Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Lijst vragen en antwoorden financiele verantwoording LNV

Datum nieuwsfeit: 31-05-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

lijst vr en antw financiele verantwoording lnv en landbou w-egalisatiefonds1999

Gemaakt: 5-6-2000 tijd: 11:52


34


27 127 Financiële verantwoordingen over het jaar 1999
Nr. 46 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 31 mei 2000

De vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij 1) heeft over de Financiële verantwoording van het ministerie Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, de financiële verantwoording van het Landbouw-Egalisatiefonds en de financiële verantwoording van het Diergezondheidsfonds, alsmede naar aanleiding van het Rapport bij de financiële verantwoording van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, het Landbouw-Egalisatiefonds en het Diergezondheidsfonds en het Rapport Beleidsprioriteiten 1999 - 2000 de navolgende vragen ter beantwoording aan de regering voorgelegd. Deze vragen, alsmede de daarop op 31 mei 2000 gegeven antwoorden zijn hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Ter Veer

De griffier voor deze lijst,

Kroes

Financiële verantwoording van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

Is de minister voornemens het jaarverslag 1999 op de website van het ministerie te plaatsen, zodat geïnteresseerden zich hiervan op de hoogte kunnen stellen?

De doelgroep van het ministerie gaat gebukt onder grote administratieve lastendruk. Wat zijn de doelstellingen? Is er een actieplan? Zo ja, hoe ziet dit eruit?

Waarom wordt er niet uitgebreid aandacht besteed aan de onderwerpen die in de financiële verantwoording over 1999 specifiek aandacht zouden moeten krijgen? Komt deze uitgebreide aandacht alsnog naar voren? (blz. 9)

Wat was het bedrag per opgekocht varkensrecht in 1999 voor zowel de BEVAR als de opkoopregeling varkensrechten? (blz. 14)

Gezien de algemene doelstelling, waarom is er wel bezuinigd op het Stimuleringskader markt en concurrentiekracht, dat als doel heeft het bevorderen van beleidsmatig gewenste ontwikkelingen op het gebied van milieu, dierenwelzijn en biologische landbouw. Zijn de genoemde doelstelling en de bezuiniging dan niet tegenstrijdig? (blz. 10, blz.
48)

Wat zijn de resultaten van de investeringen in de glastuinbouw, onder andere in het samenwerkingsverband Noord-Nederland en in de Infrastructuurregeling? Is dit met de huidige situatie nog relevant? (blz. 12)

Gaan de vele aandacht en het vele geld, toegevoegd uit andere posten, voor de Herstructurering Varkenshouderij ten koste van andere zaken op de begroting? Wanneer zal de vertraging van de opkoopregeling varkensrechten opgelost worden? Kan een duidelijk tijdspad worden gegeven over de herstructurering varkenshouderij? (blz. 13)

Kan de minister alsnog voor 1999 de gegevens over de ontwikkeling in de vermindering van het aantal varkens en de gerealiseerde mestreductie over de afgelopen jaren ter beschikking stellen? Is de minister voornemens in de toekomst deze gegevens in de jaarverslagen op te nemen? (blz. 13)

Kan de minister inzicht verschaffen in de relatie tussen de te realiseren mestreductie en de uitgaven? (blz. 13)

Ten aanzien van biologische landbouw presenteert de minister alleen realisatiecijfers. De Algemene Rekenkamer is van mening dat de minister duidelijk moet maken wat de uitgangssituatie is, welke situatie de minister nastreeft, en in hoeverre die gewenste situatie wordt gerealiseerd. De minister dient het beleid zodanig te formuleren dat het beleid ook te evalueren is. Is de minister voornemens de suggestie van de Rekenkamer op te volgen? (blz. 14)

De geleverde cijfers zijn realisatiecijfers. Gevraagd was om streefcijfers, met daarbij de tussenstand. Hoe verhouden de resultaten totnogtoe zich tot de streefcijfers? (blz. 14)

Wat zijn de concrete doelstellingen voor de ontwikkeling van de biologische landbouw? Is het logisch hier geld in te steken, voordat concrete einddoelen goed zijn geformuleerd? (blz. 14 - 15)

Wanneer kan de Kamer de nieuwe beleidsnota Biologische Landbouw verwachten? (blz. 15)

De gevraagde productiewaarde van de biologische landbouw, zowel absoluut als relatief, wordt niet gegeven. Evenmin wordt aangegeven waarom deze gegevens niet zijn gemeld. Wat zijn de juiste cijfers? (blz. 15)

Waarom ontbreekt een overzicht van de fiscale regelingen voor biologische landbouw? (blz. 15)

Wil de minister een duidelijke doelstelling formuleren ten aanzien van de stimulering van duurzame landbouw, hetgeen een algemene doelstelling van het beleid van het ministerie is? (blz. 15 - 17)

Waarom wordt in de tabel op blz. 18 alleen het beoogde resultaat voor grondverwerving over deze gehele kabinetsperiode weergegeven, zonder daarbij weer te geven welk deel van deze doelstelling tot op dit moment is gerealiseerd? Kan in volgende jaarverslagen inzichtelijk worden gemaakt hoe realisatie en taakstelling, uitgesplitst naar gebiedscategorie, zich verhouden van jaar tot jaar? (blz. 18)

Bij de grondverwerving is wel aangegeven wat de taakstelling in hectare is in 1999, maar wordt niet vermeld hoeveel hectare er daadwerkelijk via de verwervingssubsidies is gerealiseerd. Hoeveel hectare is er binnen en buiten de EHS in 1999 verworven en in welke categorie (Relatienotareservaat, bestaande natuurterreinen en natuurontwikkeling)? (blz.18)

Wat is de verklaring voor het feit dat er in de periode tussen de brief van 28 december 1998 (Kamerstukken II, 1998 - 1999, 26 200 XIV, nr. 36) en de stand van zaken per 1 januari 1999 meer dan 4000 hectare verworven is? (blz. 18)

Op welke van de reeds verworven gronden zal het combineren van functies plaatsvinden? Kan per functiecombinatie (bijvoorbeeld natuur en waterberging of natuur en recreatie) een indicatief overzicht worden gegeven van de aantallen hectaren? Is de minister bereid dit overzicht in toekomstige begrotingen en verantwoordingen te geven? (blz. 18)

Hoe groot is de totale ruimteclaim voor natuur? Kan dit uitgebreid onderbouwd worden? Welke deel van deze ruimteclaim is een EHS claim en welk deel valt de EHS? (blz. 18)

Wat is de verklaring voor het feit dat de verdeling van de gronden voor relatienotareservaten tussen Staatsbosbeheer en overige natuurorganisaties niet 50 - 50 is, maar tweederde - eenderde? (Uit de laatste kolom van de tabel kan worden afgeleid dat per jaar 2500 -
3000 hectare verworven zou moeten worden. Boven aan blz. 19 bijvoorbeeld blijkt het voor de overige natuurorganisaties slechts te gaan om 1080 hectare reservaatgronden) (blz. 18 - 19)
De Algemene Rekenkamer stelt dat ten aanzien van de instrumenten 'beheer' en 'inrichting' ter bereiking van de Ecologische Hoofdstructuur Structuur geen concrete invulling aan de te bereiken doelstellingen en realisaties wordt gegeven. Het volgende zou wel beter inzicht bieden in de mate waarin het einddoel wordt bereikt: met aangekochte grond dat niet ('goed') ingericht is en niet ('goed') beheerd wordt, wordt het einddoel niet bereikt. Is de staatssecretaris voornemens de suggestie van de Rekenkamer op te volgen? (blz. 19)

Wat is de verklaring voor het ver achter blijven van de taakstelling voor natuurontwikkelingsgronden en voor de ruime overschrijding van de taakstelling voor bestaande natuurterreinen? Welke instrumenten worden ingezet om de taakstelling ten behoeve van natuurontwikkeling voor deze kabinetsperiode wel te realiseren? Is het gewenst dat binnen het verwervingsbudget een verschuiving optreedt van het aankopen voor natuurontwikkelingsgebieden naar het aankopen voor bestaande natuurterreinen? (blz. 19)

Kan alsnog onderscheid worden gemaakt tussen de directe subsidiëring van grondaankopen ten behoeve van de natuurorganisaties door het rijk en de indirecte subsidiëring door het rijk via de provincies? Is deze leningfaciliteit de komende jaren eveneens nog beschikbaar? Zo ja, voor welk bedrag aan aflossing en rente wordt de komende jaren garant gestaan? Kan de minister een toelichting geven op het zogenaamde leningenartikel? (blz. 19)

Waarom worden in de Financiële verantwoording geen doelstellingen en realisatiecijfers voor Staatsbosbeheer geboden, in tegenstelling tot de overige natuurorganisaties? Kan dit alsnog en/ of kan dit in toekomstige jaarverslagen worden opgenomen? (blz. 19)

Is er, als gevolg van de inhaalslag bij de overdracht van eerder door BBL verworven gronden, sprake van minder ruilgrond in portefeuille bij BBL? Kan in de jaarverslagen voortaan inzichtelijk worden gemaakt welk deel van de verworven gronden ruilgronden zijn en hoe de portefeuille ruilgrond van BBL zich ontwikkelt? Welk deel van de ruilgronden wordt ingezet in het kader van landinrichtingsprojecten, mede ten behoeve van de realisatie EHS onderdelen? (blz. 19)

Betekent de planologische onduidelijkheid dat de EHS en Strategische groenprojecten in de Randstad en elders nabij stedelijke ontwikkelingen niet is begrensd? Zo ja, waarom is dat het geval en hoe denkt de minister provincies alsnog zo snel mogelijk de begrenzing van de EHS te laten afronden? Zo nee, wat is dan de oorzaak van de planologische onduidelijkheid? (blz. 19)

Welk percentage van de gronden voor natuurontwikkeling zal verworven worden, uitgaande van de huidige ambities, de huidige gemiddelde grondprijzen en de thans beschikbaar zijnde financiële middelen? (blz.
19)

Hoe wordt in het kader van de Drieslag Landinrichting gekomen tot een snellere en meer flexibele inzet van landinrichtingsrente? Is er al vooruitgang geboekt op dit gebied? (blz. 20)

Er wordt niet gesproken over de op hand zijnde nieuwe Landinrichtingswet. Er worden beleidsdoelen genoemd, maar wat is de positie van de boer in deze nieuwe beleidsdoelen, bijvoorbeeld bij onteigening en instemmingsrecht. Hoe zijn de doelstellingen voor landinrichting voor de komende jaren geformuleerd? (blz. 20)

Hoeveel hectare is er binnen het experiment Programmabeheer (particulier en agrarisch natuurbeheer) in 1999 ondergebracht, binnen en buiten de EHS? (blz. 21)

Wat is de verklaring voor het feit dat uitsluitend wordt ingegaan op waardevolle cultuurlandschappen en niet op de term «nationale landschappen»? Kan alsnog inzicht worden verschaft in de wijze waarop het nationaal landschapspatroon tot stand wordt gebracht en welke resultaten hiermee zijn geboekt? (blz. 22 - 23)

Wat is de verklaring voor de daling in de opbrengsten uit jachtakten met fl. 1,3 miljoen? (blz. 23)

Het betaalde bedrag per varken voor veterinaire maatregelen zou volgens de Europese Commissie hoger liggen dan in andere landen. Om welk bedrag gaat het hier volgens de Europese Commissie en welke bedragen zijn in andere landen uitbetaald? (blz. 29)

Waarom is onder art. 13.04 Beheer de rijksbijdrage SBB met fl. 17 miljoen toegenomen ten opzichte van de begroting, terwijl het particuliere deel in totaal met fl. 14 miljoen afneemt? (blz. 54)

Welke type en welk percentage natuuroppervlakte is niet toegankelijk voor mensen? Welke beleidsstappen worden genomen om het percentage toegankelijk natuurgebied te vergroten? Op welke wijze wordt dit structureel inzichtelijk en meetbaar gemaakt? Kan in toekomstige begrotingen en verantwoordingen de stand van zaken aangaande de toegankelijkheid van de Nederlandse natuur worden opgenomen? (blz. 55)

Waarom, toegelicht per onderdeel, is bij het beheer van de natuur op bijna elk onderdeel de begrotingsdoelstelling in hectare moet gehaald in 1999? (blz. 56 - 58)

Rapport bij de financiële verantwoording van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, het Landbouw-Egalisatiefonds en het Diergezondheidsfonds

De Rekenkamer constateert dat dienstonderdelen nog steeds niet jaarlijks hun administratieve organisatie actualiseren. Er is zelfs sprake van een negatieve tendens. Op welke wijze wordt dit aangepakt? (blz. 1)

De Algemene Rekenkamer constateert dat er bij met name de verzelfstandigde dienstonderdelen een te geringe bezetting is, zowel kwantitatief als kwalitatief. Op welke wijze zal de minister dit probleem aanpakken? (blz. 1)

De Algemene Rekenkamer constateert dat de informatieuitwisseling tussen Bureau Heffingen, AID en LNV op een aantal punten tekort schiet. Op welke wijze wordt dit probleem aangepakt? (blz. 2 - 3)

Is de minister van plan de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer ten aanzien van de verbetering van de taxatieprocedure bij de Beëindigingsregeling varkenshouderij over te nemen? Hoe voorkomt de minister dat de taxaties met onvoldoende waarborgen plaatsvinden? Op welke wijze wordt de marktprijs van varkensrechten vastgesteld in verband met opkoopregelingen? (blz. 3)

De Algemene Rekenkamer constateert een gebrekkige aansturing vanuit de verantwoordelijke beleidsdirecties, zowel in het kader van de Wet herstructurering Varkenshouderij, als in algemene zin. Met name de uitvoeringsconvenanten moeten nog verder worden uitgewerkt. Hoe wordt dit probleem aangepakt? (blz. 3)

Op welke wijze wordt het knelpunt aangepakt dat fouten van regionale overheden in de uitvoering van EU-regelingen financieel ten laste van het rijk komen (bijvoorbeeld bij de varkenspest)? Met ingang van het jaar 2000 zal de communautaire medefinanciering van de afdeling Oriëntatie worden overgeheveld naar de afdeling Garantie. Zal dit verbeteringen opleveren en hoe zal de uitvoering van de overheveling verlopen? (blz. 3 - 4)

De Plantenziektekundige Dienst sloot 1999 af met een tekort van 1,4 miljoen gulden. Wat zijn de verwachtingen voor 2000 en op welke wijze wordt het tekort ongedaan gemaakt? (blz. 5)

De Algemene Rekenkamer heeft geconstateerd dat de administratieve organisatie niet jaarlijks geactualiseerd wordt, wat niet goed is voor het functioneren van het ministerie en wat ondoorzichtigheid bevordert in het functioneren van het ministerie. Te geringe bezetting en reorganisaties zijn deels de oorzaak hiervan, omdat zij slechte communicatie tussen de het ministerie en de uitvoerende diensten veroorzaken, waardoor minder goede resultaten worden behaald. Hoe denkt minister de communicatie en het management op deze punten te verbeteren? (blz. 14 - 17)

Hoe wordt de aanbeveling van de Rekenkamer gerealiseerd dat de PD, AID en RVV uiterlijk in 2000 over een eigen onderhoudsorganisatie voor de administratieve organisatie beschikken? (blz. 17)

Hoe denkt de minister te komen tot een verbetering van de automatisering en het opstellen van risicoanalyses voor geautomatiseerde systemen, die nog niet afgerond zijn? (blz. 24 - 25)

Rapport Beleidsprioriteiten 1999 en 2000

Is de minister bereid de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer over te nemen om voortaan in de Financiële verantwoording de ontwikkeling in de vermindering van het aantal varkens en de gerealiseerde mestreductie over de afgelopen jaren te melden? (blz. 77)

Vraag 1:

Is de minister voornemens het jaarverslag 1999 op de website van het ministerie te plaatsen, zodat geïnteresseerden zich hiervan op de hoogte kunnen stellen?

Antwoord:

Zoals alle begrotingsstukken zullen ook de Financiële Verantwoordingen over
1999 op de website worden gezet.

Vraag 2:

De doelgroep van het ministerie gaat gebukt onder grote administratieve lastendruk. Wat zijn de doelstellingen? Is er een actieplan? Zo ja, hoe ziet dit eruit?

Antwoord:

Het Ministerie van EZ coördineert de interdepartementale actie die tot de administratieve lastenverlichting moet leiden. Aan een plan van aanpak voor LNV wordt momenteel gewerkt. In overleg met het ministerie van EZ is een coördinatiepunt bij mijn ministerie ingesteld bij de directie Landbouw. Eind van dit jaar zal worden begonnen met het in kaart brengen van de administratieve lastendruk voor het gehele LNV - beleidsdomein. Op basis daarvan zal prioritering plaatsvinden ten aanzien van de aanpassing van wet- en regelgeving, die nodig is om een lastenverlichting te bereiken.

Vraag 3:

Waarom wordt er niet uitgebreid aandacht besteed aan de onderwerpen die in de financiële verantwoording over 1999 specifiek aandacht zouden moeten krijgen? Komt deze uitgebreide aandacht alsnog naar voren?

Antwoord:

De passage in de Financiële Verantwoording waarnaar in de vraagstelling wordt verwezen (pag. 9) heeft het karakter van een leeswijzer. De inhoudelijke informatie over de gevraagde onderwerpen is specifiek behandeld in paragraaf 1.2.3. In het bijzonder gaat het hierbij om een toelichting op de Herstructurering van de varkenshouderij (pag 13/14), de biologische landbouw (pag 14, 15, 16) en grondverwerving en grondbeheer (pag 18, 19).

Vraag 4:

Wat was het bedrag per opgekocht varkensrecht in 1999 voor zowel de BEVAR als de opkoopregeling varkensrechten?

Antwoord:

In het kader van de opkoopregeling varkensrechten en de BEVAR zijn per te onderscheiden recht onderstaande bedragen per varkenseenheid uitbetaald.

niet-fokzeugenrecht fokzeugenrecht
grond- niet-grond- grond- niet-grond
gebonden gebonden gebonden gebonden

Zuid f 700,-- f 525 f 766,-- f 575
Oost f 575,-- f 431 f 693,-- f 520
Overig f 575,-- f 431 f 657,-- f 493

Vraag 5:

Gezien de algemene doelstelling, waarom is er wel bezuinigd op het Stimuleringskader markt en concurrentiekracht, dat als doel heeft het bevorderen van beleidsmatig gewenste ontwikkelingen op het gebied van milieu, dierenwelzijn en biologische landbouw. Zijn de genoemde doelstelling en de bezuiniging dan niet tegenstrijdig?

Antwoord:

De ombuiging op het Stimuleringskader vloeit voort uit het Regeerakkoord (1998). Middels de regelingen uit het Stimuleringskader worden thans diverse beleidsthema's , waaronder de biologische landbouw, ondersteund. Voor deze onderwerpen zullen voldoende middelen beschikbaar blijven.

Vraag 6:

Wat zijn de resultaten van de investeringen in de glastuinbouw, onder andere in het samenwerkingsverband Noord-Nederland en in de Infrastructuurregeling? Is dit met de huidige situatie nog relevant?

Antwoord:

Voor de verbetering van de structuur en de vestigingsvoorwaarden voor nieuwe glastuinbouwbedrijven in het kader van het Samenwerkingsverband Noord Nederland (SNN) voor de drie noordelijke provincies is f 10 mln. beschikbaar gesteld. Het totale bedrag is inmiddels toegezegd voor 13 projecten op gebied van infrastructuur, PR/acquisitie, kennisinfrastructuur en ketenactiviteiten. Alle projecten zijn op dit moment in uitvoering of worden binnenkort gerealiseerd. Het wordt steeds relevanter om als regio hoogwaardige glastuinbouwlocaties aan te kunnen bieden om aantrekkelijk te zijn voor glastuinders die elders moeten of willen wijken.

Middels de infrastructuurregeling is een bijdrage geleverd aan de verbetering van de infrastructuur in Aalsmeer (f 0,6 mln.). Aangezien de herstructurering van de bestaande glastuinbouwgebieden Aalsmeer en Westland nog niet is voltooid, is verbetering van de infrastructuur nog steeds relevant.

Vraag 7:

Gaan de vele aandacht en het vele geld, toegevoegd uit andere posten, voor de Herstructurering Varkenshouderij ten koste van andere zaken op de begroting? Wanneer zal de vertraging van de opkoopregeling varkensrechten opgelost worden? Kan een duidelijk tijdspad worden gegeven over de herstructurering varkenshouderij?

Antwoord:

Het overgrote deel van de beschikbare middelen voor de herstructurering van de varkenshouderij is aan de LNV-begroting toegevoegd ten laste van de algemene middelen.

De aanvragers in het kader van de opkoopregeling varkensrechten hebben inmiddels bericht gekregen of zij definitief wel of niet in aanmerking komen voor subsidieverlening. Indien aanvragers die in aanmerking komen voor subsidieverlening ook een beroep doen op de nog te publiceren wijziging van het Besluit hardheidsgevallen, dan zal de afwikkeling van de aanvraag mogelijk nog tot het eind van dit jaar kunnen duren. Immers pas als het nieuwe varkensrecht op grond van het gewijzigde Besluit is vastgesteld kan de subsidie in het kader van de opkoopregeling varkensrechten definitief worden vastgesteld.

In de memorie van toelichting bij de Begroting 2001 zal ik een tijdpad voor de uitvoering van de Herstructurering Varkenshouderij opnemen.

Vraag 8:

Kan de minister alsnog voor 1999 de gegevens over de ontwikkeling in de vermindering van het aantal varkens en de gerealiseerde mestreductie over de afgelopen jaren ter beschikking stellen? Is de minister voornemens in de toekomst deze gegevens in de jaarverslagen op te nemen?

Antwoord:

Vermindering aantal varkens en gerealiseerde mestreductie

Een indicatie van de vermindering van het aantal vleesvarkens kan worden gegeven door de hoeveelheid kilo's fosfaat te delen door 5,2. De gemiddelde jaarlijkse excretie van een vleesvarken (= varkenseenheid) bedraagt 5,2 kilogram fosfaat.

( * mln.)

Reeds toegewezen

per 31/12/1999

Totaal toe te wijzen

(indicatie)

kilogram fosfaat

aantal vleesvarkens

kilogram fosfaat

aantal vleesvarkens

Opkoop


1,0


0,19


1,9


0,37

Afroming


0,6


0,12


1,3


0,25

Bevar


0,3


0,06


0,4


0,08

Totaal


1,9


0,37


3,6


0,70

De afname van het totaal aantal varkens zal lager zijn, omdat ook fokzeugrechten worden opgekocht. Een fokzeug is gelijk aan 2,8 varkenseenheden (= vleesvarkens).

Bovenstaande gegevens zullen voortaan in de jaarverslagen worden opgenomen, met daarbij de kanttekening dat er wordt gestuurd op de mestreductie in kilogram fosfaat en niet op de afname van het aantal varkens.

Vraag 9:

Kan de minister inzicht verschaffen in de relatie tussen de te realiseren mestreductie en de uitgaven?

Antwoord:

Relatie mestreductie en uitgaven:

In de cijfers in de tabel wordt aangegeven aan hoeveel kilogram fosfaat is opgekocht én betaald in 1999. Voor het aantal kg fosfaat en varkens waarvoor al verplichtingen zijn aangegaan -maar die nog niet allemaal tot betalingen hebben geleid- wordt verwezen naar het antwoord op vraag 8.

De middelen die in het Herstructureringsfonds zijn gestort, zullen in de eerstkomende jaren worden aangewend voor de uitgaven voor het nieuwe mestbeleid. Naast de beëindigingsregeling veehouderijtakken betreft dit o.a. uitgaven voor het Sociaal Economisch Plan voor de veehouderij en de mogelijkheid tot vervroegde uittreding voor veehouders.

opgekochte kg fosfaat

totale uitgaven


* mln


* f 1000

Opkopen varkensrechten


0,5


52 069

Bevar (onderdeel opkoop)


0,2


25 600

Diverse projecten mest


4 573

Overig


624

Storting in het Herstructureringsfonds


294169

Totaal


0,7


377 035

Vraag 10, 11 en 12:

Ten aanzien van biologische landbouw presenteert de minister alleen realisatiecijfers. De Algemene Rekenkamer is van mening dat de minister duidelijk moet maken wat de uitgangssituatie is, welke situatie de minister nastreeft, en in hoeverre die gewenste situatie wordt gerealiseerd. De minister dient het beleid zodanig te formuleren dat het beleid ook te evalueren is. Is de minister voornemens de suggestie van de Rekenkamer op te volgen?

De geleverde cijfers zijn realisatiecijfers. Gevraagd was om streefcijfers, met daarbij de tussenstand. Hoe verhouden de resultaten totnogtoe zich tot de streefcijfers?

Wat zijn de concrete doelstellingen voor de ontwikkeling van de biologische landbouw? Is het logisch hier geld in te steken, voordat concrete einddoelen goed zijn geformuleerd?

Antwoord:

Het huidige Plan van Aanpak (1997-2000) is gericht op het stimuleren van de afzet en van de omschakeling naar biologische landbouw. Dit is niet vertaald in streefcijfers en concrete doelstellingen. Een belangrijke reden hiervoor is dat de markt -en de wijze waarop het bedrijfsleven inspeelt op deze markt- sterk bepalend is voor de uiteindelijke omvang van de biologische landbouw. In het nieuwe plan van aanpak Biologische Landbouw zullen daar waar mogelijk streefcijfers/indicatoren en meetbare doelen worden opgenomen.

Vraag 13:

Wanneer kan de Kamer de nieuwe beleidsnota Biologische Landbouw verwachten?

Antwoord:

Het nieuwe plan van aanpak zal naar verwachting nog voor het zomerreces aan de Tweede Kamer worden toegezonden.

Vraag 14:

De gevraagde productiewaarde van de biologische landbouw, zowel absoluut als relatief, wordt niet gegeven. Evenmin wordt aangegeven waarom deze gegevens niet zijn gemeld. Wat zijn de juiste cijfers?

Antwoord:

De kengetallen die bekend zijn over de biologische landbouw zijn vermeld in de financiële verantwoording 1999 van LNV. Dit betekent dat geen gegevens over de productiewaarde in 1999 beschikbaar zijn. Wel kan worden gemeld dat uit cijfers van het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel blijkt dat in 1999 de omzet van de supermarkten van biologische producten een geschatte waarde had van f150 miljoen. De natuurvoedingswinkels hadden in 1999 een omzet van f257 miljoen.

Vraag 15:

Waarom ontbreekt een overzicht van de fiscale regelingen voor biologische landbouw?

Antwoord:

De fiscale regelingen waarvan de biologische sector gebruik kan maken zijn: de Vamil (Vervroegde Afschrijving Milieu-investeringen), de Energie Investeringsaftrek (EIA) en de Regeling Groenfinanciering.

Vraag 16:

Wil de minister een duidelijke doelstelling formuleren ten aanzien van de stimulering van duurzame landbouw, hetgeen een algemene doelstelling van het beleid van het ministerie is?

Antwoord:

Op dit moment verkeert de uitwerking van een nieuw beleidsinstrument voor de stimulering van duurzame landbouw in de eindfase. In overleg met diverse maatschappelijke organisaties is gewerkt aan de ontwikkeling van een samenhangend concept van duurzaamheid in de landbouw, waarin actuele thema's een plaats krijgen. In de dierlijke sectoren varkens-, pluimvee- en melkveehouderij gaat het vooralsnog om ammoniak, mest/mineralen, dierenwelzijn, diergezondheid, energie en natuur. In de plantaardige sector (akkerbouw, opengrondsgroente-, fruit-, bloembollen- en boomteelt, glastuinbouw en champignonteelt) krijgen in ieder geval gewasbescherming, mineralen en voor de energie-intensieve sectoren ook energie de aandacht.

Om bedrijven die investeren in maatregelen op de verschillende duurzaamheidsthema's positief te onderscheiden, wordt thans gewerkt aan een systeem van certificering, genaamd Stimulans Duurzame Landbouw (SDL). Het voornemen is bedrijven met een SDL-certificaat in aanmerking te laten komen voor een aantal financiële regelingen. (bijv. regeling Groen Beleggen en de Milieu-investeringsaftrek, die per 1 juli a.s. in werking treedt).

Vraag 17:

Waarom wordt in de tabel op blz. 18 alleen het beoogde resultaat voor grondverwerving over deze gehele kabinetsperiode weergegeven, zonder daarbij weer te geven welk deel van deze doelstelling tot op dit moment is gerealiseerd? Kan in volgende jaarverslagen inzichtelijk worden gemaakt hoe realisatie en taakstelling, uitgesplitst naar gebiedscategorie, zich verhouden van jaar tot jaar?

Antwoord:

In de tabel op blz. 18 is een kolom opgenomen aangeduid met «gerealiseerd». Deze tabel geeft per categorie een optelling weer van enerzijds de gronden die bij Staatsbosbeheer en de gezamenlijke particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties per 1-1-2000 in eigendom en beheer waren overgegaan en anderzijds de ruilgronden die in eigendom bij het Bureau Beheer Landbouwgronden aan de categorieën Relatienotareservaten en natuurontwikkeling konden worden toegerekend. De kolom «realisatie 4 jaar
1999/2002» geeft de tussendoelen (taakstellingen) voor de EHS voor de aangegeven vierjarige periode weer. Deze heeft zowel betrekking op de verwerving van gronden voor en door de natuurbeschermingsinstanties, als de realisatie van particulier beheer op gronden begrensd als reservaat of natuurontwikkelingsgebied.

Met ingang van 2001 zal nog een cijferreeks worden toegevoegd die, voor de onderscheiden categorieën, de jaarlijkse voortgang afgezet tegen de taakstelling weergeeft.

Vraag 18:

Bij de grondverwerving is wel aangegeven wat de taakstelling in hectare is in 1999, maar wordt niet vermeld hoeveel hectare er daadwerkelijk via de verwervingssubsidies is gerealiseerd. Hoeveel hectare is er binnen en buiten de EHS in 1999 verworven en in welke categorie (Relatienotareservaat, bestaande natuurterreinen en natuurontwikkeling)?

Antwoord:

Relatienotareservaten, gronden voor natuurontwikkeling en afrondingsaankopen bestaand natuurterrein en landgoederen worden slechts verworven voor Staatsbosbeheer of komen alleen voor subsidie in aanmerking als zij deel uitmaken van de EHS.

Voor de Particuliere Natuurbeschermingsorganisaties gelden de volgende cijfers. Door Natuurmonumenten en de provinciale Landschappen c.s. is in
1999 een oppervlakte van in totaal 3390 ha door het Rijk gesubsidieerd, bestaande uit 1069 ha Relatienotareservaat, 622 ha natuurontwikkelingsgrond en 1699 ha aan afrondingsaankopen bestaand natuurterrein en landgoederen.
Vraag 19:

Wat is de verklaring voor het feit dat er in de periode tussen de brief van
28 december 1998 (Kamerstukken II, 1998 - 1999, 26 200 XIV, nr. 36) en de stand van zaken per 1 januari 1999 meer dan 4000 hectare verworven is?
Antwoord:

In de brief van 28 december 1998 (26 200 XIV, nr. 36) geeft de kolom «gerealiseerd» de stand per 1-1-1998 aan. De totaalstand per 1-1-1999 bedroeg ca 4000 ha meer dan op 1-1-1998.

Vraag 20:

Op welke van de reeds verworven gronden zal het combineren van functies plaatsvinden? Kan per functiecombinatie (bijvoorbeeld natuur en waterberging of natuur en recreatie) een indicatief overzicht worden gegeven van de aantallen hectaren? Is de minister bereid dit overzicht in toekomstige begrotingen en verantwoordingen te geven?

Antwoord:

Inderdaad richt de Regering zich op het zoveel mogelijk combineren van functies, zowel op gronden die zijn of worden verworven ten behoeve van de EHS als op landbouwgrond daarbuiten. Functiecombinaties binnen de EHS zijn op dit moment al mogelijk en gebruikelijk, zoals de functiecombinatie EHS en houtoogst of EHS en openstelling t.b.v. extensieve recreatie. Het ligt niet in de bedoeling per functiecombinatie taakstellingen te formuleren of een administratie daarvan bij te houden.

Vraag 21

Hoe groot is de totale ruimteclaim voor natuur? Kan dit uitgebreid onderbouwd worden? Welke deel van deze ruimteclaim is een EHS claim en welk deel valt de EHS?

Antwoord:

In de binnenkort uit te brengen nota over het te voeren natuur, bos en landschapsbeleid zal worden ingegaan op de totale behoefte aan ruimte voor natuur.

Vraag 22:

Wat is de verklaring voor het feit dat de verdeling van de gronden voor Relatienotareservaten tussen Staatsbosbeheer en overige natuurorganisaties niet 50 - 50 is, maar tweederde - eenderde? (Uit de laatste kolom van de tabel kan worden afgeleid dat per jaar 2500 - 3000 hectare verworven zou moeten worden. Boven aan blz. 19 bijvoorbeeld blijkt het voor de overige natuurorganisaties slechts te gaan om 1080 hectare reservaatgronden)

Antwoord:

De kolom «realisatie 4 jaar» geeft, met een zekere bandbreedte, de realisatie van de EHS weer. Deze realisatie komt tot stand door de inzet van het instrument van de grondverwerving en de subsidieregelingen van het Programma Beheer. Voor particulier natuurbeheer in Relatienotareservaten is in totaal 19.200 ha gereserveerd. Met ingang van dit jaar zal blijken in welke mate van deze mogelijkheden gebruik wordt gemaakt.

Met voorshands als uitgangspunt een groei aan particulier beheer van ca 1000 ha per jaar t/m 2018 resteert voor de categorie Relatienotareservaten een verwervingstaakstelling van ca 1080 ha per jaar voor zowel Staatsbosbeheer als de gezamenlijke particuliere terreinbeherende
natuurbeschermingsorganisaties.

Vraag 23:

De Algemene Rekenkamer stelt dat ten aanzien van de instrumenten 'beheer' en 'inrichting' ter bereiking van de Ecologische Hoofdstructuur geen concrete invulling aan de te bereiken doelstellingen en realisaties wordt gegeven. Het volgende zou wel beter inzicht bieden in de mate waarin het einddoel wordt bereikt: met aangekochte grond dat niet ('goed') ingericht is en niet ('goed') beheerd wordt, wordt het einddoel niet bereikt. Is de staatssecretaris voornemens de suggestie van de Rekenkamer op te volgen?

Antwoord:

Met de inwerkingtreding van de regelingen Natuurbeheer en Agrarisch Natuurbeheer per 1 januari 2000, wordt de relatie tussen het te bereiken doel (realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur) en het ingezette instrument verduidelijkt. De beheerder wordt voortaan afgerekend op het resultaat zoals geformuleerd in het afgesloten doelpakket. Deze vorm van outputsturing maakt het mogelijk om via de hierboven genoemde instrumenten te sturen op de concrete doelstellingen van de EHS, namelijk beheer en inrichting van in totaal 700.000 hectares natuur in 2018.

Vraag 24:

Wat is de verklaring voor het ver achter blijven van de taakstelling voor natuurontwikkelingsgronden en voor de ruime overschrijding van de taakstelling voor bestaande natuurterreinen? Welke instrumenten worden ingezet om de taakstelling ten behoeve van natuurontwikkeling voor deze kabinetsperiode wel te realiseren? Is het gewenst dat binnen het verwervingsbudget een verschuiving optreedt van het aankopen voor natuurontwikkelingsgebieden naar het aankopen voor bestaande natuurterreinen?

Antwoord:

Grondverwerving geschiedt in beginsel op basis van vrijwilligheid. Het verwerven van landbouwgrond levert bij sterk stijgende grondprijzen over een reeks van jaren in combinatie met een terughoudend prijsbeleid van de overheid in het algemeen veel meer problemen op dan de aankoop van bestaande natuurterreinen. Bij deze laatste categorie is overigens geen sprake van een taakstelling maar van een gemiddeld t/m 2018 te verwerven oppervlakte die aan een maximum is gebonden van 36.000 ha dat voor (gesubsidieerde) aankoop in aanmerking komt.

De ruime overschrijding van het jaarlijks gemiddelde in 1999 houdt verband met de aankoop van een landgoed van ca 550 ha door Natuurmonumenten en de aankoop van een groot aaneengesloten natuurterrein (ca 165 ha) door het Noordbrabants Landschap.

Voor de verwerving van gronden voor natuurontwikkeling en voor reservaatsvorming zijn de volgende instrumenten voor de Dienst Landelijk Gebied beschikbaar: er is beleidsmatig meer ruimte voor onteigening, er worden jaarlijks vijf ruilbedrijven in voorraad gehouden, en de regeling Hervestigingsvergoeding is aangepast.

Het is beleidsmatig niet gewenst om meer bestaande natuurterreinen aan te kopen ten koste van natuurontwikkelingsgronden. Gronden voor natuurontwikkeling zijn immers een essentiële component van de EHS, die in
2018 aangekocht en ingericht moet zijn. Bovendien dient de overheid betrouwbaar te zijn in haar handelen, zodat gronden, die na een lang proces van begrenzing als natuurontwikkelingsgebied zijn aangewezen, ook daadwerkelijk worden verworven, indien deze te koop worden aangeboden.
Vraag 25:

Kan alsnog onderscheid worden gemaakt tussen de directe subsidiëring van grondaankopen ten behoeve van de natuurorganisaties door het rijk en de indirecte subsidiëring door het rijk via de provincies? Is deze leningfaciliteit de komende jaren eveneens nog beschikbaar? Zo ja, voor welk bedrag aan aflossing en rente wordt de komende jaren garant gestaan? Kan de minister een toelichting geven op het zogenaamde leningenartikel?

Antwoord:

In 1999 had het Rijk voor de financiering van zijn 50%-aandeel in de grondaankopen van Natuurmonumenten en de provinciale Landschappen c.s. ca. f
17 mln., f 15 mln. aan rijksgegarandeerde leningen en ca. f 90 mln. aan Groenfondsleningen ter beschikking.

Voor 2000 resteert nog een bedrag aan ca. f 60 mln. aan convenantleningen. Na gebruikmaking van deze leningruimte is het volledige bedrag aan convenantgelden (ca. f 23,5 mln.) belegd met rente- en aflossingsverplichtingen.

Over het al dan niet voortzetten van een dergelijke financieringsvorm voor de financiering van grondaankopen voor de EHS kan thans nog geen duidelijkheid worden verschaft.

Met het «leningenartikel» wordt de omvang van het jaarlijkse volume van leningen aangeduid waarvoor het Rijk, voor wat betreft de rente- en aflossingsverplichtingen, zich garant stelt. Het volume voor dit jaar bedraagt f 20 mln. gulden.

Vanaf 1970 heeft de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland dergelijke leningen, op verzoek van het Rijk, afgesloten. In de loop van dit jaar zal het Nationaal Groenfonds deze taak overnemen.

Vraag 26:

Waarom worden in de Financiële verantwoording geen doelstellingen en realisatiecijfers voor Staatsbosbeheer geboden, in tegenstelling tot de overige natuurorganisaties? Kan dit alsnog en/ of kan dit in toekomstige jaarverslagen worden opgenomen?

Antwoord:

Op blz. 18 is in de één na laatste alinea vermeld, dat de helft van de Relatienotareservaten en natuurontwikkelingsgronden uiteindelijk bij Staatsbosbeheer terecht zal komen. De voor deze categorieën bovenaan blz. 19 voor de particuliere natuurbeschermingsorganisaties aangegeven taakstellende oppervlakten golden derhalve in 1999 ook voor Staatsbosbeheer.

Daarnaast gold voor 1999 dat Staatsbosbeheer de beleidsmatige ruimte had om via de Dienst Landelijk Gebied ca 625 ha bestaand natuurterrein in eigendom en beheer te verwerven.

In toekomstige jaarverslagen ook voor Staatsbosbeheer zal een duidelijker inzicht worden gegeven in de voor dat jaar geldende taakstellingen voor reservaats- en natuurontwikkelingsgronden en het gemiddeld te verwerven oppervlak aan bestaande natuurterreinen.

Vraag 27:

Is er, als gevolg van de inhaalslag bij de overdracht van eerder door BBL verworven gronden, sprake van minder ruilgrond in portefeuille bij BBL? Kan in de jaarverslagen voortaan inzichtelijk worden gemaakt welk deel van de verworven gronden ruilgronden zijn en hoe de portefeuille ruilgrond van BBL zich ontwikkelt? Welk deel van de ruilgronden wordt ingezet in het kader van landinrichtingsprojecten, mede ten behoeve van de realisatie EHS onderdelen?

Antwoord:

Ja, er is sprake van een inhaalslag. Deze heeft er nog niet toe geleid dat de grondvoorraad al is gedaald; deze is al enkele jaren op hetzelfde peil. Naar verwachting zal er de komende jaren sprake zijn van enige daling wanneer een aantal oude landinrichtingsprojecten wordt afgesloten. Deze gegevens worden jaarlijks opgenomen in de Rekening en Verantwoording van het Bureau Beheer Landbouwgronden. Hierin is tevens aangegeven welk deel gelegen is binnen landinrichtingsprojecten. Ik wil bezien of in een bijlage bij de Rekening en Verantwoording van het BBL inzichtelijk kan worden gemaakt welk deel van de ruilgronden wordt ingezet in het kader van landinrichtingsprojecten mede ten behoeve van EHS-onderdelen.

Vraag 28:

Betekent de planologische onduidelijkheid dat de EHS en Strategische groenprojecten in de Randstad en elders nabij stedelijke ontwikkelingen niet is begrensd? Zo ja, waarom is dat het geval en hoe denkt de minister provincies alsnog zo snel mogelijk de begrenzing van de EHS te laten afronden? Zo nee, wat is dan de oorzaak van de planologische onduidelijkheid?

Antwoord:

De Strategische Groenprojecten uit het Structuurschema Groene Ruimte zijn alle door de provincies op hoofdlijnen begrensd. Vertaling hiervan in de bestemmingsplannen vindt echter pas plaats, nadat de gronden zijn aangekocht. Dit om mogelijke claims vanwege planschade te voorkomen.

In de Randstad nemen verkopers van agrarische grond in het algemeen een afwachtende houding aan. Deels vanwege de snelle, algemene prijsstijging aldaar en deels in verband met de aankondiging van nieuw overheidsbeleid, waardoor verkopers het idee hebben dat bepaalde locaties mogelijk een andere, voor hen nog lucratievere bestemming zullen verkrijgen.

Alhoewel de EHS in de Randstad nog niet volledig is begrensd, wordt de verwerving afgezien van de lage grondmobiliteit door de aangegeven factoren niet extra bemoeilijkt. Reden is dat dergelijke EHS-gronden verder van de bebouwing af zijn gelegen, die bestemmingswijziging in b.v. industriegebied of woonwijk veel minder waarschijnlijk maken.

Vraag 29:

Welk percentage van de gronden voor natuurontwikkeling zal verworven worden, uitgaande van de huidige ambities, de huidige gemiddelde grondprijzen en de thans beschikbaar zijnde financiële middelen?

Antwoord:

De verwervingstaakstelling voor 2000 voor de categorie natuurontwikkeling omvat een oppervlakte van 3730 ha in totaal inclusief 1430 ha in het NURG-gebied (Nadere Uitwerking Rivieren Gebied).

Vooropgesteld dat sprake is van een toereikende grondmobiliteit en uitgaande dat de hoeveelheid ruilgrond bij het Bureau Beheer Landbouwgronden op peil blijft, zal de taakstelling kunnen worden gerealiseerd.

Vraag 30, 31:

Hoe wordt in het kader van de Drieslag Landinrichting gekomen tot een snellere en meer flexibele inzet van landinrichtingsrente? Is er al vooruitgang geboekt op dit gebied?

Er wordt niet gesproken over de op hand zijnde nieuwe Landinrichtingswet. Er worden beleidsdoelen genoemd, maar wat is de positie van de boer in deze nieuwe beleidsdoelen, bijvoorbeeld bij onteigening en instemmingsrecht. Hoe zijn de doelstellingen voor landinrichting voor de komende jaren geformuleerd?

Antwoord:

Drieslag Landinrichting is een majeure operatie die met de provincies samen wordt opgepakt. Drieslag bestaat uit sanering van de verplichtingenstand, in combinatie met nieuw beleid en herijking van de Landinrichtingswet. De provincies hebben inmiddels het onderdeel sanering ingevuld. Hiermee worden verouderde onderdelen van lopende landinrichtingsprojecten geschrapt. Het onderdeel waarbij nieuw beleid aan de orde is (o.a. Reconstructie, Groene Hart Impuls, Vinac en NURG) leidt tot nieuwe geldstromen en nieuwe planonderdelen, ook binnen landinrichting. De positie van de boer zal in het kader van de herziening van de landinrichtingswet aan de orde komen.

Vraag 32:

Hoeveel hectare is er binnen het experiment Programmabeheer (particulier en agrarisch natuurbeheer) in 1999 ondergebracht, binnen en buiten de EHS?

Antwoord:

Voor de TRPN (Tijdelijke Regeling Particulier Natuurbeheer) zijn dit voor
1999: 177 hectares. Dit betreft zowel het Groene Hart als Waterland.
Voor de TRAN (Tijdelijke Regeling Agrarisch Natuurbeheer) zijn dit voor
1999: 23.453 hectares.

Vraag 33:

Wat is de verklaring voor het feit dat uitsluitend wordt ingegaan op waardevolle cultuurlandschappen en niet op de term "nationale landschappen"? Kan alsnog inzicht worden verschaft in de wijze waarop het nationaal landschapspatroon tot stand wordt gebracht en welke resultaten hiermee zijn geboekt?

Antwoord:

Over het nationaal landschapspatroon (NLP) kan het volgende gemeld worden.

Voor de ontwikkeling (areaaluitbreiding) van het NLP bestaat er een taakstelling van 6000 ha. Daarvan is 1500 ha als taakstelling in landinrichtingsverband opgenomen. Van deze 1500 ha is tot nu toe 1300 ha verworven en 45 ha is intussen ingericht.

Van de overige 4500 ha taakstelling wordt 3000 ha gerealiseerd via natuurontwikkeling. Dit moet in 2018 zijn afgerond.

De laatste 1500 ha taakstelling dient in 2019 te zijn gehaald.

Vraag 34:

Wat is de verklaring voor de daling in de opbrengsten uit jachtakten met fl.
1,3 miljoen?

Antwoord:

De ontvangsten uit de jachtakten zijn nagenoeg gelijk aan die in het vorige begrotingsjaar. Het bedoelde bedrag ad f1,3 miljoen, genoemd in artikel
13.05 moet niet worden gelezen als een daling in de ontvangst van jachtaktegelden. Dit is een bedrag dat als onderdeel van de bijdrage van jachtaktehouders, ten behoeve van de betaling van schadeuitkeringen rechtstreeks aan het Jachtfonds wordt overgeboekt. Boekhoudkundig levert dat in het kader van artikel 13.05 daarom een min-post op.
Vraag 35:

Het betaalde bedrag per varken voor veterinaire maatregelen zou volgens de Europese Commissie hoger liggen dan in andere landen. Om welk bedrag gaat het hier volgens de Europese Commissie en welke bedragen zijn in andere landen uitbetaald?

Antwoord:

Ik zal u binnenkort een brief over de stand van zaken m.b.t. de afwikkeling van de varkenspestcrisis 1997 doen toekomen.

Vraag 36:

Waarom is onder art. 13.04 Beheer de rijksbijdrage SBB met fl. 17 miljoen toegenomen ten opzichte van de begroting, terwijl het particuliere deel in totaal met fl. 14 miljoen afneemt?

Antwoord:

Er bestaat inhoudelijk geen relatie tussen de toename van het budget voor het beheer door Staatsbosbeheer en de afname van het budget voor het beheer door particulieren.
De toename in de rijksbijdrage voor Staatsbosbeheer wordt voornamelijk veroorzaakt door de vergrote inspanningen door SBB in het kader van het Overlevingsplan Bos- en Natuur en de uitvoering van een programma voor de sanering van vervuilde bodems in Staatsbosbeheer terreinen. De geringere realisatie door de particulieren wordt veroorzaakt door een vertraagde uitvoering van het herstelbeheer en te optimistische prognoses.
Vraag 37:

Welke type en welk percentage natuuroppervlakte is niet toegankelijk voor mensen? Welke beleidsstappen worden genomen om het percentage toegankelijk natuurgebied te vergroten? Op welke wijze wordt dit structureel inzichtelijk en meetbaar gemaakt? Kan in toekomstige begrotingen en verantwoordingen de stand van zaken aangaande de toegankelijkheid van de Nederlandse natuur worden opgenomen?

Antwoord:

Het beleid van de Regering is er opgericht om daar waar dit mogelijk de toegankelijkheid van de natuur te vergroten
De toegankelijkheid is niet gekoppeld aan een bepaald type natuur maar aan de specifieke omstandigheden van het natuurterrein. Sommige typen natuur zijn vanwege hun aard gevoeliger voor betreden en/of verstoring. Voor de huidige natuurterreinen is er een openstelling van ca. 90%. Dit is overeenkomstig het huidige beleidsdoel op dit terrein. In het kader van Programma Beheer zijn voorwaarden voor openstelling opgenomen en zijn aanvullend doelpakketten opgenomen voor de doelstelling recreatie. Voorts zijn er de bestaande (fiscale) regelingen ter stimulering van de recreatieve openstelling.
In de toekomstige begrotingen en verantwoordingen zal informatie over de toegankelijkheid van de EHS worden opgenomen.

Vraag 38:

Waarom, toegelicht per onderdeel, is bij het beheer van de natuur op bijna elk onderdeel de begrotingsdoelstelling in hectare niet gehaald in 1999?

Antwoord:

De geringere realisatie in hectares van het beheer wordt onder meer verklaard door:

De belangstelling voor een aantal onderdelen bleek in verband met de aangekondigde start van Programma Beheer geringer te zijn dan verwacht. Dit betreft de functiebeloning, particulier natuurbeheer en het landschapsprogramma.

Voor het beheer door de particuliere organisaties en het beheer in het kader van de RBON bleken te hoge prognoses te zijn gehanteerd. Het weidevogelbeheer in het Groene Hart en inWaterland heeft geresulteerd in
24.000 ha. overeenkomsten (f 6,2 mln.) Bij de RBON is een areaalgroei van bijna 7.000 ha. gerealiseerd, hetgeen ruim boven de raming ligt.
Bij het herstelbeheer is vertraging in de uitvoering ontstaan.

Vraag 39:

De Rekenkamer constateert dat dienstonderdelen nog steeds niet jaarlijks hun administratieve organisatie actualiseren. Er is zelfs sprake van een negatieve tendens. Op welke wijze wordt dit aangepakt?

Antwoord:

Alle dienstonderdelen hebben in 2000 een onderhoudsorganisatie AO. Er zal periodiek toezicht worden uitgeoefend op de goede werking daarvan.

Vraag 40:

De Algemene Rekenkamer constateert dat er bij met name de verzelfstandigde dienstonderdelen een te geringe bezetting is, zowel kwantitatief als kwalitatief. Op welke wijze zal de minister dit probleem aanpakken?

Antwoord:

LNV volgt een werkwijze waarbij agentschappen systematisch getoetst worden op hun financieel management én op de opzet en werking van de administratieve organisatie. Daar van uit zijn mij ten algemene geen problemen bekend ten aanzien van een te geringe bezetting.

De Algemene Rekenkamer constateert meer specifiek knelpunten bij de DLG en de RVV.

De DLG is een erkend betaalorgaan voor de uitvoering en betaling van subsidies vanuit het EOGFL-Garantie. Als erkend - en door de Accountantsdienst van LNV gecertificeerd - betaalorgaan voldoet DLG aan de nodige kwaliteitseisen ten aanzien van het financieel beheer. Voor de nationale werkzaamheden van DLG is momenteel het verzelfstandigingsproces relevant, waarbij aan financieel beheer en de administratieve organisatie extra aandacht zal worden besteed.

De vergaande reorganisatie bij de RVV is in volle gang en er is inmiddels zeer veel bereikt. In het proces om te komen tot de status van agentschap zal het financieel beheer en de administratieve organisatie verder op orde gebracht worden.

Vraag 41:

De Algemene Rekenkamer constateert dat de informatieuitwisseling tussen Bureau Heffingen, AID en LNV op een aantal punten tekort schiet. Op welke wijze wordt dit probleem aangepakt?

Antwoord:

Door het Bureau heffingen wordt wekelijks de voortgang van de werkzaamheden in verband met de Wet herstructurering varkenshouderij aan de directie Landbouw gerapporteerd. Momenteel wordt gewerkt aan een herziening van de beleidsmatige en financiële aansturing van Bureau Heffingen. De afspraken in dit kader tussen het Bureau Heffingen en de beleidsdirecties zullen contractueel worden vastgelegd. De informatie-overdracht wordt verder geformaliseerd middels het afsluiten van convenanten en protocollen waarin de informatie wordt opgenomen.

Vraag 42:

Is de minister van plan de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer ten aanzien van de verbetering van de taxatieprocedure bij de Beëindigingregeling varkenshouderij over te nemen? Hoe voorkomt de minister dat de taxaties met onvoldoende waarborgen plaatsvinden? Op welke wijze ?

Antwoord:

De aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer zullen worden meegenomen in de op te stellen kwaliteitsborgingen. Middels deze kwaliteitsborgingen zal de onafhankelijkheid van de taxaties die worden gedaan in het kader van de regeling beëindigingsregeling veehouderijtakken, worden gegarandeerd.

De marktprijs van varkensrechten is in verband met de opkoop varkensrechten en de Bevar vastgesteld op basis van de door de Nederlandse Vereniging van Makelaars geïnventariseerde marktprijzen in december 1998.

Vraag 43:

De Algemene Rekenkamer constateert een gebrekkige aansturing vanuit de verantwoordelijke beleidsdirecties, zowel in het kader van de Wet herstructurering Varkenshouderij, als in algemene zin. Met name de uitvoeringsconvenanten moeten nog verder worden uitgewerkt. Hoe wordt dit probleem aangepakt?

Antwoord:

Bij LNV wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen beleid en uitvoering. In het kader van deze interne verzakelijking is een aantal instrumenten ontwikkeld voor informatieuitwisseling. Zo wordt gebruik gemaakt van kaderbrieven, regelingsafspraken, bestuursafspraken, uitvoeringscontracten en uitvoeringsconvenanten.

Een verdere verbetering van de werkwijze vindt plaats door het maken van afspraken over de uitwisseling van managementinformatie in het kader van het Concern Control Systeem (CCS) en zal bovendien een impuls krijgen door de veranderingen in de begroting (VBTB).

Tevens is ter verbetering van de aansturing op departementaal niveau medio
1999 een aparte eenheid opgericht, de Regiegroep Doorlichting en Kwaliteitsborging (RDK). Eén van de taken van de RDK is het voorbereiden van een algemene sturings- en toezichtvisie voor het beleidsterrein van LNV. Streven is om deze visie nog dit jaar af te ronden.
Vraag 44:

Op welke wijze wordt het knelpunt aangepakt dat fouten van regionale overheden in de uitvoering van EU-regelingen financieel ten laste van het rijk komen (bijvoorbeeld bij de varkenspest)? Met ingang van het jaar 2000 zal de communautaire medefinanciering van de afdeling Oriëntatie worden overgeheveld naar de afdeling Garantie. Zal dit verbeteringen opleveren en hoe zal de uitvoering van de overheveling verlopen?

Antwoord:

In het voorstel van Wet Toezicht Europese subsidies wordt dit brede knelpunt erkend en wordt onder andere een verhaalsrecht van de Staat op decentrale overheden voorgesteld. Dit verhaalsrecht geeft de mogelijkheid om financiële gevolgen voor de Staat als gevolg van niet-naleving van communautaire verplichtingen door decentrale overheden ten laste te laten komen van die decentrale overheden.

Ongeacht deze wet zullen ook nu al met decentrale overheden afspraken worden gemaakt over aansprakelijkheid. De wet kan echter wel dienen om decentrale overheden indien noodzakelijk tot naleving van afspraken te dwingen.

Met ingang van 2000 heeft slechts een gedeeltelijke overheveling plaatsgevonden van maatregelen gecofinancierd uit EOGFL-Oriëntatie naar Garantie. Het gaat hier om maatregelen die vallen onder het Plattelandsontwikkelingplan. Dit plan zal gezamenlijk met de provincies worden uitgevoerd. In een bestuurovereenkomst tussen LNV en de provincies zal de aansprakelijkheid voor financiële correcties worden geregeld. Uitgangspunt hierbij is dat de regelings- en programma-eigenaren verantwoordelijk zijn voor een EU-conforme opzet en uitvoering van de regelingen en programma's. Door overheveling van het budget van Oriëntatie naar Garantie moeten de Europese geldstromen via een erkend betaalorgaan lopen.

Vraag 45:

De Plantenziektekundige Dienst sloot 1999 af met een tekort van 1,4 miljoen gulden. Wat zijn de verwachtingen voor 2000 en op welke wijze wordt het tekort ongedaan gemaakt?

Antwoord:

Het in 1999 bij de PD gerealiseerde tekort van ca. f 1,4 mln is ten laste van het agentschapvermogen van de PD gebracht, dat hierdoor is afgenomen. Voor het jaar 2000 zal een extra bijdrage aan de PD worden verstrekt ter grootte van ca. f 2,5 mln., waarmee het voorziene tekort voor 2000 kan worden gedekt.

Vraag 46:

De Algemene Rekenkamer heeft geconstateerd dat de administratieve organisatie niet jaarlijks geactualiseerd wordt, wat niet goed is voor het functioneren van het ministerie en wat ondoorzichtigheid bevordert in het functioneren van het ministerie. Te geringe bezetting en reorganisaties zijn deels de oorzaak hiervan, omdat zij slechte communicatie tussen de het ministerie en de uitvoerende diensten veroorzaken, waardoor minder goede resultaten worden behaald. Hoe denkt minister de communicatie en het management op deze punten te verbeteren?

Antwoord:

Alle dienstonderdelen beschikken in 2000 over een onderhoudsorganisatie AO, waarop ook toezicht gehouden wordt. Daardoor zullen de verschillende dienstonderdelen van LNV in principe over een adequate administratieve organisatie beschikken die voorziet in de noodzakelijke managementinformatie voor sturing en toezicht.

Vraag 47:

Hoe wordt de aanbeveling van de Rekenkamer gerealiseerd dat de PD, AID en RVV uiterlijk in 2000 over een eigen onderhoudsorganisatie voor de administratieve organisatie beschikken?

Antwoord:

De Rekenkamer merkt in haar rapport het volgende op (zie 2.3.2 bevindingen): Reeds in 1999 zijn er maatregelen genomen zodat de PD, AID en RVV in 2000 over een eigen onderhoudsorganisatie zullen beschikken.

Zowel de AID als de RVV leveren in 2000 compleet nieuwe handboeken AO op naar aanleiding van reorganisaties. Bij de oplevering van de nieuwe handboeken wordt de nieuwe onderhoudsorganisatie geïnstalleerd. De PD zal in
2000 haar onderhoudsorganisatie op orde hebben.
Vraag 48:

Hoe denkt de minister te komen tot een verbetering van de automatisering en het opstellen van risicoanalyses voor geautomatiseerde systemen, die nog niet afgerond zijn?

Antwoord:

Bij LNV wordt voor de ontwikkeling van geautomatiseerde systemen al geruime tijd gebruik gemaakt van de zgn. LIA-aanpak, die voorziet in een risico-analyse en de nodige beveiligingsmaatregelen voor kritische systemen. Een uitbreiding daarvan met een zogenaamde A/K analyse is voorzien, en in gang gezet.

De achterstand in de uitvoering van afhankelijkheids/kwetsbaarheids analyses (A/K-analyses) is veroorzaakt door:

de millenniumproblematiek, die veel capaciteit heeft gevergd

de software waarmee de A/K-analyses worden uitgevoerd, kent nog veel problemen.

De achterstand in de uitvoering van A/K-analyses brengt geen extra risico's met zich mee omdat compenserende maatregelen zijn getroffen.

Rapport Beleidsprioriteiten 1999 en 2000

Vraag 49:

Is de minister bereid de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer over te nemen om voortaan in de Financiële verantwoording de ontwikkeling in de vermindering van het aantal varkens en de gerealiseerde mestreductie over de afgelopen jaren te melden?

Antwoord:

Ja, dit is ook geheel in lijn met de reeds bestaande praktijk waarbij de Kamer periodiek wordt geïnformeerd over de voortgang van het flankerend beleid in het kader van de herstructurering varkenshouderij, waaronder de reductie die is bereikt door het afromen en het opkopen van varkensrechten. Ik wil echter wel aantekenen dat mijn beleid gericht is op de reductie van het fosfaatoverschot door het opkopen van varkensrechten. De ontwikkeling in de vermindering van het aantal varkens is een momentopname die niet noodzakelijk representatief is voor de mestproductie in een bepaald jaar.

Samenstelling:

Leden:

Plv. leden:

Van der Vlies (SGP),

ondervoorzitter

Swildens-Rozendaal (PvdA)

Ter Veer (D66), voorzitter

Witteveen-Hevinga (PvdA)

Feenstra (PvdA)

M.B. Vos (GroenLinks)

Stellingwerf (RPF)

Poppe (SP)

Van Ardenne-van der Hoeven

(CDA)

Augusteijn-Esser (D66)

Klein Molekamp (VVD)

Passtoors (VVD)

Eisses-Timmerman (CDA)

Th.A.M. Meijer (CDA)

Schreijer-Pierik (CDA)

Oplaat (VVD)

Hermann (GroenLinks)

Geluk (VVD)

Udo (VVD)

Waalkens (PvdA)

Schoenmakers (PvdA)

Herrebrugh (PvdA)

Atsma (CDA)

Snijder-Hazelhoff (VVD)

Dijsselbloem (PvdA)

Van Vliet (D66)

Van Zuijlen (PvdA)

Ravestein (D66)

Zijlstra (PvdA)

Albayrak (PvdA)

Van der Steenhoven

(GroenLinks)

Van Middelkoop (GPV)

Kant (SP)

Mosterd (CDA)

Scheltema-de Nie (D66)

Verbugt (VVD)

Cornielje (VVD)

Buijs (CDA)

Rietkerk (CDA)

Reitsma (CDA)

Patijn (VVD)

Karimi (GroenLinks)

Kamp (VVD)

O.P.G. Vos (VVD)

Belinfante (PvdA)

Dijksma (PvdA)

De Boer (PvdA)

Van Wijmen (CDA)

Te Veldhuis (VVD)

Duivesteijn (PvdA)

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie