten krijgen vervolgens een vertaling in de wetgeving voor de eerste fase. Onderwijs aan kinderen uit KDC's Gevraagd is wat nodig is voor opvang van zwaar verstandelijk gehandicapte kinderen, in het bijzonder welke investering per leerling daarvoor nodig is. Een deel van de kinderen uit de kinderdagcentra stromen nu op latere leeftijd het tyltyl-onderwijs of zml-mg onderwijs in, of komen geheel niet aan onderwijs toe. In beginsel vallen deze kinderen ook onder de indicatiecriteria. Gelet op de aard van de problematiek zal het vaak gaan om een mg-indicatie. Voor de zeer ernstig verstandelijk gehandicapte kinderen met bijkomende problematiek is een betere toerusting van het onderwijs nodig en bovendien een aanvullende ondersteuning vanuit de zorg. De onderwijskundige voorwaarden zullen gerealiseerd moeten worden voor de opvang van deze kinderen. Niet altijd zullen deze kinderen gedurende de hele week onderwijs kunnen volgen. In het kader van de eerste fase wetgeving zal de opvang vorm krijgen in deeltijd arrangementen onderwijs-zorg voor deze kinderen geregeld worden. Toerusting regulier onderwijs In het Algemeen Overleg zijn vragen gesteld over de toerusting van het regulier onderwijs wat betreft: 1. scholingsaanbod, 2. aanpassing gebouwen en 3. verpleegkundige hulp in het regulier onderwijs. Ad 1: De opleiding speciaal onderwijs, die door het merendeel van de leerkrachten op de speciale scholen gevolgd is, wordt gegeven door een aantal hogescholen. Zij verzorgen tevens een uitgebreid nascholingsaanbod dat regelmatig in de vorm van brochures bekend wordt gemaakt. Van dit aanbod maken ook steeds meer leerkrachten uit het regulier onderwijs gebruik. Naast het opleidingsaanbod van deze instellingen is er ook een begeleidings- en opleidingsaanbod van de Landelijke Pedagogische Centra, van schoolbegeleidingsdiensten en PABO's. Het PMPO heeft de afgelopen jaren een coördinerende rol gespeeld ten aanzien van het aanbod. Er ligt een voorlichtingsplan van de ouderorganisaties en de Gehandicaptenraad, dat in samenspraak met het Voorlichtingsberaad verder uitgewerkt zal worden. Ad 2: De gemeenten zijn sinds de decentralisatie van de huisvesting verantwoordelijk voor aanpassingen om het schoolgebouw toegankelijk te maken. In juni vindt er een overleg plaats met een aantal organisaties, waaronder het landelijk bureau Toegankelijkheid en de VNG, over de toegankelijkheid van schoolgebouwen met als doel eventuele problemen en knelpunten in kaart te brengen. Ad 3: Aan de cluster 3 scholen is gevraagd aan te geven welke lijfgebonden zorg noodzakelijk is. Die gegevens zijn door vertegenwoordigers van betrokken scholen aangeleverd. Ook via de enquêtes in het kader van het taken en functie onderzoek komt hierover informatie beschikbaar. De gegevens worden nu verwerkt in een notitie met voorstellen hoe middelen voor lijfgebonden zorg aan cluster 3 scholen kunnen worden toegedeeld. Die notitie zal in de clusteroverleggen besproken worden. Vervolgens wordt het overleg met VWS heropend om goede afspraken te maken over de inzet van de middelen die daar nu voor dit doel gereserveerd zijn en de voorwaarden waaronder eventuele overheveling daarvan naar onderwijs mogelijk is. Afstemming LGF- WSNS Naar aanleiding van de vragen over de afstemming tussen LGF en WSNS het volgende. Het naast elkaar bestaan van twee zorgsystemen vereist afstemming, zodat systemen goed op elkaar aansluiten. Hierdoor wordt voorkomen dat leerlingen tussen de wal en het schip geraken. Uitgangspunt dient te zijn dat de toelaatbaarheid binnen LGF bepaald wordt door de indicatiecriteria. Indien de aard van de problematiek niet helder is, biedt het taken- en functiedeel van een REC de mogelijkheid voor een observatie plaatsing, of voor preventieve ambulante begeleiding. Als een leerling op basis van de indicatiecriteria niet toelaatbaar wordt geacht en de leerling bovendien niet voor het taken- en functiedeel in aanmerking komt, dan moet het kind binnen een WSNS-verband worden opgevangen. In de WPO, zal deze verantwoordelijkheid van de WSNS-verbanden duidelijk vastgelegd worden. In het kader van de wetgeving eerste fase zal hierin voorzien worden. Afstemming onderwijs- zorg Ter voorbereiding van de bijstelling van de indicatiecriteria wordt op dit moment een kort onderzoek uitgevoerd naar de criteria die in de zorg (AWBZ) gehanteerd worden en de eventuele belemmeringen bij het uitwisselen van onderzoeksgegevens. De uitkomsten hiervan zullen meegenomen worden bij de bijstelling van de criteria die voor toelaatbaarheid tot speciaal onderwijs gehanteerd gaan worden. De opvang van dyslectische kinderen Ik ben van mening dat dyslexie als enkelvoudig probleem in WSNS-verband opgevangen moet worden. Er wordt gewerkt aan een protocol dyslexie en een expertsysteem Dyslexpert voor het regulier onderwijs om beter met leesproblemen om te gaan. Dit najaar zullen deze instrumenten in het regulier onderwijsveld geïmplementeerd worden door de Landelijke Pedagogische Centra. Thuiszitters Dat kinderen thuiszitten omdat ze niet snel geplaatst kunnen worden, vind ik niet acceptabel. Het gaat hier echter niet om een probleem dat zich met harde regels laat oplossen. Uit de voorbeelden van de inspectie blijkt dat het om zeer complexe problemen gaat. Soms zijn er diepgaande meningsverschillen met ouders en een vertrouwensbreuk met de school waarop het kind is aangewezen. Er zal wel alles aan gedaan moeten worden om deze problemen tijdig te voorzien en zo mogelijk eerder te bemiddelen. Om eerder te kunnen ingrijpen ligt er in de aanpak van wachtlijsten en thuiszitters veel nadruk op leerplichtregistratie, tijdige uitwisseling tussen school en leerplichtambtenaar en het repertoire aan handelingsmogelijkheden van de leerplichtambtenaar. Deel 3 In de voorgaande twee delen van deze brief ben ik nader ingegaan op de opmerkingen die door commissieleden zijn gemaakt, op de vragen die tijdens het AO zijn gesteld en heb ik het financieel kader geschetst. Tevens heb ik in deze brief een aantal voorstellen geformuleerd. Resumerend zijn de voorstellen: 1. Indicatiestelling voor zowel het speciaal onderwijs als ten behoeve van de toekenning voor leerlinggebonden financiering in het reguliere onderwijs beleggen bij de OAC's/ REC's onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat er een gericht toezicht plaatsvindt door een Landelijke onafhankelijke Commissie Toezicht Indicatiestelling (LCTI) en dat er ook in de bekostiging en samenstelling van de OAC's waarborgen zijn voor objectieve en onafhankelijke indicatiestelling; 2. Clusterindeling handhaven en in de eerste fase wetgeving opnemen, rekening houdend met de specifieke positie van scholen en schoolsoorten door aparte taak- en functiebekostiging; 3. Versterking van het LGF-traject door inzet van de extra middelen langs de geschetste lijnen. Wat betreft de verdere procedure, zou ik het op prijs stellen nog vóór het zomerreces met de Kamer van gedachten te wisselen over deze voorstellen. Met de uitkomsten van dit overleg kan de noodzakelijke duidelijkheid verkregen worden voor het scholenveld in het kader van de REC-vorming en voor de hervatting van het wetgevingstraject. Tevens is de helderheid van belang om de beschikbare extra middelen, volgens de door mij geschetste lijn, spoedig in te kunnen zetten. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, K.Y.I.J. Adelmund

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie